The Faerie Queene is het belangrijkste werk van de Engelse dichter Edmund Spenser. Het is een episch gedicht geschreven in de vorm van allegorieën. De eerste publicatie, die drie boeken omvatte, werd officieel geregistreerd in het Stationers’ Register (een soort uitgeversregister) op 1 december 1589.
Spenser droeg het werk op aan koningin Elizabeth I. Het was een succes en de koningin was er na de eerste verschijning in 1590 zo mee ingenomen dat zij de schrijver een klein pensioen van £ 50 per jaar verleende. Het succes had als neveneffect dat ook eerder werk van de schrijver werd uitgegeven. In 1596 verscheen het werk opnieuw, bewerkt en aangevuld tot een totaal van zes delen.
In 1580, kort na het verschijnen van The Shepheardes Calender, begon Spenser aan wat zijn – nooit voltooide – levenswerk zou worden. Toen hij de eerste drie boeken af had, ging hij naar Londen met zijn vriend Sir Walter Raleigh. In een brief aan Raleigh uit 1589, die in de meeste uitgaven is opgenomen bij wijze van inleiding, zette hij zijn ambitieuze plannen uiteen. De opzet was om een twaalf boeken omvattend werk te schrijven ter ere van het Huis Tudor en met name Elizabeth. In elk boek zou een ridder, gebaseerd op de Arthur-legendes, een andere deugd voorstellen. Elke ridder zou een avontuur ondernemen op de twaalf opeenvolgende dagen van een feest van de koningin. Het zou echter blijven bij zes boeken. In 1598 werd Spensers kasteel in Cork aangevallen en in brand gestoken door opstandige Ieren en mogelijk is daarbij een deel van het vervolg verloren gegaan. Wat resteerde is een fragment dat bekendstaat als The Cantos of Mutabilitie. Het thema is hier ‘standvastigheid’ (Constancie). Mutabilitie (veranderlijkheid of wispelturigheid) is een dochter van de Titanen en wordt ervan beschuldigd de ordening van de natuur naar haar hand te willen zetten.
In de uitgave van 1596 komen de volgende deugden aan de orde:
- Book I: Heiligheid (Holiness)
- Book II: Matigheid (Temperance)
- Book III: Kuisheid (Chastity)
- Book IV: Vriendschap (Friendship)
- Book V: Rechtvaardigheid (Justice)
- Book VI: Hoffelijkheid (Courtesy)
In verschillende delen wordt verwezen naar de koningin, onder verschillende namen: Belphoebe, Mercilla, Astraea en als bekendste Gloriana. Alle deugden worden verenigd in Prins Arthur, die een visioen heeft van de Faerie Queene, vastbesloten is haar te vinden en, gewoonlijk als reddende figuur, betrokken raakt in de avonturen van de andere ridders. De voor Arthur bestemde uiteindelijk rol in het verhaal is echter onbekend gebleven, omdat het werk zijn voltooiing nooit bereikte.
De held van het eerste deel is de ridder die de Redcrosse Knight wordt genoemd. Hij staat symbool voor heiligheid en werpt zich op als beschermheer van Una, de personificatie van de ware kerk, zijnde de Anglicaanse Kerk. Zij bestrijden onder meer Archimago, een boze tovenaar en de grootste tegenstander van de ridder (hij representeert de schijnheiligheid) en Duessa, die staat voor leugenachtigheid en voor de kerk van Rome. De Redcrosse Knight blijkt in werkelijkheid Sint-Joris zelf te zijn, de beschermheilige van Engeland. Zijn naam verwijst naar diens embleem, het rode kruis, dat nog altijd de Engelse vlag siert.
In het tweede deel is de held Sir Guyon, die staat voor de deugd van de matigheid (Temperance). Hij wordt bijgestaan door de pelgrim Palmer. Een van zijn tegenstanders is Archimago, die ontsnapt is uit de kerker waarin hij was geworpen door de Redcrosse Knight, die overigens ook in dit deel een rol speelt. Een andere tegenstander, die ook in Boek I voorkwam, is Duessa. Ook moet hij weerstand bieden aan de verleidster Acrasia. Sir Guyon weet uiteindelijk Mammon te verslaan en een eind te maken aan de praktijken van Acrasia.
De held van het derde deel is een vrouw: de mooie en strijdbare Britomart. Zij is de verpersoonlijking van de deugd van de kuisheid (Chastitie). Zij wordt verliefd op Artegall die zij heeft aanschouwd in een magische spiegel van haar vader. Zij gaat op stap om hem te zoeken, samen met haar vroegere min, Glauce, die dienstdoet als schildknecht. Britomart beschikt over een betoverde speer die haar onoverwinnelijk maakt, tot zij uiteindelijk verliest van een tegenstander, die haar geliefde Artegall blijkt te zijn. Tijdens haar vele avonturen bevecht zij onder meer Sir Guyon en overwint hem (kuisheid is sterker dan matigheid). Ook verslaat zij Malecasta (onkuisheid). Verder wordt verteld over een bezoek aan de grot van de alwetende tovenaar Merlijn. Een groot deel van het verhaal betreft de redding van de vrouwe Amoret, de echtgenote van ridder Scudamour, die op de avond van hun huwelijk werd ontvoerd door de kwade Busirane. Met veel geduld en dapperheid weet zij Busirane te verslaan en de twee gelieven te herenigen. In dit deel komt koningin Elizabeth voor onder de naam Belphoebe en is de zuster van Amoret. Zij vindt kruiden om de gewonde Timias, schildknaap van Prins Arthur, te genezen. (Timias staat voor Spensers vriend Raleigh.)
Het thema van het vierde boek is vriendschap. De hoofdfiguur uit dit deel is Cambell en is ontleend aan Geoffrey Chaucers onvoltooide verhaal The Squire’s Tale uit The Canterbury Tales. Spenser was een bewonderaar van Chaucer en geeft aan hier het verhaal te willen voltooien. Cambell heeft een zuster genaamd Canacee, die vanwege haar schoonheid wordt begeerd door verschillende onderling twistende vrijers. Cambell neemt zich voor de strijd te beslissen door het op te nemen tegen de drie dapperste mannen. Dat blijken drie broers te zijn, Priamond, Dyamond en Triamond. Door een vroeger door hun moeder afgesmeekte betovering wil het geval dat als een van de broers gedood wordt, zijn geest overgaat in de volgende. Cambell weet in zware gevechten de eerste twee te verslaan en geneest op wonderbaarlijke wijze van zijn verwondingen dankzij zijn magische ring. Triamond, Cambells vriend, weet Canacee voor zich te winnen dankzij zijn zuster Cambina, die erin slaagt de strijdende partijen tot vrede en vriendschap te bewegen. Cambell trouwt met Cambina en Canacee met Triamond. Het thema vriendschap wordt verder uitgewerkt via figuren die ook figureerden in de voorgaande boeken, onder wie Scudamour en Amoret, Britomart en Artegall, Timias en Belphoebe, Florimell en Marinell.
Het thema van het vijfde deel is rechtvaardigheid, verbeeld door de ridder Artegall. De godin van de rechtvaardigheid is Astraea (Elizabeth I), die de wereld verliet aan het eind van de ‘Gouden Eeuw’ en Artegall daarbij de nodige beschermingsmiddelen bood. Artegalls queeste bestaat eruit dat hij het ultiem kwaad moet weerstaan in de persoon van Grantorto en Irena uit diens macht moet bevrijden. Irena staat voor vrede en voor Ierland. (Dit deel bevat diverse destijds actuele duidingen, zoals de Ierse kwestie, de Armada en de oorlog in de Nederlanden.) Artegall dwingt in dit avontuur Sir Sangliere, na een soort Salomonsoordeel, het hoofd van zijn slachtoffer voor zich te dragen. Artegall wordt verleid door Radigund, maar wordt gered door Britomart. Spenser draagt hier het in zijn tijd wijdverbreide idee uit dat vrouwen geen macht mogen uitoefenen, met uitzondering van de door God gezonden Elizabeth I.
Het thema van het zesde boek is hoffelijkheid, gepersonifieerd in de figuur van ridder Calidore, die door zijn voorkomend gedrag bij velen geliefd is. Niettemin moet ook hij een gevaarlijke queeste ondernemen. Zijn taak is het monsterlijke wezen de ‘Blatant Beast’ te vinden en te verslaan. Dit beest terroriseert iedereen die hij ziet en heeft bovendien duizend tongen, waarmee hij de vreselijkste taal uitslaat. Na diverse avonturen stuit het op een groep eenvoudige herders, onder wie zich ook de schone Pastorella bevindt. Calidore wordt verliefd op haar en besluit bij de herders te blijven. Hij krijgt echter te maken met de jaloerse en lafhartige Coridon. Als Calidore zijn queeste voortzet en na enige tijd terugkeert, blijken de herders e zijn overvallen en ontvoerd door een bende rovers en slavenhandelaren. Op aanwijzing van de ontsnapte Coridon weet Calidore de bende te vinden, Pastorella te bevrijden en de rovers te vernietigen. Hij brengt Pastorella onder op het kasteel van Sir Bellamour en Lady Claribel, waar na verloop van tijd blijkt dat Pastorella hun eigen dochter is, die Claribel ooit noodgedwongen te vondeling heeft laten leggen. Calidore slaagt er ten slotte in het Beest te bedwingen en de mond te snoeren. Zo blijft het dier lange tijd onderworpen, maar weet uiteindelijk toch weer te ontsnappen.
The Faerie Queene werd geschreven tijdens de Reformatie, een tijd van religieuze en politieke controverse. Nadat Elizabeth de troon had overgenomen na de dood van haar halfzus Mary, veranderde ze de officiële religie van de natie in het protestantisme. De plot van boek I lijkt op Foxe’s Book of Martyrs, dat ging over de vervolging van de protestanten en hoe onrechtvaardig de katholieke heerschappij was. Spenser neemt de controverse van de Elizabethaanse kerkhervorming op in het epos. Gloriana laat de godvruchtige Engelse ridders de katholieke continentale macht vernietigen in boek I en V. Spenser begiftigt ook veel van zijn schurken met “het ergste van wat protestanten beschouwden als een bijgelovig katholiek vertrouwen op bedrieglijke beelden”.
In The Faerie Queene creëert Spenser een netwerk van toespelingen op gebeurtenissen, kwesties en bepaalde personen in Engeland en Ierland, waaronder Mary, de koningin van Schotten, de Spaanse Armada, de Engelse Reformatie en zelfs de koningin zelf. Het is ook bekend dat James VI van Schotland het gedicht las en zeer beledigd was door Duessa – een zeer negatieve voorstelling van zijn moeder Mary. The Faerie Queene werd toen verboden in Schotland. Dit leidde tot een aanzienlijke afname van Elizabeths steun voor het gedicht. Binnen de tekst dienen zowel de Faerie Queene als Belphoebe als twee van de vele personificaties van koningin Elizabeth, waarvan sommige helemaal niet flatterend zijn.
Hoewel The Faerie Queene Elizabeth in sommige opzichten prijst, stelt The Faerie Queene haar vermogen om effectief te regeren vanwege haar geslacht in vraag en beschrijft ze ook de “tekortkomingen” van haar heerschappij. Er is een personage genaamd Britomart die de gehuwde kuisheid vertegenwoordigt. Dit personage krijgt te horen dat het haar lot is om een “onsterfelijke baarmoeder” te zijn – om kinderen te krijgen. Hier verwijst Spenser naar de ongehuwde staat van Elizabeth en raakt hij aan de angsten van de jaren 1590 over wat er zou gebeuren na haar dood omdat het koninkrijk geen erfgenaam had.
In The Faerie Queene introduceerde Spenser een versvorm die naar hem vernoemd zou worden: de Spenseriaanse versvorm (Spenserian stanza). Hierin bestaat elk couplet uit negen regels, de eerste acht daarvan zijn jambische pentameters, de laatste regel is een alexandrijn. Het rijmschema is “ababbcbcc.” Deze versvorm werd na Spensers dood nauwelijks meer gebruikt, tot hij in de negentiende eeuw navolging vond bij diverse dichters: Lord Byron gebruikte hem in zijn Childe Harold’s Pilgrimage, John Keats in ‘The Eve of St. Agnes’, Percy Bysshe Shelley in ‘The Revolt of Islam’ en Walter Scott in ‘The Vision of Don Roderick’.
“Maar wie is nu eigenlijk The Faerie Queene?” vroeg ik aan chatgpt. “Ook na de uitgebreide samenvatting op Wikipedia is me dat nog steeds niet helemaal duidelijk…”
Dat is een heel terechte verwarring — en u bent zeker niet de enige die na lezing van The Faerie Queene denkt: maar wie ís zij nu eigenlijk?
Het korte antwoord: The Faerie Queene is zowel een personage als een symbool, en ze verschijnt opvallend weinig zelf in het verhaal.
1. Als personage
Binnen het verhaal is de Faerie Queene Gloriana, de vorstin van het feeënrijk.
Zij:
- stuurt de verschillende ridders op hun queesten
- is de bron van hun opdrachten en idealen
- fungeert als een soort verre, bijna mythische heerseres
Maar: ze treedt nauwelijks zelf op. Ze blijft grotendeels afwezig en wordt vooral beschreven door anderen.
2. Als allegorie
Hier wordt het echt interessant. Edmund Spenser schreef het werk als een uitgebreide allegorie, en Gloriana staat symbool voor:
- Elizabeth I (de “Virgin Queen”)
- het ideaal van vorstelijke deugd en orde
- in bredere zin: glorie, majesteit en morele perfectie
Spenser zelf zegt in zijn beroemde brief aan Raleigh dat hij zijn koningin wilde “afbeelden” in Gloriana.
3. Waarom is ze zo vaag?
Dat is geen toeval:
- Ze is een ideaal, geen psychologisch uitgewerkt personage
- Haar afwezigheid maakt haar juist groter en abstracter
- De echte focus ligt op de ridders (Heiligheid, Matigheid, Kuisheid, Vriendschap, Rechtvaardigheid, Hoffelijkheid)
Je zou kunnen zeggen:
Gloriana is de zon waar alles om draait, maar die je niet rechtstreeks kan aankijken.
4. Samenvattend
The Faerie Queene is:
in de structuur van het werk: het centrale maar grotendeels onzichtbare middelpunt
in het verhaal: een feeënkoningin (Gloriana)
in de allegorie: een verheerlijkte versie van Elizabeth I
In Wikipedia worden vooral schilderijen die Una uitbeelden gebruikt als illustratie. Vindt u dat verantwoord?
Kort gezegd: ja, maar met een belangrijke nuance.
Waarom het wél verantwoord is
Una is één van de meest concreet uitgewerkte en verhalend actieve figuren in The Faerie Queene van Edmund Spenser. Zij belichaamt:
- waarheid en (protestantse) religieuze zuiverheid
- een herkenbaar narratief traject (haar omzwervingen met de Redcrosse Knight)
- visueel sterke, makkelijk te verbeelden scènes (bijv. met het lam)
Daarom hebben kunstenaars — vooral in de 18e en 19e eeuw — haar veel vaker afgebeeld dan de Faerie Queene zelf. Voor illustratieve doeleinden (zoals op Wikipedia) is dat dus begrijpelijk: Una levert beelden op, Gloriana nauwelijks.
Maar hier wringt het
Er zit wel een risico aan:
- Het kan de indruk wekken dat Una de centrale figuur is, terwijl zij slechts één (zij het belangrijk) onderdeel is van een veel groter allegorisch systeem.
- De eigenlijke titelpersoon — de Faerie Queene (Gloriana) — blijft zo op de achtergrond, wat de interpretatie kan vertekenen.
- Het werk wordt hierdoor visueel “vernauwd” tot Boek I, terwijl Spenser zes boeken schreef (en er twaalf plande).
Wat zou idealer zijn?
Een evenwichtiger illustratiebeleid zou bijvoorbeeld:
- Una tonen (omdat ze visueel sterk is)
- maar ook andere figuren opnemen zoals
- Britomart
- Duessa
- én eventueel allegorische voorstellingen van Gloriana of Elizabeth I
Dit laatste vind ik interessant. Ik heb namelijk “The Faerie Queene” niet zelf gelezen, maar ik had de uitgebreide samenvatting wel nodig om het hoofdstuk dat Camille Paglia eraan wijdt in haar boek “Sexual Personae” te kunnen snappen. En zij legt vooral de nadruk op de figuur van Britomart. Is er een illustratie te vinden die haar recht zou doen?
Ja — en uw intuïtie (via Camille Paglia) is hier eigenlijk heel scherp: voor Britomart bestaan er wél degelijk beelden die haar “recht doen”, maar ze zijn zeldzamer én complexer dan die van Una.
Laat me u een paar echt relevante voorbeelden tonen.
1. De krachtigste verbeelding: actie en geweld
Britomart Redeems Faire Amoret (William Etty, 1833)
Dit is waarschijnlijk de beste visuele toegang tot Britomart.
- Ze wordt hier afgebeeld terwijl ze de tovenaar Busirane overwint en Amoret bevrijdt
- Dat moment komt rechtstreeks uit Spensers tekst en belichaamt haar deugd: kuisheid als actieve, strijdende kracht
- Belangrijk: Britomart is hier geen passieve maagd (zoals Una), maar een gewapende ridder
Etty verzachtte wel de brutaliteit (Amoret is bij hem ongedeerd), maar de kern blijft:
→ vrouwelijke kracht, morele strijd, en fysieke actie
2. De meer romantische/psychologische Britomart
Britomart (George Frederick Watts, 1877–78)
Hier krijgt u een totaal andere interpretatie:
- Britomart als dromerige, introspectieve figuur
- De nadruk ligt op haar liefde voor Artegall en haar innerlijke leven
- Minder strijd, meer symboliek en sfeer
Dit sluit aan bij een andere kant van haar karakter:
→ de combinatie van krijger én verliefde vrouw
3. Symbolistische lezing (heel Paglia-achtig)
Acrasia and Britomart (Fernand Khnopff, 1892)
Dit is misschien wel het meest “Pagliaanse” beeld:
- Britomart in pantser, koel en gesloten
- Tegenover haar: Acrasia (sensualiteit, verleiding)
- Britomart staat voor ingehouden, gecodeerde seksualiteit en trouw
Hier ziet u precies waarom Paglia haar zo fascinerend vindt:
→ ze is geen eenvoudige kuisheid, maar gespannen energie, gecontroleerde eros
4. Nog dramatischer: Fuseli
Britomart Delivering Amoretta from the Enchantment of Busirane (Henry Fuseli, 1824)
- veel expressiever en bijna hallucinerend
- Britomart als furieuze, bijna mythische strijder
- benadrukt de gewelddadige dimensie van haar optreden
Waarom u deze beelden minder vaak ziet dan Una
U raakt hier een diep punt:
- Una = visueel eenvoudig (vrouw + lam = klaar)
- Britomart = conceptueel complex
- vrouw én ridder
- kuisheid én verlangen
- actie én allegorie
Dat maakt haar:
→ moeilijker te illustreren
→ maar juist interessanter voor moderne interpretaties (zoals bij Paglia)
Conclusie
Ja — er bestaan absoluut illustraties die Britomart recht doen, maar:
- ze tonen haar meestal in actie (redding, strijd) of
- in symbolische spanning (pantser vs. sensualiteit)
En precies dat verklaart waarom Camille Paglia haar centraal zet:
Britomart is geen icoon zoals Una, maar een paradox — en dus veel rijker.
Als u wilt, kan ik Paglia’s lezing van Britomart (seksualiteit, androgynie, macht) kort naast Spensers tekst leggen — dat is een bijzonder verhelderende vergelijking.
Kort dan wel.
Zeker — hier is de kern, zo scherp mogelijk geformuleerd:
Bij Edmund Spenser
In The Faerie Queene is Britomart:
- de ridder van kuisheid (Chastity)
- maar niet passief: ze is actief, strijdend en autonoom
- haar liefde voor Artegall is legitiem en toekomstgericht (huwelijk, dynastie)
→ Spenser presenteert haar als een harmonie van kracht en orde
Bij Camille Paglia in Sexual Personae
Paglia leest haar veel radicaler:
- Britomart is een vorm van androgynie (vrouw in mannelijk harnas)
- haar kuisheid is geen rust, maar ingehouden seksuele energie
- ze belichaamt een spanning tussen:
- natuur (eros, drift)
- cultuur (discipline, pantser)
→ Bij Paglia wordt ze geen harmonisch ideaal, maar een geladen, bijna explosieve figuur
Eén zin verschil
- Spenser: orde en deugd in balans
- Paglia: gecontroleerde spanning tussen seksualiteit en macht
En precies daarom blijft Britomart zo intrigerend:
ze kan geloofwaardig in beide lezingen bestaan.
Geen van de klassieke Britomart-voorstellingen sluit echter perfect aan bij Paglia, maar één komt er duidelijk het dichtst bij.
Wat Paglia in Sexual Personae met Britomart bedoelt
Bij Edmund Spenser is Britomart vooral:
- een moreel ideaal (kuisheid = orde)
- een ridderfiguur in dienst van een moreel universum
Bij Camille Paglia wordt dat verschoven naar iets anders:
- seksuele energie die onder controle wordt gehouden
- een vrouw die zich “mannelijk pantsert” tegen de chaos van eros
- een figuur van spanning, niet van harmonie
Welke afbeelding komt daar het dichtst bij?
1. William Etty (1833) — het dichtst bij Paglia
- Schilder: William Etty
- Waarom deze het dichtst komt:
- Britomart is hier niet sereen, maar fysiek en geladen aanwezig
- het contrast tussen pantser, naaktheid en reddingsactie creëert zichtbare spanning
- Etty benadrukt impliciet: kuisheid is hier geen rust, maar energie in actie
👉 Dit is de versie die het meest “Pagliaans” leest: gecontroleerde erotiek in een moreel harnas.
2. Henry Fuseli (1824) — bijna, maar te expressionistisch
- Schilder: Henry Fuseli
- Sterk punt: psychologische intensiteit, bijna droomachtig
- Maar: de erotische spanning wordt verdrongen door nachtmerrie-achtige dramatiek
👉 Paglia zou dit waarschijnlijk “te ziekelijk” vinden: het gaat richting hysterie in plaats van gecontroleerde eros.
Conclusie in één zin
Als u Paglia’s Britomart visueel wilt “zien”, dan is het:
👉 William Etty’s Britomart die Amoret redt — omdat daar voor het eerst duidelijk wordt dat kuisheid geen afwezigheid van seksualiteit is, maar een gespannen vorm van beheersing ervan.
Een fragment hieruit heb ik dan ook als illustratie gekozen.
Ronny De Schepper (op basis van Wikipedia)