45 jaar geleden: “Nora of een poppenhuis” door Hendrik Ibsen in het NTG

45 jaar geleden: “Nora of een poppenhuis” door Hendrik Ibsen in het NTG

Toen het NTG in de jaren zeventig een versie opvoerde van “Nora of een poppenhuis” door Hendrik Ibsen gaf regisseur Walter Eysselinck als verklaring van de titel: “Nora is als een poppenmoedertje voor haar kinderen, die afgeschermd leeft van de buitenwereld. Dit schijngelukswereldje is uiteraard gebouwd op leugens en kan niet standhouden. Het is niet enkel het gevecht van een vrouw tegen de conventionele moraal, maar van de hele mensheid. Wel is het thema, en dat van Ibsens belangrijke werken, de behoefte van het individu om te ontdekken wie of wat hij is, en om te trachten dat individu te worden. Wat nodig is, en Ibsen heeft dat zelf verklaard, is een revolutie in de menselijke geest. Het publiek was natuurlijk wel in 1879 meer gechoqueerd door de deur die aan the eind van het stuk dichtslaat.”
Lees verder “45 jaar geleden: “Nora of een poppenhuis” door Hendrik Ibsen in het NTG”

Per Gynt, de held van het halfslachtige

Per Gynt is de zwerver, fantast, die altijd om de dingen heen gaat, steeds compromissen sluit en altijd bereid is zijn beginselen overboord te zetten.
M.a.w. hij is de man niet nooit zichzelf werd!
Per Gynt is het nauwkeurige spiegelbeeld van Brand: dààr wer de halfslachtigheid grimmig gehoond, hier is de hoofdfiguur juist de held van het halfslachtige. Zou Ibsen hiermee een satire op het Noorse volk hebben bedoeld? In elk geval zit het stuk vol ironie en sarcasme, die aanklagen en verwonden, terwijl humor eerder geneigd is tot begrijpen. Tegenover de grootheid van Brand staat de gewaande, gedroomde, gemankeerde grootheid van Per Gynt.
Bewijs: hij ziet niet eens de dood van zijn moeder onder ogen.
De tegenspelers zijn verleidende machten als de Groene Vrouw, de Kronkel, Anitra en anderen, die het des te gemakkelijker hebben omdat Gynt reeds innerlijk voor hen gebogen heeft.
Behalve: Solvejg, de redden liefde, die Per behoedt voor het verloren-gaan. Wanneer hij zichzelf heeft mogen vinden in die reddende liefde, vindt het leven zijn afsluiting: inwijding tot het leven is tegelijk inwijding tot de dood.
Het slot is verrassend: Per Gynt werd nooit zichzelf en vindt toch enkel vergiffenis.

Naar Anton van Wilderode (zie ook “Brand“)

Brand, de demonie van het ideaal

Brand (1866) is de compromisloze idealist:
– wanneer zijn hulp wordt ingeroepen voor een stervende, die radeloos is door een zware schuld, gaat hij er in een klein bootje gedurende een gierende storm naartoe;
– niemand waagt het hem te vergezellen, behalve dan Agnes, de verloofde van een zijner vrienden, zij is totaal in haar overgave (b.v. bij de ziekte en de dood van het kind) maar ook hier blijft Brand compromisloos;
– idem wat zijn tocht door de bergen betreft;
– maar vooral is hij compromisloos tegenover zijn moeder; bewijs: de dood van zijn moeder.
Brand, “een geestelijke viking”, kent enkel de god van het alles of niets, de god van de uit het geheel van het evangelie losgemaakte bergrede, zoals Tolstoi die verstond. Hij streeft de uitersten na van felheid en offer. Hij eist totale afstand van alle bezit. Christus is niet de openbaring van het goddelijke erbarmen, maar het grote voorbeeld. En alléén dat.
M.a.w. hij is de man die steeds zichzelf was. Hij gaat recht door het leven volgens een ijzerhard beginsel, waartegen hijzelf te pletter loopt.
De tegenspelers zijn uitsluitend toonbeelden van verburgerlijking, om het even of zij de kerk of het wereldlijke gezag vertegenwoordigen.
Behalve: Agnes, de àllesgevende liefde, die in zo hoge berglucht ademt dat zij hier op aarde niet leven kan. De liefde der volstrekte onthechting en ontstijging.
Het slot is verrassend: Brand die steeds zichzelf was, loopt te pletter om te vernemen dat een god van liefde dit bestaan bestuurt.

Naar Anton van Wilderode (zie ook “Per Gynt“)

NTG-stuk nr.129: “Spoken” (nov.1979)

Eerste akte
Regina Engstrand jaagt haar vader, de timmerman, het huis uit, wanneer hij haar tracht te overhalen bij hem in de stad te komen wonen en samen een restaurant voor zeelui te openen.
Pastoor Manders komt met de weduwe mrs.Alving spreken over de plannen van het weeshuis dat zij heeft laten bouwen. Haar zoon Oswald is net terug uit Parijs en Rome en verdedigt zijn opvattingen over de vrije liefde die hij daar in de artistieke middens die hij heeft gefrequenteerd heeft ondervonden.
Wanneer zijn moeder zich aan zijn zijde schaart, verwijt Manders haar (als Oswald weg is) dat zij tekort is geschoten in haar taak als echtgenote en als moeder, want zij heeft haar man eens ontvlucht en haar kind zond ze toen hij pas zeven jaar was al naar vreemden.
Mrs.Alving repliceert dat haar man ook nadat Manders haar weer met hem had verzoend, een brutale dronkaard is gebleven en dat zij haar kind heeft weggezonden, toen hun echtelijke ruzie een hoogtepunt bereikte wanneer kapitein Alving de meid begon lastig te vallen. Zij richt nu dit weeshuis op met zijn geld, omdat zij hem volledig wil vergeten en Oswald volledig van haar afhankelijk wil maken.
Hoogtepunt op het einde van deze akte: mrs.Alving heeft nog maar net gezegd dat ze na de inhuldiging van de gedenksteen voor haar man morgen hem met een gerust gemoed zal kunnen vergeten, wanneer ze in de keuken Regina net dezelfde woorden hoort zeggen als haar vroegere meid, omdat ze door Oswald lastig gevallen wordt. Op de vraag van Manders wat er scheelt, antwoordt mrs.Alving: “Ik hoor spoken!”
Lees verder “NTG-stuk nr.129: “Spoken” (nov.1979)”

NTG-stuk nr.258: “Steunpilaren van de maatschappij” (sept.1996)

Dit stuk van Henrik Ibsen wordt door Wim Van Gansbeke, als dramaturg voor het NTG, als volgt samengevat:
Het speelt zich af ten huize van Bernick, een gevestigd grootindustrieel en reder. Deze beging ooit de jeugdzonde een verhouding met een gehuwde vrouw aan te gaan. Zijn vriend, Johan Jonessen, liet hij de schande op zich nemen en het gewicht dragen van de roddel in het provinciestadje dat als locatie dient voor dit verhaal. Onder druk van de omstandigheden zag Johan zich verplicht te emigreren naar Amerika. Sindsdien is het Bernick, inmiddels met Johans zuster getrouwd, zakelijk voor de wind gegaan. Hij heeft zich opgewerkt tot een heuse steunpilaar van de maatschappij. Maar daarmee is hij de gevangene van zijn verleden. En dat verleden duikt opnieuw op in zijn omgeving wanneer Johan Jonessen onverwacht terugkomt uit Amerika. Op bezoek bij zijn zus wordt Johan verliefd op de jonge Dina. Hij wil met haar trouwen. Om zijn naam van alle blaam gezuiverd te zien vraagt hij Bernick om met de waarheid over het verleden voor de dag te komen. Nadat hij zich eerst in allerlei bochten heeft gewrongen, besluit Bernick zich bij de eerste de beste gelegenheid van Johan te ontdoen. Deze laatste wil, diep ontgoocheld door Bernicks kontendraaierij, naar Amerika terugkeren. Bernick laat hem inschepen op een schip, waarvan hij weet dat het onzeewaardig is. Dan komt men de reder melden dat zijn zoontje, die zich door de far-west-verhalen van zijn oom het hoofd op hol heeft laten brengen, zich ook op het wrakke schip bevindt. Dank zij de tussenkomst van een eerlijke meestergast, wordt een ramp vermeden.
Het moraliserende einde, waarbij Bernick tot inkeer komt, werd door regisseur Hugo van den Berghe geschrapt: “Bernicks plotse inkeer is niet meer voorstelbaar. Of Ibsen er zelf in geloofde, weet ik niet. Ik kan het mij moeilijk inbeelden maar hij zal het toch wel in de geest des tijds als een plicht beschouwd hebben om daar steeds op te hameren. (…) Aan het eind van het stuk legt Bernick zeg maar een openbare biecht af, maar zo dat hij er zelf nog profijt zal uithalen. En dat lijkt mij zeer modern.”