Karel Van Wijnendaele (1882-1961)

Karel Van Wijnendaele (1882-1961)

Het is vandaag al 55 jaar geleden dat Karel Van Wijnendaele, pseudoniem van Carolus Ludovicius Steyaert, is overleden. Hij was een pionier van de Vlaamse sportjournalistiek. Als vijfde in een gezin van vijftien kinderen, ging hij vanaf zijn veertiende levensjaar werken. In 1912 werd hij aangeworven door Léon van den Haute bij de (nog nieuwe) sportkrant SportWereld. Die organiseerde het jaar daarop ter promotie van de krant voor de eerste maal de Ronde van Vlaanderen.

Van Wijnendaele werd in 1925 mede-eigenaar en in 1931 eigenaar van het blad en de bijbehorende Ronde, tot het in 1939 samen met de Ronde overgenomen werd door Het Nieuwsblad. Ik moet dan ook vaak aan hem denken bij de anti-Vlaamse koers die dit blad de laatste jaren is gaan varen onder de leiding van de van De Morgen afkomstige Liesbeth Van Impe. Maar ik moet ook aan hem denken, als ik onze wielrenners interviews hoor weggeven, waarbij ze qua taalgebruik niet hoeven onder te doen voor de vragenstellers (de innemende Kevin Pauwels is een iconische uitzondering). Van Hendrik Conscience wordt dan immers wel gezegd dat hij zijn volk heeft leren lezen, maar geef toe, dat was toch alleen maar de betere burgerij. De volkse Vlaming heeft leren lezen dankzij de artikels van Karel “Koarle” Van Wijnendaele op de sportbladzijden.
Hij werd hiervoor ook geprezen door niemand minder dan Hugo Claus, zoals die bekent tegenover Jeroen Wielaert in diens boek “Het Vlaanderen van de Ronde” (Arbeiderspers, 2013, p.52): “Ik woonde in dat land van die oerorganisator van de Ronde van Vlaanderen, Karel van Wijnendaele, van wie ik het proza zeer kan waarderen. Tenminste, het was journalistiek waar je om kan lachen, een breedvoerigheid die hij aan zijn zoon Willem heeft doorgegeven. Het grenst aan poëzie. Die flamboyante zinnen, die romantische uitlatingen. Dat vervult een auteur natuurlijk met grote vreugde: dat niet bang zijn voor enige hyperbolen, voor adjectieven achter elkaar. Die overdrijving in de sportjournalistiek is juist leuk. Alsof iemand die over al die heuvels en bergen zit te sjouwen niet overdreven is. Dat is toch ook niet normaal. Daarom vind ik dat je dat moet benaderen met hetzelfde soort heroïek en lyrisme als die journalisten doen. Ik vind het wielrennen iets geweldigs en absurds tegelijk, ik heb er groot ontzag voor. Ik heb ontzag voor die immense wilskracht waarmee het lichaam dienstig gemaakt wordt aan een bepaald doel. De motieven daaromheen hebben geen enkel belang, het gebeurt toch maar.”
Aangezien Koarle de wielersport met de Vlaamse ontvoogding verbond en hij zo de mythe voedde van de flandrien, de eenvoudige volksjongen die door middel van taaie wilskracht een kampioen kon worden, heb ik mijn artikel over de Flandriens geselecteerd om hem te eren.
De « stars and stripes » broederlijk naast de « hamer en sikkel ». Het erepodium van het prof-wereldkampioenschap 1989 mag dan nog een symbool zijn voor perestrojka, glasnost en vreedzame coëxistentie, het is tevens de vleesgeworden nachtmerrie van de Belgische wielerliefhebber: door de mondialisering (of is het « Lemondialisering »?) van de wielersport worden wij met onze neus op de werkelijkheid gedrukt. Voor een landje met slechts tien miljoen inwoners hebben wij in het wielrennen al die tijd « boven onze stand » geleefd.
EIGENLIJK mag het zelfs een wonder heten dat we gedurende bijna een volle eeuw kwalitatief en kwantitatief zoveel talentrijke wielrenners hebben voortgebracht. Al leverden Brussel (met Merckx), de Kempen (met de twee Rikken) en zelfs Wallonië (met Criquielion) hiertoe zeker een bijdrage, toch spreekt het legendarische ras van de Flandriens het meest tot de verbeelding. Een ras dat nu wel met uitsterven bedreigd lijkt…
« Van buiten-uit bekeken, had hij wat van het tengere in de gestalte van René Pottier en Petit Breton. Van deze laatste het kleur van ’t vel en de diepte der donkere oogen. Misschien dat er wel Spaansch bloed te vinden is bij zijn voorouders. Hij heeft er in elk geval het uitzicht van. »
U heeft de stijl (inclusief de taalfouten) reeds herkend: aan het woord is Karel Van Wijnendaele. Hij beschrijft de winnaar van de Ronde van België 1910, Jules Masselis, « een levend beeld van Vlaamsche keikoppigheid ».
Moderniseer echter de spelling en de rennersnamen die als vergelijking dienen en het zou net zo goed Ivan Heylen kunnen zijn die het over Eddy Planckaert heeft. Op blz. 24 laat eerstgenoemde deze immers over zijn grootvader vertellen : « Peetje was de verstoteling van de familie Planckaert. Zijn vrouw en zijn dochters waren hautain, vol burgerlijke franjes en met dure kleren aan. Er werd zelfs gefluisterd dat zijn vrouw een avontuurtje had met een rijke Spanjaard. Het resultaat daarvan zou mijn vader zijn geweest. Pure roddel ! Lijken Willy, Walter en ik Spaans ? Ja ? Het is nooit bewezen. »
Het hoeft ook niet bewezen te worden, want « la petite histoire » interesseert ons niet. Wél is het een feit dat wij hier in Vlaanderen aan de Spaanse bezetting nog wat anders hebben overgehouden dan de pot van Olen… Die koppigheid, het resultaat van een mengeling van gedwongen onderdanigheid aan kasteelheren en fabriekseigenaren die niet eens de taal van hun volk spraken, en van af en toe opflakkerende zuiderse agressie, zal menige Vlaamse boerenzoon of fabrieksarbeider ertoe aanzetten om met de pedalen die oude rekening te vereffenen. Al hebben wij natuurlijk ook iets van de nuchtere Hollander, waarbij geldelijk gewin onmiddellijk op de tweede plaats komt…
Karel Van Wijnendaele over André J.Henry: « De weelde der overwinning die hij geen meester kon, en de last van den roem die hem te zwaar woog, zoo dat hij verzeilde in een midden waar een tuchtloos en liederlijk leven hem heelemaal ontredderde…»
Die dualiteit kan Karel Van Wijnendaele razend maken. Wanneer hij ziet hoe een brave jongen van te lande zijn talenten vergooit aan gemakkelijk geldgewin, haalt hij zijn gezwollen proza boven. Koersen om uw eigen en liefst ook nog uw vaderken en moederken en de hele kroostrijke familie sociaal te verbeteren, ja daar kan hij lyrische pagina’s aan wijden. Maar bij een lot zoals dat van André J.Henry die in 1893 nog Parijs-Brussel gewonnen had, kan hij zelfs niet meer tempeesten, dan kan hij alleen nog meewarig het hoofd schudden en berusten in de gerechtigheid Gods : « Maar weinigen wellicht, die ’t nog weten, dat André op zulk eene triestige wijze om ’t leven kwam. De weelde der overwinning die hij geen meester kon; en de last van den roem die hem te zwaar woog, zoo dat hij verzeilde in een midden waar een tuchtloos en liederlijk leven hem heelemaal ontredderde, zoo naar het lichaam als naar de ziel; en na poging tot zelfmoord te hebben gepleegd, stierf hij in een huis voor krankzinnigen ! »
Nog een geluk dat André eigenlijk geen Flandrien was. Zijn prestaties dateren dan ook uit de tijd dat een fiets bezitten nog een privilege was, vaak slechts weggelegd voor personen die zo al niet van adel waren dan toch uit een vermogend milieu kwamen. Karel Van Wijnendaele : « Buiten Edmond Jacquelin, de meest populaire van alle sprinters uit die tijden — misschien wel omdat hij uit den volke was — stamden bijna alle renners uit een zekere begoede stand. Bourillon was de zoon van een garagist, en eindigde zijn levensloop als operazanger. De ouders van Marcel Cadolle bewoonden een kasteel. Harry Meyers was de zoon van een brouwer en Zimmermann evenals Banker en Johnson, waren echte Amerikaanse gentlemen ! »
Geen wonder dus dat, gezien de specifieke Belgische toestand, onze renners van rond de eeuwwisseling Franstaligen waren (Van den Born, Protin, Grogna… ). De eerste Vlaamse renners werden trouwens vaak « gesponsord » door Franstalige barons of industriëlen. De volksverteller Abraham Hans schetst een dergelijke carrière in ‘Door berg en dal’ (de dubbele bodem in de titel liegt er niet om) en ook Rode Vaan-medewerker Herman Laitem beschrijft in zijn boek ‘Een vergeten Belg: Odiel De Fraeye’ (Roularta, 1988, 350 fr) hoe borstelfabrikant Jules Vandekerckhove deze renner onder zijn hoede nam. Uiteraard deden de hoge heren dit niet omwille van de mooie ogen van de heren renners. Zo het hen echter al niet wat meer populariteit bezorgde bij het morrend volk, dan was de wielersport alvast toch een handige uitlaatklep wanneer de sociale ketel onder te veel druk kwam te staan…
Odiel De Fraeye, de eerste Belgische winnaar van de Ronde van Frankrijk (in 1912, « het jaar waarin de Titanic zonk, L.P.Boon werd geboren, en België voor het eerst leek te bestaan » zoals Laitem schrijft), was ook de onvrijwillige oorzaak van de enige ruzie tussen Karel Van Wijnendaele en de man bij wiens overwinning in Parijs-Roubaix 1908 « De Vlaamse Leeuw » als een strijdlied over de velden schalde : Cyriel Van Hauwaert.
In een wedstrijd georganiseerd door Van Wijnendaele (die van alle markten thuis was) liet Van Hauwaert zich immers door De Fraeye kloppen. Op zich zou dit nog niet erg geweest zijn, De Fraeye was toen immers reeds één van de betere renners, maar Van Hauwaert had te weinig weerstand geboden en zich laten dubbelen zonder verweer. De journalist Van Wijnendaele veegde hem daarna hierover de mantel uit in de pers en dat nam Van Hauwaert niet. De vete werd slechts drie jaar later bijgelegd tijdens een wedstrijd over 100 km op de « velodroom » van Gentbrugge, die gewonnen werd door Van Hauwaert voor… Karel Van Wijnendaele, die zijn heroptreden maakte als wielrenner. Enkele jaren daarvoor was hij gestopt met een carrière als bescheiden renner, maar zonder dat Van Hauwaert het wist had hij zich die dag ingeschreven maar dan onder de schuilnaam Mac Bolle.
Ook nu zou de wielerloopbaan van Van Wijnendaele weer van korte duur zijn, maar de naam Mac Bolle bleef hij behouden o.a. voor zijn functie als ploegleider. Op die manier kan je het dan ook meemaken dat Van Wijnendaele in ‘Het Rijke Vlaamsche Wielerleven’ (waaruit al deze citaten komen) over zichzelf als Mac Bolle schrijft als gold het iemand anders… ! En zo citeren we uit het hoofdstuk ‘Vlaanderen, het brandpunt der Wielerbeweging’: « Later kregen we Henri van Lerberghe en Jules Van Hevel met Cesar De Baets en Aloïs Persijn, Depauw en Pier Van de Velde, waaruit de beruchte groep der Flandriens zou gemaakt worden door Mac Bolle… »
« Met de vonken der overwinning werden vlammen van begeestering geslagen onder de sportmassa, vooral in den Vlaamsche lande…»
Alhoewel het wellicht net zo moeilijk na te trekken is als de bewering dat de Amerikaanse disc-jockey Arthur Freed de uitvinder is van het woord « rock’n’roll », toch mogen we aannemen dat de term « Flandrien » althans in zijn specifieke betekenis gewrocht is door Karel Van Wijnendaele. En dan gaan we daarvoor terug naar de « Vlaamse Leeuw » die spontaan weerklonk als Cyriel Van Hauwaert de beste Franse renners (voor wie hij — zoals alle latere Flandriens — oorspronkelijk als knecht, als « domestique », was aangetrokken) versloeg op de piste van Roubaix: « Met de vonken der overwinning werden vlammen van begeestering geslagen onder de sportmassa, vooral in den Vlaamsche lande, die van af dat oogenblik tot aan den wereldoorlog, de vlagge der belangstelling ging halen uit de handen der Walen, om ze in Vlaanderen te planten. »
En Van Wijnendaele gaat dan verder, op een toon die in 1943 bij de publicatie van het boek toch een paar bedenkingen oproept: « Maar mitsgaders deze belijdenis, moet men ons toelaten van te zeggen dat hij (Van Hauwaert, RDS) bij middel van de sport, algelijk zijn Volk heeft gediend en de ontwikkeling van dat Volk heeft bevorderd. Want de glans der groote overwinningen, die hij in ’t buitenland, en in die moeilijke omstandigheden ging behalen, kaatste uiteindelijk toch terug op dat Volk, waaruit hij was gegroeid en geworden. Men leerde voornamelijk dat er aan het Noordzeestrand een ras woonde, dat algelijk nog gezond was en sterk : misschien niet sterk naar de ziel omdat honderd jaren verbastering hun werk van vernieling en ontzieling hadden verricht, maar sterk naar het lichaam en naar den wil om iets te worden en te zijn! »
« De weelde, de luxe : het zijn slechte leermeesters voor een keiharde sport als het wielrennen. »
Moeten we nu in een zelfde elan besluiten dat ons ras verbasterd en gedegenereerd is, nu we nog amper aan de bak komen in het internationale wielrennen? Er zijn er zeker te vinden die alweer in dergelijke termen zullen spreken ! En zonder nu die « bloed en bodem »-terminologie bij te treden moeten we ongetwijfeld vaststellen dat door de verbeterde sociale omstandigheden zowel in de maatschappij in het algemeen als in de wielrennerij in het bijzonder, de verbetenheid om er te komen wel wat weggeëbd is bij onze jeugd. En, toegegeven, de roep om een hardere aanpak lonkt dan om het hoekje. Maar laten we wel wezen, enige realiteitszin is ook hier op z’n plaats. Een aantal van de kenmerken van de Flandriens vinden we nu b.v. terug bij de Colombianen die ook het wielrennen als enige uitweg hebben om te ontsnappen aan een leven gedicteerd door drugs- of andere baronnen.
Maar Peter Post ziet de mondialisering van de profwielrennerij vooral in Oost-Europese richting. Zopas trok hij de Sovjetrussische amateur Vjatsjeslav Ekimov, werelduurrecordhouder en meervoudig wereldkampioen achtervolging, aan. Maar daar zal het niet bij blijven, want hij heeft er een onuitputtelijke voorraadschuur aan wielertalent ontdekt. « Dat soort renners kun je bij ons niet meer vinden. Vooral omdat de juiste mentaliteit er niet meer is. De weelde, de luxe : het zijn slechte leermeesters voor een keiharde sport als het wielrennen, » aldus Post (het Nieuwsblad, 15 december 1989). Komt de nieuwe golf Flandriens inderdaad uit Oost-Europa? Het zou er voor Gorbatsjov heel wat rooskleuriger uitzien, indien hij het adagio van de Pruisische militair von Clausewitz vrij zou mogen toepassen op deze sport, en besluiten: « de wielrennerij is de voortzetting van de politiek met andere middelen. »

Lees verder “Karel Van Wijnendaele (1882-1961)”

Jos Vandeloo (1925-2015)

86 jos vandelooSchrijver Jos Vandeloo is vanochtend overleden. Hij werd 90 jaar. De verhalen ‘De Muur’ en de romans ‘Het Gevaar’ en ‘De Vijand’, die respectievelijk in 1958, 1960 en 1962 werden gepubliceerd, bezorgden Vandeloo een literaire doorbraak. Alhoewel het geen verplichte lectuur was bij Anton van Wilderode, heb ik deze werkjes toch gelezen in die tijd, omdat zowat élke middelbare scholier die toen las. Helaas heb ik daar in die tijd geen nota’s over neergeschreven (ik herinner mij er ook bitter weinig van, dan nog eerder een kortverhaal uit Humo dat “Sneeuw” heette en één in Snoecks dat de titel “De Muggen” meekreeg, maar ik kan me vergissen), zodat het enige wat ik over Jos Vandeloo kan terugvinden op mijn blog een stukje is in het kader van Vlaamse romans over wielrennen…
Lees verder “Jos Vandeloo (1925-2015)”

Lucien Buysse (1892-1980)

98 Lucien_Buysse_Paris-Roubaix_1919

Vandaag is het al 35 jaar geleden dat Lucien Buysse (eigenlijk: Buyze) is overleden. Hij werd “de kleinen Buysse” genoemd, maar hij smeet er niet met zijn klak naar en was ongetwijfeld de succesvolste renner uit het geslacht Buysse, dat maar liefst elf renners voortbracht.

Vader Ivo Buysse en moeder Sidonie De Busscheré hadden zeven kinderen. Het waren de broers Marcel, Lucien, Cyriel en Juul en de zusters Martha, Maria en Rachel. Vader was landbouwer en vlashandelaar. Daar Marcel en Lucien de eersten waren die hielpen bij vader op het land kregen ze vlug de roepnaam van Den Groten (Marcel) en Den Kleinen (Lucien).
Hoewel de oorspronkelijke naam Buyze was, verbasterde die naam in de loop der jaren tot Buysse. Aan de basis van die naamsverandering lagen onder andere de geschreven pers die hardnekkig de naam Buysse in plaats van Buyze bleef blokletteren en anderzijds ook de broers zelf die later de verkeerde naam als ,artiestennaam’ aannamen.
Lucien Buysse was het prototype van een Flandrien, die wilskracht koppelde aan enorm veel moed en doorzettingsvermogen. Lucien was de zestien al gepasseerd toen hij voor het eerst op een gewone fiets reed. Met tien overwinningen debuteerde Buysse in 1910 bij de nieuwelingen. Meestal reed hij in Wallonië, omdat de prijzen er in baar geld werden uitbetaald.
In 1914 werd hij beroepsrenner maar de Eerste Wereldoorlog gooide roet in het eten. Na de oorlog reed hij samen met zijn broer Marcel voor het befaamde Italiaanse wielermerk Bianchi. Buysse reed in 1914 al zijn eerste Tour maar hij bereikte de finish niet. Na de Eerste Wereldoorlog kwam hij in 1919 weer terug in de Tour, maar stapte wederom onderweg af. In 1923 reed hij de Ronde van Frankrijk wel uit en eindigde op een achtste plaats.
In de edities van 1924 en 1925 reed hij in de Franse ploeg Automoto voor kopman Ottavio Bottecchia. Hij werd derde in 1924 en, na een heftige discussie met Bottecchia, tweede in 1925 achter de Italiaan. Die Tour van 1925 kreeg Bottecchia inderdaad niet cadeau. Hij kreeg een dreun van jewelste in de Pyreneeënrit en verloor zijn leiderstrui aan de Waal Adelin Benoit. Tijdens de rustdag in Luchon begon Wontergemnaar Lucien Buysse onderhandelingen met baas Montet van constructeur Automoto. Karel Van Wijnendaele was daarbij present, als tolk voor Buysse. Zijn relaas vinden we terug in zijn boek: “Mensen en Dingen uit de Ronde van Frankrijk”: “Montet was kort en gebeten in zijn bewoordingen. Ik weet niet hoeveel het zal kosten, maar morgen in Luchon-Perpignan moet Benoit van zijn troon gehaald. ‘Zeg hun,’ zei Buysse, ‘dat ik ervoor insta dat Bottecchia morgen aan de leiding staat en dat hij de Ronde wint, mitsgaders men mijn geldelijke voorwaarden aanvaardt.’ ‘En die zijn?,’ vroeg Montet. ‘Tienduizend frank van Bottecchia, tienduizend van Automoto en verder mijn part in al wat Bottecchia zal winnen aan premiën tijdens de Ronde.’
Om kort te gaan: ‘s anderendaags reed Benoit lek aan de voet van de Puymaurens, 28 km klimmen. Buysse ontbond meteen zijn duivels. Benoit kreeg 40′ aan het been en Bottecchia won die Ronde. Maar Buysse hield dus alles samen meer dan 30.000 frank over aan die campagne. Een hele som, als men weet dat een arbeider toen zowat drie frank per uur verdiende.”

Bovendien won Buysse een jaar later de langste Tour uit de geschiedenis. De renners hebben er 5.745 kilometer opzitten als ze Parijs bereiken, een slordige 2.000 meer dan in de hedendaagse edities. De Belgen domineerden die Tour als nooit tevoren. Ze wonnen twaalf van de zeventien ritten en hadden vijf coureurs in de top zeven. De Fransen wonnen geen enkele rit. Lucien Buysse – zijn broers Jules en Marcel waren ook in koers – nam in de tiende etappe de leiding door tijdens een geweldige sneeuwstorm op de Col d’Aspin in de Pyreneeën de aanval te kiezen, waardoor hij bijna een uur voor kwam te liggen op zijn kopman Bottecchia. Bottecchia stapte af en Buysse arriveerde in Parijs als winnaar. (*)
Lucien Buysse won in zijn loopbaan in totaal vijf Touretappes: een in 1923, twee in 1925 en twee in 1926. Zijn overige uitslagen: 1e in de Ronde van België (1913), 1e in Brussel-Luik (1914), 1e in de 5e etappe van de Ronde van België (1921), 1e in Lier (1922), 1e in de Zesdaagse van Vlaanderen-Gent 1923 (met Viktor Standaert), 1e in de stadsprijs van Geraardsbergen (1927), 2e in Luik-Bastenaken-Luik 1920 (na Léon Scieur), 3e in Parijs-Roubaix (1920) en 4e in de Ronde van Italië (1921).

(*) Volgens Chris Sidwells in “The Official Tour de France Records” (2012) had Buysse al na de derde rit te horen gekregen dat zijn dochter door ziekte was gestorven. Uiteraard wilde de renner stoppen en naar huis terugkeren, maar zijn familie zou hem overtuigd hebben te blijven doorrijden. Jeroen Wielaert schrijft dan weer in “Het Vlaanderen van de Ronde” (2013) dat Adrienne vooraf aan hersenvliesontsteking is overleden (p.194). Hij baseert zich waarschijnlijk op het boek “Koarle!” (2006) van Rik Vanwalleghem, waarin deze schrijft dat ze op 26 januari is overleden. Dat is uiteraard vóór de Tour, lang voor de Tour zelfs!

Lees verder “Lucien Buysse (1892-1980)”