25 jaar geleden: November Music

25 jaar geleden: November Music

Het November Music Festival is eigenlijk een Nederlands initiatief dat zijn oorsprong vindt in ’s Hertogenbosch in 1992, maar in 1993 week men reeds uit naar Gent om in samenwerking met Vlaamse culturele centra en concertorganisatoren een soort internationaal circuit voor uitvoerders van hedendaagse muziek poogt op te zetten. Deze kampen immers vaak met het probleem dat zij een programma instuderen dat zij amper één keer kunnen brengen. In 1994 werd het festival daarom nog uitgebreid met Maastricht, Middelburg, Tilburg en Antwerpen.

Het thema was dat jaar tweeledig. In “heroverwegingen” werden acht componisten uitgenodigd om een bestaande compositie in een nieuw daglicht te plaatsen. Luc Van Hove koos iets van Chopin, Gijsbrecht Royer de Grosse Fuge van Bach en Joop Voren een strijkkwartet van Verdi en verder is natuurlijk ook Boudewijn Buckinx van de partij want dit is toch een typisch postmodernistische opvatting (citaten!). Een tweede thema is “muzikale vrijheden”, waarbij de nadruk op de improvisatie ligt, niet noodzakelijk uitsluitend in het heden (Palestrina!) en in de westerse cultuur (Chinese traditionele muziek).
Eén maal per jaar staat de hedendaagse muziek dus in het zonnetje. Een waterig zonnetje weliswaar, want deze periode valt in november, de maand die voor mens en natuur in het teken staat van de dood. Misschien zien de organisatoren van November Music hierin wel het symbool van de feniks die uit zijn as herrijst ?Aan de organisatoren zal het alvast niet gelegen zijn, want zij doen een uiterste inspanning om de drempel voor dit, soms moeilijk toegankelijke, muziekgenre zo laag mogelijk te houden.
Het Gentse luik loopt nog tot en met 26 november. Die dag sluit men de grote manifestatie af met een happening voor de jeugd.
In samenwerking met de v.z.w. Mallemuze worden, van 12 tot 18 uur, op diverse plaatsen in het « Kunstencentrum Vooruit», kinderen in contact gebracht met muzikanten « die op een hedendaagse manier met muziek bezig zijn », zoals de perstekst het omschrijft.
Dit kan gebeuren door het brengen van hedendaagse composities, door het creëren van een eigen muzikale taal of door oudere muziek te confronteren met nieuwe composities. In elk geval is dit een hele opgave voor kinderen die meestal meer vertrouwd zijn met Samson en Gert of (in het beste geval) voeling hebben met de bekendste stukken van Mozart.
De Gentse cellist Arne Deforce fungeert een beetje als gastvrouw. maar ook voor het overige vinden we op het programma een aantal namen terug, waarvoor alleszins de volwassenen (die ook meer dan welkom zijn) graag een ommetje langs de Vooruit zullen willen maken.
Zo zijn Champ d’Action, Guido De Neve, Wim Henderickx, Greetje Bijma en vooral de Tsjechische violiste/vocaliste Iva Bittova te gast.
Verder willen we ook nog het Requiem van Johan De Smet (foto) in de kijker plaatsen. Dit wordt op vrijdag 24 november om 20 uur, eveneens in de Vooruit, gecreëerd. De Smet kennen we vooral van zijn samenwerking met Kamagurka en daar is ook het ontstaan van dit Requiem te situeren. Het begon namelijk als toneelmuziek bij « Tante Euthanasie gaat achteruit » in het NTG. Maar nu is het door De Smet uitgewerkt tot een volwaardig en, naar zijn eigen zeggen, ook ernstig muziekstuk.
Het postmodernistische pianokwintet van Schnittke heeft vijf delen en is eveneens doordrongen van de doodsgedachte. De oor­sprong van het stuk moet men immers zoeken bij de dood van zijn moeder, Maria Vogel, in september 1972. Toch werkte hij de compositie pas af in 1976.
Aan de dood van zijn moeder wijdde hij ook een “In Memoriam” voor symfonisch orkest). Dat is niet zo evident als het lijkt. Zoals Arie Van Lysebeth als directeur van het Brusselse conservatorium in zijn eigen tijdschrift (december 1997) opmerkt: “Het is wel zo, dat een bepaalde compositorische stroming uit de vijftiger, zestiger jaren van deze eeuw, als reactie tegen een ietwat ‘gemakkelijk’ romantisme, het groot symfonieorkest systematisch ging vermijden. Allerlei heterogene instrumentencombinaties staken de kop op en er werd druk geëxperimenteerd. Men constateert echter vandaag reeds dat sommige van deze tendenzen (b.v. de seriële muziek), die zich onder meer van allerlei ongestructureerde instrumentengroepen bedienden, helemaal niet de meest boeiende passages uit de muziekgeschiedenis zijn geworden.”
Bij zijn dood in 1998 was Schnittke misschien wel een van de populairste nog levende (allé, tot op dat moment toch nog) componisten, maar niet iedereen dacht er zo over. Zo schreef Stephen Bayley in The Independent van 26/9/1998: “For all its manipulative, saccharine cheek-sucking whimsy, Eleanor Rigby exceeds in artistic value anything irritatingly cacophonous by Arthur Schnittke or Pierre Boulez.”
Alhoewel de Hongaar György Kurtag slechts één jaartje jonger is dan Boulez die dat jaar z’n zeventigste verjaardag vierde, is er toch een wereld van verschil tussen beiden. Boulez wordt nu door de jonge Turken immers reeds als een gevestigde waarde beschouwd en “dus” ook in vraag gesteld, terwijl Kurtag juist volop “in” is.
Philippe Boesmans: “Decennia lang heeft de seriële muziek ons denken beheerst, maar uiteindelijk bleek het systeem toch een aantal wezenlijke eigenschappen van onze westerse muziek over het hoofd gezien te hebben. Het principe van spanning en ontspanning, bijvoorbeeld, werd opgegeven – zodat er nog slechts spanning overbleef. Het systeem was gewoon te beperkt. Natuurlijk heeft het heel mooie dingen voortgebracht: als een genie zoals Boulez zo’n systeem hanteert, dan komen daar echte kunstwerken van. Maar het is zeker geen exclusief systeem, al heb ik zelf ook lang in die overtuiging geleefd. Ondertussen ben ik tot het besef gekomen dat ik vooral moet proberen om muziek te schrijven die tot de mensen spreekt. Het is trouwens merkwaardig welke reacties je daarop krijgt. ‘Maar het heeft toch geen zin om nu weer veristische opera’s te gaan schrijven?’ bijvoorbeeld. Het is inderdaad niet nodig om weer iets te gaan doen wat al gedaan is. Maar muziek, en zeker opera, moet wel gevoelens en emoties uitdrukken.” (tegen Stephan Moens in De Morgen van 26/2/93)
Als voorbeelden van de “oude” avantgarde zijn er nog de Zwitser Klaus Huber en de Amerikaan Morton Feldman, die net als zijn leermeester John Cage nog niet zo heel lang geleden is overleden. Ook zal Chris Mann in de Logos Tetraeder (Bomastraat) niet zijn kennis van het Chinees ten toon spreiden, maar ons wel confronteren met zijn “klankpoëzie”. En dat gebeurt dan in het Engels, of liever het Australisch, want deze 48-jarige dichter is afkomstig uit Melbourne. Dat zijn poëzie (net zoals bij ons die van Paul van Ostayen b.v.) niet los te denken is van (experimentele) muziek, wordt o.m. bewezen door het feit dat John Cage reeds meerdere malen teksten van hem in zijn composities heeft gebruikt. Zo b.v. in “Eight whiskus”, niet te verwarren met “Eight whisky’s”, want dat zou eerder een werk van “onze eigen” Luc Brewaeys zijn. Deze heeft immers de gewoonte om zijn composities, of het nu symfonieën of strijkkwartetten betreft, telkens de naam van een whisky-merk mee te geven. Cheers!
Veel aandacht gaat in de twintigste eeuw naar composities voor slagwerk, zo is er o.a. het grappige “Tafelmuziek” van Thierry De Mey (drie slagwerkers bespelen, jawel, een tafel) en “Smiles” van Philippe Boesmans. Voor het seizoen 1997-98 mag deze in de Munt een jazz-, rock- en wereldmuziek-concert organiseren. Op de persconferentie verdedigde Boesmans op een aandoenlijke manier de popmuziek. “Voor de jazz is dit niet meer nodig,” zei hij (terecht, aangezien het een optreden van Chick Corea betreft) en ook wereldmuziek wordt niet bestreden vanwege “politically correct”. Maar rock?!? Alhoewel men nog niet bekend kon maken wie er zou komen (“bij pop is men blijkbaar niet gewoon een jaar op voorhand te programmeren”), liet Boesmans toch een beetje in zijn kaarten kijken door vooral de lof te zingen van de rhythm’n’blues “die wat zangtechniek betreft veel typischer is voor de 20ste eeuw dan het Sprechgesang, waarvan men dat meestal beweert.” Toch is het de vraag wie Boesmans uitgerekend nu, nu de popmuziek in een diepe crisis verkeert, zal uitnodigen. Iemand van zijn (en dus ook mijn) generatie? Dat lijkt me heel goed mogelijk. Maar staat die dan nog wel symbool voor de huidige popmuziek? Vooral daar het toch een uitnodigend gebaar betreft naar de jongeren toe?
Iets heel bijzonders is de “Prometheus”-cyclus, waarbij deze mythe op drie verschillende wijzen gestalte wordt gegeven. Er is een choreografie van José Besprosvany op muziek van Peter Swinnen, er is een “scenisch concert” van Heiner Goebbels op tekst van Heiner Müller en, last but not least, is er ook een uitvoering van de symfonie van Alexander Skriabine met inbegrip van een pianist die dankzij geavanceerde computertechnieken eindelijk een “lichtklavier” zal kunnen bespelen zoals de componist het wenste.
Tijdens elk concert kunnen de aanwezigen ook een bijdrage storten voor de creatie van een werk volgend jaar. Een steunfonds heeft zich voorgenomen dit bedrag te verdubbelen.

Referentie
Ronny De Schepper, November Music in Gent, Het Laatste Nieuws 16 november 1994
Ronny De Schepper, Pierre Boulez dirigeert zijn werk op de Heizel, Het Laatste Nieuws 28 januari 1995
Ronny De Schepper, November Music smeert je oortjes met muziek, Het Laatste Nieuws 24 november 1995

25 jaar geleden: Boyan Vodenitcharov in het Museum voor Sierkunst

25 jaar geleden: Boyan Vodenitcharov in het Museum voor Sierkunst

De Bulgaarse pianist Boyan Vodenitcharov (°1960, Sofia) verraste het traditionele publiek, toen hij bij het behalen van zijn 3de plaats in de Elisabethwedstrijd 1983 verklaarde dat hij ook wel eens jazz durfde spelen. In het Gentse Museum voor Sierkunst speelde hij in het kader van Acht Aktueel uitsluitend werk van hedendaagse Bulgaarse componisten, waaronder hemzelf. In 1982 won hij trouwens een compositiewedstrijd in zijn land. Hij was ook lesgever piano aan het conservatorium van Sofia van 1987 tot 1991. Daarna vestigde hij zich met vrouw en kinderen in België en was hij twee jaar leraar piano en kamermuziek in Gent en vanaf 1993 geeft hij les in het Brusselse conservatorium. Hij legt zich daar ook toe op de historische uitvoeringspraktijk, vooral via de tangentenflügel. Ondertussen heeft hij niet enkel Engels en Frans geleerd, maar ook Nederlands.