Peter Cnop wordt zeventig…

Peter Cnop wordt zeventig…

Muziekjournalist Peter Cnop (foto Twitter) viert vandaag zijn zeventigste verjaardag. Peter schreef eerst voor Humo en daarna voor Knack om uiteindelijk op de persdienst van de toenmalige BRT terecht te komen. Daar ontpopte hij zich ook als een uitstekend scenarist. Samen met Willy Van Poucke ligt hij aan de oorsprong van de successerie “F.C.De Kampioenen” (al krijgen zij daar niet de nodige credits voor) en daarnaast heeft hij vooral voor de radio een aantal hoorspelen geschreven.
Lees verder “Peter Cnop wordt zeventig…”

Dertig jaar geleden: radio op televisie

Dertig jaar geleden: radio op televisie

Dertig jaar geleden was hét medianieuws uiteraard de start van VTM op 1 februari, maar aangezien De Rode Vaan daaraan een volledig « dossier » wijdde, moest ik mijn wekelijkse televisierubriek opvullen met minder belangrijke zaken. Dat werd dan een stukje dat ik “radio op televisie” noemde en ik zal het zelf nog eens moeten nalezen om te weten wat ik daarmee nu precies bedoelde…

Hét medianieuws deze week is uiteraard de start van VTM op 1 februari e.k. Maar aangezien we daaraan volgende week een volledig « dossier » wijden, kunnen we hier met deze vermelding volstaan. Dat « Zonderlinge zielen » met de Prijs van de Radio- en TV-Kritiek zou gaan lopen, kan al evenmin een verrassing heten. Vandaar dat onze aandacht vooral gaat naar de « Klokke Roeland » die aan Michel Follet werd uitgereikt, omdat daaruit blijkt dat zelfs beroepscritici maar oppervlakkige radioluisteraars zijn. Anderzijds probeert men succesvolle radioprogramma’s (zoals « De Taalstrijd ») op televisie over te doen of haalt men populaire radio-presentators (zoals Felice Damiano) binnen, terwijl er natuurlijk ook mensen zijn als Bart Peeters die in beide media thuis zijn…
Dat « Zonderlinge Zielen » de Prijs van de Radio- en TV-Kritiek in de wacht zou slepen, stond haast bij voorbaat vast. Deze opmerkelijk sfeervolle verfilming door Jean-Pierre De Decker van een aangrijpend scenario van de ondertussen overleden René Verheezen kon immers op unanieme lof rekenen in de binnen- én buitenlandse pers. Het uitstekende camerawerk van Michel Van Laer en de uitzonderlijke vertolkingen door o.a. Josse De Pauw, Els Olaerts en Marc Cassiman hebben daar zeker toe bijgedragen. Maar, zoals gezegd, hiermee vertellen we niks nieuws. Opmerkelijker allicht waren de nominaties. Vooral dan van « Krokant », het smakelijke culinaire magazine van Peter Suetens dat doelbewust tegenover « Kwizien » werd gesteld, waar de informatie wel eens ondergeschikt wordt gemaakt aan de « show » die door de binnengehaalde « vedette » wordt opgevoerd (al kan die, als het b.v. Arno Hintjens betreft, best leuk zijn). Iemand noemde bovendien Herwig Van Hove « de televisieontdekking van het jaar », maar wij houden ons wat dat betreft liever op de vlakte. Dat « De Zevende Dag » en dan vooral de presentatie door Etienne Van Den Bergh ook genomineerd werd, zal allicht vele van onze lezers plezier hebben gedaan. Een echte verrassing kan men dit dus niet noemen, eerder een terechte bevestiging van wat wijzelf reeds hadden aangestipt in ons jaaroverzicht.
De drie nominaties voor de « Klokke Roeland » daarentegen, de prijs voor het beste radioprogramma dus, kunnen wel een verrassing worden genoemd. Het is geen nieuw verschijnsel maar nooit eerder werd zo duidelijk dat zelfs voor beroepscritici de radio meer en meer een achtergrondsfunctie krijgt en niet langer echt « beluisterd » wordt. Dit bleek o.m. uit de vermelding van « Dag en dauw », het ochtendprogramma van Michel Follet op Omroep Brabant dat de voorkeur kreeg op « Klaarwakker » op BRT 1 en uiteindelijk ook de prijs zou wegkapen, en van « Neem je tijd » (BRT 1) omdat deze uitzendingen wel worden beluisterd (of beter: « gehoord ») bij het opstaan en op de autoradio tijdens het spitsuur. Verre van ons om de kwaliteiten van genoemde programma’s in twijfel te trekken (integendeel zelfs), maar het moet toch zonder meer evident zijn dat het uitzenduur hierbij van doorslaggevend belang was. In zijn dankwoord gaf Michel Follet dit trouwens zelf aan: « Voor een programmaatje dat het ene oor ingaat en het andere weer uit, vind ik dit een grote eer. » Misschien kan zijn eigen nieuwigheid « Oordegelijk » (zondagmiddag op Brabant) daar wat aan doen, aan de herwaardering van de radio. Niet alleen wordt er hier goede radio gemààkt, het programma wil heel doelbewust ook aandacht besteden aan andere mensen die met radio bezig zijn of geweest zijn.
De meest « bewuste » keuze was eigenlijk nog de « Leugenradio » van Bart Peeters en Hugo Mattyssen, ’s zaterdags op Studio Brussel. Alhoewel ook dit programma onmiskenbare troeven heeft, is het toch te ongelijk en draait het ook weer op een paar « typetjes », een fenomeen waarmee we de laatste tijd een beetje overvoed zijn. « Linke Gène » mag dan nog bij Omroep Antwerpen een verbetering zijn ten opzichte van de familie Backeljauw toch komt er rap sleet op dit procédé van « cafépraat ».
Dat is misschien nog het meeste te merken aan de figuur van Felice Damiano die nu in opvolging van « Hoger Lager» wekelijks op het televisiescherm te zien is. Blijkbaar tot ergernis van velen, als we de reacties in de kranten en ook wel in onze onmiddellijke omgeving als norm mogen aannemen. Ongetwijfeld heeft veel er mee te maken dat « Hoger Lager » zich tot een ouder publiek richtte dan de nogal erg vlug (en dan nog « krom ») pratende Dré Steemans (zoals Felice’s echte naam luidt, voor wie nog niet wist dat deze « Italiaanse kapper » eigenlijk een doodgewone Limburger is). In de heersende yuppie-filosofie kan men dat argument natuurlijk overboord gooien, maar daar staat dan weer tegenover dat dit oudere publiek veel trouwer is aan het medium terwijl smaak van de jongeren veel sneller wisselt.
Een andere tegenvaller in onze reeks « transfers van radio naar t.v. » is uiteraard « De drie wijzen » (omgekeerd is overigens ook de radio-vervanger van « De Taalstrijd », het dagboekprogramma « Madiwodo », een flop : alle aangezochte « schrijvers » doen zo hun best om goed uit de hoek te komen dat het vreselijk belerend wordt). Dat de montage door technische omstandigheden iets minder vlot verloopt dan gewenst zou zijn, heeft Mark Uytterhoeven zelf reeds uit de doeken gedaan in de eerste aflevering van onze nieuwe reeks « Het Bezoek ». Wat hij er evenwel niet bij vertelde, was dat ook de « wijzen » lang niet zo grappig uit de hoek komen als ze dat in « De Taalstrijd » deden. De humor doet vaak geforceerd aan en vooral, omwille van het andere medium ligt het tempo veel lager. Dit viel me sterk op toen ik eens noodgedwongen (ik lag in bad) een uitzending heb « gehoord » i.p.v. « gezien ». En uiteraard ligt het meest aantrekkelijke van dit nieuwe programma dan ook juist daar waar het manifest van het radioprogramma verschilt, namelijk als er beeldmateriaal wordt gebruikt, voornamelijk in de filmfragmenten.
Bart Peeters van zijn kant is uiteraard op de eerste plaats een televisiefiguur, die juist door zijn veelzijdigheid ook bij de radio aan de slag kon (net zoals prijsbeest Michel Follet trouwens, die na een tijdje van het scherm te zijn verdwenen, te zien is in « Schoolslag »). Deze week (op zaterdag 28 januari om precies te zijn) start op TV 2 zijn « totaalprogramma » (gepresenteerd samen met Paskal De Boosere, de zus van Mister Magic Hands) « De Droomfabriek ». Vanaf 19u met een eerste gedeelte dat zich vooral tot de kinderen richt en dan opnieuw na het nieuws om 20u met een rechtstreekse uitzending vanuit studio 5, waarbij « hartewensen, dromen, fantasieën en nachtmerries » kunnen aan bod komen. Om u een idee te geven: in de eerste aflevering passeren zowel witte chocolade als kriebels in de buik, ossen in Tanzania en dromen van blinden de revue. Het fameuze verschijnsel van « de bekende Vlamingen » is ook nooit ver uit de buurt en de muziek wordt live verzorgd door « The Young Lovers » onder de leiding van Jean Blaute.

Lees verder “Dertig jaar geleden: radio op televisie”

Paul Jacobs wordt zeventig…

Paul Jacobs wordt zeventig…

Radioprogramma’s zoals “De Taalstrijd” en “De Perschefs” waren telkens van de hand van Paul Jacobs. In het jeugdboek “Het raadsel van Rose Cottage” (Lannoo, Tielt, 1986, 155 bladzijden) voert hij ons mee naar Engeland, waar hij zijn nieuwe passie kan botvieren: het speurwerk. Wie herinnert zich immers niet de onverdroten zoektocht naar de gouden klepel of de steen der wijzen die gans Vlaanderen op zijn kop zette? Het brein achter dit programma-onderdeel van “Het vermoeden” was inderdaad Paul Jacobs.

Met zo’n titel, een oud Engels buitenhuis (dit is een “cottage”, in het boek zelf wordt dit typische begrip nergens omschreven; kinderen lezen het zelfs verkeerd, namelijk op z’n Frans) en twee stripauteurs die er inspiratie trachten op te doen, zijn natuurlijk alle ingrediënten voorhanden. Jacobs kwijt zich behoorlijk van zijn taak, traditioneel routineus maar met een moderne ecologische ontknoping, en met doorgaans veel zorg voor de taal, zij het dat ik toch een kanjer van een fout heb ontdekt (ik ben ook een speurneus!). Op bladzijden 150 schrijft hij immers: “Ze hadden afgesproken om elkander met ‘je’ en ‘jij’ aan te spreken”. Aangezien hier over een conversatie in het Engels gaat, dat enkel nog “you” kent (het oude “thou” wordt uitsluitend voor god gebruikt), zal zo’n afspraak toch wel problemen hebben opgeleverd.
OMDAT VOETENKUSSERS BELANGRIJK ZIJN
Daarna duikelde een boekje de redactie binnen met een briefje erbij dat gericht was aan de “Beste”. Daarom dacht ik natuurlijk dat het voor mij bestemd was. “Beste”, zo stond er, “Hierbij laat ik je een recensie-exemplaar sturen van mijn jongste boekje (Paul Jacobs, ‘Een zondag in de Middeleeuwen’, red.). Kenners wijzen op de overeenkomst met ‘Kopstukken’ van Godfried Bomans. Wat zeg jij?”.
Ik zeg dat dit verdomd geklets uit de (dikke) nek is en begin met wantrouwen te lezen. Dat wantrouwen stijgt reeds op pagina 7 als men ziet dat de auteur, nochtans geliefd van omroep Antwerpen en vooral “Het Grote Blufboek” (dit laatste goed te merken), er niet voor terugschrikt om ouwe bakken uit de sloot te halen (“Wie zijn vrouw, verloofde of meisjes had verloren, vernam van Vrolijke Frans dat er nog miljoenen vrouwen waren in de wereld en dat het dom was achter een vrouw of een tram aan te lopen omdat er altijd wel een andere kwam”).
Maar stilaan begon het wantrouwen weg te ebben. Waar ik immers van hou, dat is een boekje met korte, grappige verhaaltjes om ’s morgens op de trein te lezen en de bedienden van het ministerie uit hun hazeslaapje te doen opschrikken door luidkeels blijk te geven van goede luim – iets wat alvast van hén niet kan worden gezegd. Maar van dit boekje wél.
En wanneer ik op pagina 40 persoonlijk ten tonele word gevoerd (“Toen het té gek dreigde te worden, greep De Schepper in”) werd het echt te gek en greep ik in: in de marge streepte ik aan “dit is een grappig boek”, algemeen bekend als de hoogste kwalificatie die ik aan een boek kon toekennen, want zelfs van “Das Kapital” kan dit niet worden gezegd!
De ene na de andere historische figuur die net niet de geschiedenisboeken heeft gehaald passeert de revue en de een is ons nog liever dan de andere. Zo Ahls-t-kannop-mij, de uitvinder van de slogan “bekwame voetenkussers zijn belangrijk” (pagina 67), Kartoffel de Kinderhater, mijn gebuur, die “griezelige geluidjes (kon) maken, zoals daar zijn: die van de weerwolf, de bietebauw, de hulk en Mike Verdrangh” (pagina 70) en vooral Oë, “de winnaar van twee ritten in de Ronde van Palestina”.
Kortom, dit is een meevaller van jewelste geworden en voor de zwakkere schakels kunnen we de auteur zelf citeren die in de gedaante van Simon (!) de Schuine als slotzin peroreert: “Het ene Kurzijfje lijkt immers sprekend op het ander. Of niet soms?” (pagina 88-89).
HET GROTE BLUFBOEK
Daarvoor reeds had Paul Jacobs samen met Erik Strieleman dus een boek geschreven dat zichzelf aandient als “Het Grote Blufboek” en dat ook zijn titel als zodanig waarmaakt. Ongetwijfeld heeft de Antwerpse origine van de auteurs een niet geringe rol gespeeld opdat ze zich behoorlijk van hun taak zouden kunnen kwijten.
“Alles wat ik al heb willen weten maar waarvoor ik te lui ben om me erop toe te leggen” kun je in die boekje in een mum van tijd oprapen. 25 modieuze onderwerpen passeren de revue. Film, wijn, literatuur, reizen, filosofie, gastronomie en vooral feminisme mogen natuurlijk niet ontbreken.
Een paar voorbeelden van modieuze uitspraken:
“De belangrijkste figuur van de Frankfurter Schule was niet Marcuse, maar Habermas”.
“Ik hou van reggae maar niet van Marley”.
“Aan het Bartok-discografie is nog heel wat te doen”.
“Ik kan het bouquet van dit glaasje port onmogelijk thuisbrengen, maar in deze kamer wordt gerookt, waarschijnlijk?”

DE LAATSTE GRAP
In 2010 schreef hij dan de misdaadroman (let op de kwalificatie: terecht niet “thriller”) “De laatste grap”. Die was opgehangen aan alweer een ander programma waaraan hij zijn medewerking verleende, “De Rechtvaardige Rechters”, in het boek omgedoopt tot “De Potentaten”. Ik las het boek vooral om mensen te herkennen en af en toe was dat wel leuk. Zo wordt het programma gepresenteerd door Jan Damiaans, een jongen met een Buddy Holly-bril, en één van de panelleden is Rob Huyghe, die “koket de uiteinden van zijn snor naar boven draaide” (p.181). En natuurlijk is het ook leuk bij de tekstschrijvers zo maar gewoon een Geert aan te treffen.
Over het genre zelf ga ik me niet uitspreken, aangezien ik er niet echt van hou (al lijkt Jacobs me wel te zondigen tegen één van de oerprincipes van het genre, maar hierover kan ik niet uitwijden zonder spoilers), maar waaraan ik me méér stoorde dat waren de seksscènes. Het verwondert me zelfs dat Paul Jacobs nog nooit in aanmerking is gekomen voor de jaarlijkse bekroning van “de slechtste seksscène”.
Maar de core-business van Paul Jacobs is uiteraard zijn humor en op dat vlak is het boek toch alweer geslaagd. Het lijkt er soms wel op alsof hij er al zijn niet-gebruikte vondsten voor “De Rechtvaardige Rechters” erin heeft gestopt, waaronder een aantal (bewust) flauwe, maar who cares?
KAPOOT
Aangemoedigd door zoveel geestigheid schreef ik destijds volgende brief naar Paul Jacobs in zijn hoedanigheid als producer van het TV-programma “De Drie Wijzen”:
“Het moet voor de panelleden niet steeds even makkelijk zijn om voor de finale telkens een verhaal te verzinnen dat grappig is en ongeloofwaardig, maar dat tegelijk toch waar zou kunnen zijn. De beste oplossing voor gebeurtenissen die ‘niet waar’ zijn, maar waarvan de kandidaten dat niet van tevoren met hun ellebogen aanvoelen, lijkt me dan ook een ongeloofwaardig verhaal te vertellen dat iemand anders wél echt overkomen is. Ik dacht bijgevolg dat de volgende anekdote uit mijn jeugd uitstekend in de mond van Walter Grootaers zou liggen, ook al omdat het allemaal draait om een kledingstuk dat door mijn vader als politieagent werd gedragen, wat dus best ook voor Walters vader (als beroepsmilitair) zou kunnen gelden. Dat kledingstuk is een kort manteltje zonder mouwen dat slechts met één knoop (bovenaan uiteraard) wordt vastgemaakt. Zo’n manteltje wordt in het dialect van Temse (maar wie weet ook dat van Lier) een ‘kapoot’ genoemd. Je voelt het al aankomen natuurlijk…
Het verhaal gaat als volgt. Toen ik zo’n jaar of twaalf was, kwam een vriendje tijdens de zomer bij mij spelen. Hij woonde toch wel een eindje van mij af en was dus met de fiets gekomen. Helaas werd zijn strategische terugtocht voor het avondeten belemmerd door zo’n typisch zomerse regenbui. Die bleef maar aanhouden en om Erik, zo heette mijn vriend, toch in staat te stellen op tijd thuis te zijn, stelde mijn moeder voor dat hij dat fameuze manteltje (die ‘kapoot’ dus) zou aandoen.
Goed, tot hiertoe, no problem. Alleen, die jongen woonde in een café en ’s anderendaags gaf mijn moeder mij de opdracht dat manteltje terug te gaan halen. Mij van geen kwaad bewust riep ik reeds van in de deuropening naar de moeder van mijn vriend die, zoals het past, achter de tapkast stond:
‘Célestine, ik kom de kapoot van mijn vader halen die hier nog altijd ligt.’
Het café zat tamelijk goed vol, ik hoef je dus niet te beschrijven wat de reactie was…”
Ik vind het nog altijd een geweldige grap, maar van Jacobs kreeg ik taal nog teken.

Lees verder “Paul Jacobs wordt zeventig…”

Marlene Edeling wordt 75…

Marlene Edeling wordt 75…

Marlene Edeling werd geboren in Antwerpen als Magdalena Joanna Eduarda Decorte. Als dusdanig is zij dan ook de dochter van het acteurspaar Marc Decorte (1918-1981) en Jo Crab (1918-1981) en de zus van Jan Decorte. Ik heb bijgevolg altijd gedacht dat zij erbij was toen wij in de jaren zestig deze familie hebben ontmoet in het zwembad van Saint-Saturnin (*).
Lees verder “Marlene Edeling wordt 75…”