Burt Blanca wordt 75…

Burt Blanca wordt 75…

Morgen wordt Burt Blanca 75 jaar. Bij zijn zeventigste verjaardag hoorde ik toevallig op de radio nog een opname van hem die ik nog niet kende. Ze klonk nogal eigentijds, dus ik vermoedde toen dat het een recente opname betrof. Good old Burt Blanca was toen dus blijkbaar nog altijd actief. Hoe zou dat nu op zijn 75ste verjaardag zijn? Het moet nu al zo’n veertig jaar geleden zijn dat één van mijn allereerste interviews met hem was…

De Brusselse rocker Burt Blanca voorstellen zal wel overbodig zijn voor de lezers van 30+ (*). Daarom was het voor mij eerst en vooral een verrassing vast te stellen dat Norbert Blancke (zoals z’n echte naam luidt) er nog erg jong uitzag (°6/8/1944) en er in het gesprek steeds de nadruk op legde dat hij aan het begin van een totaal nieuwe carrière stond. De gouden plaat die hij op 30 maart 1978 ontving, was dan ook eerder een bekroning voor wat voorafging dan een aanloop voor wat komen gaat. Een merkwaardig gesprek met een ouwe rat in het vak, die tegelijk als een ambitieuze tiener zijn eigen waar aan de man tracht te brengen. Maar ja, zoals de dichter zegt: een nieuwe lente, een nieuwe geluid…
Burt Blanca: Ik debuteerde nu zo’n vijftien jaar geleden in Brussel, waar ik ook geboren ben (en niet in Brugge, zoals in de persmap staat; zijn ouders waren wél Bruggelingen, RDS). Toen ik acht was, speelde ik reeds accordeon, maar de echte belangstelling kwam er pas toen ik op mijn vijftiende Elvis, Cliff e.d. ontdekte. Ik specialiseerde me dan op gitaar en ben hiervoor conservatorium gaan volgen (alweer volgens de persmap zou hij dat reeds van z’n zevende gedaan hebben en op z’n twaalfde reeds eerste prijzen behaald, ook in het buitenland, RDS).
– Hoe was de muzikale situatie toen in België?
Burt Blanca
: Het rockfenomeen werd vooral komisch benaderd. Men vond het eigenaardig dat wij op het podium zo te keer gingen. Een orkest dat moest toch stijf blijven staan, nietwaar?
– Je bent dan drie jaar later naar Frankrijk gegaan. Bij gebrek aan succes?
Burt Blanca
: Ik heb wel een hitje gehad met een Vlaamstalige rockplaat en optredens had (en heb) ik ook wel bij de vleet, maar de echte erkenning bleef toch uit. Het contract bij Pathé betekende voor mij echter de grote doorbraak. Ik heb toen een paar wereldsuccessen gehad zoals “Guitar Boogie Twist” en “Twist senorina twist”.
– Daarna ben je studiomuzikant geworden…
Burt Blanca
: Net helemaal: de optredens die bléven maar doorgaan. De platenverkoop liep evenwel een beetje terug. Dat was trouwens een globaal verschijnsel waarmee elke rocker te kampen had. Ik heb toen studiowerk geleverd voor Charles Aznavour, Caravelli, Adamo, Juliette Greco, ook Will Tura en noem maar op.
– Vind je bevrediging in dat soort werk?
Burt Blanca
: Het is een goeie job, maar uiteraard laat het weinig ruimte voor eigen creativiteit. Dat belet niet dat ik wel een zekere inbreng had op die platen: men herkent mijn gitaarstijl natuurlijk.
– Nadien moet er dan een minder voorspoedige periode gevolgd zijn, want ik vernam van Bert Verhoye dat, toen hij zo’n vijf jaar geleden, audities afnam voor een Elvis Presley-imitator (wat dus uiteindelijk Frankie March is geworden), dat jij daar ook tussen zat?
Burt Blanca
: Ja, dat is een duistere periode uit mijn loopbaan. Ik werd toen erg slecht “gemanaged”. Vandaar trouwens ook al die elpees op “low-budget” labels. Nu hoop ik eindelijk eens een goede elpee te maken met eigen composities.
– In welke taal?
Burt Blanca
: Engels en Frans. Later kan dat misschien ook wel in het Nederlands.
– Wat vind je van de jongere generatie Vlaamse rockers? Denk je dat je daar enige invloed op gehad hebt? Jouw oordeel over een Raymond van het Groenewoud b.v.?
Burt Blanca
: Wié zeg je? (**) Ik vind het over het algemeen goed dat de jeugd weer begint te rocken. Er is immers te veel slechte muziek.
– Disco?
Burt Blanca
: Disco is niet slecht als het maar originele nummers zijn. Maar bewerkingen van oude nummers, zoals Sheila doet b.v., dat hoeft voor mij niet. Punk zou ook goede muziek kunnen zijn, als de muzikanten konden spelen en de jongeren niet onnozel werden.
– Wat vind je van agressiviteit in de muziek? Kwam dit in jouw tijd ook voor?
Burt Blanca
: Zeker, ik heb nog de voorprogramma’s verzorgd van Jerry Lee Lewis, Chuck Berry, Bill Haley en in de Olympia van The Animals en The Kinks. Man, het Palais des Sports dat werd geregeld aan diggelen geslagen!
– Is je eigen muziek nu nog agressief?
Burt Blanca
: Ja, de muziek zélf, ja. Maar het is de bedoeling dat men erop zou dansen, niet dat men de boel stuk slaat. En ik ben ook tegen het lawaai! Het moet “hoorbaar” blijven.
LAY THE BLANCA ON THE GROUND
Voor zijn nieuwe single heeft Burt Blanca (na vier bijdragen wellicht wel bekend bij onze lezers) het procédé van zijn vorige omgekeerd : de cover komt nu op de B-kant en zijn eigen compositie wordt de A-kant. En dat is maar goed ook want “She used to wanna be a ballerina” van Buffy Sainte-Marie klinkt te zeer « tegen het plafond aan » (al bewijst Blanca nog eventjes welk een schitterende gitarist hij is). Toch zal voor « Make a sign » (de A-kant) ook geen succes weggelegd zijn omdat het nummer aarzelt tussen pure rock en discorock.

Lees verder “Burt Blanca wordt 75…”

55 jaar geleden: release van “You really got me”

55 jaar geleden: release van “You really got me”

Morgen za het 55 jaar geleden zijn dat “You really got me”, de derde single van The Kinks, werd uitgebracht. Het werd prompt een rock’n’roll-klassieker die de groep naar de top van de hitparade katapulteerde en volgens sommigen de basis vormde van het hard-rock genre dat vijf jaar later definitief zou doorbreken. Ik schreef destijds in De Rode Vaan een stuk over The Kinks, naar aanleiding van het concert in Vorst-Nationaal op maandag 1 december 1980, waar ik ook mijn tinnitus zou aan overhouden…

Alhoewel The Kinks reeds meer dan zestien jaar meedraaien in het popwereldje, toch zou men kunnen zeggen dat hun populariteit nooit zo groot is geweest. En wat ons daarbij in de gegeven omstandigheden vooral belangrijk lijkt, het is duidelijk dat dit te wijten is aan hun energieke live-act. Niet alleen hebben velen met hen kunnen kennismaken via diverse tournees, op televisie is tot driemaal toe (BRT, RTB, VOO) de — op de markt zijnde — videocassette gekoppeld aan de dubbele live-elpee « One for the road » te zien geweest.
Niet te verwonderen dus dat Ariola voor de tweede maal een uittreksel daarvan op single uitbrengt (het betreft een schitterende, zeven minuten durende versie van « Celluloid heroes »). Misschien is het ook omdat het eerste fragment, « Lola », concurrentie ondervindt van de heruitgave van de originele studio-opname bij de firma die The Kinks oorspronkelijk onder contract had (Pye, hier in België verdeeld door Vogue). Deze firma brengt trouwens de eerste zeven Kinks-elpees tegen een low budget-prijsje opnieuw op de markt.
Live willen The Kinks — vooral onder impuls van gitarist Dave Davies — nogal eens tegen hard-rock gaan aanleunen, zodat de cirkel helemààl rond is. In 1964 begon het immers ook met wat men toen noemde « harde beat » (en in Amerika sprak men toen al van « punk »: « You really got me », « All day and all of the night », « Till the end of the day », uitstekende nummers vinden wij nu, maar omdat wij in ’64 nog maar amper een lange broek droegen, ging dit geweld een beetje aan ons voorbij.
De ontdekking kwam voor ons met het zielsmooie, luie « Tired of waiting », gevolgd door andere lazy krakers als « See my friends » ,« Sunny afternoon » en « Dead end street ». Hoe relaxed songschrijver Ray Davies in die tijd wel was, blijkt nog meer uit het fameuze « This strange effect » van sigarettenrechtzetter Dave Berry.
Tegelijk luidde « Dead end street » een andere periode in, die definitief zou blijken te zijn : Ray Davies wierp zich op de sociale werkelijkheid en onderwierp ze aan een zeer kritische blik. Dit was eigenaardig genoeg een gevolg van het feit dat ze geen deel uit mochten maken van de zogenaamde British Invasion in de States. Na een mislukte tournee in 1965, waren The Kinks niet meer welkom en al blijft het onduidelijk waarom dat zo was, het gevolg was wel dat Ray Davies zich begon af te keren van nogal onpersoonlijke, maar wel wereldwijd aanvaarde “hard rock”, om zich volledig op de Britse markt te concentreren.
Oorspronkelijk blijft hij steken bij een strikt individuele kritiek zoals in « A well respected man », « Dandy » en het grandioze « Dedicated follower of fashion », later legt hij zich meer toe op maatschappijkritiek (zijn rock-opera’s).
Omdat het tijdperk (hippies) nu juist zeer individualistisch getint was, gingen The Kinks meteen een harde periode tegemoet. « Mr. Pleasant », « Waterloo sunset » en « Autumn almanac », stuk voor stuk schitterende werkstukken haalden zeer ten onrechte reeds niet meer het succes van hun voorgangers en « Tin soldier man » ging (deze keer min of meer terecht) compleet de mist in.
Het was zo erg dat Dave Davies toen als pionnetje naar voren werd geschoven (de keerzijde van « Tin soldier man » was trouwens « Love me till the sun shines » van zijn hand), maar na één terechte (« Death of a clown ») en één halve hit (« Susannah’s still alive ») was het ook hiermee afgelopen.
Midden in de periode van de rock-opera’s kenden The Kinks nog één heropflakkering. In 1971 brachten wij onze vakantie door bij een paar Arsenal-spelers op Muswell Hill (waaronder de Noord-Ierse internationaal Sammy Nelson) en bij deze gelegenheid brengen The Kinks in het najaar de « Muswell Hillbillies » uit, een humanitaire maar ietwat meelijwekkende visie op de « working class heroes » van de Londense suburbs.
In ’75 ontdekken wij hen dan opnieuw via een (aangevochten) versie van « Preservation » in Arena-Gent en een televisieuitzending van « Soap Opera ». Nu wordt daar nogal denigrerend over gedaan, maar toch schreef de grootste Kinks-fan onder de journalisten (in een vergelijking met « Sgt. Pepper ») dat Ray Davies een betere tekstschrijver-componist was dan Lennon-McCartney. En gelijk had-ie.
In ’78 dan kwamen The Kinks goed terug met de ook door ons besproken elpee « Misfits » voor een nieuwe platenfirma (Arista). Daar zijn ze nu nog steeds bij, ook al verhuisde deze firma in België van EMI naar Ariola. Voor het eerst sinds jaren eens geen conceptelpee, maar wel weer echte rechtvoorderaapse rock. Zoals men ze heden ten dage niet meer bakt.

Lees verder “55 jaar geleden: release van “You really got me””

Mick Avory wordt 75…

Mick Avory wordt 75…

Vandaag viert Mick Avory, de oorspronkelijke drummer van The Kinks, zijn 75ste verjaardag. Op de foto staat hij helemaal links naast de ondertussen overleden bassist Pete Quaife en de broertjes Dave en Ray Davies.

Voor Avory bij de Kinks drumde, speelde hij ook wel eens mee met een groep muzikanten in de Bricklayers Arms pub in Londen, die later tot de Rolling Stones zouden evolueren. Hij drumde dus mee bij het eerste concert van The Stones op 12 juli 1962 in de Marquee Club te Londen en niet Tony Chapman, zoals de geschiedenis het vreemd genoeg wil (pag.104, biografie Life by Keith Richards).
Avory was actief bij The Kinks van 1964 tot 1984, toen hij creatief botste met gitarist Dave Davies, beiden heren hebben zelfs diverse keren met elkaar gevochten. Met Ray Davies kon hij het veel beter vinden, Ray roemde Mick jaren later als iemand die heel erg duidelijk de sound van The Kinks heeft bepaald. Zijn manier van drummen was net als die van Charlie Watts sterk beïnvloed door jazz-drummers als Art Blakey, Max Roach, Joe Morello en Shelly Manne. (Wikipedia)

Dave Davies wordt zeventig…

Dave Davies wordt zeventig…

Dave Davies van The Kinks heeft voor altijd zijn plaatsje in de (rock)geschiedenis veroverd dankzij zijn “power riff” op “You really got me“, de derde single van de groep, die meteen ook voor de doorbraak zorgde. Lange tijd heeft het verhaal de ronde gedaan dat het eigenlijk studiogitarist Jimmy Page was, die de riff inspeelde, maar dat blijkt uiteindelijk toch een stadslegende te zijn geweest. Ik heb één keer contact gehad met Dave Davies en dat was n.a.v. een optreden van The Kinks in Vorst-Nationaal op 1 december 1980. Ik stond toen op de eerste rij, vlak bij een box, waaruit het geluid donderde als een F16 (ik zou er tinnitus aan overhouden). En hoe merkwaardig het ook mag lijken, maar juist daardoor maakte ik een lusteloze indruk. Dat lawaai had namelijk het effect van een hamer waarmee je op het hoofd werd gemept. Ik heb dat ooit nog eens meegemaakt bij een optreden van Jaco Pastorius en toen werd een hele rij letterlijk k.o. geklopt. Maar goed, Dave Davies die vlak voor me op het podium stond, stoorde zich daar blijkbaar aan en gaf aan iemand van de security de opdracht mij tot wat meer enthousiasme aan te sporen of anders… Ja, of anders wat? Dat ben ik nooit te weten gekomen. Het was ook naar aanleiding van dat optreden dat ik vooraf het volgende artikel had geschreven voor De Rode Vaan…
Lees verder “Dave Davies wordt zeventig…”