Alfred Deller (1912-1979)

Alfred Deller (1912-1979)

Het is vandaag al veertig jaar geleden dat de Britse contratenor Alfred Deller is gestorven.

Alfred Deller speelde een belangrijke rol bij de authentieke uitvoeringspraktijk. Kort na de Tweede Wereldoorlog introduceerde hij de hoge mannenstem opnieuw in de concertzalen. Dat was dus wel ruim laat in zijn carrière en bovendien zou hij zich op één uitzondering na (“Sosarme” van Händel in 1954 en dan nog enkel op plaat) nooit aan opera wagen. Barokopera dan wel, want in 1960 schreef Benjamin Britten speciaal voor hem de rol van Oberon in “Midsummernight’s dream”. Als acteur kreeg hij overigens slechte kritieken, zodat bij de herneming een jaar later men een beroep deed op de Amerikaan Russell Oberlin. Aangezien zijn normale stem een lichte bariton is, heeft hij een timbre dat zelfs Stephan Moens tot tranen kan bewegen. Zijn zoon Mark is ook een contratenor, maar met minder allure. Van zijn vader heeft hij de leiding van het Deller Consort overgenomen.

Lees verder “Alfred Deller (1912-1979)”

Wout Van Aert wint in de Tour

Wout Van Aert wint in de Tour

Wout van Aert (foto Erik Westerlinck) heeft in zijn eerste Tour de France meteen een etappe gewonnen, in een massasprint dan nog. In Albi klopte hij Viviani, Ewan, Sagan en Matthews. Het peloton was door waaiers fel uitgedund en o.a. Dylan Groenewegen zat er niet meer bij, zodat Wout zijn eigen kans mocht gaan. Die heeft hij met beide handen gegrepen. 

Zoals te verwachten was, is het lemma over Wout Van Aert (Herentals, 15 september 1994) op Wikipedia veel te uitgebreid om over te nemen. Daarom beperk ik me tot zijn resultaten bij de jeugd.
Van Aert genoot zijn opleiding bij het jeugdteam van Telenet-Fidea. Na een anoniem eerste seizoen bij de junioren in 2010–2011, liet hij voor het eerst van zich horen in 2011–2012. Zo won hij dat seizoen de cross in Ruddervoorde. Het was dat seizoen de enige cross die Mathieu van der Poel NIET wist te winnen. Op zowel het BK als het WK werd hij tweede, dit achter respectievelijk Daan Soete en diezelfde Van der Poel. Vanaf het seizoen 2012–2013 maakte Van Aert de overstap naar de beloften. Als eerstejaars presteerde hij uitstekend, hij won verscheidene crossen en werd zowel op het BK als het WK derde. Door zijn prestaties werd hij op 1 januari 2013 prof bij Telenet-Fidea. In het daaropvolgende seizoen domineerde hij samen met Van der Poel de beloftencategorie. Van Aert kroonde zich dat seizoen tot wereldkampioen in Hoogerheide, nadat hij drie weken eerder gediskwalificeerd werd tijdens het BK in Waregem na een valse start. Ook won hij zijn eerste wedstrijd bij de elite, in Otegem klopte hij Klaas Vantornout en Rob Peeters, daags na dat bewuste BK.
Gaandeweg het seizoen 2014–2015 merkte Van Aert dat hij de beloftencategorie ontgroeid was. Zo won hij het EK en verscheidene manches in de wereldbeker. Tegelijk met eeuwige rivaal Van der Poel besloot hij enkele weken voor het WK om vanaf nu definitief bij de profs te gaan rijden.
We springen dan naar eind 2018. Toen heeft Wout van Aert de Sylvestercross in Bredene gewonnen. De wereldkampioen won voor Quinten Hermans en Jens Adams. Voor Van Aert is het nog maar zijn tweede overwinning van het veldritseizoen, nadat hij op 18 oktober in Ardooie won. Voor de rest was Mathieu Van der Poel hem steeds te sterk en occasioneel ook Toon Aerts, die in Bredene allebei niet van de partij waren.
Sinds Wachtebeke rijdt de wereldkampioen na een cross uit op de rollen (“cooling down”). En dat werkt de tegenstanders op de zenuwen omdat ze langer moeten wachten op het begin van de ceremonie. “Het was al een paar keer dat we écht moesten wachten”, aldus Van der Poel. De Française Christelle Reille, werkzaam bij de Internationale Wielerunie (UCI), duwde in Namen dan ook op de timer op het moment dat Mathieu van der Poel en Toon Aerts zich begonnen schoon te wrijven voor de ceremonie. “Het is me deze week gezegd dat ik tien minuten kreeg”, zei een pissige Van Aert. ’s Anderendaags verontschuldigde hij zich al, omdat hij wellicht inzag dat een podiumceremonie bij het veldrijden toch wel uitzonderlijk is. Dit jaar hebben we (“dankzij” de opwarming van de aarde) gelukkig bijna altijd met milde temperaturen te maken gehad, maar ik herinner mij uit het verleden podia met Marc Janssens of Erwin Vervecken, waarbij de gevierde renner stond te bibberen van de kou!
Daarna heeft Wout Van Aert de veldrit in La Mézière in Frankrijk op zijn naam gebracht. Er stond geen maat op de wereldkampioen die met bijna twee minuten voorsprong won en zo zijn derde zege van het seizoen pakte. In de strijd om de tweede plek vloerde de Fransman Clément Venturini onze landgenoot Quinten Hermans in de sprint. Na afloop haalde Wout van Aert op Twitter wel zwaar uit naar Sporza. Tijdens de uitzending van de veldrit in Brussel sprak commentator Michel Wuyts over de 20.000 euro startgeld die Van Aert naar verluidt zou krijgen in Frankrijk. In het verslag na afloop van de cross in La Mézière titelde Sporza op zijn website als volgt: ‘Van Aert maakt zijn (forse) startgeld waar in Mézière’. In het verslag zelf passeerde ook volgende passage: “Wout van Aert werd door de organisatie in Bretagne verleid met een fors bedrag om te starten (20.000 euro, naar verluidt). Van Aert kon dan ook nog eens het vliegtuig nemen naar het westen van Frankrijk. Reden genoeg voor de wereldkampioen om de DVV-cross in Brussel links te laten liggen. Maar Van Aert gaf de Fransen wel waar voor hun geld.” Dat was blijkbaar niet helemaal naar de zin van de wereldkampioen en hij reageerde fors op Twitter. “Wat krijgt u betaald om op zondagmiddag een livestream te volgen vanuit uw luie zetel? #niveaunihil.”
Zijn vierde zege van het jaar pakte hij in Pontchâteau voor Toon Aerts en Michael Vanthourenhout. Voor Van Aert was het zijn eerste overwinning in een klassementscross dit seizoen.
Op de weg hield Wout wél gelijke tred met veelwinnaar Mathieu Van Der Poel. Nadat hij vriend en vijand verraste met zijn zege in de tijdrit van de Dauphiné en daarna ook nog een massasprint heeft gewonnen, kon hij de groene puntentrui niet meer verliezen, ook al omdat hij in de spurt ook nog een een knappe tweede en een derde plaats had veroverd. Na zijn tijdritzege, waarbij Van Aert onder meer Van Garderen en Dumoulin achter zich liet, was Mathieu Van der Poel er als één van de eersten bij om zijn “concullega” te feliciteren. Hij voegde er ook nog ‘veldrijden is baas’ aan toe.

Vervolgens werd Wout de nieuwe Belgische kampioen tijdrijden. De renner van Jumbo-Visma won voor twee sterkhouders van Deceuninck-Quickstep Yves Lampaert en Remco Evenepoel. Werelduurrecordhouder Victor Campenaerts werd “slechts” vierde. Van Aert mocht zijn nieuwe tricolore een week later reeds showen in de Tour.

Lees verder “Wout Van Aert wint in de Tour”

Iris Murdoch (1919-1999)

Iris Murdoch (1919-1999)

Het is vandaag precies honderd jaar geleden dat de Britse schrijfster Iris Murdoch werd geboren in Dublin.

Op jonge leeftijd verhuisde ze met haar ouders naar Londen, waar haar vader als ambtenaar werkte. Haar moeder volgde een zangopleiding, maar brak die af toen ze zwanger was van Iris en ze pakte het zingen daarna nooit meer op.
Iris Murdoch bezocht scholen die voor die tijd vooruitstrevend waren. Ze studeerde klassieke talen, geschiedenis en wijsbegeerte aan het Somerville College in Oxford.
In de tijd dat ze lid was van de Britse KP, voelde ze zich verplicht om het zowat met alle kameraden te doen (waardoor ze zich later expliciet tégen promiscuïteit kantte). Toen ze een beurs won voor de VS en naïef haar vroeger lidmaatschap “verklapte”, kon ze die beurs voor the land of the free natuurlijk in haar gat steken. Ze ging dan maar naar… België, waar ze prompt een verhouding begon met Raymond Queneau en via hem met Jean-Paul Sartre, op dat moment de vrijer van Simone de Beauvoir.
Murdoch had een voor die tijd dus erg vrije moraal. Ze had relaties met verscheidene mannen en vaak ook met meerdere tegelijk. Dat waren zonder uitzondering invloedrijke mannen, vaak afkomstig uit de wereld van wetenschap en cultuur.
Er gingen geruchten dat Murdoch ook relaties met vrouwen zou hebben, maar dat ontkende ze altijd. Zo was collega Brigid Brophy verliefd was op haar. Ze bleef echter immuun voor haar verleidingspogingen, omdat ze op dat moment haar wildste jaren reeds achter de rug had. Nadat ze een postuniversitaire opleiding had gevolgd aan het Newnham College in Cambridge, waar Ludwig Wittgenstein haar leraar was, kreeg ze in 1948 immers een baan als onderzoeksassistent (fellow) en mentor aan het St.Anne’s College in Oxford. Daar ontmoette ze in 1954 op een feestje John Bayley, die een soortgelijke functie bekleedde op het naburige St. Anthony’s College. Later werd hij hoogleraar Engels en literatuurcriticus. In 1956 traden ze in het huwelijk en ze leidde voortaan een saai, maar comfortabel huwelijksleven dat haar wel in staat stelde om een reeks succesvolle boeken te schrijven, waarvan het succes echter ook wordt toegeschreven aan haar uitgeefster Norah Smallwood. Vanaf het ogenblik dat Carmen Callil deze job immers overnam en er prat op ging dat ze “geen letter veranderde”, schamperden de critici: ’t is eraan te merken! Trouwens ook Murdoch vond zichzelf inderdaad slechts een middelmatige schrijfster, al kan de terugval ook wel op rekening van haar opdoemende ziekte (Alzheimer) worden geschreven.

Lees verder “Iris Murdoch (1919-1999)”

Yul Brynner (1920-1985)

Yul Brynner (1920-1985)

Yul Brynner was een acteur van Russische komaf en met het Franse burgerschap.  Yul Brynner deed zijn toch al exotische leven nog aantrekkelijker klinken door een aantal verhalen over zijn jeugd in de wereld te brengen. Zo zou zijn geboortenaam Taidje Khan zijn, zou hij van Zwitsers-Japanse afkomst zijn en geboren zijn op het Russische eiland Sachalin. Verder deed hij vrij geheimzinnig over zijn echte geboortedatum. In 1989 kwam er een biografie uit, geschreven door zijn zoon, die enkele van deze verhalen ontkrachtte en het mogelijk werkelijke verhaal naar boven bracht. De tekst op Wikipedia die ik hier overneem is dan ook op deze biografie gebaseerd.

Yul Brynner werd in 1920 geboren als Joeli Borisovitsj Briner in Vladivostok, Rusland. Zijn moeder was de dochter van een arts, zijn vader was een uitvinder en technicus. In zijn jeugd verhuisde hij met zijn moeder en zus naar HarbinChina en in de jaren dertig vertrok de familie naar Parijs. Daar verwaarloosde hij zijn school en ging hij gitaar spelen bij Russische vluchtelingen. Later werd hij trapeze-artiest en ging hij bij het theater.

In 1941 verhuisde hij naar de Verenigde Staten om daar deel uit te maken van het theatergezelschap van Michail Tsjechov (1865-1936), de jongste broer van Anton. In 1945 kreeg hij een rol in het Broadway-stuk Lute Song. Voor deze rol kreeg hij een aantal prijzen. In 1949 maakte hij zijn filmdebuut in Port of New York.

Met Lute Song in het achterhoofd werd hij gevraagd voor de rol van de koning van Siam in The King and I, de Broadway-musical van Michael Rodgers en Oscar Hammerstein uit 1951. De rol betekende zijn grote doorbraak en bracht hem in de schijnwerpers. In 1956 herhaalde hij de rol weer voor de filmversie, waarvoor hij de Academy Award voor Beste Acteur binnenhaalde. Hij is één van de negen mensen die zowel een Tony Award als een Oscar wonnen voor dezelfde rol. Brynner schoor zich kaal voor de rol en bleef zich daarna kaal scheren, al zette hij later voor sommige rollen een pruik op. Omdat een kaalgeschoren hoofd in die tijd ongewoon was, werd Brynner een iconisch figuur.

Filmregisseur Cecil B. DeMille castte hem in de rol van de Egyptische farao Ramses II in het miljoenenproject The Ten Commandments (foto) en datzelfde jaar speelde hij ook in Anastasia aan de zijde van Ingrid Bergman. In 1959 was hij de tegenspeler van Gina Lollobrigida in de epische film Solomon and Sheba, waarin hij koning Salomo vertolkte. In 1960 speelde hij de hoofdrol in The Magnificent Seven, de westernversie van Akira Kurosawa‘s The Seven Samurai. It had been Yul Brynner who approached producer Walter Mirisch with the idea of doing a Western adaptation of Akira Kurosawa’s classic. Yul Brynner had also a major say in casting decisions, including the decision to cast Steve McQueen. He specifically requested that McQueen be cast as Vin Tanner. Brynner later regretted the move since he and McQueen developed a disastrous relationship on set. According to Eli Wallach’s autobiography, Yul Brynner had a major problem with what he perceived as Steve McQueen’s trying to upstage him. According to Wallach, McQueen would do things when on screen with Brynner to draw attention to his character. E.g. Steve McQueen tried to draw attention from Yul Brynner by taking off his hat to shade his eyes. Finally Brynner said to him, “If you don’t stop that I’m going to take off my hat, and then no one will look at you for the rest of the film.” Alluding to his bald head of course. Yul Brynner was married on the set; the celebration used many of the same props as the fiesta scene.

In 1962 speelde hij Taras Bulba in de gelijknamige film. In 1966 was hij de enige van de hoofdrolspelers die zijn rol hernam in “The return of the Magnificent Seven”. In de jaren zeventig was hij te zien in Michael Crichtons Westworld als een op hol geslagen cowboy-robot, in ongeveer dezelfde kledij als in The Magnificent Seven.

In 1985 speelde hij voor de laatste keer de koning van Siam in een tweede tournee. Hij werd toen al geplaagd door longkanker. Twee maanden na het einde van de tournee stierf Brynner aan de ziekte in een ziekenhuis in New York (op dezelfde dag als Orson Welles) op 65-jarige leeftijd. Voor zijn dood had hij een reclameboodschap opgenomen, waarin hij verklaarde ziek te zijn geworden door roken. Deze reclameboodschap is op zijn verzoek na zijn dood uitgezonden, als een krachtig statement tegen het roken. Ironisch genoeg werd het thema van The Magnificent Seven jarenlang gebruikt bij een reclame voor Marlboro-sigaretten…

Brynner trouwde vier keer, kreeg drie kinderen en adopteerde er twee.

Anton Tsjechov (1860-1904)

Anton Tsjechov (1860-1904)

Het is vandaag 115 jaar geleden dat de Russische (toneel)auteur Anton Tsjechov is gestorven.

Geboren in Taganrog (zijn grootvader was nog lijfeigene geweest), gaat Antons vader (een kruidenier) failliet als Anton 16 jaar is. Hij trekt met zijn vrouw en vijf kinderen naar Moskou om aan de schuldeisers te ontsnappen, terwijl Anton alleen achterblijft en zelf aan de kost moet zien te komen om zijn studies te kunnen verder zetten. Drie jaar later trekt hij ook naar Moskou om er geneeskunde te gaan studeren. Om in zijn levensonderhoud te voorzien schrijft hij onder een schuilnaam in humoristische blaadjes van laag allooi. Hij heeft zoveel succes dat hij niet alleen vijf jaar later afstudeert, maar dat hij ook zijn ouders financieel kan onderhouden. Hij lijdt wel aan TBC. Nog twee jaar later begint hij onder invloed van de schrijver Gregorovitsj “echt” te publiceren (niet meer onder pseudoniem). In een brief uit 1888 schrijft hij: “De mensen die publiceren, en vooral de kunstenaars, moeten toch eindelijk eens beseffen dat je er inderdaad niets van begrijpt op deze wereld, zoals Socrates dat eens heeft ingezien en zoals ook Voltaire erkende. De grote massa denkt dat zij alles weet en alles begrijpt; en hoe dommer zij is, hoe wijder haar blik schijnt te zijn. Wanneer nu de kunstenaar, in wie de massa vertrouwen heeft, er eens toe zou komen te verklaren dat hij niets begrijpt van datgene wat hij ziet, dan zou dat al een belangrijke geestelijke verrijking en een grote stap vooruit betekenen…”
Niet dat Tsjechov ondertussen bij de pakken blijft zitten: na een (vrijwillig) verblijf op het gevangeniseiland Sakhaline publiceert hij hierover een boek, waardoor de overheid zo onder druk komt te staan dat ze een onderzoekscommissie moeten sturen. Vandaar misschien zijn bittere brief uit 1895: “Het doel van de roman is de bourgeoisie in slaap te wiegen in haar gouden dromen. Wees je vrouw trouw, bid samen met haar uit het gebedenboek, verdien geld, hou van sport – en je zaak is gezond, zowel in deze als in de andere wereld. De bourgeoisie is dol op zogenaamde ‘positieve’ types en romans met een gelukkig slot, omdat die haar de rustige gedachte geven dat je tegelijkertijd een kapitaal bijeen kunt garen en onschuld betrachten, een beest en tegelijkertijd gelukkig kunt zijn…”
Anton Tsjechov wordt dan ook aanzien als de schepper van het “statische drama”. Mensen als Ibsen, Hauptmann, Maeterlinck of Strindberg effenden reeds het pad, maar hun stukken vertonen toch nog het traditionele patroon van “verandering”. Als navolgers van Tsjechov kunnen we Herman Heijermans, Thornton Wilder, Jean-Paul Sartre en zelfs Bertolt Brecht (toch in het geval van “Mutter Courage” b.v.) citeren.
In 1897 schrijft Tsjechov aan L.Avilova: “U klaagt dat mijn personages somber zijn. Maar dat is niet mijn schuld! Dat worden ze onwillekeurig: als ik schrijf heb ik niet de indruk dat ik somber schrijf; in elk geval ben ik als ik werk altijd in een goede stemming. Er is wel eens opgemerkt dat zwartgallige mensen, melancholici, altijd opgewekt schrijven, terwijl levensblije naturen de lezer met hun geschrijf zwaarmoedig maken.” Zijn eigen gezondheid verzwakt zienderogen en daarom installeert hij zich in 1899 op Jalta en raakt er bevriend met Maxim Gorki, aan wie hij de volgende raad geeft: “Als je de drukproeven doorleest, schrap er dan waar mogelijk de bepalingen bij zelfstandige naamwoorden en werkwoorden uit. Er staan bij jou zoveel bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden dat de lezer het moeilijk kan volgen en hij vermoeid raakt. Het is begrijpelijk als ik schrijf: ‘De man ging op het gras zitten’; dat is begrijpelijk omdat het duidelijk is en de aandacht niet vasthoudt. Omgekeerd is het moeilijk te begrijpen en wat zwaar om te verwerken voor het brein wanneer ik schrijf: ‘Een lange man van middelbare leeftijd met smalle borst en een rossige baard ging zitten op het groene, reeds door wandelaars platgetrapte gras, hij ging zachtjes zitten, verlegen en angstig om zich heen kijkend.’ Dat kunnen de hersenen niet zo ineens verwerken, en als het literatuur is moet het dadelijk, in één seconde verwerkt worden.”
De eerste première van een Tsjechov-stuk vond plaats in 1887; dat stuk was “Ivanov”. Ivanov is een echte Tsjechovfiguur met zijn dubieuze verlangen naar de roes van de liefde, zijn neiging tot verveling en wereldvlucht en zijn onverbloemd egoïsme. Ivanov is een anti‑held die zijn dromen en de eisen van de realiteit niet met elkaar in overeenstemming wil brengen. Hij kan zich niet interesseren voor zijn landgoed, noch voor zijn zwaar zieke vrouw. De dochter van de buurman wordt verliefd op Ivanov wat zijn schuldgevoel en zijn twijfels nog groter maakt. Na de dood van zijn vrouw, besluit hij het jonge buurmeisje te huwen. Op het laatste ogenblik ziet hij echter van zijn voornemen af en schiet hij zichzelf door het hoofd. Hoe zoudt ge zelf zijn!
De bekendste stukken van Tsjechov zijn echter “De kersentuin”, “De meeuw”, “De drie zusters” en “Oom Wanja” (1898). Het is ongemeen boeiend om de vier meest bekende toneelstukken van Tsjechov onmiddellijk na elkaar te lezen. Pas dan word je echt geconfronteerd (meer dan wanneer je een stuk apart in een enscenering ziet – en ik zag hen in meerdere voorstellingen, beroeps en liefhebbers) met de vraag of en welk etiket er op gekleefd kan worden. Psychologisch realisme, maar steeds stuit je ook op symbolen. En die zwartgalligheid, dat troosteloze… toch overstijgt Tsjechov de verwachte pijn. Heel bizar. Er rest telkens iets als een loutering. En zo wenste hij blijkbaar ook zijn voorstellingen te zien; dat blijkt af en toe uit de briefwisseling tussen hem en zijn bewonderaar (wederzijds overigens) Maxim Gorki. Uiteraard is naast de realiteit die hij zijn personages meegeeft, het minutieuze daarvan, idem wat decor en regieaanduidingen betreft, ook en vooral de weemoedige sfeerschepping van belang. Dit conglomeraat heeft hem tot een vernieuwer gemaakt en zijn stukken tot nog steeds meer dan genietbare werken, te beginnen met de genoemde volavondstukken, maar ook eenakters als ‘De beer’ en ‘Het huwelijksaanzoek’. (Johan de Belie)
“De drie zusters” werd als opening van het seizoen 1989-90 opgevoerd door het NTG. “Ik wilde (…) tegen de mensen zeggen: kijk naar uzelf, kijk hoe uw leven vervelend en slecht is.” Dit schreef Tsjechov over zijn bedoeling met dit stuk. Dan zou hij misschien wel erg tevreden geweest zijn over deze enscenering door de ex-DDR-regisseur Alexander Lang. Het stuk wordt immers erg nadrukkelijk, erg langdradig, ja erg vervelend gebracht. Zodanig zelfs dat het uiterst moeilijk is om zich op het spel te blijven concentreren. Zijn medewerkster Caroline Neven Du Mont heeft immers een prachtig scènebeeld ontworpen, zo wijds en groots dat je aandacht vaak afgeleid wordt naar picturale taferelen die zich hier of daar in de immense sporthal aftekenen. Gewild of niet roepen ze vaak reminiscenties op aan schilderijen van Magritte of Delvaux. Tegelijk is het echter ook deze uitgestrekte speelvlakte die bijdraagt tot het extreem trage tempo. Om van “cour” naar “jardin” te gaan heeft een acteur haast een half uur nodig. Gelukkig is er toch één die de fiets neemt! De titelrollen worden vrij onevenwichtig vertolkt door Els Magerman, Karen De Visscher en Tine Van Den Brande, terwijl de aanwezigheid van Raf Troch, Eddy Spruyt en Karin Tanghe in de andere rollen soms toch even wat meer vaart brengt.
Frank Van Laecke van zijn kant mag dan vooral gekend zijn van grote massaspektakels, af en toe grijpt hij toch nog eens terug naar een kleinschalige productie om zijn affiniteiten met het pure theater beter tot hun recht te laten komen. Zo regisseerde hij in 2008 Karen De Visscher en Jef Demedts in “Jouw hand in mijn hand”, een stuk van Carol Rocamora over de laatste levensdagen van Tsjechov. Toen hij 39 was, wist Tsjechov reeds dat hij niet lang meer te leven had. Op dat moment ontmoet hij de tien jaar jongere actrice Olga Knipper, een actrice van het Kunsttheater van Moskou (dat bijna al zijn stukken creëerde). Drie jaar later trouwen ze, nog eens drie jaar later sterft Tsjechov. In 1904 sterft hij aan TBC op een hotelkamer in Badenweiler met een glas champagne in de hand. Zijn vrouw Olga Knipperis bij hem. Aan de hand van de ongeveer 400 brieven die ze naar elkaar schreven (zij werkte in Moskou, terwijl hij voor zijn gezondheid meestal in Jalta verbleef), schetst Carol Rocamora een prachtig theatraal huwelijksportret. (Ronny De Schepper)
Tsjechov was ook een meester-verteller. Hij schreef zo’n 600 verhalen. De meeste tellen nauwelijks drie à vier pagina’s. Soms evenwel haalt een tekst de lengte van een novelle. Steeds schuiven aan de ene kant de natuur, anderzijds de mens, op indringende wijze aan de lezer voorbij. De natuur… Tsjechov hanteert zowel zijn kennis van en verbondenheid met fauna en flora om een wereld te creëren. En die speelt zich af in de wisselende seizoenen: de winter is bar en genadeloos, de lente hoopvol, er zijn bijvoorbeeld talloze ‘kerstvertellingen’. Via de auteur moeten we niet alleen onze ogen gebruiken maar ook auditief bespeelt hij ons, ieder geluid in de natuur is van belang en roept spanning op. Dit alles hanteert hij met verve om tot zijn talloze sfeerscheppingen te komen. ‘Overal om mij heen weerklonk de roep van de wachtelkoning, van de kwartel, van de snip, de nachtegaal zong, de krekels sjirpten, de mollen ritselden. Er hing een lichte nevel boven het gras en aan de hemel snelden zonder om te zien de wolken voortdurend voor de maan langs, op weg naar ergens toe. Neen, de natuur sliep niet, het leek er eerder op dat zij bang was de beste ogenblikken van haar leven te verslapen’ (uit ‘Angsten’). Hier personifieert hij de natuur zelfs.
En de mens in dit alles? Die staat uiteraard centraal, hij zou anders Tsjechov niet zijn. Boeren, ambtenaren, de adel, de bedienden, de geestelijken… Scherp, vaak komisch, tekent hij hun uiterlijk, gedragingen, behoeften, begeerten. Zijn spot is overwegend mild al kan hij in één zin de maatschappij in haar hemd zetten.. ‘Hij was gestorven aan een tweetal in ons vaderland zo verspreide ziekten: een boosaardige eega en alcoholisme’. En ook, voor schijnheiligheid, bedrog, en voor wie uit een machtspositie naar de andere trapt, heeft hij slechts bittere hoon en scherpe taal. Zo in hetzelfde verhaal (De redekunstenaar) bij de begrafenis van haar echtgenoot zakt de kist in het graf en de echtgenote ‘riep zelfs uit: “Ik wil met hem mee” maar zij voegde de daad niet bij het woord waarschijnlijk omdat haar het pensioen te binnen was geschoten.’ Zijn humor kan bijtend zijn. En het is overwegend de ‘kleine man’ die het onderspit delft.
Alle verhalen zijn onderhoudend, ze vliegen naar een pointe toe dankzij een duidelijke structuur. Een boodschap? Inderdaad, meestal is die er, al brengt Tsjechov die niet belerend aan – zijn verhalen behouden steeds iets anekdotisch. Hij is vaak grappig, vaak ontroerend. Maar ook toont hij hoe pijnlijk het mensenleven is. En de auteur komt vooral tevoorschijn als iemand die begaan is met de mens, een mee-voelend schrijver. (Johan de Belie)

Lees verder “Anton Tsjechov (1860-1904)”

Marianne Vos wint nogmaals in de Giro Rosa

Marianne Vos wint nogmaals in de Giro Rosa

De Nederlandse Marianne Vos heeft gisteren de slotrit in de Giro Rosa op haar naam gebracht. Dat brengt haar totaal op vier. De eindzege was echter voor haar landgenote Annemiek van Vleuten.

In 2006 werd Marianne Vos in het Achterhoekse Zeddam wereldkampioene veldrijden. Ze was de Duitse titelverdedigster Hanka Kupfernagel in de sprint te snel af. Eerder dat seizoen werd ze ook al Europees kampioene veldrijden. Op zaterdag 23 september 2006 werd Marianne in Salzburg (Oostenrijk) wereldkampioene op de weg. In de sprint was ze de sterkste van een omvangrijke kopgroep. Trixi Worrack uit Duitsland werd tweede. Van 2007 tot en met 2011 volgden vijf zilveren medailles op rij, een (ergens ook wel triest) record.
Tijdens haar eerste Nederlands kampioenschap op de weg werd ze in Maastricht eerste, door 1,5 kilometer voor de streep Chantal Beltman in te halen. Uiteindelijk bleef ze op de streep Sharon van Essen en Suzanne de Goede net voor.
Eind juni 2006 werd Marianne Vos uitgeroepen tot ‘Talent van het Jaar 2006’. Sinds 15 mei 2007 was zij de nummer één op de UCI-ranglijst. Tijdens de Olympische Spelen in Beijing (2008) won Marianne bij het baanwielrennen de gouden medaille op de puntenkoers. Ze finishte met een ronde voorsprong. Daarnaast reed zij de wegwedstrijd en tijdrit.
In 2011 werd ze voor de vierde keer wereldkampioene bij het veldrijden. Ze won voor de vijfde keer op rij de Keetie van Oosten-Hage Trofee voor beste wielrenster van het jaar. In juni 2011 werd ze voor de vierde keer Nederlands kampioene wielrennen op de weg.
Tijdens de Olympische Spelen in Londen (2012) won ze de gouden medaille op het onderdeel wegwedstrijd. Daarnaast reed Vos ook de tijdrit, waarin ze echter pas zestiende werd.
Tijdens het wereldkampioenschap wielrennen in Valkenburg op 22 september 2012 veroverde zij wederom de regenboogtrui. Ze maakte deel uit van een kopgroep die in de slotfase van de wedstrijd nog uit vijf rensters bestond. Op de Cauberg liet ze haar tegenstanders achter, waarna ze met een door een toeschouwer aangereikte vlag in haar handen de finish passeerde.
Op 28 september 2013 behaalde zij in Florence (Italië) voor de derde maal en voor de tweede keer op rij het wereldkampioenschap op de weg. Op de korte, maar venijnige Via Salviati nam zij op imposante wijze de benen. Het gaatje dat ze sloeg was niet groot, maar groot genoeg voor de wereldtitel. Ze kwam na 140 kilometer alleen aan. Achter de winnares pakte Emma Johansson zilver en Rossella Ratto brons. Anna van der Breggen eindigde als vierde.
In december 2013 werd Marianne uitgeroepen tot Nederlands mountainbikester van het jaar. Daarnaast behaalde ze in diezelfde maand de titel ‘Sportvrouw van het jaar’.
Op 1 februari 2014 werd ze in Hoogerheide (Nederland) voor de zevende keer (waarvan zes keer op rij) wereldkampioene veldrijden met een voorsprong van ruim een minuut op de nummer twee, de Italiaanse Eva Lechner. Op 27 juli 2014 werd op de Avenue des Champs-Élysées in Parijs de eerste editie van La Course by Le Tour de France verreden. Deze wedstrijd voor vrouwen vindt plaats op de laatste dag van de Ronde van Frankrijk voor mannen. De wedstrijd kwam er na een petitie van Emma Pooley, Kathryn Bertine, Chrissie Wellington en Marianne Vos voor een Tour voor vrouwen, na het wegvallen van La Grande Boucle Féminine in 2009. Ik heb ook die petitie nog ondersteund op Facebook. De eerste editie van La Course werd gewonnen door Vos zelf: in de sprint versloeg ze Kirsten Wild.
In de winter van 2014-2015 kreeg Vos last van een hamstringblessure. Na haar bronzen medaille op het WK veldrijden op 31 januari in Tabor stelde ze haar rentree op de weg diverse keren uit. In maart had ze nog ambities om op de Olympische Spelen in Rio de Janeiro ook deel te nemen op de mountainbike. Op 6 april won ze verrassend haar eerste mountainbikewedstrijd Paasbike in Nieuwkuijk. Op 26 april brak ze echter een rib tijdens een mountainbikewedstrijd in Oostenrijk. Nadat ze tweede werd in haar eigen Marianne Vos Classic, maar vervolgens de Europese Spelen, het NK op de weg en de Giro Rosa moest laten schieten, liet Vos op 21 juli weten de rest van het seizoen 2015 niet meer in actie te komen, omdat ze overtraind was. Ook maakte ze bekend in het veldritseizoen 2015-2016 niet in actie te komen. Zelf noemde ze het verplicht rust nemen “mijn moeilijkste wedstrijd ooit”. In de loop van de winter mocht ze haar trainingen langzaam opvoeren en in 2016 werd ze 10de in haar eerste wedstrijd, de Drentse 8 van Westerveld. Hierna won ze de Pajot Hills Classic, haar tweede wedstrijd na haar comeback. In de sprint op kasseien in Dwars door de Westhoek kwam Vos echter opnieuw hard ten val, deze keer evenwel zonder ernstige verwondingen. Nadat ze voor de 7de keer de 7-Dorpenomloop Aalburg op haar naam schreef, won ze op 21 mei haar eerste World Tourwedstrijd: de 3de etappe in de Ronde van Californië. In die maand werd ze officieel geselecteerd door bondscoach Johan Lammerts voor de Olympische wegrit op 7 augustus, waarin ze haar rol als meesterknecht en waterdrager vervulde. Annemiek van Vleuten was de sterkste op de slotklim, maar kwam in de afdaling zwaar ten val. Anna van der Breggen won uiteindelijk goud; Vos werd negende op ruim een minuut.
In 2018 heeft na de BeNeLadies Tour ook de Ladies Tour of Norway op haar naam geschreven. En dat nog wel met een drie op drie! Enkel de ploegentijdrit moest ze aan haar neusje voorbij laten gaan, maar dat was niet voldoende om haar van de eindzege te houden.
Daarna besloot ze om nog eens alles op het veldrijden te zetten. Nadat Marianne Vos de eerste wereldbekermanche in het Amerikaanse Waterloo had gewonnen en derde was geëindigd in Iowa, heeft de 31-jarige Nederlandse van Waowdeals ook de Grote Prijs Mario De Clercq gewonnen op de Hotond in Ronse. Daarna won ze ook de Superprestige-cross van Ruddervoorde. Het is alweer de vijfde zege van Vos dit veldritseizoen, en de derde overwinning op rij. Ze bleef haar landgenote Annemarie Worst en Kim Van de Steene voor. Vervolgens heeft Marianne Vos de Wereldbekermanche van Zolder op haar naam geschreven. De Nederlandse was haar landgenote Lucinda Brand te snel af in de slotronde na een spannende strijd. Sanne Cant legde beslag op de derde plaats. Het is al de zevende keer dat Vos wint in Zolder. Ze blijft ook leidster in de Wereldbeker en vergroot haar voorsprong op Cant.
In het Franse Pontchâteau heeft ze haar landgenotes Denise Betsema en Maud Kaptheijns achter zich gehouden en zo ook de voorlaatste manche van de Wereldbeker gewonnen. Daarmee heeft ze nu ook haar eerste eindzege in het regelmatigheidscriterium van de Wereldbeker op zak, aangezien Sanne Cant niet deelnam en daarom in Hoogerheide geen bedreiging meer kan vormen voor Vos. In Hoogerheide werd Marianne derde achter Lucinda Brand en Kate Compton, maar zoals gezegd kon de wereldbeker haar niet meer ontsnappen. Bij haar overschakeling naar de weg heeft ze het eindklassement in de Ronde van Yorkshire op haar naam geschreven. De Brabantse was de sterkste in de tweede en tevens laatste etappe. Na een etappe over 132 kilometer tussen Bridlington en Scarborough was Vos de sterkste in een kopgroep van drie. Ze gaf de Spaanse Mavi Garcia en de Italiaanse Soraya Paladin het nakijken. Het was voor de 31-jarige Vos de tweede zege van het jaar. Ze schreef in maart immers al de Trofeo Alfredo Binda op haar naam.
Daarna won ze de tweede etappe in de OVO Energy Women’s Tour (World Tour) gewonnen. Ze was na 62,5 kilometer in Cyclopark Gravesend (Kent) de snelste in een massasprint. Ze haalde het voor de Britse Lizzy Deignan en de Australische Sarah Roy. Vos nam ook de leiderstrui over van Jolien D’hoore, die de openingsrit had gewonnen, maar ’s anderendaags verdween ze door een val uit de wedstrijd. (Wikipedia) Haar landgenote Annemiek van Vleuten (Mitchelton – Scott) blijft in de leiderstrui. De Nederlandse Marianne Vos heeft gisteren voor de derde keer een rit in de Giro Rosa op haar naam gebracht.

In 2006 werd Marianne Vos in het Achterhoekse Zeddam wereldkampioene veldrijden. Ze was de Duitse titelverdedigster Hanka Kupfernagel in de sprint te snel af. Eerder dat seizoen werd ze ook al Europees kampioene veldrijden. Op zaterdag 23 september 2006 werd Marianne in Salzburg (Oostenrijk) wereldkampioene op de weg. In de sprint was ze de sterkste van een omvangrijke kopgroep. Trixi Worrack uit Duitsland werd tweede. Van 2007 tot en met 2011 volgden vijf zilveren medailles op rij, een (ergens ook wel triest) record.
Tijdens haar eerste Nederlands kampioenschap op de weg werd ze in Maastricht eerste, door 1,5 kilometer voor de streep Chantal Beltman in te halen. Uiteindelijk bleef ze op de streep Sharon van Essen en Suzanne de Goede net voor.
Eind juni 2006 werd Marianne Vos uitgeroepen tot ‘Talent van het Jaar 2006’. Sinds 15 mei 2007 was zij de nummer één op de UCI-ranglijst. Tijdens de Olympische Spelen in Beijing (2008) won Marianne bij het baanwielrennen de gouden medaille op de puntenkoers. Ze finishte met een ronde voorsprong. Daarnaast reed zij de wegwedstrijd en tijdrit.
In 2011 werd ze voor de vierde keer wereldkampioene bij het veldrijden. Ze won voor de vijfde keer op rij de Keetie van Oosten-Hage Trofee voor beste wielrenster van het jaar. In juni 2011 werd ze voor de vierde keer Nederlands kampioene wielrennen op de weg.
Tijdens de Olympische Spelen in Londen (2012) won ze de gouden medaille op het onderdeel wegwedstrijd. Daarnaast reed Vos ook de tijdrit, waarin ze echter pas zestiende werd.
Tijdens het wereldkampioenschap wielrennen in Valkenburg op 22 september 2012 veroverde zij wederom de regenboogtrui. Ze maakte deel uit van een kopgroep die in de slotfase van de wedstrijd nog uit vijf rensters bestond. Op de Cauberg liet ze haar tegenstanders achter, waarna ze met een door een toeschouwer aangereikte vlag in haar handen de finish passeerde.
Op 28 september 2013 behaalde zij in Florence (Italië) voor de derde maal en voor de tweede keer op rij het wereldkampioenschap op de weg. Op de korte, maar venijnige Via Salviati nam zij op imposante wijze de benen. Het gaatje dat ze sloeg was niet groot, maar groot genoeg voor de wereldtitel. Ze kwam na 140 kilometer alleen aan. Achter de winnares pakte Emma Johansson zilver en Rossella Ratto brons. Anna van der Breggen eindigde als vierde.
In december 2013 werd Marianne uitgeroepen tot Nederlands mountainbikester van het jaar. Daarnaast behaalde ze in diezelfde maand de titel ‘Sportvrouw van het jaar’.
Op 1 februari 2014 werd ze in Hoogerheide (Nederland) voor de zevende keer (waarvan zes keer op rij) wereldkampioene veldrijden met een voorsprong van ruim een minuut op de nummer twee, de Italiaanse Eva Lechner. Op 27 juli 2014 werd op de Avenue des Champs-Élysées in Parijs de eerste editie van La Course by Le Tour de France verreden. Deze wedstrijd voor vrouwen vindt plaats op de laatste dag van de Ronde van Frankrijk voor mannen. De wedstrijd kwam er na een petitie van Emma Pooley, Kathryn Bertine, Chrissie Wellington en Marianne Vos voor een Tour voor vrouwen, na het wegvallen van La Grande Boucle Féminine in 2009. Ik heb ook die petitie nog ondersteund op Facebook. De eerste editie van La Course werd gewonnen door Vos zelf: in de sprint versloeg ze Kirsten Wild.
In de winter van 2014-2015 kreeg Vos last van een hamstringblessure. Na haar bronzen medaille op het WK veldrijden op 31 januari in Tabor stelde ze haar rentree op de weg diverse keren uit. In maart had ze nog ambities om op de Olympische Spelen in Rio de Janeiro ook deel te nemen op de mountainbike. Op 6 april won ze verrassend haar eerste mountainbikewedstrijd Paasbike in Nieuwkuijk. Op 26 april brak ze echter een rib tijdens een mountainbikewedstrijd in Oostenrijk. Nadat ze tweede werd in haar eigen Marianne Vos Classic, maar vervolgens de Europese Spelen, het NK op de weg en de Giro Rosa moest laten schieten, liet Vos op 21 juli weten de rest van het seizoen 2015 niet meer in actie te komen, omdat ze overtraind was. Ook maakte ze bekend in het veldritseizoen 2015-2016 niet in actie te komen. Zelf noemde ze het verplicht rust nemen “mijn moeilijkste wedstrijd ooit”. In de loop van de winter mocht ze haar trainingen langzaam opvoeren en in 2016 werd ze 10de in haar eerste wedstrijd, de Drentse 8 van Westerveld. Hierna won ze de Pajot Hills Classic, haar tweede wedstrijd na haar comeback. In de sprint op kasseien in Dwars door de Westhoek kwam Vos echter opnieuw hard ten val, deze keer evenwel zonder ernstige verwondingen. Nadat ze voor de 7de keer de 7-Dorpenomloop Aalburg op haar naam schreef, won ze op 21 mei haar eerste World Tourwedstrijd: de 3de etappe in de Ronde van Californië. In die maand werd ze officieel geselecteerd door bondscoach Johan Lammerts voor de Olympische wegrit op 7 augustus, waarin ze haar rol als meesterknecht en waterdrager vervulde. Annemiek van Vleuten was de sterkste op de slotklim, maar kwam in de afdaling zwaar ten val. Anna van der Breggen won uiteindelijk goud; Vos werd negende op ruim een minuut.
In 2018 heeft na de BeNeLadies Tour ook de Ladies Tour of Norway op haar naam geschreven. En dat nog wel met een drie op drie! Enkel de ploegentijdrit moest ze aan haar neusje voorbij laten gaan, maar dat was niet voldoende om haar van de eindzege te houden.
Daarna besloot ze om nog eens alles op het veldrijden te zetten. Nadat Marianne Vos de eerste wereldbekermanche in het Amerikaanse Waterloo had gewonnen en derde was geëindigd in Iowa, heeft de 31-jarige Nederlandse van Waowdeals ook de Grote Prijs Mario De Clercq gewonnen op de Hotond in Ronse. Daarna won ze ook de Superprestige-cross van Ruddervoorde. Het is alweer de vijfde zege van Vos dit veldritseizoen, en de derde overwinning op rij. Ze bleef haar landgenote Annemarie Worst en Kim Van de Steene voor. Vervolgens heeft Marianne Vos de Wereldbekermanche van Zolder op haar naam geschreven. De Nederlandse was haar landgenote Lucinda Brand te snel af in de slotronde na een spannende strijd. Sanne Cant legde beslag op de derde plaats. Het is al de zevende keer dat Vos wint in Zolder. Ze blijft ook leidster in de Wereldbeker en vergroot haar voorsprong op Cant.
In het Franse Pontchâteau heeft ze haar landgenotes Denise Betsema en Maud Kaptheijns achter zich gehouden en zo ook de voorlaatste manche van de Wereldbeker gewonnen. Daarmee heeft ze nu ook haar eerste eindzege in het regelmatigheidscriterium van de Wereldbeker op zak, aangezien Sanne Cant niet deelnam en daarom in Hoogerheide geen bedreiging meer kan vormen voor Vos. In Hoogerheide werd Marianne derde achter Lucinda Brand en Kate Compton, maar zoals gezegd kon de wereldbeker haar niet meer ontsnappen. Bij haar overschakeling naar de weg heeft ze het eindklassement in de Ronde van Yorkshire op haar naam geschreven. De Brabantse was de sterkste in de tweede en tevens laatste etappe. Na een etappe over 132 kilometer tussen Bridlington en Scarborough was Vos de sterkste in een kopgroep van drie. Ze gaf de Spaanse Mavi Garcia en de Italiaanse Soraya Paladin het nakijken. Het was voor de 31-jarige Vos de tweede zege van het jaar. Ze schreef in maart immers al de Trofeo Alfredo Binda op haar naam.
Daarna won ze de tweede etappe in de OVO Energy Women’s Tour (World Tour) gewonnen. Ze was na 62,5 kilometer in Cyclopark Gravesend (Kent) de snelste in een massasprint. Ze haalde het voor de Britse Lizzy Deignan en de Australische Sarah Roy. Vos nam ook de leiderstrui over van Jolien D’hoore, die de openingsrit had gewonnen, maar ’s anderendaags verdween ze door een val uit de wedstrijd. (Wikipedia)

Lees verder “Marianne Vos wint nogmaals in de Giro Rosa”

Edna O’Brien

Edna O’Brien

Na de flop van de spookverhalen van Montague Rhodes James ga ik me nu wagen aan “Girl with green eyes” van Edna O’Brien (foto Andrew Lih via Wikipedia). De aanleiding is nochtans precies dezelfde als bij M.R.James: gisteren heb ik een documentaire gezien op de BBC, waardoor ik in het werk van deze Ierse schrijfster ben geïnteresseerd geraakt. Hopelijk loopt deze kennismaking niet op dezelfde manier af…

Het begint trouwens al negatief: ik kan enkel een beroep doen op de Engelse Wikipedia, want een Nederlandstalige bijdrage over haar bestaat nog niet. Enkel De Bezige Bij (wellicht haar uitgeverij in onze regio) geeft een zeer beknopte biografie.

Edna O’Brien was born in 1930 at TuamgraneyCounty Clare, Ireland, a place she would later describe as “fervid” and “enclosed”. According to O’Brien, her mother was a strong, controlling woman who had emigrated temporarily to America, and worked for some time as a maid in Brooklyn, New York, for a well-off Irish-American family before returning to Ireland to raise her family. O’Brien was the youngest child of a strict, religious family. From 1941 to 1946 she was educated by the infamous Sisters of Mercy – a circumstance that contributed to a “suffocating” childhood. “I rebelled against the coercive and stifling religion into which I was born and bred. It was very frightening and all pervasive. I’m glad it has gone.” She was fond of a certain nun as she deeply missed her mum and tried to identify the nun with her mother.

In 1950, O’Brien was awarded a licence as a pharmacist. In Ireland, she was discouraged to read, but still she secretly discovered such writers as TolstoyThackeray, and F. Scott Fitzgerald (*). In 1954, she married, against her parents’ wishes, the divorced Irish communist writer of Czech origin Ernest Gébler and the couple moved to London. They had two sons, Carlo (a writer) and Sasha Gebler, an architect, but the marriage was dissolved in 1964, when O’Brien’s literary career eclipsed Gébler’s.

Although O’Brien left the marital home, she eventually got sole custody of the children. Both O’Brien and Carlo Gébler later wrote about Ernest’s cruelty to the family. Gébler, born in 1914, died in 1998 of a bronchial infection, after several years with Alzheimer’s disease .

In London, O’Brien bought Introducing James Joyce, with an introduction written by T. S. Eliot, and said that when she learned that James Joyce‘s A Portrait of the Artist as a Young Man was autobiographical, it made her realise where she might turn, should she want to write herself. “Unhappy houses are a very good incubation for stories,” she said. In London she started work as a reader for Hutchinson, where on the basis of her reports she was commissioned, for £50, to write a novel. She published her first book, The Country Girls, in 1960.

This was the first part of a trilogy of novels (later collected as The Country Girls Trilogy), which included The Lonely Girl (1962) and Girls in Their Married Bliss (1964). Shortly after their publication, these books were banned and, in some cases burned, in her native country due to their frank portrayals of the sex lives of their characters. In the 1960s, she was part of the swinging sixties scene with friends such as Paul McCartney, Mick Jagger and Marlon Brando. As Bob Geldof put it in the documentary: “She shagged a lot of rock stars.” She was also a patient of R.D. Laing, who prescribed her LSD: “I thought he might be able to help me. He couldn’t do that – he was too mad himself – but he opened doors”, she later said. 

Her novel, A Pagan Place (1970), was about her repressive childhood. Her parents were vehemently against all things related to literature; her mother strongly disapproved of her daughter’s career as a writer. Once when her mother found a Seán O’Casey book in her daughter’s possession, she tried to burn it.

O’Brien was a panel member for the first edition of the BBC’s Question Time in 1979. In 2017, she became the sole surviving member.

In 1980, she wrote a play, Virginia, about Virginia Woolf, and it was staged originally in June 1980 at the Stratford Festival, Ontario, Canada and subsequently in the West End of London at the Theatre Royal Haymarket with Maggie Smith and directed by Robin Phillips. It was staged at The Public Theater in New York in 1985. Other works include a biography of James Joyce, published in 1999, and one of the poet Lord ByronByron in Love (2009). 

House of Splendid Isolation (1994), her novel about a terrorist who goes on the run (part of her research involved visiting Irish republican Dominic McGlinchey, later shot dead, whom she called “a grave and reflective man”), marked a new phase in her writing career. Down by the River (1996) concerned an under-age rape victim who sought an abortion in England, the “Miss X case”. In the Forest (2002) dealt with the real-life case of Brendan O’Donnell, who abducted and murdered a woman, her three-year-old son, and a priest, in rural Ireland.

Over het enige boek dat ikzelf in mijn bezit heb en dus ook datgene dat ik als eerste (en hopelijk niet laatste) zal lezen, Girl with green eyes, staat er dus niks op Wikipedia. Volgens de kaft (waarop een naakt, zwanger meisje) is het “the comic and poignant sequel to The Country Girls, in which Caithleen Brady finds romance in Dublin – classy romance with the second Mr Gentleman.” Het dateert van 1962 (**) en is nog opgedragen aan Ernest Gébler.

Haar laatste boek (Girl) wordt ook (nog) niet vermeld op Wikipedia, maar gelukkig kon ik daarmee kennismaken via de documentaire. Het gaat over de meisjes die in Nigeria werden ontvoerd door de Islamitische terreurgroep van Boko Haram. Ondanks haar hoge leeftijd is zij tweemaal afgereisd naar Nigeria met een grote som geld op haar lichaam verborgen. Dat geld was nodig om via omkoping aan getuigenissen te geraken.

Alhoewel ze nog in goede gezondheid verkeert, zowel fysiek als geestelijk, heeft ze toch aangekondigd dat dit boek haar laatste zal zijn.

(*) Haar alterego uit “The lonely girl” leest “Tender is the night”.

(**) De oorspronkelijke titel blijkt “The lonely girl” te zijn en dus wordt het boek wél vermeld op Wikipedia.