Frans Roggen (1911-1978)

Frans Roggen (1911-1978)

Het is vandaag al veertig jaar geleden dat Frans Roggen, een pionier van het Vlaamse theater, is overleden.

Als Antwerpenaar van komaf, maar Gentenaar van adoptie was Frans Roggen tijdens de Tweede Wereldoorlog verbonden aan de Gentse KNS onder de opeenvolgende directies van Staf Bruggen (die alleen maar Vlaamse stukken programmeerde) en Michel van Vlaenderen. Als overtuigd antimilitarist (hij was lid van de liga van “het gebroken geweer”, die door ongeveer alle partijen werd geboycot) bleef hij toch toneelspelen ook tijdens de fascistische bezetting. Met zijn “psychologische” manier van acteren (tegenover de heersende mode van het “romantische” toneel) wordt hij de vader van het moderne Vlaamse theater genoemd.
Daarna speelde hij o.m. bij het Nieuw Nederlands Toneel, waarmee hij o.a. een tournee door Congo maakte in 1950 onder leiding van Fred Engelen. Op de foto zien we een hiervoor geënsceneerde bespreking van de kostuums voor ‘Antigone’ van Jean Anouilh. V.l.n.r. herkennen we achteraan Marcel Leemans, Anton Peeters, Marcel Hendrickx, W. Verhoogstraten, Frans Roggen en Fred Engelen en vooraan Tine Balder, Gella Allaert en Lydia Bruggeman.
Daarna werd hij eerste regisseur bij het dramatisch gezelschap van het toenmalig NIR, maar tegelijk bleef hij een belangrijke rol spelen in het Gentse theaterleven. Hij regisseerde in het NTG en hielp mee bij de oprichting van Arca, Arena, Vertikaal en het Kortrijkse Antigone.
Bij Arca was Frans Roggen op het eind van de jaren zestig ook een jaartje directeur. Hij was tevens leraar aan het Gentse conservatorium tot hij op 19 november 1978 overleed op 67-jarige leeftijd. Ter gelegenheid van de twintigste verjaardag van zijn overlijden werd een boekje uitgegeven, met daarbij zowaar zelfs een cd’tje, waarop Roggen gedichten van Paul van Ostayen (en één van Paul de Vree) voordraagt op een muzikale achtergrond van Louis De Meester. Er staan tal van bijdragen in die de persoon van Roggen vanuit diverse hoeken belichten. Sommige van deze bijdragen zijn iets diepgravender dan andere, die soms ook aan het euvel lijden “over de doden niets dan goeds”. Paradoxaal genoeg komt Roggen dan ook nog het best tot leven in bijdragen als die van gouverneur Herman Balthazar of criticus Jan D’Haese, die ook alluderen op menselijke trekjes van iemand die toch een beetje tot de Olympos van de theatergoden wordt gerekend. Tot mijn stomme verbazing kun je dit boekje zo maar gratis aanvragen bij de Frans Roggenstichting, Gezusters Lovelingstraat 6, 9000 Gent.
Rond die tijd stelde men overigens vast dat het beeld van Roggen in het NTG “verdwenen” was. Zo maar, zonder boe of ba. Aangezien diefstal of iets dergelijks werd uitgesloten, kan men alleen maar vermoeden dat het beeld gevallen is en gebroken en dat men bij het NTG niet durft toegeven dat men zo oneerbiedig is omgesprongen met de eerbiedwaardige theatergod. Frans Roggen regisseerde ook bij het Multatulitheater (op dat moment het drukst bezochte gezelschap in Gent). Tussen 1956 en 1959 zelfs niet minder dan 19 stukken, waaronder “Met gesloten deuren” en “De Lichtekooi”, de eerste stukken van Sartre die in Vlaanderen werden opgevoerd.

Referentie
Ronny De Schepper, Frans Roggen, Periodiek Verschijnsel april 1990

Lees verder “Frans Roggen (1911-1978)”

“Pieter Daens” als luisterspel

Net als Guido Gezelle, maar ook Hugo Claus heeft Boon zich een eigen taal geschapen, die noch dialect is, noch algemeen Nederlands. Met een knipoog zouden we kunnen zeggen dat ze “dialectisch” is.
Zo omzeilde hij op een grandioze manier het eeuwige probleem waarmee de Zuid-Nederlandse schrijver heeft te kampen: welke taal moet men hanteren? Het Noord-Nederlands blijft ons immers vreemd, terwijl het gebruik van de volkstaal dreigt te ontaarden in folklorisme, zoals bij Ernest Claes en Felix Timmermans, waartegen Boon dan ook dikwijls van leer trok.
Wel is het merkwaardig dat hij nooit belangstelling heeft gehad voor het theater. Hierdoor kon hij dan ook het probleem omzeilen welke taal men dààr moet hanteren.
Het dichtst in de nabijheid kwam nog de radiobewerking door Omroep Oost-Vlaanderen van zijn boek “Pieter Daens” die hij zelf schreef. Het werd een hoogstaande productie (van Elie Saegeman) waarvoor Louis De Meester ruim zes uur muziek schreef. De regie en het dramatisch verwerken van zo’n twintigtal stemmen, werd toevertrouwd aan Frans Roggen, gekend door de getrouwen van de luisterspelen, en de rolverdeling omvatte namen als Nand Baert, Anton Cogen, Cyriel Van Gent, Hugo Van den Berghe, Roger Bolders, Jo De Meyere, Achiel Van Malderen, Herman Bruggen, Diane Deghouy, Lieve Moorthamer, Chris Boni, Magda Cnudde en Marc Willems.
Louis Paul Boon reageerde als volgt: “Ik vind het fantastisch. Ik heb gehuild bij sommige afleveringen. De medewerking van de bevolking van Aalst, tijdens de montage op autoloze zondagen, was verbluffend. Ik moet herhalen wat ik schreef tijdens de inleiding van mijn boek: dit alles is ooit nare werkelijkheid geweest, welke zo getrouw mogelijk en objectief werd weergegeven. Het ligt niet in de bedoeling ook maar iemand, die een rol speelde in dit drama der negentiende eeuw, te kwetsen of in een verkeerd daglicht te stellen. De bedoeling is in de eerste plaats de geschiedenis van de sociale strijd der negentiende eeuw in het stadje Aalst weer te geven, de opkomst van het socialisme en het epos der gebroeders Daens.” (Zie, 11/4/1975)

NTG-stuk nr.234: De repetitie (3/3/1993)

“La répétition ou l’amour puni” (1950) van Jean Anouilh (Bordeaux 1910-Lausanne 1987) werd in het NTG gebracht in een vertaling en regie van Hugo Claus. Na zijn dood zakte de roem van Anouilh snel als een pudding in elkaar en Hugo Claus wilde daaraan iets doen met een stuk dat Frans Roggen reeds in 1969 in het NTG had gebracht. Het is echter zeer de vraag of hij in dit opzet is geslaagd. Deze repetitie van “La double inconstance” van Marivaux (een paar jaar geleden gelukkig nog gebracht door Arca, zodat ik de inhoud toch nog een beetje kende) zakt naar het einde toe immers in elkaar, met een spijtige anticlimax als gevolg voor dit verhaal over hoe de adel een wig drijft tussen de voor een keer oprechte liefde van een “liederlijke” graaf voor een “onschuldig” volksmeisje (bij Marivaux helpen ze hem juist haar te veroveren). Een typisch voorbeeld van zijn “stropdassenmoraal” noemt Wim Van Gansbeke dit. Vooraf werd er nochtans behoorlijk spits gedialogeerd, want Claus’ vertaling doet aan Anouilh uiteraard geen onrecht. Aangezien de ontknoping echter vooral op de schouders rust van een niet zo goed op dreef zijnde Mark Willems (is het omdat hij een denkbeeldige bierbuik moet torsen dat hij steeds als een halve maan over de scène loopt?), komt het einde eerder als pathetisch dan als dramatisch over. Of noem het melo-dramatisch (Minnemeers, 03/03/1993).