Dertig jaar geleden: “Athalia” door het Collegium Instrumentale Brugense

Dertig jaar geleden: “Athalia” door het Collegium Instrumentale Brugense

Dertig jaar geleden ging in Brugge in het kader van het Festival van de Oude Muziek het oratorium “Athalia” van Georg Friedrich Haendel in première door het Collegium Instrumentale Brugense. Ik kan me niet herinneren dat ik daar naartoe ben geweest, maar ik heb wel een aantal nota’s genomen. Vreemd.
Lees verder “Dertig jaar geleden: “Athalia” door het Collegium Instrumentale Brugense”

Christopher Hogwood (1941-2014)

Christopher Hogwood (1941-2014)

Het is al vijf jaar geleden dat de Engelse klavecinist, dirigent en musicoloog Christopher Hogwood is overleden. Uiteraard werd daar destijds in de populaire pers hoegenaamd geen gewag van gemaakt, wat nogmaals aangeeft hoe relatief alles in dit leven is. Voor mij betekende zijn dood echter heel wat, want Christopher Hogwood moet zowat de eerste zijn die ik heb leren kennen als de vertegenwoordiger van de “historische uitvoeringspraktijk“.

“I hear things on the radio and think, ‘This is very emotionally interpreted, it must be John Eliot Gardiner’ – and it turns out to be me. And then other things that I’m sure have been me, turn out to be somebody else!” (BBC-Music, March 1994)
Het zal menige muziekliefhebber een troost zijn dat Christopher Hogwood tenminste durft toegeven dat ook hij zich soms kan vergissen in uitvoeringen, zélfs als ze van hemzelf zijn. Over zijn collega’s zegt hij trouwens in Blaazuit van januari ’96: “We werken behoorlijk goed samen. De verschillende oude muziek-orkesten gebruiken vaak dezelfde muzikanten. We wisselen onze programma’s en uurregelingen uit zodat de muzikanten optimaal beschikbaar zijn. Als John Eliot Gardiner in juni een Mozartprogramma brengt, proberen wij een barokprogramma te doen. Zo zijn de beste muzikanten steeds beschikbaar en kan iedereen een optimaal resultaat bereiken. (…) Als je de CD-kritieken soms leest, worden wij vaak als rivaliserende stammen afgeschilderd. In werkelijkheid leggen we elkaar niets in de weg.”
De interviewer, Tom Eelen, vraagt dan echter terecht of hierdoor de specificiteit van de uitvoeringen niet in gevaar komt?
“Dit lijkt een probleem,” geeft Hogwood toe, “maar het is er geen. Ik kan van een CD-opname onmiddellijk zeggen van welke groep zij is,” zegt hij hier verrassend, totaal in tegenstelling dus met wat hij in het BBC-magazine verklaarde. Maar Hogwood spreekt zichzelf wel eens meer tegen, zoals blijkt uit het vervolg. Hij zegt immers: “De groep bepaalt niet hoe de dirigent moet interpreteren. Men zal wel adviseren, maar het is zoals met goede instrumentleraars. Verschillende studenten van dezelfde leraar zullen allemaal verschillend spelen. Een goede leraar zal ze helpen om op een persoonlijke manier muziek te maken. Met een orkest is het eigenlijk net andersom,” besluit hij dus een antwoord met net de omgekeerde stelling als hij begon.
Elders wil Christopher Hogwood zijn rol als dirigent dan trouwens weer minimaliseren. “Het komt er niet op aan het orkest zijn dynamiek en tempo op te leggen, maar die van de componist. En als er verschillende mogelijkheden bestaan, dan herken je een goede dirigent,” zegt Hogwood, “als hij erin slaagt het orkest ervan te overtuigen dat die ene interpretatie op dàt moment de juiste is.”
Ik heb in de jaren negentig wel een aantal concerten van Hogwood bijgewoond, maar zelf heb ik hem nooit geïnterviewd. Ik heb hem wel eens een hand gegeven, dat wel, toen hij op een Antwerps terrasje toevallig naast ons zat. En bij hem zat Emma Kirkby, en die kende ik dan weer wel persoonlijk, wegens dat interview in Zweden.
Trouwens zo’n handdruk, ik vind dat belangrijk. Veel mensen vragen een handtekening, dat doe ik bijna nooit (Hugo Claus is zowat de enige die ik me kan herinneren), al wil ik daarom niet neerkijken op degenen die het wél doen. Ik herinner me dat de Vlaamse muziekcritici eens op de bus naar Amsterdam werden gezet voor een “meet and greet” met Nikolaus Harnoncourt, zoals dat in popmiddens zou heten. Met enige overdrijving zou ik kunnen zeggen dat we uren moesten aanschuiven, vooral omdat sommigen (zoals Stephan Moens die vlak voor me stond) zich toch wel vrij lang met de Meester onderhielden. Toen ikzelf dan eindelijk aan de beurt was, gaf ik hem enkel een hand. Ik zie nog steeds de verbaasde blik van Harnoncourt voor me, maar voor mij was dat voldoende.
Of nog een beter voorbeeld: in het Hermitagemuseum van Leningrad heb ik eens de rand van een schilderij van Rembrandt aangeraakt. Uiteraard kan ik me vergissen en was die kader pas veel later aangebracht, maar voor het gemak ging ik er toch maar van uit dat Rembrandt zelf ook ooit deze kader had aangeraakt. En op die manier gaf ik hem dus een hand over de eeuwen heen.
Christopher Hogwood kreeg zijn opleiding aan de universiteiten van Cambridge en Praag. Nadat hij een tijdje bij The Academy of St.Martin in the Fields van Neville Marriner (1924-2016) had gespeeld, stichtte hij in het flowerpower-jaar 1967 samen met David Munrow (die later zelfmoord zou plegen) het Early Music Consort, met de bedoeling middeleeuwse muziek uit te voeren. Zes jaar later richtte hij The Academy of Ancient Music op, daarmee verwijzend naar de oorspronkelijke formatie van Dr.Pepusch, die uit het midden van de achttiende eeuw dateert en daar noemde men alles wat ouder was dan twintig jaar “ancient music”. “Oldies but goldies” zouden wij zeggen. Of “gouwe ouwe”. Deze concerten, die toen niet “Goud van Oud Live”, maar “The King’s Concerts” heetten, werden georganiseerd tot 1848.
Maar als Hogwood het over “ancient music” heeft, dan bedoelt hij wel degelijk muziek tot en met de achttiende eeuw. Met zijn Academy bracht hij voor het prestigieuze label “L’Oiseau-Lyre” (Decca) historische opnames uit van Händels “Messiah”, de integrale symfonieën van Mozart en Beethoven en (natuurlijk) “De Vier Jaargetijden” van Vivaldi. En als ik zeg “historisch”, dan heb ik het niet enkel over de authentieke uitvoeringspraktijk, maar ook over de mijlpalen die deze platen zelf betekenden.
Daarna werkte Hogwood aan de integrale symfonieën van Haydn (meer dan honderd asjeblief, het project strekte zich dan ook uit over acht jaar) en de meeste opera’s van Mozart en Händel (waaronder “Orlando” met Emma Kirkby en James Bowman). Hij heeft trouwens reeds met succes opera’s gedirigeerd in St.Louis, Venetië, Berlijn en Parijs. Met Emma Kirkby heeft hij ook een Engelse versie van Haydns “Die Schöpfung” opgenomen met een reusachtig (maar toch authentiek) orkest. Naast Emma en Anthony Rolfe Johnson was ook de bas Michael George van de partij. Enkele jaren geleden suggereerde ik aan Terry Wogan dat hij deze Michael George samen met popzanger George Michael in zijn programma zou halen om over de diverse aspecten van het beroep van zanger te discussiëren. In tegenstelling tot wat men altijd de Britse beleefdheid heeft genoemd, kreeg ik zelfs geen antwoord op mijn voorstel.
Als ik hier weer de naam Jos Van Immerseel laat vallen, is dat natuurlijk niet omdat die bijna in àl mijn artikels opduikt (vandaar dat ik ook af en toe Raymond van het Groenewoud nog eens vernoem, a question of balance). Nee, merkwaardig is dat Hogwood in een interview met een Nederlandse confrater bijna net hetzelfde zegt als Van Immerseel een jaar eerder tijdens het Mozart-weekend van het Festival van Vlaanderen: “Haydn is een onderschat componist. Mozart daarentegen is overschat. Hij heeft veel geschreven dat gewoon niet goed is. Maar van Haydn is werkelijk alles mooi. Mozart spreekt alleen veel meer tot de verbeelding. Over hem wordt een film gemaakt, maar over Haydn? ‘Joseph – The Movie’, nee, dat zie ik nog niet gebeuren.” Dat wil echter niet zeggen dat Hogwood tot diegenen zou behoren die Mozart willen “herschrijven”.
Anderzijds slaagt Hogwood er ook nog in om af en toe een boek af te scheiden. Een fel geprezen biografie van Händel b.v. en zelfs een kookboek. Over historisch koken, uiteraard, of wat had u gedacht. “Een recept uit de achttiende eeuw geeft je instructies hoe een product te bereiden waar anderen plezier aan kunnen beleven – dat is een duidelijke overeenkomst met muziek maken. Het boek is dan ook een metafoor voor muziek: het recept is de partituur, de ingrediënten zijn de instrumenten, de kok is de uitvoerende musicus en de tafelgasten zijn de toeschouwers in de concertzaal.”
Ook in Blaazuit trekt Hogwood deze metafoor door, als hij bedenkingen uit bij de platgetreden paden die de programmatie de jongste jaren bewandelt: “Uiteindelijk zal het publiek alleen nog uit zijn luie zetel komen om Pavarotti luidkeels te horen zingen in het Sportpaleis. Muziek is echter niet alleen plezier en ontspanning. Muziek kan ook een inspanning van de luisteraar vragen. Voor veel muziek moet de luisteraar zich toch concentreren en muziek is soms zelfs moeilijk. Maar achteraf word je rijkelijk beloond. Wanneer je alleen maar zacht eten krijgt, verlies je op de duur je tanden. Mensen moeten tanden hebben en ze moeten ze durven gebruiken. Ze moeten dus stevig voedsel krijgen om in te bijten. Volgens mij schuilt hier het grote gevaar voor de toekomst.”
Uiteraard heeft Hogwood ook navolgers. Nicholas McGegan, fluitist uit het orkest van Christopher Hogwood, introduceerde in de jaren tachtig de oude muziek in de VS. Aangezien er daar enerzijds geen subsidiebeleid is en anderzijds de vakbond hoge lonen voor musici heeft afgedongen (al is dat dan op de eerste plaats voor studiomusici bedoeld), komt de beweging daar echter niet van de grond. Het merkwaardige aan McGegan, die als musicoloog is afgestudeerd met een studie over de politieke invloeden op de Franse Commedia dell’Arte, is dat hij ook barokopera’s regisséért.
Gevraagd naar de toekomst van de historische uitvoeringspraktijk, neemt Hogwood enige tendenzen waar die zich reeds hebben doorgezet: “Het moderne orkest en het orkest met historische instrumenten staan niet meer zover van elkaar en ze zullen nog naar elkaar toegroeien. Ik kan me gemakkelijk voorstellen dat in de toekomst een modern orkest ook elke historische stijl kan spelen of dat een concertreeks wordt verdeeld tussen een modern orkest en een orkest met historische instrumenten.”
“Het voordeel van moderne instrumenten,” zegt hij, “is dat je in één programma muziek uit verschillende perioden kunt spelen.” Hij doet dat b.v. met het St.Paul’s Chamber Orchestra, waarmee hij Bach en Stravinsky op één en dezelfde avond uitvoert. Ik vraag me dan altijd af wie in godsnaam Bach en Stravinsky op één en dezelfde avond wil horen, maar ik zal wel weer verkeerd zijn zeker?
Daarnaast belet niets dat hij ook romantische of zelfs hedendaagse stukken op zijn repertoire neemt. En dan uiteraard met een ‘modern’ orkest. Zo zegt hij in Vrij Nederland dat hij inderdaad reeds Gounod en Bizet heeft uitgevoerd. Toch behoort hij tegelijk tot de strekking van Roger Norrington die met een authentieke uitvoeringspraktijk steeds maar verder in de tijd wil gaan. In Japan heeft hij reeds Schubert uitgeprobeerd, zegt hij, en met goed resultaat. “Het klonk neo-Haydn in plaats van post-Beethoven, zoals Schubert bij moderne orkesten helaas altijd klinkt.”
Anderzijds is het ook Hogwood die de vijf pianoconcerten van Beethoven op vier verschillende fortepiano’s liet uitvoeren. Nochtans is het erg de vraag of de dove Beethoven wel de technische evolutie van dat instrument kon volgen. Wellicht componeerde hij met het geluid van zijn eerste pianoforte in het hoofd.
Maar Hogwood heeft nog méér verrassingen in petto. Wist u b.v. dat hij een verzamelaar is van originele opnamen van “ouderwetse” dirigenten als Mengelberg of Toscanini? En dat niet enkel uit jeugdsentiment! Nee, hij heeft echt bewondering voor de sterke karakters van die dirigenten, ook al lieten die dat dan soms wat te veel doorwegen op de muziek die ze maakten. Hogwood is trouwens niet ongevoelig voor de erkenning die er nu vanuit de “traditionele” hoek komt voor de authentieken. Hij zou zelfs eigenlijk willen dat dit omgekeerd ook wat meer het geval was. Nog te veel ‘authentieken’ kijken minachtend neer op traditionele uitvoeringen, vindt hij: “Ik zou graag willen dat de fortepianisten eens wat meer naar Ashkenazy’s spel zouden luisteren, zodat ze iets van hem kunnen opsteken!” Niet te verwonderen dus dat hij vanaf 1998 mededirecteur werd van de Vlaamse Beethoven Academie.

Lees verder “Christopher Hogwood (1941-2014)”

Dertig jaar geleden: les bij Dirk Mannekens

Dertig jaar geleden: les bij Dirk Mannekens

Enkele dagen geleden bracht ik in herinnering dat ik na mijn ontslag bij De Batselier dictie ben gaan volgen bij Griet Pauwels. Maar enkele dagen later liet ik me aan dezelfde academie van Gentbrugge (al lagen de leslokalen op de Rooigemlaan) ook inschrijven voor de cursus muziekgeschiedenis, gegeven door Dirk Mannekens. Ik deed dit voornamelijk omdat ik me wat recensies betreft vooral wilde gaan toeleggen op klassieke muziek, maar wat ik uiteindelijk het meeste heb geleerd bij Dirk – en ik ben hem daar nog altijd ontzettend dankbaar voor – dat is een kennismaking met de zogenaamde “historische uitvoeringspraktijk” (in die tijd sprak men nog eerder van de “authentieke” uitvoeringspraktijk). Daarnaast heb ik in zijn lessen ook een vriendin leren kennen met wie ik zo’n kleine tien jaar ben opgetrokken, maar dat is weer een gans ander verhaal…

Lees verder “Dertig jaar geleden: les bij Dirk Mannekens”

235 jaar geleden: creatie (?) van de Gran Partita (Mozart)

235 jaar geleden: creatie (?) van de Gran Partita (Mozart)

De Serenade nr. 10 voor blazers in Bes-majeur, beter bekend onder de naam Gran Partita, KV 361/370a, is een serenade van Wolfgang Amadeus Mozart geschreven voor dertien instrumenten (twaalf blazers en contrabas). Het stuk werd waarschijnlijk gecomponeerd in 1781 of 1782. Vandaag 235 jaar geleden werd het uitgevoerd in een openbaar concert o.l.v. Mozarts favoriete klarinettist Anton Stadler, maar of het hier ook de creatie van het werk betrof, staat niet helemaal vast.
Lees verder “235 jaar geleden: creatie (?) van de Gran Partita (Mozart)”

Emma Kirkby wordt zeventig…

Emma Kirkby wordt zeventig…

De Engelse sopraan Emma Kirkby wordt vandaag zeventig jaar. Meer dan 25 jaar geleden ontmoette ik haar in Nordmaling (Zweden). Tegenstanders geven haar wel eens de bijnaam “de zingende ijskast”, maar zelfs in het koude noorden, in een kil lokaal met als achtergrond een hoop opeengestapelde schoolbanken, voelde ik toch veel warmte van haar uitgaan.

Emma Kirkby is een autoriteit op het gebied van de authentieke uitvoeringspraktijk. Ze werd geboren in Camberley, Surrey, en is een professionele zangeres sedert 1975. Daarnaast is ze ook nog professor aan The Guildhall School of Music and Drama. Haar doorbraak bij het grote publiek kwam er met een CD t.g.v. het huwelijk van Charles en Diana op 29/7/1981.
“Nogal wat zangers nemen zowel barokmuziek als belcanto op hun repertoire, maar ikzelf doe dat slechts heel zelden,” zegt ze als opener.
En kan ze het dan appreciëren als “belcanto”-zangers zich aan barokmuziek wagen?
“Hangt ervan af hoe ze het doen,” lacht ze. “Mijn zanglerares, Jessica Cash, is b.v. helemaal geen specialiste in de authentieke zangstijl, maar zij is wel een zeer goede technische lerares en daarom blijf ik bij haar les volgen. Het komt er bij het zingen vooral op aan te reageren op wat je hoort. Als ik dus een moderne zanger hoor die beïnvloed wordt door de authentieke klanken rond hem, zodat hij het idioom en het timbre van de instrumenten rond hem benadert, dan hou ik er wel van, ja. Als hij echter doorgaat met zingen alsof hij door een traditioneel orkest wordt begeleid, dan klinkt het mij verkeerd in de oren. Die sensibiliteit is dus belangrijk.”
Alleszins is de menselijke stem in de loop der tijden niet in even grote mate veranderd als de instrumenten…
“Uiteraard. Door andere eetgewoonten breken jongensstemmetjes veel vlugger dan vroeger, maar dat zal wel zowat het enige zijn. Vroeger konden sommige Bach-aria’s ongetwijfeld nog worden gezongen door mannelijke sopranen van achttien jaar, nu zal dat ten hoogste nog veertien zijn. Een ander verschil is echter dat zangers nu in grotere zalen moeten optreden, die op de koop toe niet zo goed resoneren als een kerk b.v. Om een ‘normale’ stem zo geweldig te doen klinken voor een grote ruimte, daarvoor bestaan er speciale technieken die je voor barokmuziek opnieuw moet laten varen, wat sommigen dan weer kunnen en anderen niet. Sommigen gaan maar door met zo’n geweldig vibrato te produceren. Dat komt hen uiteraard van pas bij een grote, niet-resonerende ruimte, maar dan zouden ze zich beter tot die bepaalde muziek beperken. Niet dat vibrato totààl uit den boze is bij barokmuziek, maar dan wel als een versiering of als een middel om de noot juist te treffen. Dan kan vibrato zelfs erg handig zijn,” besluit ze.
De negatieve houding van de ‘authentieken’ tegenover vibrato is dus de jongste tijd inderdaad een beetje afgezwakt en persoonlijk ben ik van oordeel dat bij de zang de grenzen soepeler zijn dan bij instrumentale muziek (*). Maar als ik dan samenvat dat het nu uiteindelijk meer een kwestie van interpretatie dan van techniek is geworden, gaat Emma Kirkby toch niet akkoord.
“Je kan die twee niet scheiden,” zegt ze. “De manier om b.v. elke lettergreep vanuit het middenrif te beklemtonen, die in sommige technieken wordt aangeraden als initiële druk om iedere noot te halen, kan inderdaad van nut zijn om heel luid te gaan zingen, maar eigenlijk is deze techniek niet aan te raden voor eender welk soort muziek. Je moet je middenrif op een andere, zachtere manier gebruiken om als ondersteuning te dienen, maar zonder de noten erop te articuleren. Ik vind dat dit zelfs voor moderne muziek een aberratie is. Hetzelfde geldt voor die overdreven nadruk op ‘masker-resonantie’, alsof je stem vanachter je jukbeenderen komt. Als je dat heel de tijd doet, (met piepstem:) dan verandert stilaan je toonhoogte. Nee, je voordracht moet tamelijk vergelijkbaar zijn met gewone spraak. Dat is altijd al zo geweest. Ik heb niet toevallig letterkunde gestudeerd, want alvast in mijn repertoire kan je bijna onmiddellijk van de tekst vertrekken. Omdat de muziek de dienaar van het woord is. Zo zagen de componisten dat toen ook al.”
Later (maar nog altijd in de jaren negentig) ben ik Emma nog eens tegen het lijf gelopen in Antwerpen (samen met Christopher Hogwood), maar kort nadien ben ik uit de journalistiek gestapt (ik had eerst geschreven: “uit het beroep”, maar dat klonk als helemaal iets anders…), zodat alle contact is verloren gegaan. Gelukkig was er nog confrater Dirk Musschoot  die haar in mei vorig jaar (2015 dus) heeft ontmoet tijdens privéconcert in Finchcocks, Kent, en mij onderstaande foto heeft bezorgd.

Ronny De Schepper

(*) Wat nu anderzijds ook weer niet wil zeggen dat ik vibrato ben gaan tolereren. Dan hoef ik maar even naar Véronique Sanso-o-o-on te luisteren en ik zit weer helemaal op de kast! Lees verder “Emma Kirkby wordt zeventig…”

235 jaar geleden: creatie van de Haffner-symfonie

235 jaar geleden: creatie van de Haffner-symfonie

Alhoewel de jonge Wolfgang Amadeus Mozart al meer dan een jaar in Wenen woonde en het werk binnenstroomde na het succes van zijn Singspiel Die Entführung aus dem Serail, wilde zijn vader, Leopold Mozart, dat zijn zoon de muziek schreef voor de inauguratie van de nieuwe burgemeester van Salzburg, Sigmund Haffner. Ondanks dat de jonge Mozart dus tot over zijn oren in het werk zat, gaf hij toch gehoor aan de oproep van zijn vader en componeerde een serenade. Toen hij zes maanden later een nieuwe symfonie nodig had herinnerde hij dit werk, bewerkte het en de Haffner Symfonie was geboren. De première was een groot succes, zoals de componist aan zijn vader schreef: “Het theater zat helemaal vol. Maar wat mij de meeste deugd deed was dat Zijne Majesteit de Keizer aanwezig was, en hemel, hoe heeft hij mij toegejuicht!”
Lees verder “235 jaar geleden: creatie van de Haffner-symfonie”

Tien jaar geleden: debuut van Laurence Dale als dirigent

Tien jaar geleden: debuut van Laurence Dale als dirigent

Uit Sussex komt tenor Laurence Dale die studeerde aan de Guildhall School of Music en het Salzburger Mozarteum. In 1981 debuut in Covent Garden, 1982 Don José in “La tragédie de Carmen” van Peter Brook en in de Munt Tamino in “Die Zauberflöte” en recital met Antonio Pappano.
Lees verder “Tien jaar geleden: debuut van Laurence Dale als dirigent”