Zjef Vanuytsel (1945-2015)

Zjef Vanuytsel (1945-2015)

Gisteren was het al 45 jaar geleden dat Zjef Vanuytsel kwam optreden in Jeugdclub Broebelke in Temse. Ik wilde daar uiteraard graag aandacht aan besteden, maar ik bleek over geen foto’s te beschikken. Dirk Lauwers heeft me echter alsnog een aantal foto’s bezorgd (genomen door Erik Westerlinck, neem ik aan), zodat ik er vandaag toch nog eens op terugkom. Ik wil er trouwens ook nog eens de aandacht op vestigen dat beide heren (Dirk en Erik dus) ook verantwoordelijk zijn voor een boek over de geschiedenis van de jeugdclub, dat bovendien wordt verkocht voor het goede doel…
Lees verder “Zjef Vanuytsel (1945-2015)”

Slappe “Plankenkoorts”

Eigenlijk zijn de recensies op deze pagina steeds veel te lang. Op die manier kunnen namelijk te weinig producties wekelijks aan bod komen en lopen we een achterstand op die moeilijk te overbruggen is. Daarom is het goed dat er producties zijn als « Plankenkoorts » van theater Arena want daar valt nu eens juist niks over te vertellen. Indien de acteurs van Arena zin hebben om een feestje te bouwen, moeten ze dat maar doen maar toeschouwers zijn er daarbij niet nodig.
Tenzij om geshockeerd te worden. Waar haalt Arena immers het lef vandaan om met andere gezelschappen de spot te drijven, als ze zelf zelden een behoorlijk niveau halen ? Enkel de satire op Arne Sierens vond in mijn ogen enige gratie, maar dat zal dan ook wel weer persoonlijk zijn.
De regie (?) van dit oorspronkelijk Amerikaanse stuk is van Wim Lanckrock; de slechte, maar onmogelijke (hoe zet je Amerikaanse toneeltoestanden met Hollywood, Broadway, off-Broad¬way en off-off-Broadway om naar Gent en Antwerpen ?) vertaling van Rudy Vandendaele en er staan vijf acteurs (Annick Christiaens, Jo De Backer, Karel Deruwe, Marijn Devalck en Erna Palsterman) op het toneel en één eend. De eend is de beste.

Referentie
Ronny De Schepper, Slappe “Plankenkoorts”, De Rode Vaan nr.6 van 1984

Belladonna

Nog in 1993 publiceert Claus de dichtbundel “De Sporen”. Volgens zijn eigen zeggen heeft hierin “de lyriek van de jongeling die in de zandbak met een meisje in Tirolerjurk speelt, plaatsgemaakt voor een zeker wellustig masochisme in het licht van de dood”. Hij vindt trouwens dat het “een wet” is dat de grootste liefdesdichters in werkelijkheid flauwe minnaars zijn en hij citeert als voorbeeld Baudelaire “de grootste liefdesdichter, maar het is bekend dat het allemaal wensdromen waren”. Anderzijds bekent hij dat hij nu ook wel eens een boodschap aan zijn zonen in een gedicht stopt, “mijn twee zonen die niet naar hun ouwe schimmelige vader omkijken.” “En dan maar hopen dat ze uw poëzie lezen,” merkt Rudy Vandendaele stekelig op. “Dat ze hen ertoe aanzet me even op te bellen,” lacht Claus. Maar het gegeven keert terug in 1994, wanneer hij “Belladonna” publiceert, een groteske waarin de namen op dergelijke manier zijn gegeven dat een vertaling onmogelijk wordt (ofwel moet men de actie ook verplaatsen naar het land van de taal en dan verdwijnt het “typisch Vlaamse”). Op die manier zal hij wéér de Nobelprijs niet krijgen natuurlijk!
Lees verder “Belladonna”