Het is vandaag 25 jaar geleden dat “Boys”, de debuutfilm van Jan Verheyen, in première ging.

Voor Jan Verheyen ben ik een blinde vlek. Telkens ik hem ontmoet, moet ik hem uitleggen dat we zijn opgegroeid in dezelfde buurt (de wijk Hollebeek in Temse), dat we naar dezelfde school gingen (het college in Sint-Niklaas) en dat we daarna voor hetzelfde regionale weekblad (De Voorpost) schreven. Toen zijn eerste film (“Boys”) uitkwam, heb ik hem uitgebreid geïnterviewd voor “Graffiti” (zie verder) en later zijn we elkaar nog enkele keren tegen het lijf gelopen. Daar bestaan zelfs foto’s van, zoals je hierboven kan zien (samen met burgemeester Luc De Ryck van Temse, ook een ex-medewerker van De Voorpost, en hoofdredacteur Wouter Vloebergh).
Toch moet ik, telkens ik Jan Verheyen ontmoet, deze voorgeschiedenis weer herhalen, want hij vergeet steeds opnieuw wie ik ben. Ik denk zelfs dat er geen kwaad opzet mee gemoeid is. In “Boys” komt wel een onaangename vrouw voor die De Schepper heet, maar het lijkt me eerder toeval, geen wraakactie zoals Stafke De Schepper in “Blueberry hill” van (scenarist) Walter van den Broeck. Nee, ik ben echt een blinde vlek voor Verheyen. Als hij een prachtige vrouw was, dan zou het mij tot wanhoop drijven, maar dat is hij gelukkig niet en een dergelijk “onzichtbare man”-scenario ben ik tot nu toe bij niemand anders tegengekomen, dus ik heb ermee leren leven.
Jan Verheyen, de wonderboy uit Temse, is altijd al een enfant terrible geweest in het Vlaamse filmwereldje. Een internationaal filmfestival op 18-jarige leeftijd en in 1988 oprichter van een succesvol distributiebedrijf (Independent Films) samen met o.a. Dirk Impens, die in 1986 was gedebuteerd als filmproducent, nadat hij van ’81 tot ’85 manager was geweest van de Nieuwe Scène. Zijn eersteling is “Congo Express”, geregisseerd door Armand De Hesselle en Luc Gubbels. Datzelfde jaar neemt hij ook nog “Crazy love” voor zijn rekening en een jaar later “Hector”. “Daens” daarentegen was de eerste eigen productie van Dirk Impens en zijn eigen firma Favourite Films. In 1994 kreeg Erwin Provoost twintig miljoen van de Vlaamse gemeenschap voor… “Max”, de film met, rond en over Jacques Vermeire. En zo pakte Dirk Impens ernaast, al maakte die wel de enorme blunder om, allicht op het élan van “Daens”, met niet minder dan drie projecten tegelijk om subsidies te komen bedelen: “Brylcreem boulevard” (of “Blueberry Hill II”), “Tijl Uylenspiegel” (een project waarbij de namen van Stijn Coninx en Hugo Claus al zijn gevallen, maar dat nog altijd niet gerealiseerd is) en “Manneke Pis” (die een jaar later wél in de prijzen zal vallen).
Ook Jan Verheyen maakt een al even succesvolle overstap naar het produceren van films en nu dus een eerste eigen langspeelfilm. Wordt het een nieuwe successtory of valt hij plat op z’n bek? Wie leeft zal zien. Maar in Vlaanderen, waar de naijver achter de sanseveria’s bloeit, doen de bookmakers nu reeds goede zaken. Het zal Jan Verheyen zelf (voorlopig althans) een zorg zijn. Hij zit ontspannen tussen zijn hardware als ik hem op een woensdagnamiddag een bezoekje breng op zijn kantoor. Tot mijn ontgoocheling draagt hij geen flamboyant hemd, waarvoor hij nochtans even beroemd is als Wouter van den Haute met zijn dassen, maar hij heeft wél postgevat voor een poster van The Doors (althans van de film van Oliver Stone, die door Independent wordt verdeeld) én op zijn bureau ligt een videocassette van “Boys”. Het is echter een werkcassette, zo blijkt, die nog niet kan worden vrijgegeven voor pers-viewing. Dan maar vertrouwen op een goed gesternte en op het feit dat buurjongens (ondergetekende is ook van Temse) elkaar niet in de maling nemen. Want daar gààt “Boys” toch over, of niet soms?
– Persoonlijk vind ik debuteren met een komedie een groot risico. Is dit immers geen ontzettend moeilijk genre? Jan Verheyen is het slechts gedeeltelijk met mij eens.
J.V.:
“Een komedie heeft voor- en nadelen. Het nadeel is zeker dat humor iets heel subjectiefs is. Wat grappig is voor de ene, is vulgair voor de ander. Wat vulgair is voor de ene, is al obsceen voor iemand anders. Je hebt mensen die kunnen lachen met Jacques Vermeire en je hebt mensen die daar gillend van weglopen. Iedere komiek roept bij groepen mensen weerzin op, terwijl andere mensen daar helemaal weg van zijn.”
“Een komedie heeft echter ook voordelen. Ik ben immers geen ervaren scenarioschrijver. Niet omdat ik daarvoor geen specifieke opleiding heb gehad, want daarin geloof ik niet, zeker niet voor alles wat film aangaat, dat heeft immers te maken met aanvoelen, met instinct, met assimileren. Wat baat trouwens de techniek van het scenarioschrijven als je niks te vertellen hebt? Nu, het voordeel van een komedie is dat je minder gebonden bent aan de regels die er dan toch zijn. Indien je een thriller maakt, dan kun je er maar beter voor zorgen dat alles klopt. Dat m.a.w. de dingen die je na tien minuten in de eerste akte aanbrengt, dat die inderdaad tot hun recht komen in akte vier b.v. Daar ben je dus inderdaad gebonden aan bepaalde verhaaltechnische regels. Daar moet je ervoor zorgen dat je een plot hebt dat staat als een huis. Dat geeft ook heel weinig speling bij het draaien. Je hebt al die elementen nodig. Je kan niet op de zeventiende draaidag stellen, omdat het slecht weer is b.v., deze scène laten we vallen. Een komedie daarentegen, zeker een anekdotisch gestructureerde komedie zoals Boys, laat wat dat betreft een zekere speling. Je bent minder afhankelijk van die regels, vind ikzelf.”
“Maar daarnaast is er nog een tweede voordeel en dat is eigenlijk het belangrijkste. In een komedie kan je veel meer doen zonder dat het zwaarwichtig wordt of dat mensen er aanstoot aan nemen of wat dan ook. Als je een ernstige film wil maken over relaties, dan heeft dat onmiddellijk iets zwaarwichtigs en stoot je daar ook een bepaald publiek mee af. Terwijl de vorm van een komedie bijna automatisch gelijk staat aan een redelijk breed publiek. En ik heb altijd gezegd: als ik een film maak, als ik m.a.w. acht tot twaalf maanden van mijn leven investeer in zoiets, als ik echt mijn nek uitsteek, dan wil ik dat enkel doen als ik daarmee ook zoveel mogelijk mensen kan bereiken.”
“Ik heb daarover trouwens een aantal uitgesproken ideeën. Ik vind dat als je met een ei zit, dat je per se wil leggen, dan zou je een boek kunnen schrijven of een schilderij maken. Er zijn een aantal manieren om dat ei kwijt te kunnen. Film is echter een collectief gebeuren en kost dan ook verschrikkelijk veel geld. Ik vind dat dit een aantal verantwoordelijkheden met zich meebrengt. Ik vind dat dit een filmmaker verplicht tot nadenken over: is wat ik te vertellen heb eigenlijk wel voldoende interessant om er dit soort middelen in te investeren? Je hebt mensen die daar absoluut niet mee zitten. Die denken: ik wil dat kwijt, ik wil dat alleen maar kwijt in de vorm van een film en men moet dan maar klaar staan met subsidies om dat te kunnen maken, want dit is mijn scheppende drang en die moet dan maar gefinancierd worden, net zoals dat bij een beeldhouwer of een schrijver gebeurt.”
“Ik had dat niet. Mijn kick is veel minder het leggen van dat ei. Ik heb eerlijk gezegd niet zo heel veel te vertellen. Ik heb uiteraard wel een aantal meningen, maar ik vind die niet zo interessant dat ik daarvoor veertig miljoen moet hebben om die op film te kunnen zetten. Mijn kick is dus iets te kunnen maken wat heel veel mensen willen zien.”
– Maar je hebt toch subsidies gevraagd, werpt mijn slecht karakter op tafel…
J.V.:
“We hebben inderdaad subsidies gevraagd. Wat is immers de theorie? Als je een film maakt in het Vlaams, of zelfs in het Nederlands, dan zit je met een hele kleine afzetmarkt. Alleszins te klein om de kostprijs van zo’n film te kunnen recupereren, ook al komen er veel mensen kijken en zelfs met het relatief lage budget waarmee we de film hebben gedraaid. Dat zal, als alle rekeningen binnen zijn, zo’n 32 miljoen zijn. Dat is geen kattenpis, vind ikzelf, maar in de context van het filmmaken is dat heel weinig. Dat is minder dan het lunchbudget van Arnold Schwarzenegger tijdens ‘Terminator 2’. Toch betekent dit als we dit helemaal zelf financieren, dat we onze nek niet alleen symbolisch ver uitsteken, maar ook financieel. Daarbij komt nog dat er precedenten zijn: de eerste Urbanusfilm, ‘De collega’s maken de brug’ en alle drie de ‘Gaston en Leo’-films b.v. zijn allemaal gesubsidieerd. Je kan trouwens de stelling verdedigen dat in een land als België waar van een filmindustrie sowieso geen sprake is, het de taak is van een commissie of een ander orgaan om ervoor te zorgen dat er met de beschikbare middelen een maximaal aantal films worden gemaakt en dat er een evenwicht wordt gevonden tussen, laten we zeggen, kunstzinnige projecten en films die inderdaad kans maken op het aantrekken van een breder publiek. Het is immers pas in het moeras dat de lelies zullen bloeien. Hoe meer films er worden gemaakt, hoe groter de kans dat er inderdaad iets ontstààt.”
“Op basis van die twee elementen hebben we besloten toch een dossier in te dienen. Bon, dat is dan geweigerd omdat de commissie het project te commercieel vond, maar dat is een vrij rare redenering omdat nogmaals het begrip ‘commercieel’ in de Vlaamse context onmiddellijk dient te worden gerelativeerd. Daarbij heb ik het per definitie moeilijk met commissies. Mensen die zich beraden over wie geld krijgt en wie niet en dat dan ook nog willen doen op basis van subjectieve, pseudo-artistieke criteria. Want wie zit er in zo’n commissie? Daar mogen geen zogenaamd ‘rechtstreeks belanghebbenden’ zitten. Dat handjevol mensen dat professioneel competent is om met film bezig te zijn, die mogen daar dus niet in zitten. Wat blijft er dan over? Mensen die daar zo’n beetje rondcirkelen en die bovendien ook nog de juiste partijkaart moeten hebben. Als je alles op een rij zet wat er door deze commissie de jongste jaren is gesubsidieerd, dan heeft ze ook niet echt blijk gegeven van groot doorzicht in het kiezen van de projecten. De kunstzinnige projecten die ze hebben gekozen, zijn ofwel nooit van de grond geraakt ofwel tijdens het opnemen in elkaar geklapt of hebben amper de bioscoop gehaald als ze dan wonder boven wonder toch al werden afgewerkt. De commerciële films die ze hebben gesubsidieerd, die hebben dan wel een breed publiek gevonden, maar daarrond waren er dan weer heel veel discussies in de zin van ‘moet daar nu geld van de staat worden ingestoken’.”
“Ik blijf er dus heel ambigu tegenover staan. Op zich ben ik heel trots dat we het uiteindelijk gedaan hebben zonder subsidie, maar eigenlijk zijn we zot. Dat wil m.a.w. zeggen dat een normale producent die film niet had gemaakt. Of nog: dat die commissie toch wel een reële macht heeft. In 95 pct. van de gevallen is het inderdaad zo dat een scenario dat door de commissie wordt afgewezen, dat daarvan nooit een film zal worden gedraaid. Ik vind dat een hele verantwoordelijkheid. Maar ik heb geen alternatief. Er zijn geen vijf mensen in dit land die ik voldoende competent vind en voldoende vertrouw om te zeggen: laat die het maar doen. Maar de mensen die het nù doen, dat is helemaal een droeve zaak. Ik ben dan ook heel blij met het nieuwe decreet, ook al is dat nu niet door de Vlaamse Raad geraakt wegens de val van de regering. Maar de oplossing op papier die door De Batselier en Dewael is gevonden om de middelen van economische zaken en die van cultuur in één pot te gooien en een soort productiefonds te creëren naar Nederlands model is op zich toe te juichen. Natuurlijk zal ook hier weer een commissie over moeten beslissen, maar die zal dan toch een aantal vrij objectieve criteria kunnen gaan hanteren, wat nu niet het geval is. Die commissie zal immers de macht hebben om na te gaan of het budget wel klopt. Moet dat wel zoveel kosten? Of ook het omgekeerde: is het niet te weinig gebudgetteerd, zodat men later in moeilijkheden komt? Is er wel een distributeur voor die film? Enzovoort. We zullen zien wat het geeft, maar slechter dan het nu is, kan het alvast niet.”
– Jan Verheyen staat bekend als een spraakwaterval en wat hij vertelt is zeker niet oninteressant, daarom heb ik hem niet onderbroken, maar we zijn nu wel erg ver van zijn film afgedwaald. Ik vind een komedie namelijk vooral moeilijk als men gags wil timen. Als Verheyen zijn film echter een ‘anekdotische komedie’ noemt, dan veronderstel ik dat we het eerder moeten zien als een min of meer realistisch verhaal, waarbij men de lach niet uit de weg gaat, maar waar men ook niet wanhopig naar gags op zoek gaat.
J.V.:
“Dat doen we wél. Het zou wat dat betreft zeer interessant zijn om het oorspronkelijke scenario met de eigenlijke film te vergelijken. Al in het repetitiestadium (want ik wou wel degelijk eerst met mijn acteurs repeteren) is gebleken dat vooral de twee jongens, Michaël Pas en Tom Van Bauwel, ongelooflijk geestig zijn. Dat zij zeer alert, zeer ad rem reageren. Al tijdens de repetities werden er dus een aantal dialooggrappen gevonden, die niet in het scenario stonden. Vanaf dat moment hebben wij ook geopteerd van de nadruk bij deze ‘relatiekomedie’ vooral op het tweede deel te gaan leggen. Dat neemt dus niet weg dat de film handelt over een aantal zaken die voor iedereen goed herkenbaar zijn. Eigenlijk is het de bedoeling dat je een beetje lacht met jezelf. Het gaat immers over heel alledaagse situaties. Twee gasten zijn net afgestudeerd en zetten hun eerste stappen in het beroepsleven, de ene in een reclamebureau, de ander als assistent bij een deurwaarder, zijn lief werkt als cassière in een supermarkt. Dat is Hollywood niet. Dat zijn geen mensen die in Maserati’s over boulevards suizen om in een of andere nachtclub Daryl Hannah of Julia Roberts op te pikken. Het is dus integendeel allemaal zeer herkenbaar. Wat ik echter wel doe, is er op gezette momenten een duwtje aan geven, zodat het een beetje ‘over the top’ gaat. In die zin combineert de film ook verschillende genres: bij momenten is het een parodie, dan weer een satire of pure slapstick. En dat geeft de film dat klein beetje excentriciteit die hem zou moeten onderscheiden van andere komedies, die hier al zijn gemaakt en voornamelijk ook van Amerikaanse komedies.”
– Ha, het woord is gevallen. Verheyen ziet ‘Boys’ immers als een Vlaamse tegenhanger van de films van John Hughes zoals ‘Some kind of wonderful’, ‘Ferris Bueller’s Day Off’ of ‘The Breakfast Club’. Wat Verheyen vooral bewondert in de Amerikaanse film is de technische kwaliteit en de manier om een goed plot te verfilmen. Op die manier is zelfs een middelmatige Amerikaanse film toch nog altijd onderhoudend, terwijl een Europese film dan al gaat vervelen.
J.V.:
“John Hughes is één van de weinige Amerikaanse mainstream-filmmakers die de afgelopen jaren bewezen heeft de gevoelens van jonge mensen au sérieux te nemen. Er zijn daar wel ongelooflijk veel strandkomedies over ‘hoe verlies ik mijn maagdelijkheid’ bestemd voor drive-ins en fast food-exploitaties, maar John Hughes is de eerste geweest om de jonge mensen op een heel intelligente en ook een heel gevoelige manier te benaderen. Dat heeft mij ervan overtuigd dat je ook hier een film kunt maken over jonge mensen die verder gaat dan de Porky’s- en de Bikini Beach-achtige toestanden.”
“Wat ik verder bij John Hughes bewonder is de manier waarop hij muziek gebruikt om een sfeer te scheppen. Daar zit bijna geen instrumentale filmmuziek in en dat hebben wij ook willen doen. Een groot aantal songs stond trouwens al vast nog voor we met het draaien begonnen. Ik wist dus al: op die scène komt die muziek. De soundtrack is dan ook heel duur in verhouding tot het totale budget van de film. Gewoonlijk is het zo hier in België dat men een film maakt en dat men dan op het einde nog wat geld over heeft, waarmee men dan vlug iemand opbelt die een beetje met een synthesizer overweg kan en klaar is kees. Wij hebben van in het begin een budget opzij gelegd voor een soundtrack zoals er hier nog nooit één is gemaakt. We zijn ook telkens gaan kijken wie elk nummer het beste zou kunnen vertolken. Neem nu ‘100 years’ van Joey Dyser. Die heeft zo’n ijle stem en we zochten dus iemand die een interessante vertolking van dat nummer kon brengen en er toch iets aan toevoegen. Dat is dan Sanne geworden. We hadden ook de rechten gekocht van ‘I heard it through the grapevine’ van Marvin Gaye. Daarvan hebben we een acoustische versie laten maken door Ronny en Robert Mosuse van The Radios met Toots Thielemans op mondharmonika. Of ‘Het kan niet zijn’ van Will Tura in een Engelse versie door Helmut Lotti. Voor ieder nummer hebben we dus echt naar een nieuwe invalshoek zitten zoeken. We wilden b.v. absoluut ‘Without you’ van Harry Nilsson, maar dan gezongen door een vrouw. Nu, dat is technisch een heel moeilijk nummer, maar Beverly Jo Scott kon die klus wel klaren. Daarbij hebben we nog aan een aantal mensen die we persoonlijk bewonderden en waarvan de stijl in het verlengde lag van wat ik in die John Hughes-films hoorde, gevraagd om daarnaast ook nog originele muziek te componeren. Dat zijn dan The Radios, Tom Wolfe en Beverly Jo Scott geworden. Ze kregen het scenario toegestuurd met aanduiding van de scène waarvoor ze een nummer moesten schrijven. Op die manier is er een soundtrack ontstaan die ongelooflijk is, omdat hij de film enorm helpt, maar ook omdat hij op zich kan staan, zodanig dat – en dat is nu weer de producent en de distributeur die spreekt – je een soundtrack krijgt die de film gaat ondersteunen en vice versa.”
– Kortom, Robert Stigwood…
J.V. (lacht):
“Ja, maar die maakte soundtracks en pas nadien maakte hij er een film bij. Dat is nog een ander procédé. Alhoewel het toch ook een paar mooie dingen heeft opgeleverd. Maar goed, dat is ook wat ik bedoel met ‘op zijn Amerikaans’. Dus een beetje verder denken dan alleen maar ‘ik wil een film maken en dan zien we wel’. Maar als je hier nog maar de release van je soundtrack en je trailer goed plant, dan is dat al heiligschennis, dan is dat al platte commercie. Maar als dat voor gevolg kan hebben dat er i.p.v. de gebruikelijke 30.000 toeschouwers er 300.000 mensen naar gaan kijken, dan vind ik dat een zeer verantwoorde strategie.”
– Jan Verheyen wijst er al een paar keer terecht op dat zijn personages eerder twintigers dan tieners zijn, maar als je in Vlaanderen over films voor jongeren spreekt, dan kan je niet naast “Blueberry hill”, overigens door Verheyen zelf geproduceerd. Als je dan bovendien vaststelt dat ook hij Michael Pas en Hilde Heijnen als hoofdacteurs, zelfs uitgangspunt voor de casting van de anderen, heeft aangetrokken dan stel je je toch vragen…
J.V.:
“Het scenario van ‘Boys’ bestond al voor we met ‘Blueberry hill’ bezig waren. De beslissing dat ik het zelf zou regisseren is er echter inderdaad nà dat avontuur gekomen. Dat heeft niks met Robbe (De Hert) te maken, want als hij morgen met een goed project bij mij binnenkomt, dan gaan we dat direct opnieuw doen. Maar een producent is de belangrijkste, maar tegelijk de meest ondergewaardeerde schakel in het filmmaken. De producent is degene die het geld bij elkaar zoekt en ik weet dan ook wel dat er daar veel oplichters tussen zitten, maar als je dat goed doet, dan kan dat ook heel creatief zijn. Je moet het potverdikke in de Vlaamse context maar doen: dertig of veertig miljoen bij elkaar zoeken om een film te maken!”
“Regisseren daarentegen is ook niet simpel, maar naast een visie, is het vooral het enthousiasmeren van een ploeg van vijftig tot honderd mensen, die uiteindelijk niet allemaal evenveel belang hebben bij die film. Of de machinisten b.v. nu hun lichten staan op te stellen bij een langspeelfilm of bij een reclamespot, op zich maakt dat niet zoveel uit. Je moet die mensen dus kunnen enthousiasmeren, want aangezien er altijd gebrek is aan geld, worden er van die mensen inspanningen gevraagd, die eigenlijk niet in verhouding staan tot wat ze verdienen. Je moet die mensen dus kunnen motiveren, wat toch een redelijke verantwoordelijkheid met zich meebrengt. Als nu zo’n regisseur een andere film in zijn hoofd heeft dan jij als producent, dan zit je met een probleem natuurlijk. Ook al omdat je dat pas ontdekt als je al een week bezig bent. Dan zit de trein al op kruissnelheid en kun je dus niet zo maar aan de noodrem trekken om hem te doen stoppen. Zowel mijn collega Marc Punt als ik zijn nogal koppige gasten en wij willen dus eigenlijk ‘producentenfilms’ maken. Wij willen de controle hebben over wat er uiteindelijk gebeurt. En de ultieme producentenfilm is natuurlijk de film die je zelf regisseert. Vandaar de beslissing dat ik ‘Boys’ zou regisseren.”
“Dat er dan verder nog overeenkomsten zijn tussen ‘Blueberry hill’ en ‘Boys’? Om te beginnen zijn er al niet zo gek veel jonge acteurs. Ik vind zowel Michael Pas als Hilde Heijnen uitstekende acteurs, maar ik vond vooral het koppel dat zij in ‘Blueberry hill’ vormden zeer geslaagd. Mijn probleem met die film was juist dat ik niet begreep waarom op het einde Michael toch liever bij Babette van Veen wou zijn.”
img_0004– De rest van de hoofdacteurs zijn allemaal debutanten…
J.V.:
“Die hebben we inderdaad volledig door castings moeten zoeken. Tom Van Bauwel speelt nu wel in Heldendeugd van Vuile Mong, maar was toen nog volslagen onbekend, terwijl Francesca van Thielen wel bekend is als presentatrice van een popprogramma op VTM, maar dat wil daarom nog niet zeggen dat ze kan acteren. Herbert Bruynseels daarentegen is wel vooral bekend van Studio Brussel, maar die heeft een opleiding gehad als acteur. Hij wou dus dit jaar absoluut een aantal dingen doen in die richting. Naast Drie zusters in de KVS is dat dan o.a. Boys geworden.”
– Francesca (toen pas 18) is inderdaad het grote raadsel. Bovendien hoor ik dat ze al meteen uit de kleren moet, wat nu ook niet meteen zo makkelijk is…
J.V.:
“Het was ook de moeilijkste rol om te casten. In tegenstelling tot het koppel Pas-Heijnen had ik bij het schrijven niemand specifiek in mijn gedachten. Bij het personage van Tom van Bauwel was dit niet zo erg, omdat het nogal karikaturaal is. Dat kon dus ingevuld worden door de geknipte persoon en toen we Tom zagen, wisten we meteen: dat is ‘m. Dana is echter het moeilijkste personage omdat ze een heel vrijgevochten meisje is uit een beetje een marginale familie. Zij heeft ontdekt dat seks eigenlijk iets heel plezants is en dat op de koop toe niet veel kost, want geld heeft ze niet. Zij leeft dus op een manier die van meisjes nog altijd veel minder wordt aanvaard dan van jongens. Die worden dan wel macho’s genoemd, maar eigenlijk kijkt iedereen daar wel een beetje naar op. Ik vond het daarom heel interessant om in zo’n film die voor jongeren is bestemd de rollen nu eens om te draaien en dus een meisje te nemen dat met jongens omgaat, zoals eigenlijk heel veel jongens met meisjes omgaan. En dat heeft uiteraard ‘fysieke’ gevolgen. Niet zo expliciet als bij ‘Turks fruit’, maar ik heb evengoed een hekel aan die Amerikaanse films waarin de hoofdacteur het laken a.h.w. met zijn kin vasthoudt. Als men in mijn film vrijt, dan wil ik ook dat men vrijt. Ik ga de mensen niet met geslachtsdelen in het gezicht slaan, maar het is, laten we zeggen, ‘realistisch gestyleerd’. Al heel vlug is Marc met het voorstel van Francesca komen aandraven, maar eerst heb ik dat afgeweerd, omdat ik geen Bekende Vlamingen in mijn film wou. Maar omdat we niemand vonden en we in tijdsnood geraakten, zijn we dan uiteindelijk toch bij haar terecht gekomen voor wat proefopnamen. En ik moet eerlijk toegeven: eigenlijk heeft ze méér moeten kunnen, dan al die andere actrices die ik voor de rol heb gezien. Maar dan bleek dat zij niet alleen een présence had, wat we uiteraard al wisten, maar dat ze ook heel intelligent was en tevens bereid om, eens een aantal dingen voor haar duidelijk waren, alle reserves te laten varen en zich helemaal te geven. Wat er met de film dan ook mag gebeuren, er zijn een aantal mensen die zeker en vast in positieve zin gaan worden opgemerkt. De jongen die de fotografie heeft gedaan heeft een visitekaartje afgeleverd waar je niet naast kunt. Tom Van Bauwel maakt een debuut dat zeer indrukwekkend is en dat geldt ook voor Francesca. Daar kan je niet omheen. Dat zijn objectieve criteria, ook al zou je de film verschrikkelijk vinden.”
– Hengelen naar “autobiografische elementen” vind ik altijd een beetje onnozel, maar als de perstekst ergens gewaagd van een “yuppie-komedie” en een “sociale satire”, dan vraag je je toch af: ziet Jan Verheyen zichzelf als een “yuppie”? “Objectief” zou je, gezien zijn bliksemcarrière, kunnen stellen dat dit zo is, maar is yuppie op de eerste plaats geen manier van denken?
J.V.:
“Ik vind de vraag of het autobiografisch is helemaal niet belachelijk. Met alle sympathie en respect voor dingen als Boerenpsalm, Eline Vere of Het gezin Van Paemel, maar dat is niet mijn leefwereld. Ik zeg niet dat ik nooit eens een ander genre zou aanpakken, maar voorlopig wil ik alleen maar dingen maken waar ik redelijk dichtbij sta. Er zitten dus zeker autobiografische elementen in, maar dan niet in die zin dat één van de twee hoofdpersonages eigenlijk op mezelf is gemodelleerd. Er zitten elementen van mij in beiden en trouwens ook nog in andere personages.”
“En wat nu dat ‘yuppie’ betreft, dat bestaat dus uit drie woorden: ‘young urban professional’. Nu, ik ben jong, ik woon nu in Antwerpen en onze kantoren zijn gevestigd in Brussel en ik hoop dat ik op een professionele manier bezig ben. In die zin ben ik dus een yuppie. Maar de mentaliteit die het woord doorgaans oproept, dus van blitse jongens die in een Golf-GTI vooral bekommerd zijn om gezien te worden op de juiste party’s, die is mij totaal vreemd. En in de film is ook Michael Pas tot op zekere hoogte een yuppie, maar eigenlijk heb ik die tekst waarin die hoogdravende termen voorkomen gebruikt voor de subsidiëringscommissie en daar moet je juist alles wat dikker in de verf zetten.”
– Uiteraard vormt dit de aanloop tot een gesprek over het verleden van Verheyen zelf, want, geef toe, als achttienjarige een internationaal filmfestival organiseren in het Casino van Knokke het is…
J.V.:
“Het is een beetje Monty Python, hé!”
– Jan Verheyen giert van het lachen, maar toch heeft hij daarvoor destijds Robert Altman, Roger Corman, Sam Raimi, Dennis Hopper, Monique Van de Ven, Susannah York en nog vele andere kunnen strikken. Het Gentse Filmgebeuren wil hiervoor ongetwijfeld tekenen!
J.V.:
“Natuurlijk. Blind zelfs. Als die ruzie er met het Casino en het stadsbestuur niet was gekomen, dan ben ik er overigens zeker van dat het festival nog zou bestaan en niet als een kleintje. Maar in deze tijden van ver doorgedreven professionalisme denk ik niet dat dit nog zou kunnen. Dat geldt trouwens ook voor het opstarten van ons distributienet. Ik denk niet dat er in deze keiharde business nu nog plaats zou zijn voor twee gasten met 100.000fr geleend geld en een film die niemand anders wil.”
– En die film was…
J.V.:
“De Illusionist” van Freek De Jonge.
– Maar daar zal je toch niet rijk van zijn geworden.
J.V.:
“Helemaal niet. Maar we hebben daar ook niets aan verloren. Ik geloof dat we zelfs 20.000fr hebben gewonnen. En zo is het in het begin gegaan. Stap voor stap. En als je pech hebt en één van je films flopt, dan heb je gedaan. Maar wij hebben geluk gehad. Al zeg ik altijd dat geluk geen toeval is. En als je dan al eens een meevaller hebt, dan kan je in het vervolg niet in één, maar b.v. in vier films investeren en zo bouw je je huisje, steen voor steen.”
– En wat was dan die eerste steen? Hector?
J.V.:
“Nee, Catholic Boys, een Amerikaanse jongerenfilm met Andrew McCarthy en Donald Sutherland.”
– Ga weg.
J.V.:
“Neenee, die heeft heel goed gelopen. Maar dat is niet te vergelijken met Hector natuurlijk. Dat is geen steen, dat is een hele villa. En nu hebben we met Terminator 2 weer zo’n groot lot uit de loterij.”
– Over ‘Catholic Boys’ gesproken, Jan Verheyen is wel jonger maar moet hij Tom Lanoye niet hebben gekend op het college in Sint-Niklaas? ‘Boys’ mag dan nog over een heterofiele vriendschap handelen, er zijn toch parallellen met “Kartonnen dozen”?
J.V.:
“Grappig dat je dat nou opmerkt, want in Nederland heeft onze distributeur problemen met de titel. Daar betekent dat immers sowieso dat de film over homo’s gaat. Helaas denkt men er voorlopig aan om hem Kanjers te gaan noemen. Kanjers! Oh boy(s)! Het is wellicht een teken des tijds dat mensen bij een titel als ‘Boys’ of de omschrijving ‘een buddy-movie’ onmiddellijk aan homo’s gaan denken. Maar inderdaad, al heb ik ‘Kartonnen dozen’ nog niet gelezen, ik denk toch dat er overeenkomsten zijn. Er is iets met dat college. Ook al vermoed ik dat Tom Lanoye ongeveer in zijn laatste jaar moet hebben gezeten, toen ik pas aan mijn humaniora begon. We hebben mekaar gekruist zonder elkaar ooit echt te hebben ontmoet, maar het blijkt nu toch dat die collegejaren op een of andere manier een indruk op ons hebben nagelaten. En die vriendschap, Marc Punt en ik, dat duurt ook al tien jaar. Let op, dat is geen homoseksuele relatie, maar dat is dus al tien jaar iemand waarmee ik professioneel heel goed kan samenwerken en waarmee ik daarnaast ook heel goed opschiet. Dat is dus werkelijk een zegen, een combinatie uit de duizend.”
“En dat reflecteert zich ook in de film, die ik geen ‘jongensfilm’ zou willen noemen, omdat er ook heel sterke vrouwenrollen inzitten, maar als je Tom en Peter (de personages die Michael Pas en Tom van Bauwel spelen) samenziet, dan heeft dat toch iets heel tofs. Zoiets als avonturen uit jongensboeken. De bende van Pietje Bell of zo. Ik heb ook uit mijn humaniorajaren een paar mensen overgehouden, met wie ik het zo goed heb kunnen vinden dat die relatie de tand des tijds echt doorstaat, ook al gaat ge naar andere scholen nadien en komt ge in andere professionele milieus terecht. Zo bel ik ieder weekend nog met een vriend uit de humaniora, waar ik af en toe ook mee uitga. En ik denk dat dit bij iedereen zo is. Enfin, ik hoop dat toch.”
“Een van mijn lievelingsfilms, St.Elmo’s Fire van Joel Schumacher, gaat daarover. De intensiteit waarmee zo’n klas gedurende zes jaar samenleeft… De laatste dag van het laatste jaar worden er dure eden gezworen, worden er adressen uitgewisseld en vallen mensen in elkaars armen, want in sommige gevallen heb je met iemand dus zes jaar doorgebracht! Zes jaar! Er zijn mensen die elkaar minder lang kennen vooraleer ze trouwen. Zes jaar lang beleef je allerlei dingen en dan is dat plotseling gedaan. En veel van die vriendschappen zie je dan verwateren. Maar de vriendschap van Tom en Peter is blijven bestaan, zoals ik hoop dat iedereen wel een aantal echte vrienden heeft overgehouden aan zijn humaniorajaren.”
– Jan Verheyen zorgde er ook voor dat aan “Boys” een kortfilm werd gekoppeld: “Yuppies” van Erik Van Looy, filmrecensent van “Panorama” en “Flair” en regisseur van “Première Film & Video” op de BRTN.
J.V.:
“Wij maken per jaar één kortfilm en zorgen er als distributeurs voor dat die effectief in een aantal steden wordt vertoond. Heel dat systeem is immers zo verziekt dat kortfilms normaal weinig kans krijgen. Ik ga daar nu niet op ingaan, maar de kortfilms die door ons worden gemaakt, worden dan tenminste toch vertoond. Ook die van mij werd destijds gekoppeld aan een aantal films die wij hebben uitgebracht, maar dat wil daarom nog niet zeggen dat hij ook effektief in de zalen te zien was. Dat heeft weer met een boel andere dingen te maken. En dat zal dus ongetwijfeld ook voor Eric het geval zijn, al hoop ik van niet, want ik geloof echt in die jongen. Ik denk dat we later nog andere dingen met hem zullen doen.”
– Verheyen zelf had vóór ‘Boys’ dus eveneens een kortfilm gedraaid, “A helping hand”. En zoals het met kortfilms gaat, heeft niemand die film gezien, dus ik ook niet. Moet ik mij de titel voorstellen in de betekenis van de masturbatierecords die Lanoye probeert te vestigen?
Jan Verheyen (komt niet meer bij van het lachen):
“Nee, het gaat over helemaal iets anders. Het gaat over een jongetje wiens vader een niet echt goedlopend slopersbedrijf heeft. autokerkhof, zoals men gewoonlijk zegt. En de moeder duwt haar vent geregeld met zijn neus in de stront van de realiteit. Maar dat jongetje wordt daardoor zo aangegrepen dat hij ’s nachts opstaat om vanop de brug over de autostrade stenen te smijten naar auto’s, zodat die zou verongelukken en zijn vader een extra-wrak zou hebben om te gaan ophalen. Vandaar ‘a helping hand‘: hij steekt een handje toe.”
– Een verborgen talent van Jan Verheyen blijkt te zijn dat hij ook een theatershow heeft, namelijk “De nacht van de wansmaak”. What’s in a name?
J.V.:
“Dat is eigenlijk het werk van mijn alterego, Max Rockatansky. Die heeft nogal wat belangstelling voor films die zo slecht zijn dat ze plezant worden. Dingen die met de beste bedoelingen zijn gemaakt, maar met zo weinig middelen dat ze echt slecht zijn. Cultfilms eigenlijk. En af en toe trekt Max met een programma dat bestaat uit fragmenten of uit trailers van dat soort films, soms zelfs met een volledige film, het land in. En die fragmenten worden dan door Max aan elkaar gepraat op zijn eigen onnavolgbare wijze. Eigenlijk heeft die show meer succes in Nederland dan in Vlaanderen. Dat lijkt me ook logisch, aangezien het over wansmakelijkheden gaat…”
“Nee, eigenlijk doe ik dat wel graag, maar het probleem is dat ik alles zelf moet doen en dat is er te veel aan. Als ik echter iemand zou vinden die de organisatorische kant van de zaak van mij overneemt, dan zie ik me dat nog wel meer doen, ja. Ik vind dat immers heel plezant. Dat komt wellicht overeen met andere mensen die dan in een hardrock-groep gaan spelen of zo. Ik kruip dan in de huid van Max Rockatansky en ik freak uit in de Nacht van de Wansmaak. Oorspronkelijk is dat trouwens gegroeid uit het feit dat we de schulden voor Knokke moesten inlossen. Toen trokken we met de succesformules ‘De nacht van de erotiek’, ‘De nacht van de horror’, ‘De nacht van de lach’ naar bioscoopzalen en zorgden voor wat animatie daarrond.”
Diezelfde Max Rockatansky vult in het studentenblad “Studentikoos” niet minder dan drie bladzijden over “Boys”, die uiteraard als “sympathiek, onstuimig en enthousiast” wordt omschreven. Daarnaast stipt “Max” toch wel een paar “schoonheidsfoutjes” aan (“de humor is bij momenten net iets té nadrukkelijk en het verhaaltje erg dun”), maar komt tot de conclusie dat het “al bij al een fijne film is waar je constant geamuseerd naar zit te kijken”. Zoals Marc Reynebeau zou zeggen: “We ‘emme d’r hier in Antwaarpe al veel gezien, maar zo ene nog nie, hé mannen?” De vierde pagina van de “Wordt verwacht”-krant wordt trouwens gevuld door “Riff-Raff” en “Blue Movie Blue”, als het ware toevallig nog twee andere films door Independent uitgebracht. Maar we blijven beleefd (eigenlijk vooral omdat we dit pas nà het interview hebben vastgesteld) en stellen dus gewoon de volgende vraag…
– En nu? “Kartonnen dozen”?
Jan Verheyen:
“Robbe De Hert heeft de filmrechten al gekocht. Maar ik wil wel ‘Alles moet weg’ doen. Daar kroop ontzettend veel tijd en energie in, net als in een scenario voor een langspeelfilm rond “F.C.De Kampioenen”.
Hiervoor werd met de BRT onderhandeld over een coproductie en werd een scenario geschreven samen met Frank Van Laecke die in de beginperiode van de TV-serie ook hiervoor de meeste scenario’s heeft geleverd. Het zal echter uiteindelijk nog tot de 21ste eeuw duren vooraleer Jan twee “F.C.De Kampioenen”-films zal regisseren.

Referentie
Ronny De Schepper, “Wonderboy Jan Verheyen debuteert met filmkomedie”, Graffiti december 1991.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s