En WIE had er mij aangeraden dit hondse baantje aan te nemen? (*)

00Een « typisch » toneelweekend. Eerst in Malpertuis-Tielt « Zeepbellen blazen » (“The two-character play”) van Tennessee Williams, waarin we met een krankzinnig (geworden ?) broer en zus worden geconfronteerd, dan in Controverse-Gent « Te meiden » (“Les bonnes”) van Jean Genet, waarin twee meiden een moord op hun « madam » beramen, maar er niet toe komen en ze dus onder elkaar maar « spelen », met kwalijke gevolgen. Indien dit op zichzelf nog geen teken van krankzinnigheid zou zijn (krank betekent eigenlijk « ziek »), dan helpt regisseur Bert Van Tichelen alvast een handje door de drie rollen door mannen te laten vertolken. « Genet zou het liever zo gehad hebben », zegt hij. Nogal wiedes, er wordt anaal gecoïteerd, gemasturbeerd en afgezogen (of toch gedaan alsof) dat het een lieve lust is en Jean Genet is van dat soort vertier, vooral bij mannen dan, nooit erg vies geweest.
Lees verder “En WIE had er mij aangeraden dit hondse baantje aan te nemen? (*)”

Georges Feydeau (1862-1921)

51DMZM7CH4LVandaag is het 150 jaar geleden dat de Franse toneelauteur Georges Feydeau werd geboren. Hij debuteerde in 1882 met “Par la fenêtre”, het eerste van een tiental monologen voor zichzelf of andere bekende acteurs, maar pas in 1886 was er “Tailleur pour Dames”, het eerste échte stuk van zijn hand. Het is een groot succes zodat hij zijn loopbaan als acteur ruilt voor één als auteur. (Pikant detail: in die tijd waren vele kledingzaken eigenlijk “façades” voor bordelen.) In 1892 volgen “Monsieur Chasse” (Mijnheer gaat op jacht) en “Champignol tegen wil en dank”. In 1907 is er nog “La puce à l’oreille” (Een vlo in het oor) en “Het Laxeermiddel”. Een jaar later volgt “Occupe-toi d’Amélie” (Een oogje op Amélie). In 1921 is Feydeau gestorven aan syfilis.
In de jaren tachtig van vorige eeuw was het op een bepaald moment mode om tragedies als komedies te spelen en omgekeerd. Dat gebeurde ook met het werk van Feydeau, o.a. door de Mannen van de Dam. Hierbij mijn recensie van het stuk “Het Laxeermiddel”, verschenen in De Rode Vaan nr.16 van 1981.
Lees verder “Georges Feydeau (1862-1921)”

Marc Michael Desmet

Cellist Marc Michael Desmet is afkomstig van Gavere. Hij studeerde in Gent, Brussel, Den Haag en Maastricht. Hij is tevens de stichter van het Brecht-Eislerkoor, de Nieuwe Muziekgroep en het koor De Tweede Adem. Net als zijn broer Johan werkte hij mee aan talrijke theaterproducties (Arena, Mannen van den Dam, Vertikaal, KNS, NTG) en schreef recensies voor de Rode Vaan. “Vroeger, toen ik nog studeerde, speelde ik af en toe accordeon bij Walter De Buck. Als we dan op zaterdagavond moesten optreden, ging het van: ‘Het zou kunnen dat we om kwart voor negen aan Het Damberd worden verwacht, maar sla me niet dood als het om half twaalf is, en aan Het Trefpunt. En het zou kunnen dat Roland had gezegd dat hij ging komen meedoen, maar dat weet ik niet meer honderd procent zeker.’ Dat soort afspraken maak je dus beter niét met een klassieke muzikant.” Toch heeft hij het ook ooit gepresteerd een heel concert te improviseren, terwijl hij deed alsof hij wel degelijk van het blad speelde. Hij kondigde zijn improvisaties dan ook aan als zogenaamde composities van een onbekende Tsjechische componist uit de achttiende eeuw.

De tractor

Meer dan eens kregen de Mannen van de Dam de opmerking te horen : « Als het socialisme zo goed is, waarom gaat ge dan niet in een socialistisch land wonen ? “.
Deze kreet is even versleten als goedkoop, maar blijkt toch nog in te slaan bij een zeker publiek. Daarom besloten « de mannen » een stuk te brengen dat precies handelt over de moeilijkheden en problemen waarmee het socialisme gepaard gaat.
Gekozen werd « Traktor » van de Oost-Duitse auteur Heiner Müller. Het gegeven is eenvoudig. Een tractorchauffeur wordt gevraagd om een akker om te ploegen. De tijd dringt, want in het door de oorlog verwoeste Duitsland waart het spook van de honger. Maar… door de terugtrekkende Duitse legers werden de akkers bezaaid met mijnen. Hans L. waagt zijn vel, loopt op een mijn en verliest zijn been. Door de goegemeente wordt hij als een held bejubeld, maar op zijn ziekenhuisbed voelt hij zich allesbehalve heldhaftig : hij wil alleen maar zijn been terug. Uiteindelijk zal hij echter inzien, dat de wereld niet rond zijn beenstompje draait en zal hij opnieuw zijn plaats innemen tussen zijn makkers.
Wij worden hier dus geconfronteerd met een steeds weer opduikende problematiek : de spanning tussen individu en gemeenschap, de vraag naar doel en verantwoording van het “heroïsme”, de noodzaak van een nieuwe moraal, enz.
Het stuk wordt door de « Mannen van de Dam » behoorlijk voor het voetlicht gebracht, maar toch bereikt het zijn doel niet. Het verwijst immers naar een werkelijkheid (die van de DDR direct na de oorlog) die al te zeer van ons (vooral jeugdig) publiek verwijderd is, om direct te kunnen aanspreken. Vandaar dat de nabespreking eigenlijk belangrijker wordt dan de opvoering zelf, en voor een toneelstuk is dit natuurlijk nefast — zoals bleek uit het felgedund publiek dat na de pauze terug kwam opduiken.
0. i. is deze productie dus een maat voor niets. Jammer, want het opzet is interessant genoeg.

Jan Mestdagh