Vandaag viert Tom Lanoye (op bovenstaande foto te zien tijdens zijn lezing voor het L.P.Boongenootschap) zijn zestigste verjaardag.

“Tom Lanoye schrijft prachtige boeken,” schreef Frederik Serneels uit Antwerpen in Het Nieuwsblad van 11 september 2013. “Maar hij is ook hét prototype van de multiculturele, antikapitalistische, links-correcte intellectueel die kankert op de verzuurde, onverdraagzame, rechtse Vlaming. Zelf heeft hij een prachtig huis in een wijk in Antwerpen waar amper allochtonen wonen. Hij verblijft meer dan drie maanden per jaar in zijn buitenverblijf in Zuid-Afrika. Hij heeft natuurlijk ook een vennootschap om minder belastingen te moeten betalen. Hoe zeggen ze het weer? Kijk vooral niet naar mijn daden?”
Tom Lanoye (Sint-Niklaas, 27 augustus 1958) voorstellen hoeft hier eigenlijk niet meer. Kent men hem niet als auteur dan op z’n minst toch als columnist of als performer, waarmee hij aansluiting zoekt bij orale literaire tradities. Alhoewel wij een groot gemeenschappelijk verleden hebben, was het toch pas in het begin van de jaren negentig dat ik een hele avond met hem op café ben geweest en we over vanalles en nog wat hebben gepraat. Ik was toen free-lance en omdat ik werd opgeëist door ander werk dat dichter op de actualiteit betrokken was, bleef de bandjes lange tijd onuitgetikt in mijn lade liggen. Toen ik het reusachtige werk uiteindelijk toch af had, vond Tom dat er te veel tijd was overgegaan en weigerde hij dat het alsnog zou worden gepubliceerd. Wat men hier dus kan lezen, is in geen enkel blad of tijdschrift verschenen.

Reeds in zijn studententijd maakte Tom Lanoye naam met het solo-verzencabaret “Jamboree” (1982) maar daarvóór had hij al “Maar nog zo goed als nieuw” (1980) gepubliceerd, net als “Neon! Een elegisch rockgedicht” (1981) en “Van oor tot oor” (1981).
– Die fameuze “neon-avonden” in 1980 bracht je samen met ene James Bordello (Peter Roose). Wat is er eigenlijk van je vroegere partner geworden?
TOM LANOYE: Een zeer beminnelijke jongen die echter voor Vrouw & Kind heeft geopteerd. Ik denk niet dat hij ooit de bedoeling heeft gehad om in dit vak door te gaan. Hij wilde wel schrijven en dat doet hij nu inderdaad voor Het Nieuwsblad in Brugge. Ik wens hem daarbij het allerbeste, maar ikzelf heb van in het begin alles op alles gezet. En dan neem ik alle consequenties daarbij. Dat ik daardoor als persoon tussen mijn werk en de lezer of de toeschouwer komt te staan is b.v. een heel groot gevaar. Maar bon, dat is nu eenmaal mijn manier van werken, ik ken daar de goede en de slechte zijden van. Ik heb die performances gedaan om van binnenuit het theater te leren kennen, te weten wat het is om op een podium te staan. En door nu die repetities te volgen en te zien wat er zou moeten gebeuren krijg ik ook een zekere visie op regie. Binnen een jaar of tien wil ik dan ook gaan regisseren, als ik daar klaar voor ben.
– Men spreekt in dat geval vaak van “carrière-planning”…
T.L.: Ik kies heel zorgvuldig en ik weet heel goed waar ik mee bezig ben. Als dat “carrière-planning” is, dan moet dat maar zo zijn. Maar nogmaals, als ik alles zou hebben gedaan, wat naar me toe kwam gerold, dan had ik nu vier programma’s op VTM, dan zou ik in zowat alle bladen van België en Holland iedere week een stukje schrijven, dan zou ik van hot naar her reizen om allerlei modeshows, hondententoonstellingen en Miss Aardbei-verkiezingen voor te stellen. Ik zeg dus vijf keer meer af dan wat ik aanneem en dat is inderdaad een vorm van planning. Radioprogramma’s als “De Taalstrijd” of “De Perschefs” beschouw ik als geen nutteloze hobby. Toch wil ik zelfs dààrvan geen vast panellid worden. Zoals ik ook niet vast in “Humo” wil schrijven en ook niet vast wil blijven optreden. Ik vind dat men dus gelijk heeft als men dat zegt van die “carrière-planning”, maar men bedoelt dat dan negatief en dat vind ik niet. Ik weet ook wel dat ik me discrediteer in de literaire wereld door een aantal dingen te doen die zogenaamd “ernstige” auteurs, neem nu een Stef Hertmans of een Pol Hoste, niet zouden doen. Al ben ik nu wel al zo ver dat het wordt ‘getolereerd’. Men maakt van mij dan een ‘fenomeen’, een soort van narrenfiguur, waarvan men zelfs wil toegeven dat ‘hij eigenlijk geen slechte teksten schrijft’. Terwijl de essentie van dat performen voor mij blijft dat dichters meer effect zouden hebben als ze hun teksten alleen nog maar van buiten zouden kennen. Ik vraag zelfs niks méér. Zelfs dààrvoor zijn ze al te lui en in feite worden ze dus overbetaald en zijn ze verschrikkelijk geborneerd en conservatief. Ik ken geen grotere conservatieve zakken als mensen die met literatuur bezig zijn en zichzelf nochtans een medaille geven als ‘voorhoede van de maatschappij’. Op bepaalde punten klopt dat absoluut niet en doen ze ook geen enkele moeite om daaraan iets te veranderen. Anderzijds vind ik dat je zoals Pol Hoste niet kunt weigeren interviews te geven en je dan tegelijk beklagen over het feit dat er zo weinig belangstelling is voor de literatuur in het algemeen en voor je eigen boeken in het bijzonder. Als iedereen zou doen wat ik doe, dan zou de literatuur in zijn geheel een grote stap vooruit gaan. Als Stefan Hertmans wat meer een grote mond zou opzetten en wat meer verdedigen voor wat hij staat, dan zouden misschien meer mensen in hem geïnteresseerd zijn. Die ivoren toren-mentaliteit is pure waanzin als je ziet met hoeveel informatie de mensen in deze tijd worden bekogeld. Ze leven bijna continu onder een dwang om allerlei dingen te gaan doen, gaande van kijken naar de Golfoorlog op CNN over surfen of disco-dansen tot welke films men ‘moet’ gezien hebben. En al die media zijn heel assertief. Waarom zou dat dan bij literatuur niet mogen? Daarom zou ik Luc Boudens willen verdedigen als hij wordt aangevallen omwille van die literaire videoclip die hij heeft gemaakt. Ik vraag me af: wat is, puur vormelijk gezien, het verschil tussen een literaire videoclip en een advertentie voor een boek in een krant? Het enige verschil is dat je met een hoop intellectuelen zit die al op voorhand de televisie de baarlijke duivel vinden. Het is inderdaad een hysterisch medium, maar door die houding wordt dat juist in de hand gewerkt. Wat zegt zo’n videoclip nu over de waarde van het boek zelf? En toch is die gast overal verketterd. Men vermengt hier voortdurend vorm met inhoud. Het is niet omdat hij een literaire videoclip heeft dat hij een goed boek zou hebben, maar het is ook niet andersom. En dat is nochtans een link die wel gelegd wordt in het literair-fundamentalistische milieu. Ik begin daar nu meer en meer aan te ontsnappen. Enerzijds is dat een goed teken, maar anderzijds ook weer niet, want dat wil zeggen dat de scherpte eraf begint te gaan. Ik zal dus àndere dingen moeten gaan doen.
– Misschien ben je “milder” geworden?
T.L.: Zelf voel ik dat niet zo aan. Misschien bespeelde ik vroeger meer het punkregister. Het kunnen natuurlijk ook de eerste tekenen van seniliteit zijn.
– Sommigen zullen dat alvast beamen nu je ex-cultuurminister Patrick Dewael soms ligt te bewieroken…
T.L.: In Dewael heb ik me vergist, echt. Toen hij pas minister was, verwachtte ik, zoals zoveel anderen, weinig goeds van hem. Nu blijkt hij de minst slechte cultuurminister geweest te zijn die we ooit hebben gehad. Zijn grote verdienste is dat hij de portefeuille weer begerenswaardig heeft gemaakt. En ook dat ik zoveel subsidie van hem krijg, natuurlijk.
– Een echte schrijverssubsidie!
T.L.: Zij het dat ik mezelf eerder als een auteur beschouw. Dat is een onderscheid dat je toch moet maken. Een schrijver doet niks anders dan schrijven, maar iemand als ik acht het niet beneden zijn waardigheid om ook andere manieren te zoeken om teksten naar een publiek te brengen.
– Dan ben je zeker wel gestoord door het feit dat je in recensies vaak een “volksverteller” wordt genoemd, zelfs een “heimatschrijver”…?
T.L.: Als men daarmee bedoelt dat ik in de traditie thuishoor van een Gerard Walschap, maar dan op mijn manier, zowel wat mijn persoonlijkheid als wat de tijd waarin ik leef betreft, dan ben ik het integendeel daarmee volledig eens en vind ik het ook totaal geen negatief punt. (*) Waarom hebben ‘volksvertellers’ en ‘heimatschrijvers’ zo’n slechte naam gekregen? Omdat hun werk niet meer deugde, omdat ze in hun geschriften zichzelf gewoon herkauwden. In feite zitten we hier opnieuw bij ‘Komieken’. Je kan m.a.w. een volksverteller zijn die zich afvraagt: welk soort boek zou ik nu moeten schrijven opdat zoveel mogelijk mensen het goed zouden vinden? Maar dan is dat een sléchte volksverteller, want zelfs een volksverteller moet vertrekken vanuit zichzelf. Maar als men zou zeggen: Tom Lanoye is een volksverteller zoals Màrquez, dan zou ik dat helemaal niet negatief beschouwen. Dat zou nogal dom zijn. En voor mij is Walschap even groot als Màrquez. Absoluut. Ik vind Walschap een zeer onderschatte figuur, al haast ik mij om daaraan toe te voegen dat hij ook verschrikkelijk slechte boeken heeft geschreven.
– “Naar het theater toe” vertaald zou men kunnen zeggen dat b.v. “Voader” van Blauwe Maandag ook in die traditie thuishoort.
T.L.: Zeker. Dat is fantastisch, hé. Dat is modern klassiek theater. Ik bewonder die mensen mateloos, omdat zij theater brengen zoals ik het wil schrijven en zoals ik het ook wil gebracht zien, namelijk als enerzijds interessant voor de theaterspecialist en anderzijds toch toegankelijk voor de geïnteresseerde, niet-debiele leek. Ik vind dat iemand een theater moet kunnen binnenkomen, terwijl hij de ballen af weet van theaterwetenschap of theatergeschiedenis, en toch gegrepen worden door wat er gebeurt. Of op zijn minst toch geboeid zijn. Ik ben het dus zeker ook niet eens met een elitaire opvatting over kunst. Ik ben zelf totaal niet geïnteresseerd in ‘kunstenaar zijn’. Ik wil gewoon goede dingen maken. Ik heb een hekel aan iemand die me wil imponeren gewoon met het feit dat hij zo goed kan schrijven. Dat interesseert me niet. Ik wil iets lezen dat me ‘pakt’. Anders word ik ten hoogste technisch geboeid. Dat is b.v. het verschil tussen de reeds genoemde heren Hoste en Hertmans. Ik heb bepaalde opmerkingen over hoe Pol Hoste met de media omgaat, maar ik vind het wel een goede schrijver, terwijl Stefan Hertmans mij alleen maar interesseert omdat hij inderdaad zo ver gaat in zijn behandeling van de taal. Maar toch komt hij nog niet tot aan de knieën van Hugo Claus, die je overigens eigenlijk ook een volksverteller zou kunnen noemen.
– Wil je dan finaal eindigen als een ‘Vlaamse kop’ zoals Claus dat noemt? Met een graf op Campo Santo?
T.L.: Zeker en vast. Men zal dat van mij misschien niet verwachten, maar ik ben nu eenmaal ijdel. Het is ook mijn ambitie om te bereiken wat Claus nu al heeft bereikt, namelijk in zoveel mogelijk genres echt iets te schrijven wat als een meesterwerk wordt beschouwd.
– Je schrijft m.a.w. ‘voor de eeuwigheid’?
T.L.: Dat nu ook weer niet. Als iemand mij nù op papier zou kunnen garanderen dat het later nog zal gelezen worden, dan zou me dat natuurlijk vleien. Maar ik ben niet alleen voor ‘posterity’ te vangen. Er blijft van elke auteur op lange termijn uiteindelijk zo weinig over: één boekje, één gedicht, één blad papier. En dat is ook nodig. In feite zou men als iemand sterft beter zijn werk mee met hem begraven. De mensen die léven moeten alles maar opnieuw schrijven. Ik vind dat er teveel belang wordt gehecht aan de klassieken. Zolang als ik er zelf geen ben toch (lacht).
Het prachtige gedicht “Gent-Wevelgem” uit 1982 behoort volgens mij wel degelijk reeds tot de canon van onze literatuur. Nog meer poëzie vinden we in “De glazen klomp” (1983) en de bundel met de ironische titel “Nagelaten gedichten” (1983). Hij werkte ook als acteur (bij het gezelschap van Bert Verhoye) en schreef satirische literaire kritieken die hij bundelde in “Rozegeur en maneschijn” en “Helse kritieken” (1983). Na deze publicaties in eigen beheer gaf Tom Lanoye bij Bert Bakker “In de piste” uit, een dichtbundel. Daar verscheen ook zijn prozadebuut “Een slagerszoon met een brilletje”, vier verhalen (151 blz.) die gedeeltelijk reeds verschenen in “Vrij Nederland”, “NRC Handelsblad” en “Het Nieuw Wereldtijdschrift”.
AFSCHEID VAN GENT
In een behoorlijk gevulde grote zaal van de Vooruit nam Tom Lanoye niet lang daarna afscheid van het Gentse publiek. Hij zal zich voortaan immers in Antwerpen installeren om van daaruit Nederland te bestoken. Indien de afscheidshow een correct beeld geeft van wat die twee bevolkingsgroepen te wachten staat, dan streeft Lanoye er blijkbaar naar zich daar geliefd te maken via een aantal scheldcanonades aan hun adres. Dit dan voor wat het “nieuwe” onderdeel van het programma betreft (met daarbij vooral veel leuke vegen uit de pan voor onze collaborerende medemens). Voor de rest was het immers grotendeels een herneming van “Een slagerszoon met een brilletje” en wat voor het beste uit “Jamboree” moest doorgaan.
ALLES MOET WEG
Tom Lanoye heeft Gent als woonplaats dus geruild voor Antwerpen. Voor Antwerpen! Jezus, waarom gaat hij niet meteen in Holland wonen? Al snel wordt echter duidelijk dat het een afleidingsmaneuver betreft. In Antwerpen woont namelijk alleen een antwoordapparaat-annex-fax. Tom zelf woont net als Tony uit “Alles moet weg” (1988; verfilmd door Jan Verheyen in 1996) op de autosnelweg. Misschien niet in een camionet, maar toch. Een repetitie in Gent, een première in Mechelen, een nabespreking in Amsterdam, Tom Lanoye is voortdurend on the road.
T.L.: Antwerpen is een goeie stad om er te werken, juist omdat het er zo saai is. Ik erger me dan ook vooral aan de pretentie van de Antwerpenaars. Ze denken dat hun stad een metropool is, terwijl het om een provincienest gaat, zowel qua mentaliteit als qua aanpak van problemen. Een Antwerpenaar gaat nooit ergens anders kijken hoe het is. Ze denken dat de nulmeridiaan door de Schelde loopt.
– Kom, kom, je ergert je niet alleen aan Antwerpenaars. In “Alles moet weg” druipt de ergernis van de beschrijving van het huwelijksfeest in zaal Memlinc. Je wreekt je wel door wellustig op te sommen hoe iedereen aan z’n eind komt. Hoe ‘alles weg moet’.
T.L.: Uiteraard. Dat is mijn filosofisch tractaat: alles moet weg, er is niets. Dat is trouwens de titel van één van mijn allereerste interviews geweest. Ik begrijp dan ook niet waarom sommige zogenaamde literatuurkenners menen te moeten opmerken dat ik niet genoeg in de diepte werk. Ik vrees eerder dat men bij mij niet genoeg in de diepte gaat zoeken. Er is ondertussen wel een licentiaatsverhandeling aan “Alles moet weg” gewijd en je zou ervan verbaasd staan wat er allemaal inzit. Ik stond er zélf verbaasd van. Er stonden dingen in die ik zelfs helemaal niet wist! (En die volgens mij dan ook niet waar zijn, dat is dan weer iets anders natuurlijk.)
– Over het algemeen beschouwt men “Alles moet weg” als een schelmenroman…
T.L.: Elke schelmenroman is tevens een psychologische zoektocht. En in het geval van Tony is dat nog veel duidelijker omdat hij enkel in zijn hoofd leeft, de werkelijkheid moet zich maar aanpassen. En dat blijkt uiteraard niet het geval te zijn, zodat hij telkens weer een stap dichter bij de ondergang staat. Tot uiteindelijk op het cruciale moment ze een overval hebben gepleegd en Tony klaar staat met de vluchtwagen. Als zijn vriend Andreeke Met De Harley Davidson wordt neergeschoten, is de vraag: wat gaat hij nu doen? Gaat hij voor deze vriendschap kiezen die hij zelf niet begrijpt, die absoluut niet seksueel geladen is, die niets met zijn voorstellingsvermogen heeft te maken. Of kiest hij voor zichzelf? Vriendschap of narcisme? Realiteit of droomwereld? Uiteindelijk kiest hij ervoor om alle bruggen achter zich te verbranden en Andreeke te redden, maar het tragische is dan dat juist door hem te redden, hij hem de dood indrijft. Had hij dat niet gedaan dan had Andreeke immers één schotwonde gehad, terwijl hij nu compleet kapotgeschoten wordt, samen met alles wat Tony omringt, namelijk die camionet, zijn mobiele veilige nest, het verlengstuk van zijn milieu. Hij moet dus helemaal opnieuw beginnen, maar hij is nu gelouterd. Hij zal misschien wel weer een turbulent bestaan opbouwen in het buitenland, maar hij is ten gronde veranderd. Of hij dus een anti-held is of niet: er is aan zijn zoektocht een einde gekomen en dat is voor mij de geschikte variante op de schelmenroman. Want ik heb helemaal geen zin om een tweede ‘Pallieter’ te schrijven. Neem nu de scène die zich achter de hoek van jouw straat afspeelt, namelijk op de veemarkt. Een prachtig volks tafereel. Maar dan zitten daar twee studenten te discussiëren over de joods-palestijnse kwestie. Dat zou dus in Boeketje Vlaanderen kunnen te zien zijn, maar dan met dat verschil dat juist dat gesprek eruit zou worden geknipt. Terwijl ik dat juist interessant vind. Ik ben immers hoe dan ook iemand die wil schrijven over Vlaanderen omdat ik daarmee een intense haat-liefdeverhouding heb.
– Tony wordt ook vaak als jouw alter-ego aanzien.
T.L.: Daar is iets van, maar ook Andreeke is een afsplitsing van mezelf. Andreeke is de figuur die ik zou willen zijn. Impulsief. Ik wind mij voortdurend op, maar tegelijk denk ik: ik hoef nu niet onmiddellijk te handelen, ’t zal wel overgaan. Andreeke is echter iemand die handelt zonder dat hij nadenkt en die daar ook geen last van heeft. Dat is een hele luxe. Want het is een grote bron van spanning binnen mezelf dat ik qua opvoeding, qua milieu, qua temperament, absoluut niet intellectueel ben, maar dat ik anderzijds nu eenmaal een wetenschappelijke opleiding heb gehad, uitgerekend dan nog in de literatuur. Dat is dus beschouwend en vrij saai en een deel van mij is dat zeker en vast ook. Ik kàn dus niet als Andreeke leven.
– En Tony?
T.L.: Ik weet niet of ikzelf een anti-held ben, maar ik ben wel vrij pessimistisch van nature. Alleen vertaalt zich dat niet uitsluitend in sombere dingen. Een van mijn manieren om om te springen met dat pessimisme is juist door er humor van te maken. En dan maak je humor die niet louter amusement is, maar die én balsem én inzicht is, die dingen ontluistert en toch een zekere troost verschaft. Alleen al de verwoording van bepaalde harde dingen op een spitante manier kan een troost betekenen.
“IK WIL INNEN DOOR TE UITEN”
Dat doet me denken aan Kevin Peelman, de hoofdfiguur van het stuk “Komieken” van Trevor Griffiths dat Tom Lanoye voor het Mechels Miniatuurtheater heeft bewerkt in het voorjaar van 1991. Tom Lanoye maakte van dit stuk niet zozeer een vertaling, zelfs geen bewerking, maar bijna een eigen stuk. Destijds beschouwde hij “Komieken” alleszins meer als zijn kind dan de Blankenbergse bastaard die het NTG had gebaard. “Komieken” draait rond een stel… komieken (van clowns over lolbroeken tot stand-up comedians) die in de leer komen bij een oude cabaretier Ed Wagenaar (gespeeld door Mandus de Vos), die heel eigen opvattingen heeft over humor. Wanneer ze voor het eindexamen met een machtige Nederlandse impressario worden geconfronteerd (Tonko Boomstra, gespeeld door Luc Springuel), dient er kleur bekend. Ofwel maakt men maatschappijkritische humor (met het risico niet of amper aan de bak te komen) of men gaat de VTM-toer op. Men zou eigenlijk ook een beetje kunnen zeggen: de MMT-toer en dat maakt het wel interessant natuurlijk dat het stuk juist door dit gezelschap wordt opgevoerd. Geert Defour is als Kevin Peelman de spil van het gebeuren. Het alterego van Trevor Griffiths en ongetwijfeld ook van Tom Lanoye, zeg maar. Jaak Van Assche als Mon van Hoeylant is zo’n VTM-figuur, mede dankzij zijn Antwerpse bravoure, want voor een schuchtere Limburger (Jos Geens als Jan Cordeel) wil dat b.v. minder lukken. René Verreth (Isaac Fischler) vertegenwoordigt de typisch joodse humor, wat in Nederland misschien wel aanslaat, maar in Mechelen kwam dit redelijk ongeloofwaardig over. Jan Lauwers en Tuur De Weert zijn de gebroeders De Bondt, die samen een act hebben, maar die eigenlijk niet met elkaar overweg kunnen. En tenslotte is er Nourddine Abarkan die als mijnheer Lashif een tamelijk overbodige rol in de plot van het stuk zelf vertolkt, maar die essentieel is in die zin dat racisme latent deel uitmaakt van een bepaald soort “humor”.
Het oorspronkelijke stuk speelt zich af op het hoogtepunt van de Noord-Ierse crisis, maar dat kon Lanoye natuurlijk niet behouden. Hij heeft dan maar de tegenstelling Nederland-Vlaanderen geïntroduceerd. Dat was een winstpunt want de tegenstelling tussen Vlaams cabaret (of de afwezigheid ervan) tegenover een Hollands superioriteitsgevoel, wat belichaamd wordt door die vreselijke talentscout, wérkt. Eigenlijk denkt men niet meer aan het Engelse origineel als men het stuk ziet. Daarnaast is er ook de tegenstelling tussen oud en jong. Aan de ene kant heb je de uitgebluste cabaretier die een groot deel van zijn haat kwijt is, halvelings omdat hij zich heeft verkocht en voor de andere helft omdat hij milder is geworden. En anderzijds is er de jonge gast, Kevin Peelman, die keihard wil blijven beuken, die de waarheid nastreeft i.p.v. het pure amusement. In “Komieken” komen inderdaad alle mogelijke vormen van humor bij elkaar. In het oorspronkelijke stuk, dat zich afspeelt op het hoogtepunt van de Noord-Ierse crisis, wou dat dus zeggen: heel plat protestants Noord-Iers; heel plat katholiek Iers; van die typische joodse humor; een abstracte clowneske act en een poppenkastachtige mime-act door twee broers. Het is natuurlijk onwaarschijnlijk dat al die types in één klas bij elkaar zouden zitten, maar tegelijkertijd is het op die manier een heel scherpe analyse van de lach. Het zet twee types van humor tegenover elkaar: de humor die alleen maar wil entertainen en de humor die verder wil gaan. Dat is de echte humor, de humor die door de lach wil gaan i.p.v. alleen maar voor de lach. Vergelijk Jacques Vermeire met Freek de Jonge b.v. Ik vind ook dat deze laatste zich in interviews als een ongelofelijke pastoor kan gedragen, maar het is juist die ruggengraat die er op een podium voor zorgt dat Freek zoveel beter is dan mensen als – met alle respect – Geert Hoste of andere entertainers. Freek de Jonge is geen entertainer en ik beschouw mezelf ook niet als een entertainer. Ik wil wel humor, maar ik gebruik humor. Dat is cabaret tegenover entertainment. En binnen dat cabaret krijg je dan nog eens de tegenstelling tussen oud en jong. Dat is aan de ene kant die uitgebluste cabaretier en anderzijds is er die jonge gast, Kevin Peelman. Wat je bovendien wint bij de bewerking, is de tegenstelling Vlaanderen-Nederland. De acteurs waren het erover eens dat het wérkt en daarmee bedoel ik dat men niet meer aan het Engelse origineel denkt als men het stuk ziet.
– Dat uitgerekend het M.M.T. daarmee uitpakt, is wel merkwaardig.
T.L.: En het is ook het M.M.T., meer bepaald dramaturg André Lefèvre, die de keuze van het stuk heeft gemaakt en mij heeft aangezocht voor de bewerking. Men vond dat ik daarvoor het beste in aanmerking kwam, aangezien ik tegelijkertijd bezig ben met toneel, met cabaret en mij ook op filosofisch vlak bezighou met de vraag over de functie van humor. Ik bedoel niet dat ik daar hele dagen loop over na te denken, maar toch iets meer dan Werther van der Sarren, denk ik. Ik vind dat soort humor, zoals die van Jacques Vermeire b.v., zo totaal talentloos, zo onwaarschijnlijk slecht, zo enorm vulgair. Ik heb niets tegen vulgariteit als dat één van de instrumenten is die de humorist ter zijner beschikking heeft. Als het echter zijn eigenheid is, dan vind ik dat niet interessant. Als iemand zijn belangrijkste talent de spanwijdte van zijn muil is, dan vind ik dat niet om te lachen. Eigenlijk irriteert me dat zelfs.
– Het publiek van het M.M.T. zal zich allicht toch meer identificeren met de humor van Jacques Vermeire dan met die van Kevin Peelman, neem ik aan.
T.L.: Het stuk gààt ook voor een groot deel over het publiek dat professionele gezelschappen hebben. Want de vraag wat je als komiek gaat doen, hangt daar heel nauw mee samen. Je kan zeggen: o.k., ik breng alleen maar entertainment en dan passeer je langs de kassa; maar je kan ook zeggen: ik wil af en toe te ver blijven gaan, ik blijf het risico nemen dat mensen die willen dat ik hun constant amuseer voor paal worden gezet. Je kan de macht die je op zo’n moment hebt aanwenden om daar iets mee te doen. Want die macht héb je. Wil je innen of wil je uiten? That’s the question. Ik wil uiten en daarmee kunnen innen. Maar het uiten komt op de eerste plaats. Ik word ook voortdurend aangezocht voor allerlei spelprogramma’s of presentatiewerk, maar ik doe dat niet, niet enkel omdat het me niet interesseert, maar ook omdat ik weet dat ik daardoor uiteindelijk zal opbranden, juist omdat het mij niet interesseert. Dat een deel van het publiek van het M.M.T. geshockeerd was, vind ik dan ook prachtig. Het bewijst dat het stuk zijn nut heeft gehad.
– Het probleem is dat ikzelf het ook moeilijk heb om de humor te zien in wat Kevin Peelman doet. Ik herken Tom Lanoye daarin niet.
T.L.: Oh, absoluut wel! Natuurlijk, het is geen verbale act, maar de manier waarop hij het brengt, is zeker wél Tom Lanoye. Hij vertrekt eigenlijk van de morbiede clowns-act van Groc en als je dààrmee op een kiekenkaarting terechtkomt, zoals dat in het stuk gebeurt… Ik heb dat ook eens meegemaakt. Ik heb één keer op een personeelsfeest opgetreden en ik heb dat bewust helemaal in de soep laten gaan – dat kan je nalezen in “Vroeger was ik beter” – omdat ik daar voor een publiek stond dat zich totaal niet voor mij interesseerde, dat alleen maar verwachtte dat ik daar een beetje de leuke Belg kwam uithangen. Ik heb dan prompt al mijn schunnigste, vulgairste, mottigste materiaal bij elkaar geraapt tot iedereen de zaal uit was. Dat contract was via een theaterbureau afgesloten en ik had nochtans heel uitdrukkelijk gevraagd van mij niet op dergelijke feesten te laten optreden. Dààr valt in Holland nochtans het meeste geld te rapen. Maar dat doe je gewoon niet. Ik wil wel geld verdienen, maar dan om die dingen te kunnen doen, die ik wil doen. Om rustig aan een boek te kunnen werken b.v. Maar niet om een villa neer te poten in Brasschaat. De gelijkenis tussen mij en Kevin is dat soort gedrevenheid. Zichzelf naar buiten willen brengen. Heel cruë dingen zeggen en toch hopen dat de mensen je dààrvoor goed vinden. Niet àlle mensen. Dat zou dom zijn. Als je mensen tegen de schenen stampt, zullen de meesten kwaad zijn. Dat is iets wat ik mij eigenaardig genoeg pas na jaren heb gerealiseerd. Dat alleen mensen met heel wat klasse zien wat je eigenlijk daarmee bedoelt. Zodat ik met iemand als Wim Van Gansbeke achteraf gerust over één van mijn stukken kan praten, terwijl Hubert Lampo gaat lopen als hij me ziet. Zodat ik op persoonlijk vlak nog altijd een goede relatie heb met Johan Anthierens, maar dat ik hem wel vlak in zijn gezicht kan zeggen dat hij niet kan schrijven. Ik beschouw “Komieken” dan ook wel degelijk als “mijn” stuk. Ik voel mij daar heel erg mee verwant. De laatste dialoog tussen de oudere en de jongere cabaretier, ik kan daar niet naar kijken zonder dat het haar op mijn handen overeind komt. En als het goed gespeeld wordt, zit ik zelfs soms echt te janken. Dat is van zo’n theoretische zuiverheid en tegelijk ingebed in die twee personages, dat vind ik heel groot theater.
Over stand-up comedians als zodanig hebben we het helaas niet gehad. Maar dat wordt goedgemaakt door Katrien Brys in het Gentse tijdschrift Zone 09 van 30/5/2007. Aan haar vertelt Tom: “Stand-up comedy is een problematisch genre: te vaak verzandt het in vrijblijvende neger-, homo- en andere aangebrande moppen, waarbij de botheid het gebrek aan talent moet verbergen. Dan wordt het al snel ‘nieuw politiek correct’: zo grof mogelijk de vroegere politieke correctheid schenden. Vertel een grove racistische mop, met een knipoog naar de antiracisten die mogen lachen omdat het te grof is om gemeend te zijn, en de echte racisten kunnen lachen op een eerstelijnsniveau. Dat is geen comedy maar slecht middenstandsgewin.”
“Komieken” is wel een redelijk traditioneel stuk qua vormgeving en dat is precies ook datgene wat de meeste mensen verraste bij “Blankenberge”, althans zoals het in het N.T.G. bijna gelijktijdig werd gebracht in een regie van Senne Rouffaer. Dit was het eerste toneelstuk waar Tom Lanoye helemaal alleen voor verantwoordelijk is. “Café Paniek” door de Zwarte Komedie had de stempel van Bert Verhoye en “De Canadese Muur” (1989) leek me bij wijlen meer Brusselmans dan Lanoye (deze laatste vatte het in Humo trouwens ooit eens samen als: “Hij dicteerde, ik typte”).
KnipselNa “Blankenberge” stond bij het NTG nog in oktober van hetzelfde jaar opnieuw een toneelstuk van Tom Lanoye op het programma. Omdat “Monster zonder waarde”, het eerder aangekondigde stuk van Paul Koeck rond moordenaar Freddy Horion, uit begrip voor de nabestaanden (het drama speelde zich af in Sint-Amandsberg, vlakbij Gent) werd afgevoerd, moest het NTG op de valreep uitkijken naar een vervangstuk. “Blankenberge” van Tom Lanoye mocht door de pers (en nog meer door Tom zelf) nogal op zware kritiek zijn onthaald, het was toch een publiek succes en daarom aarzelde men niet lang om de Vlaamse creatie te brengen van “Bij Jules en Alice”, Toms eigen bewerking van één van zijn novellen uit “Een slagerszoon met een brilletje” (1985). Deze bewerking had hij oorspronkelijk gemaakt voor Toneelgroep Amsterdam, die daar vorig jaar een goed onthaalde, nogal “droge” voorstelling van bracht (o.a. in de Brusselse Beursschouwburg). In tegenstelling tot de “zuinige” aanpak van de Nederlanders, pakt Eddy Vereycken in de Minnemeers uit met een reusachtig speelplateau en een volledige trukendoos. Het seksuele element wordt ook veel meer benadrukt, misschien als “Wiedergutmachung” omdat een te preutse aanpak door regisseur Senne Rouffaer o.m. de oorzaak ervan was dat “Blankenberge” de mist inging, i.p.v. dat de dampen werden veroorzaakt door de broeierige hitte, die het moest oproepen. Vereycken was toen overigens samen met Pedro Edo de enige acteur die van Lanoye wél lof oogstte voor zijn prestatie.
Toch kon Vereycken géén betere “Jules en Alice” afleveren dan de sobere Hollandse aanpak, die ik het jaar daarvoor te zien kreeg. De rommel op het toneel drukte veel beter de ‘rommel’ in Jules’ hoofd uit dan het cleane decor van Andreas Szalla, maar dat is niet de grootste fout die Vereycken heeft gemaakt. Een totaal foutieve keuze lijkt mij vooral het opteren voor een komedie, meer zelfs: een farce, een klucht, een slapstick. Inclusief een taartengevecht, het dieptepunt van de opvoering. Ik zal wel de laatste zijn om te ontkennen dat er in de tekst grappige elementen zitten, maar net zoals bij mensen als Claus, Boon of Walschap (die terecht als referentie worden aangehaald), is die lach een grim-lach, die eigenlijk de tragedie nog meer beklemtoont. Door die komische elementen echter dik in de verf te zetten en breed uit te smeren miste de regisseur compleet de tragische dimensie. Omdat echter elke medaille twee kanten heeft, moet ik er wel onmiddellijk aan toevoegen dat ik een voorstelling bijwoonde waar toevallig veel gehandicapten waren op afgekomen. En alhoewel het niet niks is wat Jules op dat gebied overkomt, konden die hun pret niet op. Therapeutisch theater, zeg dat wel! (Het feit dat Jules na een ruzie met Alice zijn geslacht afsnijdt, waarna zij het in de diepvries stopt, mag op het eerste gezicht vergezocht lijken, in oktober 1992 deed een 32-jarige man in het Australische Perth precies hetzelfde!)
Bovendien moet ik constateren dat er ook nu weer veel acteerplezier te rapen valt. Magda Cnudde verdient toch wel een speciale vermelding als een volbloed Alice, een Shirley Valentine uit Waasmunster, al mochten Walter Moeremans (na vier jaar Arca teruggekeerd naar de oude stal) als Jules en Eddy Spruyt als zijn vriend Oscar er ook zeker zijn. Twee rasactrices als Chris Thys (buurvrouw Verstraeten) en Blanka Heirman (moeder Desmet) werden door de regie al zwaarder op de proef gesteld, maar konden het dankzij hun talent toch nog waarmaken. De anderen vielen wat lichter uit, zij het dat Pjeroo Roobjee op het einde een opgemerkte verschijning maakt…
Daarvóór had ik “Bij Jules en Alice” dus reeds gezien in de Brusselse Beursschouwburg op 15/05/1991 door Toneelgroep Amsterdam in een regie van Alize Zandwijk en een decor van Paul Gallis. Met Marieke Heebink (Alice Pauwels), Fred Goessens (Jules Desmet), Hein van der Heijden (Oscar Van Landeghem), Mark Rietman (Madame Desmet) en Wim Selles (Alice’s broer, die tevens voor de muziek zorgt). Wie in “Madiwodo” Tom Lanoye zijn dagboek over de creatie van “Bij Jules en Alice” hoorde voorlezen, zal wel in het ongewisse verkeren over wat hij van deze voorstelling mocht verwachten. De schrijver, of auteur pardon, evolueerde immers van “help, ik word niet goed” tot een erkenning dat het hier wel degelijk een goede voorstelling betreft, zij het dan dat het niet zijn voorstelling was. Wat “zijn” voorstelling dan zou zijn geweest, daar hebben we natuurlijk het raden naar. Lanoye heeft b.v. maling aan een elitaire opvatting over kunst en het “volkse” karakter bleef zeker behouden bij de theaterbewerking. Dat dit echter geen garantie is om ook een “authentieke Lanoye” te zien, dat weten we reeds sedert de ontgoochelende enscenering door Senne Rouffaer van “Blankenberge” in het NTG. Deze keer krijgt de regie van Alize Zandwijk echter wel veel krediet. Het Algemeen Dagblad schrijft b.v. dat de verrassende kwaliteiten van drie jongerenproducties die ze vóór dit stuk had gerealiseerd, geen toevalstreffers blijken te zijn. “Haar regie van het stuk van Lanoye getuigt van alles wat een goede regisseur moet bezitten.” En de recensent voegt er in één adem aan toe dat de voorstelling wat hem betreft tot de hoogtepunten van het seizoen behoort.
Het stuk speelt zich volgens de persinformatie af in een “mythologisch Vlaanderen”. Nederlanders hebben daar allerlei bedenkingen bij, maar als Vlaming heb ik het moeilijk om mij hiervan een juiste voorstelling te maken. Want ergens doet “Bij Jules en Alice” mij b.v. denken aan “Station Service” van de Fransman Gildas Bourdet en voor hetzelfde geld zou men dan kunnen beweren dat dit stuk zich in een “mythologisch Frankrijk” afspeelt. Dit mythologische Vlaanderen is dan ook een land waar het familieleven zich even treurig voortsleept als een lange, regenachtige zondagmiddag. En alhoewel het een macho-cultuur is, wordt de plak toch gezwaaid door Moeder de Vrouw.
Net zoals in “Blankenberge” wordt er wel veel gesproken, maar weinig gezegd. En als woorden niet meer toereikend zijn, vallen er klappen. Zo ook bij Jules Desmet (Fred Goessens) en Alice Pauwels (Marieke Heebink), die wel van elkaar houden, maar “bij elkaar niet kunnen komen”. Daarvoor is de berg autowrakken te hoog. Jules heeft immers een autokerkhof en een bizarre antiquiteitenhandel, waardoor het toneel bezaaid ligt met allerhande auto-onderdelen en prullaria. Dit rommelige is ook terug te vinden in de voorstelling en volgens de reeds genoemde recensent raakt deze daarmee “de kern van Lanoyes boodschap over zijn volk”.
KARTONNEN DOZEN
Nadien verschenen “Doen!” (1992, een verzameling columns, meestal voor Humo), “De schoonheid van een total loss” (1993; toneel – waarin o.a. “Celibaat”, zijn toneelbewerking van de roman van Gerard Walschap, te vinden is) en “Onweer in de tropen” (1994 – toneel).
Lanoye schreef ook een verhaal in de in 1993 voor het aids-fonds uitgegeven bundel “Met liefde” (nieuwe verhalen van Nederlandse schrijvers, o.a. Gerrit Komrij, Remco Campert). Een jaar later volgde “Spek en bonen” (satirische kritieken) en “Maten en gewichten” (idem).
Als men “Honderd Jaar Tom Lanoye” zal vieren, zal dat in het jaar 2058 gebeuren. Het slachtoffer zal dan in een open koets door Sint-Niklaas worden gezeuld. Als men het om een of andere reden over het hoofd zou zien, dan krijgt men in 2091 echter nog een tweede kans. Dan zal het immers precies honderd jaar geleden zijn dat de auteur, ondertussen rustend onder een monumentale grafzerk op het Campo Santo, niet minder dan drie toneelstukken haast gelijktijdig had lopen in Vlaanderen en Nederland, dat er een film werd gedraaid naar zijn succesrijke roman “Alles moet weg” en dat zijn tweede roman verscheen, “Kartonnen dozen”.
“Kartonnen dozen” is, zoals Tom zelf schrijft “het verhaal van een banale jeugdliefde en haar vertederende kracht”. Julien Weverbergh gaf toe dat “Kartonnen dozen” van Tom Lanoye “het meest ontwapenend, vertederend boek” was dat hij de laatste maanden heeft mogen lezen, maar omdat het geen “dubbele, driedubbele of welke andere bodems dan ook” bevatte, vond hij het uiteindelijk een “nuloperatie”. “Wat zeer irriterend is voor een recensent, want hij kan aan zijn lezers niets verklaren of zijn spitsvondigheid in het ontrafelen van literaire puzzels etaleren.” Zelf heb ik echter geen zin om wat dan ook te etaleren en daarom verkies ik “Kartonnen dozen” boven b.v. “Het beleg van Laken”. Dat Weverbergh Brusselmans overigens een “ludieke koorknaap” vindt, daar kan ik nog inkomen, maar Lanoye eveneens? Herwig Leus van “Mep” gaat echter nog verder, die noemt Lanoye “een teken van verloedering, zoals een recruut die zichzelf plots bevordert tot generaal”.
T.L.: “De klassieke literaire jeugdliefde gaat om twee vrienden die beiden verliefd zijn op hetzelfde meisje. De ene haalt het, de andere verliest meisje en vriend. Meestal is dat de gast die begint te schrijven. Bij mij valt die vriend en die jeugdliefde samen. De sleutel van het boek is dat ik uit liefde een vriend verlies.”
Behalve over de universele geest der verliefdheid, handelt “Kartonnen dozen” ook over een onvervalst Vlaamse jeugd. Over de vier vrouwen die Tom Lanoye hebben opgevoed (al is het verhaal over zijn moeder en de frietpot apocrief) en over de reizen die door de Christelijke Mutualiteiten werden georganiseerd (de eerste kartonnen doos: de surrogaat-koffer). Over de gymnastiekvereniging Samen Sterk (de tweede doos: een schoendoos met foto’s) en over het collegeleven en over het uitstervende ras der priester-leraren, waarin sommige lezers o.a. Anton van Wilderode zullen herkennen (de derde doos: een archiefdoos).
Voor mij was dat laatste alvast niet moeilijk, want ik ga jullie een groot geheim verklappen: Tom Lanoye is eigenlijk de jongere broer die ik nooit heb gehad. Onwetend van zijn bestaan heb ik zijn levensloop tot de mijne gemaakt, van de Latijn-Griekse in het Sint-Jozef-Klein-Seminarie te Sint-Niklaas tot de Germaanse Filologie in Gent. Op die manier zijn we beiden oud-leerlingen van de priester-dichter Anton van Wilderode. Ikzelf ben daar eigenlijk heel tevreden over. En Tom?
T.L.: Ik zeg altijd: ik ben evenzeer beïnvloed door Anton van Wilderode als door Prince. Met andere woorden, ik ben over Anton van Wilderode bijzonder tevreden. Dat heb ik altijd al verklaard en dat wordt mij door mijn vrijzinnig-linksachtige vrienden niet altijd in dank afgenomen, zodanig zelfs dat ik er al ruzie over heb gemaakt. Als die gast goed les gaf, dan gaf hij goed les. Punt uit. Of nee, hij gaf uitzonderlijk goed les. Ik heb dat eens tegen Johan Thielemans gezegd in “Eiland” n.a.v. de film “Dead poets society”. Uiteraard was hij niet zo grappig als Robin Williams en is hij bij mijn weten nooit bovenop een bank gaan staan, maar het vuur van de literatuur heeft hij wél overgebracht. Nu was dat bij mij misschien niet eens echt nodig, maar daar kun je toch alleen maar dankbaar voor zijn of niet soms? Iemand die je op je zeventiende tot Dostojewski brengt dat is toch een godsgeschenk? Of tot Hugo Claus? “De verwondering” dan nog wel! Van Wilderode was het met dat boek helemaal niet eens, maar literair gezien vond hij dat zo goed dat hij van oordeel was dat we dat moesten leren kennen. En dan leest hij daar met zijn Marlon Brando-stem uit voor, zijn rauw schuurpapieren kopstemmetje. Fantastisch. Wij hadden hem het laatste uur van de week, de vrijdagnamiddag dus, en ik kan je verzekeren: in mijn klas zaten er een hoop Beotiërs, een stel barbaren, al was het alleen maar omdat wij, de Latijn-Griekse, voor dat uur het gezelschap kregen van de Latijn-Wetenschappen. Maar die waren allemaal méé. Niet iedereen las achteraf op eigen houtje die boeken, maar het waren er zeker méér dan bij een andere leraar het geval zou geweest zijn.
– Ik herinner me nog altijd het ongeloof van Claus toen ik hem dat zei.
T.L.: Maar anderzijds, over Louis Paul Boon heeft Van Wilderode met geen woord gerept. Dat verwijt ik hem dan ook. Net zoals hij ook over Gerard Reve en W.F.Hermans nauwelijks iets heeft gezegd. Maar Boon vindt hij dus zelfs niet eens een auteur die naam waardig. Merkwaardig, want hij is toch wel breeddenkend. Ik herinner me dat ik eens bijna het maximum van de punten heb gehad voor een verhandeling waarin ik opzettelijk dingen had geschreven die tégen zijn opvattingen gericht waren. Ongelooflijk. Want sommige van zijn opvattingen over racisme of over het flamingantisme zijn inderdaad op het randje van het fascistoïde. Echt waar. Dat is wat mij in hem fascineert. Hij heeft voor mij het demonbeeld afgebroken dat je altijd ziet, wanneer mensen elkaar politiek willen gaan beschimpen. In plaats van een persoon maakt men er een personage van. Wat nu b.v. gebeurt met Saddam Hoessein. Van zodra je hem de nieuwe Hitler noemt, moet je namelijk met al zijn argumenten geen rekening meer houden. En dat is belachelijk, want een aantal argumenten zijn steekhoudend. En om nu maar meteen helemaal mijn ‘street credibility’ te verliezen: ik vind Van Wilderode ook als dichter een onderschat iemand. (**)
– Tegelijk heb ik echter ook moeten vaststellen dat op politiek vlak gemakkelijker begrip mogelijk is tussen uitersten, dan b.v. op seksueel vlak. (***) Ook als dichter “coupeert” hij zich opzettelijk van dat heel belangrijke thema…
T.L.: Ik begrijp het celibaat niet. En over de spanning die erachter zit, lees je inderdaad heel weinig bij priester-dichters. Wat dat betreft is “Die avond en die roze” van Guido Gezelle voor mij één van dé grootste monumenten uit de Vlaamse literatuur, omdat het enerzijds in zijn taalgebruik het beste is wat er in ons taalgebied is te vinden en anderzijds is het zo on-Vlaams dat een priester zozeer op de rand van zijn gevoelens en zijn seksleven schrijft en dan nog uitgerekend over een homoseksuele relatie, wat voor mij zeker in mijn romantische periode enorm tot mijn verbeelding sprak. Die combinatie van dat alles samen maakte dat ik op bepaalde momenten echt bijna fysiek onwel werd toen dat gedicht moest besproken worden. Maar dat gebeurde dan helaas niet bij van Wilderode, maar bij een andere priester die zich kwaad maakte ‘omdat er mensen waren die durfden denken dat enz.’ Terwijl het feit dat hij zich daar zo stond over op te winden gegarandeerd betekende dat hij wellicht een pedofiel was tot en met.
– Wat is eigenlijk het eerste boek dat jezelf heeft aangegrepen?
T.L.: Geen twijfel mogelijk, dat waren de stripverhalen van Pom en Teddy. De auteur was François Craenhals (1926-2004). Dat zou ik me normaal uiteraard niet meer herinneren, maar ze zijn onlangs mooi heruitgegeven in een hardcover en ik heb ze me opnieuw aangeschaft. Craenhals was een mindere god bij het weekblad Kuifje. Je had daar natuurlijk op de eerste plaats Hergé, maar er was ook Edgard B. Jacobs of Cuvelier. Toch vormde “De avonturen van Pom en Teddy” een succesvolle serie. Eén van de afleveringen, “Het geheim van Balibach”, kan volgens mij zelfs zonder blozen naast “Het gele teken” van Jacobs gaan staan. Pom was een ezeltje en Teddy een weesjongetje dat – heel platonisch natuurlijk – bevriend was met het danseresje Maggy. En samen met de reus Taras Bulba werken ze allemaal in het circus Stockburger. Ik identificeerde mij zwaar met dat weesjongetje – maar soms ook wel eens met het ezeltje. Het meest ontroerende verhaal vond ik het allereerste dat gewoon “De avonturen van Pom en Teddy” heet. Het weesjongetje en het ezeltje liggen daarin afwisselend op sterven, worden door vlammen bedreigd, door wilde everzwijnen besprongen of belaagd door geniepige pistemeesters. Heel spannend, maar op het einde komt toch alles weer goed. Ik heb werkelijk zitten huilen als ik het las. Er komt een heel mooie scène in, waarbij het ezeltje gewond is door een everzwijn en in koortsdromen vervalt. Je ziet dan een aantal dromen van dat ezeltje, die nogal primitief surrealistisch in beeld worden gebracht. In een soort Dali-landschap komen everzwijnen aanzetten die eerder op weerwolven gelijken en die slaan het ezeltje kapot, dat voor de gelegenheid een plaasteren beeld is. Ik herinner mij dat ik absoluut niet door had dat het maar een droom was. Ik moet toen zo’n zeven, acht jaar geweest zijn, al las ik reeds strips toen ik alleen nog maar naar de plaatjes kon kijken. Dat is trouwens een gewoonte gebleven: telkens ik een nieuwe strip kocht, bekeek ik eerst tweemaal de prentjes en pas de derde maal begon ik te lezen. Eigenlijk vind ik het nog altijd fantastische boeken. Ik ga ze trouwens onmiddellijk nog eens lezen als dit hier achter de rug is, zie.
HET ALOMVATTENDE JANETTENCOMPLOT
– In “Alles moet weg” komt ook nogal wat homo-erotiek voor…
T.L.: Het is wel merkwaardig dat je nu plotseling over ‘homo-erotiek’ spreekt. Als men het over homoseksualiteit heeft, dan gebruikt men altijd woorden als ‘homo-erotiek’ of ‘homofilie’. Heteroseksualiteit kan men blijkbaar makkelijker zeggen. ‘Homofilie’ is een uitvinding van de jezuïeten en ‘homo-erotiek’ is een uitvinding van de linkse intellectuelen die tolerant willen zijn, maar die ook hun mond spoelen als ze ‘homoseks’ moeten zeggen.
– Ik wil die onwennigheid wel toegeven. Ik vraag inderdaad niet aan Claus: jij schrijft altijd over hetero-erotiek, vertel daar eens iets over…
T.L.: Dat is altijd het dilemma. Enerzijds vind ik dat op het persoonlijke vlak totaal te verwaarlozen. Anderzijds is het een sociaal probleem. Wat ik nu zeg zijn natuurlijk een hoop cliché’s, maar daarom niet minder waar. Dat probleem uit zich niet in het feit dat mensen van ellende liggen te kronkelen op de grond, maar wel in het feit dat er zovelen zijn die in hun beroepsleven tot en met in hun gezinsleven er gewoon niet in slagen te zijn wat ze zijn. En daarom is het toch belangrijk om erover te spreken. Bij mij is het dus seksueel. De meeste mensen zijn heteroseksueel, een grote minderheid, 10 à 15%, is homoseksueel. Voor mij is die vaststelling net hetzelfde als: de meeste mensen zijn rechtshandig, een belangrijke minderheid is linkshandig. Linkshandigheid werd in de Middeleeuwen trouwens ook aanzien als een teken des duivels. Tot een heel recent verleden werden mensen de psychiatrie ingedreven, begonnen ze te bedwateren of te stotteren omdat ze niet meer links mochten schrijven. Nochtans is dat aangeboren, net zoals homoseksualiteit is aangeboren. En toch zijn er mensen zoals Louis De Lentdecker b.v. die daar nog middeleeuws over denken. Mij persoonlijk raakt dat niet langer, maar in mijn adolescentie deed het dat wél, omdat je dan veel te weinig raakvlakken, veel te weinig voorbeelden hebt. In Sint-Niklaas was er b.v. een café opengehouden door zo’n volkse janet, waar de mensen dan ook geregeld kwamen naar kijken omdat ze daarmee eens goed konden lachen. En verder was er de typische coiffeur met een poedel i.p.v. een kind. En dat was dan zielig. Want er waren maar twee keuzen: het was óf zielig óf lachwekkend. En dat zijn nu niet bepaald de beste voorbeelden om in je puberteit mee op te groeien. En het gevolg is dan dat, als ik schrijf over de seks waarvan ik me het beste iets van kan voorstellen, een groot aantal mensen zich daarin moeilijk kunnen inleven. Omdat ze het zo weinig zien.
Nochtans, tien, vijftien procent, dat betekent in Vlaanderen toch nog altijd een half miljoen à zeshonderd duizend mensen. In ons land zijn er minder Duitstaligen en die hebben nochtans een eigen parlement. Nu vind ik niet dat de homo’s een eigen parlement zouden moeten hebben, ik vind alleen dat ze meer zichtbaar zouden moeten zijn. Ik vraag me af waarom ik mij als homo zoveel keer per dag moet kunnen inleven in het heteroseksuele leven (en dat kan ik hoor, dat kost mij geen enkele moeite), terwijl dat omgekeerd een confrontatie betekent. Hoeveel mannen zie je b.v. mekaar kussen? En dan bedoel ik niet het voorhoofd lichtjes beroeren met de lippen, hé! Ik heb in Humo een stuk geschreven over outing. Daardoor ben ik harder geworden. In die zin dat de reacties daarop zeer controversieel waren. Ik heb over geen enkel stuk zoveel moeten discussiëren als daarover. En daardoor ben ik harder geworden. In die zin dat ik geen enkel begrip meer heb en zeker geen medelijden met homo’s die zichzelf onderdrukken. De belangrijkste discriminatie van janetten gebeurt door janetten zelf. Er is nu heel weinig druk vanuit mensen die homo zijn naar andere homo’s toe.
Het is zelfs zo dat Jan Van Rompaey op die manier in “Zeker Weten” Koen Wauters tot bepaalde uitspraken kan verleiden. Ik vind Koen Wauters een zeer vriendelijke jongen, maar in plaats van elke Vlaamse kermis af te doen, zou hij beter eens stoppen om even na te denken. Hij zegt zelf dat hij daarvoor nog geen tijd heeft gehad, maar hij komt wel eventjes tussendoor verklaren hoe schandalig hij outing wel vindt. Terwijl hij nota bene daarmee zijn vriendjes van VTM komt beschermen. Jan Van Rompaey laat zich over janetten altijd uit zoals Koningin Fabiola tegen gehandicapten staat te praten. Nochtans wil ik evenmin als die gehandicapten behandeld worden als iemand met een Probleem waarmee je voorzichtig moet omspringen. Als je er op die manier een probleem van maakt, ja dan héb je natuurlijk een probleem. Bij Van Rompaey gaat dat altijd in termen van begrip, van medelijden, en teveel homo’s zijn ervan overtuigd dat dit inderdaad zo moet zijn. De druk van de maatschappij om zich toch maar als hetero te gaan gedragen is zo al groot genoeg, via familie, via boeken, via school, via film, via alle mogelijke kanalen. Want een homo dat is toch maar om te lachen, nietwaar, en het is eigenlijk ook een beetje vies. Denk maar aan het leger, aan sportverenigingen: allé stel je voor, jongens, dan sta je daar met een janet onder de douche! Die gaat me zeker bespringen! Een homo is dus niet enkel iemand die liever met mannen vrijt dan met vrouwen, nee hij is ook totaal oversekst, hij loopt steeds te geilen. En de grote tragiek voor àlle homo’s is nu dat zij allen worden opgevoed als hetero. Dat beeld wordt dus van kleinsaf ook bij homo’s ingelepeld. En dat is dus een beeld waarmee ze zich uiteraard niet willen associëren. Wat maakt dat ze zichzelf laten onderdrukken. De communisten zullen dat ook wel weten: het moeilijkste van de ontvoogdingsstrijd is de gediscrimineerde ervan overtuigen dat hij gediscrimineerd wordt! Alle argumenten die Van Rompaey aanhaalde tegen outing zijn dan ook argumenten die men kan aanhalen tegen arbeiders die een fabriek gaan bezetten. En een aantal van die arbeiders zullen exact hetzelfde zeggen als wat nu een aantal homo’s zeggen: “Dat gaat onze zaak schade berokkenen.”
Tegen Yvan Brijs (die ik wel ken) zei Van Rompaey o.a.: “Denk je nu echt dat dit de homo-emancipatie vooruithelpt?” Dat weet ik niet. Maar ik weet wel dat al die bekende mensen die het zich kunnen permitteren die tienduizenden andere klootzakken die er niet voor uitkomen tot voorbeeld zouden kunnen strekken.
Waar het mij om gaat, is puur persoonlijk. Ik als homo, wat zie ik? Ik zie een hoop gasten, die komen op fuiven, die komen in bars en die gaan als hypocrieten door ’t leven. Dat werkt op mijn lachspieren en zeker na dat stuk ben ik niet van plan om daar nog medelijden of begrip voor te hebben. Het ergste wat ge u kunt voorstellen (en dat komt veel voor) is een katholieke janet die veertig jaar getrouwd is, drie kinderen heeft en dan op z’n zestigste verjaardag met een donkere bril op een janettenbar binnenkomt en denkt op één avond een verloren leven goed te kunnen maken. Dat is toch triestig, zou je kunnen zeggen. Wel, ik ben niet van plan daar nog langer medelijden mee te hebben. Die mensen hebben dat zichzelf aangedaan. Als we daar al langer vanuit de homobeweging harder tegenover waren geweest, dan zou dat niet zo geweest zijn. Als mensen zich schamen homo te zijn, dat ze dan een put graven erin kruipen en er nooit meer uitkomen.
– Maar het voornaamste argument is…
T.L.: …dat homoseksueel zijn tot het privé-domein zou behoren. Jaja. Daarop heb ik een aantal dingen te zeggen. Ten eerste: het wordt blijkbaar niet tot het privé-domein gerekend als iemand die homo is wordt aanzien als een hetero. Nu, dat vind ik nu juist een grove inbreuk op mijn privé-leven. Ten tweede, wat wél tot het privé-domein behoort, dat is als ik zou hebben geschreven: die gast vrijt met die kerel en zij wonen daar en daar. Zo kan je op de duur beweren: dat Eddie Murphy een zwarte is, dat behoort tot zijn privé-leven. Maar ik zie dat toch? Welnu, ik kom in een janettenbar en ik zie Frank Dingenen, om nu maar iemand te noemen, een gast staan tongen dat de spuugvlokken in de geburen vliegen, dan mag ik toch geredelijk concluderen dat hij een homo is? Anders ben je jezelf in een getto aan het stoppen. Dan moet je er b.v. van uitgaan dat wanneer iemand binnenstapt op een fuif, dat dit tot zijn privé-leven behoort. Dat is niet zo. Dat is openbaar leven. Ik wil niet betrokken worden in een soort van alomvattend janettencomplot waarin iedereen voor iedereen moet zwijgen. Want op dat moment ga je er eigenlijk mee akkoord dat het iets is waarvoor je je dient te schamen. Als ik naar sommige presentatoren op VTM kijk, dan voel ik me als een zwarte artiest die naar Michael Jackson moet kijken. Want die doet ook alles om er toch maar niet als een zwarte uit te zien. Moet ik dat dan als zwarte artiest fantastisch vinden? Ik zou me eerder tot op het bot beledigd voelen. En als ze dan nog hun kop zouden houden over hun privé-leven, maar nee, in “Dag Allemaal” word je met je neus tot in de kleur van hun onderbroek gedrukt. Of Koen Crucke die begint te zeiken over zijn vriendin toen hij zeventien jaar was. Dat vind ik hypocriet. En als satiricus is dat dan toch wel Gefundenes Fressen zeker?”
Toch vind ik het merkwaardig dat precies Tom Lanoye met zijn Nederlandse vriend René Los de eerste wilde zijn om door Patsy Sörensen te worden “getrouwd” (op Valentijnsdag 1996). Alhoewel. “Laat me duidelijk stellen dat het geen huwelijk is. Wel een symbolische actie om de wetgever op zijn verantwoordelijkheid te wijzen. Er is nog een grote discriminatie tussen samenwonenden en gehuwden. Schepen Sörensen zal trouwens eerst een heterokoppel (Ingrid Van der Veken en een collega-journalist) registreren als officieel samenwonend. Er zijn meer hetero’s dan homo’s kandidaat.”
Getuige bij de plechtigheid was Hugo Claus en verder ondersteunden ook nog Monika Van Paemel, Jef Geeraerts, Geert Van Istendael, Herman De Coninck, Jan Decleir, Chris Lomme, An De Boeck, Michael Pas, Herman Schueremans, Eric Melaerts en Frans Redant de actie. Na de Antwerpse ceremonie zou er oorspronkelijk ook nog één in Gent volgen bij Frank Beke. Maar nadat Tobback hem ervan langs gaf op z’n typische manier, krabbelde deze terug.
In Antwerpen ondersteunde Agalev uiteraard het initiatief (René is hun politiek vrijgestelde, kortom de Luc Carnier van Antwerpen). Het Vlaams Blok was even uiteraard tegen, terwijl SP en CVP in principe akkoord gingen, maar zich stoorden aan het vlaggenvertoon. De VLD zag juridische bezwaren.
Op 11 februari 1996 richtte de Centrale voor Socialistisch Cultuurbeleid in de Rode Pomp een aperitiefdebat in over “samenlevingscontracten” met o.a. deelname van René Los, de partner van Tom Lanoye. Los schreef op 15 oktober van datzelfde jaar een lezersbrief naar “De Morgen” n.a.v. het boek “Onzuivere gedachten” van Dieter Lesage, waarin deze de verhouding tussen Vlaanderen en Wallonië als een SM-relatie omschreef. Lesage wou daarmee terecht opmerken dat het slaafje (Vlaanderen) op een subtiele manier eigenlijk macht heeft over de meester (Wallonië). René Los als politiek secretaris van Agalev-Antwerpen onderschreef deze zienswijze en werkte ze nog wat meer uit, maar meer dan de politieke inhoud van deze brief valt uiteraard de passage “Ik hou ook wel van SM-spelletjes, ze kunnen seksueel zeer prikkelend werken” op. SM doe je nu eenmaal (op z’n minst) met twee. Toch zijn de geheime SM-spelletjes van Tony’s ouders in de verfilming van “Alles moet weg” een toevoeging van regisseur Jan Verheyen…
TEN OORLOG
De bewondering die Tom Lanoye de Blauwe Maandag Compagnie toedraagt, leidde in 1994 tot een samenwerking met Luk Perceval die in 1997 uitmondde in een opvoering van de vier koningsdrama’s van Shakespeare, één keer zelfs alle vier op één dag, maar dan wel in een eigenzinnige bewerking onder de overkoepelende titel “Ten oorlog”. Het eerste deel kreeg de benaming “In de naam van de vader en de zoon” mee, omdat deze cyclus is toegespitst op vader-zoon-conflicten in een post-feodale maatschappij. In deel 2, “Zie de dienstmaagd des Heren”, wordt de strijd tussen de seksen ten tonele gevoerd en deel 3, “Verlos ons van het kwade”, gaat over het compleet immorele aan de hand van de figuur van Richard III.
T.L.: “Zelf ben ik een zeer groot bewonderaar van Willy Courteaux. Zijn vertaling is de meest accurate en bruikbare die men zich maar kan voorstellen. Maar op een podium niet wendbaar genoeg. Wij hebben een bewerking gemaakt, géén vertaling.” En bovendien: “Ik heb op z’n minst alles in vijfvoetige jamben geschreven, wat zijn goedkeuring zou moeten wegdragen.” (Steps, december ’97)
Frank Albers waagde het in “De Morgen” (of all places!) tegen de algemene trend van heiligverklaring van “Ten Oorlog” in te gaan (4/12/97). Zijn uitgangspunt is o.a. de reden van de bewerking, nl. dat volgens Luk Perceval “Richard III” niet begrijpelijk zou zijn zonder de zeven stukken die er (historisch chronologisch) aan voorafgaan. Hij trekt dit beginsel in twijfel omdat er reeds een paar eeuwen lang voorstellingen van dit stuk zijn geweest, die toch voor een groot gedeelte van het publiek blijkbaar verstaanbaar zijn geweest. Hij zou daar nog kunnen aan toegevoegd hebben dat het feit dat “Richard III” chronologisch niet het laatste koningsdrama is dat Shakespeare heeft geschreven, zodat alvast de bard zelf die zeven voorgaande niet nodig heeft gehad. Maar goed, daar gaat het allemaal niet om (en ook niet over het feit dat om het “doenbaar” te houden de voorstelling uiteindelijk toch in drie stukken van normale speelduur werd gehakt), maar wel om dit: “Als ‘helderheid’ je belangrijkste zorg is of was, dan valt niet te begrijpen waarom je aan de ene (historische) kant tientallen verwijzingen schrapt en er tegelijkertijd aan de andere kant minstens zoveel toevoegt. (…) Wat heb je aan dit soort pastiches en verwijzingen als je geen voorkennis hebt van soaps, popmuziek, Tarantino-films en andere iconen uit de hedendaagse populaire cultuur? De vraag is niet of zoiets kan. Natuurlijk kan het. De vraag is voor wie je dit soort theater dan maakt. Voor een publiek dat met dit referentiekader vertrouwd is. Voor anderen zijn deze verwijzingen net zo onduidelijk en misschien zelfs veel onduidelijker dan de historische en intertekstuele verwijzingen die in deze productie werden geschrapt. (…) Wat win je door Richard III te verhiphoppen? Wat voeg je toe door de koningsdrama’s uit hun historische bedding te tillen, elke sociaal-economische context te schrappen en het welluidende Engels dat er stond te vervangen door gangsta rap? (…) Kan het postmoderne fin de siècle in West-Europa nu werkelijk niets creatievers, dwingenders bedenken voor zijn klassieken dan ze door de Tarantino-mangel te halen? Kunnen wij het tragische alleen nog ironiseren, het gruwelijke banaliseren? Als kunst emoties niet langer verhevigt maar verdunt, waarvoor heb ik die kunst dan nog nodig? (…) Ik heb af en toe briljante koningssketches gezien, maar eigenlijk wilde ik een overrompelende, beklijvende theatervoorstelling.”
Albers analyseert dan al die lovende kritieken en komt tot de vaststelling dat ze het eigenlijk met hem eens zijn. Alleen de conclusie verschilt: ondanks opmerkingen als “verrassend weinig hoogtepunten” komt men toch tot de slotsom dat dit een historisch moment is geweest. Albers’ conclusie is dan ook genadeloos: “Wat in de meeste kritieken zichtbaar wordt is een discrepantie tussen observatie en oordeel. De observatie is genuanceerder dan het uiteindelijke oordeel. Die discrepantie verraadt de immense sociale druk die dit megagebeuren op mensen uitoefent. Men zàl dit loven. Al weet men niet precies waarom.”
Daarom vindt hij “Ten Oorlog” uiteindelijk tóch “een ophefmakende theatergebeurtenis (…) omdat in de receptie van dit stuk de esthetische maatstaven van de Pulp Fiction-generatie duidelijker dan ooit tevoren worden uitgedrukt. (…) Als cultuursociologisch verschijnsel zijn Ten Oorlog en de kritische ontvangst van het stuk – of liever, het ontbreken van een kritische ontvangst – een belangrijk evenement. Het is een statement van de generatie waar ik willens nillens toe behoor. Maar het hip-hop-hoerageroep bezorgt mij grote twijfel.”

Referentie
Ronny De Schepper, Tom Lanoye neemt afscheid van Gent, De Rode Vaan nr.52 van 1986

(*) ”Met Walschap heeft Lanoye gemeen dat hij een ambivalente volksverbondenheid heeft, een haat-liefdeverhouding met het eigen Vlaanderen dat hem in staat stelt haarscherp en uitermate herkenbaar de couleur locale van la Flandre profonde weer te geven en er tegelijk de universele dimensies van op te roepen.” (perstekst) Vergelijk met mijn interview met Hugo Claus: “De universaliteit moet je in je eigen straatje zoeken.”
(**) Het portret van Anton van Wilderode vindt men in “Kartonnen dozen” op p.98-101. Hoe vleiend ook, van Wilderode zelf was er niet over te spreken. Ongetwijfeld wegens de bijnaam “Mussolini” die Tom hem op basis van zijn uiterlijk (en, jawel, toch ook nog een aantal andere aspecten) heeft gegeven. Zo werd de heer Coupé in mijn tijd alleszins niet genoemd (bij mijn weten hàd hij geen bijnaam, zoals ook Jos Willems schrijft in “Advocaat van de liefde”, p.86, tenzij men het verkleinwoord “Coupeetje”, zoals de jonge Cyriel blijkbaar werd genoemd, als dusdanig meetelt), al is het onbegrijpelijk dat wij de fysieke overeenkomst nooit hadden gezien. Misschien was het een kwestie van verdringing, net zoals het ontbreken van een bijnaam ook een aanduiding is van de eerbied die wij voor hem hadden.
Omgekeerd antwoordt van Wilderode in Humo dan nog wel op de vaststelling “Tussen uw dichtwerk en dat van Tom Lanoye bespeuren wij alvast weinig continuïteit”: “Dat bewijst dan maar dat we ruimdenkender waren dan sommigen ons willen voorstellen: die mensen zijn toch een beetje onder mijn toezicht begonnen en ik heb hen toch gevolgd. En ik moet zeggen, ze hebben nooit kwaad over mij verteld.”
(***) Hiermee alludeer ik op het feit dat ik met mijn eerste liefdesverdriet zowaar bij hem mijn toevlucht zocht. Dat zal voor een buitenstaander wel verschrikkelijk “not done” lijken, maar het illustreert wel de – ik zou zeggen – Eugène Van Oye-sfeer die er rond zijn persoon hing. Maar, zoals gezegd, op seksueel vlak was E.H.Coupé veel minder meegaand dan op politiek vlak. Dat liefdesverdriet b.v. ging over mijn eerste liefje die door mijn ouders als “te min” voor mij werd beschouwd, zodat ik gedwongen werd haar op te geven. En dat vond Cyriel maar goed ook. Dat in tegenstelling tot die keer, enkele jaren later, dat ik hem kwam zeggen dat ik mijn geloof had verloren, maar dat ik me wel tot het maoïsme had “bekeerd”. Dat vond hij een goede zaak. Niet dat ik mijn geloof had verloren, maar dat ik er een ander had gevonden. “Je moet steeds iets hebben om in te geloven,” orakelde hij. Maar toen ik hem jaren later nog eens ontmoette in een Brussels café (de Mort Subite dan nog wel, maar wees gerust het was na een of ander literair evenement) en hem moest melden dat mijn huwelijk op de klippen was gelopen, dan viel deze boodschap alweer op een koude steen. Een merkwaardig man wat dat betreft.

Een gedachte over “Tom Lanoye wordt zestig…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.