Hugo Morrens

Hugo Morrens

Zoals men op deze blog al herhaaldelijk heeft kunnen vaststellen, was (ben) ik nogal bevriend met een aantal mensen op de persdienst van de toenmalige BRT (Fons Mariën, Peter Cnop, Willy Van Poucke, Ronny Pieters, il y en a d’autres). Dat was uiteraard geen toeval. Enerzijds kwam dit voor uit beroepsomstandigheden (ik was in die tijd als linkerhand van Lode De Pooter ook geregeld actief op televisiegebied), anderzijds moet men weten dat we het hier hebben over de tijd dat de BRT nog een echte monopolitische staatsomroep was. Dat was m.a.w. de tijd dat, als we in de buurt waren (voor een persconferentie in The Swan b.v.) en “dus” reeds flink aangeschoten, Lode placht te zeggen: “Komaan, mannen, laten we er nog één gaan drinken bij de Morrens!”
En “de Morrens” dat was dus Hugo Morrens, hoofd van bovengenoemde persdienst. En hij ontving ons nog met de glimlach ook! Ook al hebben communisten de neiging wat uit de hoogte te doen tegenover socialisten – zo van: ’t zijn toch geen échte – en was de conversatie dan ook af en toe ronduit genant.

Lees verder “Hugo Morrens”

Fons Mariën wordt 65…

Fons Mariën wordt 65…

Mijn “Germaanse” vrienden zijn nogal actief op de boekenmarkt de laatste tijd. Er zijn de dichtbundels van Staf de Wilde en Jean-Marie Maes (Jan M.Meier), maar Fons Mariën, die morgen jarig is, heeft zowaar kort na elkaar twee nieuwe boeken uitgebracht. Na de essaybundel ‘De slaap van de rede brengt monsters voort’ is er nu ook de korte roman of lange novelle ‘April’, die eveneens werd uitgegeven door Aspekt (Nederland). Bovendien schreef hij al zo’n 200 bijdragen op de sites van “Lezers Tippen Lezers” of “Goodreads” en sinds maart van vorig jaar verschijnen deze nu ook op mijn blog onder de titel “De leestips van Nonkel Fons”.

Lees verder “Fons Mariën wordt 65…”

55 jaar geleden: première van “A hard day’s night”

55 jaar geleden: première van “A hard day’s night”

Vandaag is het precies 55 jaar geleden dat de eerste film met The Beatles in de hoofdrol, “A hard day’s night”, in Londen in première ging. Geregisseerd door avant-garde regisseur Richard Lester (“The Knack”) betekende de film een revolutie in de geschiedenis van de muzikale film. Natuurlijk bestonden er al filmvehikels voor popvedetten als Elvis Presley of Cliff Richard, maar meer dan een amoureus verhaaltje dat het kader moest scheppen om enkele songs te vertolken waren deze films niet. Lester gooide het roer helemaal om en was een voorloper van de videoclip, die pas een kleine kwarteeuw later ingang zou vinden.

1964 was een zwak jaar in Cannes. De winnaar is “Les parapluies de Cherbourg” van Jacques Demy met Catherine Deneuve (Delphine), Françoise Dorléac (Solange), Danielle Darrieux (Yvonne), Michel Piccoli (Simon Dame), Jacques Perrin (Maxence) en Gene Kelly. Met deze film maakt Jacques Demy een Europese interpretatie van de Amerikaanse musical. De tweelingzussen Delphine en Solange (gespeeld door de zussen Catherine Deneuve en Françoise Dorléac) dromen elk van hun ideale liefde en van een zang‑ en danscarrière in Parijs. Elders dromen twee mannen van hun ideale vrouw. Ze ontmoeten elkaar. De vonk slaat over. En dan duurt het nog een hele film eer het onvermijdelijke gebeurt: de geliefden worden herenigd. De boodschap is overduidelijk: het geluk woont vlak achter de hoek maar we missen het ‑ ongeweten ‑ telkens op een haar.
Voor “My fair lady” (George Cukor, 1964) werd Audrey Hepburn verkozen boven Julie Andrews, die de rol in het theater had gecreëerd. Dit maakte zoveel ophef dat de producers “voor alle zekerheid” nadien de stem van Audrey voor de liedjes vervingen door die van Marni Nixon. Met alle sympathie voor mooie Audrey (zéker tegenover Andrews), maar haar muzikale exploten in “Breakfast at Tiffany’s”, waarin ze “Moon river” kweelde, waren toch niet echt om over naar huis te schrijven. Ondertussen bestaat er trouwens ook een kopie van “My fair lady”, waarin men wél haar stem kan horen. Julie Andrews werd bovendien getroost met “Mary Poppins” (Robert Stevenson, 1964).
In 1965 het jaar dat iedereen tenminste tien keer naar “The sound of music” van Robert Wise ging kijken, keek ik liever naar “Help” van Richard Lester. Tegen de gangbare opinie in vind ik deze tweede film van The Beatles ook beter dan “A hard day’s night” (1964).
Mark Lester is daarna te zien in “Oliver!” van Carol Reed, een Engelse musical naar het boek van Charles Dickens over de weesjongen Oliver Twist. Met verder: Ron Moody, Oliver Reed, Harry Secombe e.a. In 1966 was er “Sweet Charity” van Bob Fosse (naar “Le Notti di Cabiria” van Fellini) met Shirley MacLaine en een jaar later was er “Les demoiselles de Rochefort” van Jacques Demy met in de titelrollen opnieuw de zusjes Catherine Deneuve en de helaas veel te vroeg overleden (auto-ongeval) Françoise Dorléac.

Lees verder “55 jaar geleden: première van “A hard day’s night””

Nora Tilley (1952-2019)

Nora Tilley (1952-2019)

De populaire actrice Nora Tilley is gisteren thuis in Putte overleden. De uitvaartdienst zal plaatsvinden in besloten kring. “Nora (die na eerst borstkanker te hebben overwonnen, te maken kreeg met de spierziekte ALS, RDS) had haar grenzen al een paar keer verlegd, maar toen na het gebruik van armen en benen ook haar stem wegviel, nam ze het voor haar onvermijdelijke besluit”, zo geeft de familie nog mee in een mededeling aan Het Nieuwsblad.
Lees verder “Nora Tilley (1952-2019)”

Dertig jaar geleden: perschef bij minister De Batselier

Dertig jaar geleden: perschef bij minister De Batselier

Het is vandaag al dertig jaar geleden dat ik ben begonnen als perschef van Norbert De Batselier, die toen ondervoorzitter van de Vlaamse regering was (een soort van vice-president zeg maar) en minister van economie. Op papier moest dit de bekroning van mijn professionele carrière worden, in werkelijkheid werden het de drie zwartste maanden uit mijn leven. Ik weet nog heel goed dat ik op een woensdag ben begonnen en dat ik op zaterdag een fuif gaf in de Grote Avond om mijn nieuwe job te vieren. Maar er viel toen al helemaal niets te vieren. Er heerste een begrafenisstemming. Ik herinner me nog dat een vriendin me met de beste bedoelingen een nieuwe das had gekocht en dat ik samen met Vuile Mong daar droefgeestig zijn meezinger “Ze noemen mij Gerard Plastron” (op de wijze van “Juul Kabas”) heb aangeheven. Of ik gehuild heb, weet ik niet meer, wellicht heb ik me “sterk gehouden”, zoals dat dan heet, maar, ach Mong, het huilen stond me veel nader dan het lachen…

Maar hoe was het dan “zover kunnen komen” zoals men dan zegt? Alles had in de eerste plaats natuurlijk te maken met de troubles op De Rode Vaan, waarbij het tot een breuk was gekomen tussen de oude redactie en het nieuwe partijbestuur. Op dat moment waren, op uitzondering van Jan Mestdagh, die pas op 1 april bij de C.S.C. zou beginnen (waar hij mij later zou kunnen overhalen om naartoe te komen, de twééde grootste misstap uit mijn leven), al mijn collega’s reeds vertrokken, zodat ik in een vijandige sfeer moest werken. Vandaar dat ik ook naar een andere job begon te hengelen en dan nog liefst op de persdienst van de toenmalige BRT, die op dat moment werd geleid door Hugo Morrens, waarmee ik omwille van mijn televisiebijdragen veel contact had gehad en waarmee ik (behalve een kleine frictie in mijn beginperiode toen ik nog voor het regionale weekblad De Voorpost werkte) goed kon opschieten.
Hugo Morrens ving deze signalen wel op, maar interpreteerde ze verkeerd, zodat hij mij niet bij de BRT maar wel op het kabinet van De Batselier binnenloodste. Of beter gezegd: wou binnenloodsen. Er was immers geen haar op mijn hoofd dat eraan dacht op de vraag in te gaan. Dat kan mijn toenmalige vriendin getuigen die mij destijds afzette aan het fameuze gebouw in de Keizerslaan, waar ik later nog zovele ongelukkige jaren zou slijten en waar ik toen moest gaan “solliciteren” bij Carla Galle. Ik had haar (mijn vriendin) immers gezegd: wacht hier even op mij, ik ben zo terug, dit wordt gewoon een “beleefde weigering”.
Nog een geluk dat het arme mens (alweer die vriendin dus) een Humo had meegebracht, want het was zeker een uur later toen ik weer buitenkwam en dan wel degelijk als toekomstig persattaché van minister De Batselier.
Hoe is het in godsnaam zo ver kunnen komen? Nu leven we in een tijd dat als men niet enthousiast genoeg is, als men bij wijze van spreken niet op de tafel staat te dansen, men al niet wordt aangenomen, laat staan als men bij de aanvang zegt dat men het voorstel toch maar liever wil afwijzen! Waarom heeft Carla Galle zo op mij zitten inpraten?
Ik zou het niet weten. Wat ik wél weet is dat ik haar op 6 februari 1989 een brief schrijf, die ik begin met “Lieve Carla” (om maar te zeggen hoe ver mijn onnozelheid reikte!). Ik nodig haar daarin uit “om eens een glas te gaan drinken of misschien zelfs een hapje te eten” uit dankbaarheid voor haar “roos-kleurige (om een woordspeling meer of minder zit ik nooit verlegen, RDS) voorstelling van mijn persoontje bij Norbert De Batselier” (ik word niet goed!), maar vooral vraag ik haar meer inlichtingen over de manier waarop zij mijn job zag in combinatie met recensiewerk voor De Morgen, zoals ze in het vooruitzicht had gesteld. Uiteraard heb ik nooit geen antwoord gehad. En ik heb later wel voor De Morgen gewerkt, maar dan na een eigen sollicitatie bij de sportredactie (Jules Hanot).
Want uiteraard had ik hoegenaamd geen tijd bij De Batselier om daar ook maar iets nog bij te doen (ik deed daar dagen van tien uur en ik durf gerust zeggen dat dit van alle stafleden het gunstigste regime was; ik werd dan ook vaak vies aangekeken en op een bepaald moment is het met een zekere Ketels zelfs eens tot een scheldpartij gekomen). Hoe ik echter in het sprookje kon geloven dat de SP in die tijd nog kon dicteren wie er bij De Morgen kwam werken, zoals ze dat destijds bij Vooruit en De Volksgazet uiteraard wél nog had gekund, gaat mijn petje te boven. Vandaar, nogmaals Hugo, dat ik alle verantwoordelijkheid op mij neem. IK was de dwaze kloot in heel deze historie en niemand anders.
Enkele jaren later zag ik De Batselier weer, want C.S.C. staat voor “Centrale voor Socialistisch Cultuurbeleid”, dus het spreekt vanzelf dat wij ook deel uitmaakten van de “cel cultuur” van de SP, waarvan De Batselier de voorzitter was. Bij elke vergadering drukte hij me amicaal de hand, maar nooit ofte nooit heeft hij ook blijk gegeven van een teken van herkenning. Wie weet, misschien was hij me inderdaad gewoon vergeten, mijn verblijf is tenslotte heel kortstondig geweest en bovendien was het ook voor hem allesbehalve een prettige periode. Het was immers de periode van de mijnsluitingen, waarvoor hij als minister van economie verantwoordelijk was. Het spreekt vanzelf dat dit ook niet heeft bijgedragen om mijn taak te vergemakkelijken. Herman Verheyden, een ouwe rot in het vak, heeft me dat toen nog gezegd, waarmee hij zowat de enige moet zijn geweest, die me in die donkere periode trachtte een riem onder het hart te steken.
Met deze opmerking wil ik van de gelegenheid gebruik maken om een misverstand recht te zetten. Velen denken namelijk dat mijn huidig engagement voor de N-VA te maken heeft met wat er in die tijd en de daarop volgende jaren is gebeurd. Niets is minder waar. Eerst en vooral, na De Rode Vaan moest ik ondervinden dat de kansen voor iemand die van daar komt, niet voor het rapen liggen. De SP heeft mij die kansen geboden (ook Agalev heeft mij een aanzoek gedaan, maar dat was voor mij nog veel ondenkbaarder dan de SP) en ik heb ze verkwanseld. Dat is dus op de eerste plaats mijn eigen schuld. En ook al zou ik van alles kunnen opmerken over bepaalde mensen waarmee ik destijds bij de SP heb gewerkt, dan ga ik dat niet doen omdat ik vind dat ik op de eerste plaats toch de hand in eigen boezem moet steken. Wat ik ze wél wil verwijten, is een gebrek aan mededogen, vooral omdat dit toch altijd één van hun slogans is geweest. En daarvoor hoef ik zelfs niet eens mijn eigen persoontje als voorbeeld te nemen, ik ken er ook nog andere, die ik met mijn eigen ogen heb ten onder zien gaan.
Maar nogmaals, dat heeft allemaal niets met mijn keuze voor N-VA te maken, dat trouwens zelfs nog niet eens bestond in de periode waarover ik nu spreek. Nee, die keuze heb ik elders op mijn blog al diverse malen uitgelegd en die komt telkens neer op een positieve keuze voor Vlaanderen en dus zeker niet uit rancune tegenover de SP, laat staan tegenover het socialisme.
Anderzijds is het wel zo dat de giftige manier waarop de sp.a (zoals ze nu heten) op de N-VA reageert (vraag dat maar aan Dylan Casaer en de andere socialisten van Aalst) en vooral ook het getreiter en gejen (ik wil het modewoord “pesten” niet gebruiken) van mijn vroegere communistische kameraden die nu voor sp.a of Groen! stemmen ervoor zorgt dat die afkeer er stilaan wel komt. Ik denk nochtans dat ik het spel eerlijk heb gespeeld. Ik denk dan vooral aan sociale media als Facebook en dergelijke. Uiteraard kom ik uit voor mijn ideeën en wil ik andere mensen overtuigen, maar ik doe dat altijd op mijn eigen pagina, ik ga nooit op de accounts van anderen mijn ideeën uitdragen. Dat is iets wat zeker niet kan gezegd worden van mijn tegenstanders. En het strafste is dan nog: dat mij verzuring wordt verweten. Enfin, ze doen maar. In mei volgt de afrekening…

Lees verder “Dertig jaar geleden: perschef bij minister De Batselier”