Met de bergen heb ik nooit een liefdevolle relatie gehad. Mijn eerste kennismaking zal veeleer vlak geweest zijn, heel vlak. Op papier. Via wat men zichtkaarten noemde, een lelijke term vond ik altijd. Het kon nog erger: aanzichtkaarten, afgeleid van het Duits. Bizar genoeg zijn zowel zichtkaart als de afgeleide ansichtkaart door onze Taalunie goedgekeurd. Ik hou het dan toch liever bij de mondvolle prentbriefkaart.

Niet dat we er in mijn zo ver achter ons liggende jeugd een massa toegestuurd kregen, en al helemaal niet uit streken waar de toppen zich hemelwaarts spoedden. Het toerisme richting die streken geschiedde nog maar mondjesmaat en was voorbehouden aan de meer begoeden zoals, ja zoals wie? Mijn peter, bijgenaamd nonkel Jef, en zijn echtgenote Louisa, gemeenzaam tantje Wies benoemd. Ze trokken jaarlijks in de auto naar een of ander van gebergte en sneeuw voorzien oord. Niet om te skiën, de here beware hen. Wandelen, zonnen, rusten en uitgebreid après-skiën, dat wel. En kaartjes sturen naar de familie dus. Of ik toen, kleuter, peuter… al veel inzicht had in wat zich op de foto vertoonde? Ik betwijfel het.

Wel kreeg ik ontzag voor datgene waarmee ik geconfronteerd werd op de foto’s waarop mijn vader figureerde tegen een achtergrond van grijze rotsen en hoge pieken. Gedurende ettelijke jaren trok hij er met enkele vrienden kamperend op uit richting Moezel en Rijn. De foto’s moesten getuigen van hun plezier en van het overweldigend natuurschoon. Pas veel later, het zou me vijftig jaren kosten, kwam ik tot de ontnuchterende vaststelling dat die bergen in de Eiffel waar ik toen met ontzag naar had gekeken, in feite nauwelijks kleine termietenheuvels waren. Een aantal eigen verblijven in Cochem reduceerden de vervaarlijke bergen van de vaderlijke foto’s tot sympathieke glooiingen vol druiven. Idyllisch.

Toen zou dan toch de eerste confrontatie komen met the real thing. Al was hij niet zo spectaculair hoog, het gebeuren liet toch zijn sporen na. Hij is slechts 1858 meters hoog, een klein broertje dus deze Pania della Croce, een flinke rots van de Apuaanse Alpen (zeg niet Apennijnen tegen hen!) op hapklare afstand van het Italiaanse Lucca. En het was daar dat ik, achttien jaar jong, met tien stadsgenoten en zo’n dertig knapen en meiden van ongeveer onze leeftijd, gedurende tien dagen verbleef. Gratis reisje. In het kader van de verzustering tussen diverse steden uit België, Frankrijk, Duitsland, Engeland en uiteraard Italië dus. Voor het goede contact tussen de jeugd organiseerden onze autochtone vrienden een gezellige uitstap, ieder naar keuze van de familie aan wie hij toevertrouwd was. Viel ik nu toch niet in de handen van een knaap die mij, en twee andere gezellen, in zijn Fiat-bolhoedje wou tonen hoe mooi het Toscaanse landschap was bekeken van tussen de wolken. ‘In de handen’ is hier een foute uitdrukking vermits de knaap als stuurhand slechts beschikte over een stomp die er als een grote duim uitzag. In zijn bolide raasden we over smalle (zeer smalle) paden, langs haarspeldbochten, naast duizelingwekkende ravijnen richting de dood (dachten we). Terwijl hij met de stomp het stuur flitsend draaide siste hij me toe mijn elleboog binnen de auto te houden – geen nodeloze waarschuwing want steevast schuurde hij tegen de rotsen aan, het wagentje werd gemarteld en gepijnigd. Italianen, macho’s? Of ik bang was, niet echt. Onder de indruk, dat wel. De bergen, nee niet mijn ding!

Nochtans moet ik hen in mijn prille jeugd als gezellig ervaren hebben; of tenminste één aspect ervan. Alleen… ik besefte niet dat het iets met bergen te maken had, het was een beperkte kader uitgesneden binnen de lijst van het tv-toestel. Nieuwjaarsdag. Vaste prik: het concert uit Wenen en daarna het skigebeuren in Garmisch-Partenkirchen. De competitie interesseerde me niet, ik volgde het niet, begreep er niks van; maar het zien van dat maagdelijke wit, het geluid van suizen over de sneeuw… Verder had ik er niks mee. Mensen die door de lucht vlogen met enorme latten aan hun voeten; andere die in duizelingwekkende vaart zo kronkelend mogelijk trachtten vlaggen en poortjes te ontwijken en zich naar beneden stortten. Pas later begreep ik dat dit alles zich afspeelde tegen, op en dankzij het bestaan van het fenomeen berg. En dat dit iets was dat ze als volksvermaak te bieden hadden: skiën. Onbegrijpelijk. Net als alle afgeleiden, bobslee, snowboarden, langlaufen, rodelen.

Zou het gebergte nog iets meer te bieden hebben dan wat ik er dan toch voor mezelf als min of meer positief uit wist te puren. Ongetwijfeld, nog twee mogelijkheden tot amusement des volks bleken open te liggen. Maar laat ik eerst bekennen wat mij af en toe verzoende met dat grillige zwijgende gesteente. In feite gaat het over romantiek, erger zelfs, het is platte sentimentaliteit. Waar die een oorsprong vond? Het zal wel een samenspel geweest zijn van allerlei dat de te ontvankelijke kinderziel ooit trof. Van ordinaire te vaak gehoorde Duitse schlagers als ‘Junge komm bald wieder’ en het gedwongen consumeren, meermaals, van ‘The sound of music’. Duistere hoge rotsen, lieflijke groene weiden met grazende schapen en huppelende geiten, het geklingel van koeienbellen. Voeg daar misschien nog een sombere burcht verheven boven de imponerende Rijn aan toe en het gedicht van Heine over de Lorelei… Dan zit je gebeiteld voor de naïeve sfeer die ik later terugvond kijkend met de kleinkinderen naar de tekenfilmversies van ‘Heidi’, het weesmeisje dat in de Alpen bij haar grootvader woont. Laat de tranen stromen.

Toegegeven, die Rijn verleent in de werkelijkheid als contrast aan de rotsen wel enige sfeer. Dat imponeerde ook mij toen ik bij de samenvloeiing met de Moezel stond in Koblenz. Je kon daar met een heel veilige kabellift in gesloten cabine een hoge piek bereiken om daar het landschap en de cruciale vereniging der stromen te bewonderen. Van ons familiegezelschap, tien volwassenen, bleken we met slechts vier voldoende stoutmoedig om ons aan dit avontuur te wagen. Tot puntje bij de aankoop van de tickets kwam en ik als enige restte. In de loop der jaren – Coblenz was onze vaste vakantiepleisterplaats en Koblenz een verplichte uitstap – herhaalde dit scenario zich nog tweemaal. Ik heb de Moezel dus niet vanuit een verheven standpunt met de Rijn zien paren.

Het gevolg van al dat overgevoelige is dat ik nog wel eens kan wegdromen bij het (louter toevallig) aanschouwen van een berglandschap als er beelden van een wielerwedstrijd als de Tour op het scherm verschijnen. Wat mij dan weer herinnert aan een uitstap met een autobusgezelschap: we hielden halt op de top van een ‘col’ die blijkbaar berucht was wegens jaarlijks één der hoogtepunten van de vermaarde Ronde. Wat een verrukking, wat een euforie om ons daar te bevinden. Niemand had oog voor het landschap, op de foto’s voor het thuisfront zou uitsluitend het bordje met de naam van de berg prijken – het bewijs! Wielergekte. Al was er toen gelukkig geen renner te bekennen. Meteen is hier vermeld welk nut de bergen bezitten voor de mensheid, met een trui in een of andere kleur voor ogen puffend op twee wielen naar de top en terug naar beneden rijden. Zelfs hier trachten ze dat na te bootsen op de molshopen die nogal megalomaan namen toebedeeld kregen als Kemmelberg, Koppenberg, Taaienberg, Paterberg…

Er is nog een volksvermaak dat ik niet onvermeld mag laten hoewel het minder populair is, van een kleinere aanhang moet genieten. Gelukkig. Want het is al bij al gevaarlijker dan op latten naar beneden schuifelen of op dunne bandjes trachten de snelste te zijn om, eens boven, zich terug naar het dal te kunnen storten – of daar met velen naar kijken wat het meest essentiële onderdeel van het gebeuren is want zonder al die toeschouwers, lijfelijk maar vooral mediagewijs, zou er allicht weinig lol en geen lang leven bestaan voor dit raar fietsgedoe. Een beperkt amusement dus dit laatste: individuen die louter met lichaamskracht, geholpen door handen en voeten, met summier materiaal (enige touwen en klimhaken) vanuit het dal absoluut de top van de door hen geselecteerde rots willen veroveren. Hoe hoger hoe meer prestige. Het nut van dit alles? Geen. Zichzelf bevestigen. De roes.

Het wordt te gek wanneer je ziet hoe een complete expeditie opgesteld wordt, met dragers voor het materiaal want men klimt in dagetappes, slaat meermaals de tenten op. Een hele onderneming. Men neme best een bekwame kok mee. Het zou me niet verbazen dat een schoenpoetser in het gezelschap opgenomen is. Ach laat ik individuen die zich graag aan het gesteente omhoog hijsen – het zal wel spannender zijn dan een klimmuur met snoepkleurtjes – hun pleziertje. En ontdekkingsreizigers als Edmund Hillary die de 9000 meter hoge Mount Everest veroveren hun triomf gunnen, al heeft de sherpa die zijn bagage droeg zich waarschijnlijk meer inspanningen getroost. De bergen, uiteindelijk is wat ze hoofdzakelijk doen: in de weg staan. Dat moet ook Hannibal al geoordeeld hebben in 200 voor X toen hij gedwongen was met zijn olifanten de Alpen over te steken bij Mont Cenis; tja van de Fréjustunnel kon hij toen nog geen gebruik maken. Een tunnel lag wel klaar voor ons reisgezelschap toen we in een autobus via Zwitserland naar Italië reisden. Eentje van 16.942 meter, de St. Gotthard. Het was avond. Regen, hagel, sneeuw. Een ideale nacht om onderhoudswerkzaamheden in de tunnel te plannen en deze dus te sluiten. Resultaat: of aansluiten bij de massa wachtende vehikels tot bij het ochtendgloren de poort weer zou opengaan met licht aan het eind van de tunnel; of de beruchte pas oprijden. Onze chauffeur was gedwongen, gezien het reisschema, met tegenzin en de bibber, voor de gevaarlijke, smalle, inmiddels gladde en rijkelijk voorzien van onoverzichtelijke haarspeldbochten weg over de Alpenberg te opteren. Inmiddels was het nacht, sneeuwde het overvloedig en sliep vrijwel iedereen in de bus, zich niet bewust van de expeditie die gepland was. Niet ik die, met instemming van de chauffeur (wellicht was hij zelfs verheugd een compagnon in zijn lijden te hebben, want het zweet parelde hem gedurende de doodsrit over het steeds groener wordend gelaat: “zoiets heb ik nog nooit gedaan en ik zweer het, doe ik ook nooit meer!”) naast hem in de begeleidersstoel postvatte. Een heel trage trip werd het. Met op het eind een zucht van verlichting die hoorbaar was tot in Menen, thuisbasis van de reismaatschappij Herman en Vandamme die hem wel een gevarenpremie mochten betalen. Met dank aan de Alpen. 

Bergen… ik geef toe ze ogen mooi, en eens je ergens bovenop hen beland zou zijn (door een dom toeval) laten ze je van een fraai uitzicht genieten. Maar verder? Over hen moeten rijden met een onthande chauffeur bijvoorbeeld, of in een maan- en sterrenloze nacht door een sneeuwstorm over beijzelde paden, wie daar enig nut of genoegen in vindt… Mijn biotoop de Wase polders, saai inderdaad, en aardappelloof oogt niet zo mooi als edelweiss, maar wel veilig en voorspelbaar. Wat al bij al toch niet zo leuk is bedenk ik. Tenslotte heb ik toch wel fraaie herinneringen opgeslagen, mooie beelden… een kronkelend bergpad, een klein beekje dat slingerde tussen de rotsen, een waterval. En Heidi zal inmiddels al volwassen zijn…                      

Johan de Belie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.