Vijftig jaar geleden: de actie “tomaat”

Vijftig jaar geleden: de actie “tomaat”

“De actie tomaat” vond plaats op 9 oktober 1969. Toen gooiden Lien Heyting en Ernst Katz, twee regiestudenten, immers met tomaten naar de acteurs van de Nederlandse Comedie in de Amsterdamse schouwburg na de voorstelling van “De storm”. De artistieke leiding van het gezelschap was toen in handen van Han Bentz van den Berg en Guus Oster.
Lees verder “Vijftig jaar geleden: de actie “tomaat””

Bernard Haitink wordt negentig…

Bernard Haitink wordt negentig…

De Nederlandse dirigent Bernard Haitink viert vandaag zijn negentigste verjaardag.

Bernard Haitink begon op jonge leeftijd met vioolspelen en volgde lessen bij Charles van de Rosière, violist in het Concertgebouworkest. Daarna studeerde hij aan het Conservatorium van Amsterdam, waar hij tevens orkestdirectie studeerde bij Felix Hupka. In 1954 en 1955 nam hij deel aan de dirigentencursus van de Nederlandse Radio Unie onder leiding van Ferdinand Leitner. Na de tweede cursus werd hij tot dirigent bij de NRU benoemd. Haitink gaf concerten met onder meer het Radio Philharmonisch Orkest en het Omroeporkest. Toen op 8 december 1955 Paul van Kempen, de chef-dirigent van het Radio Philharmonisch Orkest overleed, nam Haitink alle geplande concerten van hem over. Per 1 januari 1957 werd Haitink tot chef-dirigent van dit orkest benoemd.
Ondertussen was Haitink op 7 november 1956 gedebuteerd bij het Concertgebouworkest. Nadat op 13 april 1959 de chef-dirigent van het Concertgebouworkest, Eduard van Beinum, plotseling was overleden, werden in 1961 Bernard Haitink en Eugen Jochum samen tot chef-dirigent benoemd. Vanaf 1964 bekleedde Haitink als enige deze positie, tot 1988. Later werd Nikolaus Harnoncourt aangetrokken als tweede dirigent.
Haitink bouwde de internationale vermaardheid van het Concertgebouworkest flink uit, mede door de vele plaatopnamen en door de internationale tournees. Tegelijkertijd werden nationaal en internationaal de kwaliteiten van Haitink meer en meer gewaardeerd. Dat resulteerde in gastdirecties bij de beste orkesten ter wereld. Van 1967 tot 1979 was Haitink eerste dirigent van het London Philharmonic Orchestra en van 1978 tot 1988 music director van het Glyndebourne Music Festival, waar hij o.m. de vrouwelijke dirigente Sian Edwards onder zijn hoede nam.
In eigen land dirigeerde Haitink een uitgebreid en gevarieerd repertoire, waarin ook de eigentijdse muziek niet ontbrak. Ook toonde hij een bijzondere affiniteit met Franse muziek van onder anderen Debussy en Ravel. Toch was zijn reputatie grotendeels gebaseerd op zijn vertolkingen van de muziek der grote meesters van de Duits-Oostenrijkse school uit de classicistische en vooral romantische periodes (Beethoven, Schubert, Brahms, Bruckner, Mahler, Strauss).
Hij werd aan het eind van de jaren zestig door sommigen beschouwd als de voornaamste exponent van het in hun ogen conservatieve programmabeleid van het Concertgebouworkest. In 1969 kwam het tot acties van de Notenkrakers, een actiegroep van componisten met als voornaamste vertegenwoordigers Jan van Vlijmen, Misha Mengelberg, Reinbert de Leeuw, Louis Andriessen en Peter Schat, gesteund door o.a. de schrijver Harry Mulisch. Om hun eisen voor een vooruitstrevender en democratischer programmabeleid kracht bij te zetten, verstoorden ze op 17 november 1969 een door Haitink geleid concert. Zij probeerden hem tot een openbare discussie te bewegen, maar werden de zaal uitgewerkt door suppoosten en concertbezoekers, die voor het merendeel Haitinks kant hadden gekozen. Het geplande fluitconcert van Johann Joachim Quantz werd echter niet meer ten gehore gebracht, zodat de verstoring wel doel had getroffen. Naar aanleiding van de acties kwam er meer openheid van de kant van het Concertgebouworkest, maar het streven van de Notenkrakers om Bruno Maderna naast Haitink aan te stellen voor het dirigeren van experimentele muziek haalde het niet.
In 1979-1981 was de Rus Kirill Kondrasjin, die als Sovjet-balling in Nederland leefde, als vaste dirigent naast Haitink aangesteld bij het Concertgebouworkest. Haitink verklaarde later dat het vooral Kondrasjin was die hem had gebracht tot de muziek van Sjostakovitsj, van wie hij de complete reeks symfonieën heeft opgenomen met het Concertgebouworkest en het London Philharmonic Orchestra.
In de vroege jaren tachtig werd de overheidssubsidie van het Concertgebouworkest ernstig bedreigd, waardoor 23 musici hun baan hadden kunnen verliezen. Haitink kondigde toen zijn vertrek aan als deze plannen zouden doorgaan. Uiteindelijk werd er niet gesnoeid in de subsidie en bleef hij nog een aantal jaren bij het orkest.
In 1987 werd Haitink music director van het Londense Royal Opera House Covent Garden, waarna hij in 1988 het chef-dirigentschap van het Concertgebouworkest beëindigde. Hij werd opgevolgd door Riccardo Chailly. Het afscheid van het Amsterdamse ensemble verliep niet zonder strubbelingen. Er was een diepgaand conflict tussen Haitink en de toenmalige orkestdirectie. Pas in 1999 werd de verstandhouding genormaliseerd en sindsdien staat Haitink weer geregeld voor het orkest, met de titel “eredirigent”.
Hij bleef tot 1998 aan Covent Garden verbonden. Hij werd er opgevolgd door de Amerikaan Antonio Pappano, die van de Muntschouwburg kwam. Sindsdien vervulde Haitink minder langdurige chef-dirigentschappen bij de Sächsische Staatskapelle Dresden (2002-2004) en het Chicago Symphony Orchestra (2006-2010).
Op 7 november 2006 herdacht het Koninklijk Concertgebouworkest met een galaconcert onder zijn leiding (‘Goud voor Haitink’) de dag waarop hij vijftig jaar eerder voor het eerst voor het orkest stond. Op het programma stonden twee werken van Gustav Mahler: de Vierde Symfonie (met de sopraan Christine Schäfer) en Das Lied von der Erde (gezongen door de alt Anna Larsson en de tenor Robert Dean Smith).

Lees verder “Bernard Haitink wordt negentig…”

Harry Mulisch (1927-2010)

Morgen zal het ook al vijf jaar geleden zijn dat Harry Mulisch is overleden. Hij was op dat moment nog altijd de meest gelezen auteur bij Nederlandse scholieren en “De aanslag” het meest gelezen werk. In Vlaanderen was dit ook het tweede meest gelezen werk (na “Kartonnen dozen” van Tom Lanoye) en daarmee ook het enige werk van een Noord-Nederlandse schrijver dat tot in de top vijf was doorgedrongen. In Nederland was dit voor geen enkele Vlaming weggelegd, zelfs niet voor Hugo Claus, le frère ennemi de Harry Mulisch. Een opvallend verschil met Vlaanderen is dat in de klas de hedendaagse auteurs veel meer aandacht krijgen. Hier prijkt Mulisch op de tweede plaats, enkel voorafgegaan door Willem Frederik Hermans (Jozien Moerbeek, Canons in context, 1998).
Lees verder “Harry Mulisch (1927-2010)”

325 jaar geleden: de uitvinding van de klarinet

Het is natuurlijk zeer riskant om op de uitvinding van een instrument een precieze datum te kleven. Mijn Frans-Canadese vriend Alcide dekt zich dan ook langs alle kanten in om 14 januari 1690 als “geboortedatum” van de klarinet op te geven: “On s’accorde pour dire que l’Allemand Johann Christoph Denner est l’inventeur de la clarinette parce qu’on sait qu’il en fabriquait avant 1700, que certaines de ses clarinettes existent encore et aucune autre clarinette est plus antérieure. La date du 14 janvier peut être contestée bien qu’aucune autre date n’est connue.”
Lees verder “325 jaar geleden: de uitvinding van de klarinet”

Vrijdag

In 1968 schrijft Claus samen met Alex van Royen en Carlos Tindemans nog “T 68 of de toekomst van het theater in Zuid-Nederland”, waarin hij nog experimentele theaterstandpunten verdedigt. Later zal dat veranderen. Zo lokt hij reeds in 1969, middenin de Actie Tomaat, een incident uit. Toen ging in de Amsterdamse schouwburg zijn stuk “Vrijdag” door de Nederlandse Comedie in première. Aangezien Claus hier op het eerste gezicht teruggrijpt naar het naturalistische toneel (vgl. met “Driekoningenavond” van Cyriel Buysse b.v.) en in interviews vooraf nog wat olie op het vuur had gegoten door te stellen dat al die discussianten leuteraars zijn die niet weten waar ze over praten, dat met name het toneel niet dood is, maar dat er een tekort is aan echte persoonlijkheden, dreigde men in de pers reeds “die ouwe zak” (sic, Claus was toen 40) eens de les te spellen. Daarom posteerde Claus zijn boksende broers in de zaal om eventuele tomatengooiers tot andere inzichten te brengen. Maar het was niet nodig. Het werd een succes. Claus: “Theater bestaat voornamelijk uit een communicatie die tot nader order nog altijd verbaal moet zijn. (…) Wat men dan een beetje smalend ‘dichterlijk’ noemt, is de essentie van het theater: Haal je van Shakespeare de taal weg, dan krijg je alleen maar ridicule, nonsensicale verhalen die nergens op slaan, waarvan de psychologie niet klopt, enfin, alles is één ratjetoe. Is er iets belachelijker dan de plot van ‘Hamlet’? Is er iets idioter dan ‘Twelfth Night’, dan ‘A Midsummernight’s Dream’? Dat is pure kolder, niet eens goed voor een comic-strip. Het bestaat in functie van wat er daar met woorden gedaan wordt. (…) De laatste jaren krijgt de toneelschrijverij hier te lande echter een heel koddige dimensie: men neemt vier pagina’s Heidegger en een stuk of wat krantenknipsels en gaat die vervolgens, met z’n allen improviserend, op de planken brengen. We hebben momenteel een theaterlandschap van diepe treurnis. Men schijnt hier te vergeten dat toneel een onzuivere kunst is, die eist dat er rekening gehouden wordt met de tweehonderd mensen die zitten te kijken en van wie een aantal nauwelijks kan lezen of schrijven. (…) Ik geloof in elk geval niet in wat men met een gekke term aanduidt als het rituele theater, ’t schuimbekkend over de grond rollen en het gepiep en gekwijl en het collectief hysterische: wij hebben namelijk geen goden, dus waarom zouden we een rite opvoeren alsof we wel goden hadden? Da’s allemaal hocuspocus waar ik niet in geloof en in de zogenaamde diepverborgen persoonlijkheidslagen die je met zo’n toneel aanboort, geloof ik evenmin.”
Dat wil anderzijds niet zeggen dat met name “Vrijdag” vol verwijzingen zit, zowel naar de heidense (Germaanse), de Griekse en de christelijke mythologie. Claus zal zijn eigen stuk in 1981 verfilmen.
Alhoewel Hugo Claus soms (niet altijd, zie hier ) net als Louis Paul Boon mei ’68 eerder als een kleinburgerlijke revolte beschouwt (hij zat echter ironisch genoeg in de vermaarde brasserie Lipp te eten toen daar een traangasgranaat werd binnengegooid), schrijft hij rond die tijd toch “Reconstructie”, een operatekst samen met Harry Mulisch die een eerbetoon wil zijn aan Che Guevara. Ook in 1993 blijven beiden trouwens vasthouden aan hun geloof in Cuba. Als men het “ondemocratische” karakter van het regime aanhaalt, repliceert Claus in Humo: “Democratie is niet een pleistertje dat je overal kunt opplakken, op sommige plekken schiet zij te kort: in de kunst b.v.”
In 1970 volgt “De Spaanse hoer”, naar het 15e eeuwse “La Celestina” van F. de Rojas.
Van 1970 tot 1974 zetelt hij in de redactie van De Gids. Samen met Johan Daisne dus blijkbaar…
In het najaar van 1970 publiceert Claus twee omvangrijke poëziebundels : “Heer Everzwijn” (waarvoor hij de driejaarlijkse staatsprijs voor poëzie krijgt) en “Van horen zeggen”.