Meryl Streep wordt zeventig…

Meryl Streep wordt zeventig…

De eerste keer dat ik Meryl Streep (New Jersey, 22/6/1949) aan het werk zag, was ik werkelijk ondersteboven van haar. Het betrof immers de film “Sophie’s choice” van Alan J.Pakula uit 1982 (naar het boek van William Styron). Enfin, dat is een beetje gelogen, want ik had ze ook reeds aan het werk gezien in “Julia” (Fred Zinneman, 1977) en in “The deer hunter” (Michael Cimino, 1978), maar daarin speelde ze slechts een bijrol zodat ik ze niet eens had opgemerkt. In de televisiereeks “Holocaust” had ze in diezelfde periode al een belangrijker rol, die bovendien haar rol in “Sophie’s choice” bij wijze van spreken al aankondigde, maar ook dan was haar naam mij niet bijgebleven.
Lees verder “Meryl Streep wordt zeventig…”

Shirley MacLaine wordt 85…

Shirley MacLaine wordt 85…

Je bent maar zo oud als je je voelt is een veel gehoorde “volkswijsheid”. Niets van! Ik kan je verzekeren als de meisjes die destijds je eerste erotische gevoelens deden oprijzen ondertussen 85 jaar worden, dan ben je écht oud. Shirley MacLaine is b.v. in dat geval. In 1965 zag ik haar in diverse prikkelende harempakjes in de komedie “John Goldfarb, please come home” van John Lee Thompson, een komedie geschreven door William Peter Blatty, de latere auteur van “The exorcist”, en ik ben er zeker van dat dit op mij zo’n indruk heeft nagelaten dat ik bij mijn reis naar Turkije bijna dertig jaar later zo goed als dagelijks naar een of andere buikdansshow ging kijken…
Lees verder “Shirley MacLaine wordt 85…”

Warren Beatty wordt tachtig…

Warren Beatty wordt tachtig…

“Ik mag de familie Beaty wel erg dankbaar zijn,” schreef ik ter gelegenheid van de zestigste verjaardag van Shirley MacLaine (eigenlijk Shirley Beaty, links op bovenstaande foto naast haar broer), “want was zijn zus één van de eerste meisjes/vrouwen om mij een erectie te bezorgen, dan was Warren Beatty (de tweede “t” heeft hij er zelf aan toegevoegd) degene die mij leerde dat voorspel belangrijk is. Het hoe en waarom van deze stelling ga ik echter hier niet uitleggen, daarvoor zal je moeten wachten tot Warren zelf ook tachtig wordt!” Wel, vandaag is dit het geval en daarom ben ik wel verplicht er een bijdrage aan te wijden…
Lees verder “Warren Beatty wordt tachtig…”

Jack Lemmon (1925-2001)

Jack Lemmon (1925-2001)

Het is vandaag al vijftien jaar geleden dat de Amerikaanse acteur Jack Lemmon is overleden.

John Uhler Lemmon III, zoals hij voluit heette, werd geboren in Massachusetts en studeerde in Harvard, waar hij voorzitter werd van de Hasty Pudding Club, de beroemde acteerclub van de universiteit. Na te hebben gewerkt bij de marine, ging hij acteren bij radio, de vroege televisie en op Broadway. Hij speelde op tv in drama’s en sitcoms, waaronder twee series met zijn toenmalige vrouw, Cynthia Stone.
In 1953 was hij zeer succesvol op Broadway met “Room Service”, waarna hij in Hollywood een contract mocht tekenen bij Columbia Pictures. Zijn eerste grote rol was in “It Should Happen to You”, tegenover Judy Holliday, in 1954. De daaropvolgende films waren allemaal komedies, behalve dan “Fire down below” van John Parrish uit 1957, al lijkt het in de eerste helft een toch enigszins oppervlakkige film te worden over “the fire down below in the pants of Rita Hayworth, Robert Mitchum and Jack Lemmon”, maar daarna neemt de film plotseling een tragische wending, vooral ten koste van Lemmon die in een hachelijke situatie komt te zitten. Als hij dan om te ontstressen een beetje mondharmonica speelt, krijgt hij daarvoor credits op de aftiteling!
Met Billy Wilder maakte hij in 1959 “Some Like It Hot”. Deze legendarische komedie begint tijdens de hoogdagen van de maffia in het Chicago van 1929. Twee muzikanten (Tony Curtis en Jack Lemmon) zijn toevallige getuigen van een schietpartij op Valentijnsdag, nadat ze al hun geld hebben verspeeld op de hondenraces door te wedden op Greased Lightning (later zal de wagen van John Travolta in “Grease” overigens een knipoog hiernaar zijn). Uit schrik te worden vermoord, nemen ze vermomd als vrouwen, een job aan in een meisjesband. Joe/Josephine en Jerry/Daphne reizen met de band naar het zonnige Florida. Terwijl Joe (Curtis) smoorverliefd wordt op de zangeres van het orkest Sugar Kane (Marilyn Monroe) en zich uitgeeft voor oliemagnaat in pure Cary Grant-stijl, is Jerry (Lemmon) zelf het doelwit van een verliefde miljonair. De zaken worden nog gecompliceerder als ook de maffia in hetzelfde hotel verschijnt. Wilder combineert dolle achtervolgingscènes uit de slapstick met spitse dialogen uit screwball‑ en gangsterfilms. De onderhuidse erotische tint en het spel met genderidentiteiten maken het tot een hilarisch komische prent. De film bevat onvergetelijke scènes zoals de tango met de bloem en de slotscène met de bekende oneliner: “Well, nobody’s perfect.”Voor zijn rol kreeg Lemmon een Oscarnominatie als beste acteur. Het jaar daarop kreeg hij weer een nominatie voor de hoofdrol in een andere klassieker van Wilder, “The Apartment”. Jack Lemmon said of his character: “As I saw it, [Baxter] was ambitious; a nice guy but gullible, easily intimidated, and fast to excuse his behaviour. In the end, he changes because he faces up to having rationalized his morals. He realizes he’s been a dumb kid, he’s been had.”
In 1962 wilde Lemmon zich ook bewijzen als serieus acteur, en speelde hij een alcoholist in “Days of Wine and Roses” van Blake Edwards. Ook voor deze rol kreeg hij een Oscarnominatie. Het jaar daarop speelde hij opnieuw in een film van Wilder, “Irma la Douce”. In deze film zat opnieuw Shirley MacLaine, die ook in “The Apartment” speelde. Het was één van de grootste commerciële successen voor het trio. In 1964 draait Lemmon de komedie “Good neighbour Sam” van David Swift met Romy Schneider. Toen Wilder hem in 1966 tegenover Walter Matthau zette in “The Fortune Cookie” bleek dat alweer een gouden zet. De twee zouden nog vaker samen in films verschijnen. Hun grootste succes was “The Odd Couple” uit 1968, naar een stuk van Neil Simon.
In 1972 revancheert Billy Wilder zich met “Avanti!” Merkwaardig genoeg schrijft Leo Mees nu in datzelfde Film & Televisie: “Maar het is in het happy end dat Wilder naar mijn gevoel het meest complex is. Hij gebruikt het namelijk als een orgelpunt in zijn aanval op de hypocrisie van de seksuele moraal (dat is ‘Avanti!’ zeker en vast) en als een soort persoonlijke wraakneming op het publiek dat acht jaar geleden ‘Kiss me, stupid’ als een schandaleuze film links liet liggen. Hij bouwt ‘Avanti!’ op een elegante manier naar een einde waarmee je als toeschouwer wat graag genoegen neemt, hetzelfde einde van ‘Kiss me, stupid’”
Dat einde is nochtans omstreden. Laten we even uitgaan van de samenvatting van de Braziliaan Claudio Carvalho op de Internet Movie Database: “The arrogant and rude Vice-President of the Armbruster Industries Wendell Armbruster, Jr. (Jack Lemmon) travels to Ischia, in Italy, to bring the body of his father Wendell Armbruster, Sr., who died in a suddenly and tragic accident while driving on a road, back to Baltimore. During his trip, the British woman Pamela Piggott (Juliet Mills) tries to start a conversation with him, but the impolite executive does not give a chance to her. In Ischia, the manager of Hotel Excelsior Carlo Carlucci (Clive Revill) welcomes Wendell telling that it is a place that heals everything; he helps him with the Italian bureaucracy and to get a sealed zinc casket in Amalfi to release the corpse from the morgue. When Wendell meets Pamela in the hotel, he discovers that his father and her mother had been lovers for ten years and they had met each other every year from July 15th to August 15th. Wendell offers to help Pamela, who is needy and has a weight problem, and they decide to follow the routine of his father and their mother, finding why the couple had had a so long love affair.”
Overspel als “happy end” dus. Quite un-American! Eveneens very un-American is de blote kont van Jack Lemmon en de blote borsten van Juliet Mills. Maar dat de vader van Lemmon een verhouding zou hebben gehad met een bell-boy i.p.v. met Juliet Mills’ moeder, dat ging dan weer te ver voor de producers. Ik zie trouwens ook niet in hoe er dan een dochter in het spel zou kunnen zijn, tenzij Lemmon op zijn beurt eveneens met een lokale janet aan de slag zou gaan, maar dat zou nog ondenkbaarder zijn natuurlijk!
Wat ik echter totaal van de pot gerukt vond, was het “overgewicht” van Juliet Mills. Ten eerste was dit meisje helemaal niet “dik”, zelfs al was ze moeten aankomen speciaal voor de rol. Op een bepaald moment noemt Jack Lemmon haar fat-ass, maar enkel in vergelijking met zijn eigen bony ass is ze een beetje dikker. Voor de rest is ze perfect geschapen: de kont van de stand-in voor Irene Demick in “Le clan des Siciliens” is nog voluptueuzer geschapen en zelfs die wordt er alleen maar aantrekkelijker door! Voor het scenario lijkt het me trouwens een totaal onnodigeissue.
In 1973 kreeg Lemmon eindelijk de Academy Award voor Beste Acteur voor een serieuze rol, alhoewel “Save the Tiger” geen groot succes was. In 1974 vormde hij nog eens een koppel met Walter Matthau in “The Front Page” (zie bovenstaande foto), alweer van Billy Wilder. Deze kritische film over het werk van een journalist was een remake van de film van Lewis Milestone uit 1931.
To prepare for his role as flight pilot in “Airport 77” (Jerry Jameson), Jack Lemmon attended diving school and flight training school. As he stated for his flight training, “I wanted to know what all the knobs and dials were for.” When Jack Lemmon activates the radio beacon, the radio operator who hears the beacon is his real-life son, Christopher. Jack Lemmon later said accepting the film had been a big mistake.
In 1979 kreeg Lemmon alweer een Oscarnominatie voor zijn rol in “The China Syndrome”.
Voor “Tribute” kreeg Lemmon een Tony Award. Deze rol zou hij in 1980 nog eens overdoen voor de filmbewerking van het stuk, en hij kreeg weer een Oscarnominatie, evenals voor “Missing” uit 1982 (*). In 1986 keerde hij terug naar Broadway, voor Eugene O’Neills “Long Day’s Journey Into Night”. In 1989 regisseerde scenarist Gary David Goldberg zelf “Dad” maar dat liep fout. Ook al portretteert ook hier Jack Lemmon goed de oude vader die wegens kanker nog slechts enkele maanden te leven heeft. Zijn zoon is echter Ted Danson en dan weet je het wel, zeker?
In de jaren negentig had Lemmon nog steeds succes met rollen in films als “J.F.K.” (1991) van Oliver Stone, “Glengarry Glen Ross” (1992) met Al Pacino en Alec Baldwin en “Short Cuts” (1993) van Robert Altman, die in 1992 ook “The Player” draaide, waarin Jack Lemmon – net als tal van anderen – zichzelf speelde. “Het was voor hen een politiek statement,” zei Altman, “en ze deden dit dan ook niet tegen hun normale gage. Het zou anders trouwens een onbetaalbare film geworden zijn.” In “Grumpy Old Men” uit 1993 werd Lemmon weer herenigd met Walter Matthau. De film was een groot succes, en er kwam zelfs een vervolg uit in 1995. Ook kwam er in 1998 ook een vervolg op “The Odd Couple” uit. In 1997 kreeg hij een Golden Globenominatie voor de televisiebewerking van “Twelve Angry Men” en was hij ook te zien in de “Hamlet”-bewerking van Kenneth Branagh.
Jack Lemmon stierf op 76-jarige leeftijd aan blaaskanker, één jaar nadat Walter Matthau was overleden. Beiden zijn op dezelfde begraafplaats begraven. Lemmon, in 1956 gescheiden van Cynthia Stone en sinds 1962 hertrouwd met Felicia Farr, liet twee kinderen achter.

Lees verder “Jack Lemmon (1925-2001)”

Bernice Rubens (1928-2004)

Bernice Rubens (1928-2004)

Het is vandaag tien jaar geleden dat de Welshe schrijfster Bernice Rubens is overleden. Alhoewel ze in 1970 de prestigieuze Booker Prize had gewonnen met “The Elected Member”, besprak ik destijds in De Rode Vaan haar boek “Huwelijk niet uitgesloten” toch onder de veelzeggende titel “Verveling niet uitgesloten”…

Het huis van Stan Evans en zijn zuster Amy staat in een klein dorpje aan de kust van Wales, een dorpje waar hoegenaamd niets te beleven valt. Stan is een mooie, dromerige, aan zijn rolstoel gekluisterde man. Amy, midden vijftig, is lelijk genoeg om zich een uitgestotene te voelen. Haar levensdoel is al sinds jaren de verzorging van de invalide Stan.
Op een dag wordt Amy zich haar uitzichtloze, kalm voortkabbelende bestaantje bewust en zoekt een uitweg. Al haar emotionele kracht verzamelend doet ze iets ongehoords : ze plaatst onder valse naam een contactadvertentie in een streekblad. Na de benauwende wachttijd komt er tot Amy’s ontsteltenis één enkele brief, ondertekend door… Stan Evans.
Dapper legt ze zich bij de feiten neer, haar wereld zal even klein blijven als hij was. Maar niet meer zo eentonig. Al vlug ontstaat er tussen Amy-onder-pseudoniem en Stan een emotionele en erotische briefwisseling. Alles gaat goed, tot Stan zijn correspondentievriendin wil ontmoeten…
Wie het boek in handen krijgt, zal merken dat wat voorafgaat de flaptekst is. Alweer een recensent die te lui was om het boek te lezen en er zich op die manier vanaf maakt ? Helaas niet. Indien ik vooraf geweten had dat ik daarmee kon volstaan, had ik mij niet doorheen de honderd vijftig pagina’s geworsteld, waarvan bovenstaande tekst de samenvatting is. Maar geef toe, in het merkwaardige genre dat “flapteksten schrijven” toch is, is het een erg geslaagd specimen. Het zet immers aan tot lezen.
Over het boek zelf ben ik minder tevreden. Om een goed boek te hebben zou de samenvatting hooguit vijftig pagina’s mogen overspannen. In werkelijkheid resten er amper veertig bladzijden waarvan de inhoud ons nog niet vooraf wordt meegegeven. In plaats van het (tamelijk originele) gegeven dus in kracht te laten winnen door het beknopt weer te geven wordt het ellenlang uitgesponnen met voor de hand liggende psychologische “verklaringen”. Eén ding staat immers vast : de schrijfster van dit boek is dringend aan een psychiater toe (ofwel is het boek juist op aandringen van een psychiater, tot stand gekomen; therapeutisch schrijven, weet je wel). Waarmee ik overigens niet bedoel dat Bernice Rubens met Amy Evans kan worden gelijkgesteld.
De oorspronkelijke titel van dit boek is “I sent a letter to my love” en het verscheen in 1975, de Nederlandse vertaling van Willem Witteveen dateert uit 1980. Rubens was twintig jaar daarvóór (in 1960 dus) gedebuteerd met “Set on edge” en haar tweede boek (uit 1962), “Madame Sousatzka” werd vele jaren later (in 1988) verfilmd door John Schlesinger met Shirley MacLaine in de titelrol. “I sent a letter” werd eveneens in 1980 in Frankrijk verfilmd door Moshe Mizrahi met Simone Signoret in de hoofdrol en Jean Rochefort als haar broer.

Lees verder “Bernice Rubens (1928-2004)”