Alois Alzheimer (1864-1915)

alzheimer

Het is vandaag honderd jaar geleden dat de Duitse neuropatholoog en psychiater Alois Alzheimer is overleden. Ik mag hem hier zeker niet vergeten te vermelden (daar is de eerste grap al!) want zijn naam gaat hier nogal vaak over de tong. De laatste keer zelfs tegenover mijn huisarts. Maar die vond dat er niks aan de hand was: “Iedereen vergeet wel al eens iets.” Daarom hou ik deze bijdrage in de luchtige sfeer, ook al betreft het hier een ernstige ziekte natuurlijk. Maar zelfs al zou mijn dokter ongelijk hebben, dan nog kunnen we er maar beter om lachen, zoals Beaumarchais placht te zeggen: “Je ris de peur d’être obligé d’en pleurer”. En daarom herdenk ik de dood van de eerbiedwaardige dokter met een recensie van het stuk “Tante Euthanasie gaat achteruit” van Kamagurka, waarin de dokter ook een rol mag vertolken…
Lees verder “Alois Alzheimer (1864-1915)”

Leve Mattheus!

$T2eC16FHJGgFFm5oBM53BRni-b46kg~~60_35Twintig jaar geleden werd in Gent de Minardschouwburg van Romain Deconinck heropend. Dat gebeurde met een voorstelling van Pier Paolo Pasolini’s “Orgie” door het NTG in een regie van Sam Bogaerts. Een grotere klap in het gezicht van de liefhebbers van het volkstoneel van Romain Deconinck of van diegenen die hadden gedacht dat de Gentse amateurtheaters hier een onderkomen zouden kunnen vinden was niet mogelijk. Niet voor niets zegt de volksmond dan ook dat het beeld van Romain Deconinck er op de trappen bij zit met zijn rug naar de schouwburg, ‘om niet te moeten zien wat er momenteel op de scène opgevoerd wordt’. Het was immers een doelbewuste strategie van het stadsbestuur om deze schouwburg weliswaar prachtig te laten renoveren, maar dan nadien de deur enkel open te zetten voor de kapitaalkrachtige middenklasse die naar de Hogere Kunsten gingen kijken. Nochtans kunnen zij zich hun avondje uit gemakkelijk permitteren, maar toch gaan artistieke subsidies voornamelijk naar producties die zich tot die klasse richten: het bekende Mattheus-effect…
Lees verder “Leve Mattheus!”

Jeugdtheater op keerpunt

01 vuile mongEen vijftal jaren terug namen enkele theaters het initiatief om zich te ontfermen over « de vergeten leeftijd », de tieners die te oud zijn voor kindertoneel en te jong (?) voor het « volwassen » theater. Nu, bij de aanvang van het jaar van de jeugd, blijven er niet veel meer van die goede voornemens over. Niet te verwonderen eigenlijk want deze groepen waren de gemakkelijke punchbal voor kritiek uit twee richtingen. In feite waren zij het immers die ervoor moesten opdraaien dat « het » toneel zo weinig de jonge mensen aanspreekt (zie hiervoor ook de « Infolder » van Info-Jeugd).
Lees verder “Jeugdtheater op keerpunt”

“Mario ga eens opendoen er werd gebeld”

Morgen zal het alweer twintig jaar geleden zijn dat ik “Mario ga eens opendoen er werd gebeld” heb gezien, een stuk dat Kamagurka speciaal voor het N.T.G. heeft geschreven. Het werd Kamagurka zoals te verwachten en te voorzien was. Zelfs de muziek van Johan De Smet was min of meer te voorzien, maar daarom niet minder geslaagd. De mini-opera, ingestudeerd door Françoise Van Hecke, met de poolreiziger was m.i. dan ook het beste onderdeel. Maar ook de machinisten hadden hun werk, want dit toneelstuk was zoniet grensverleggend, dan toch publiekverleggend! Plotseling zagen we de dingen soms in een heel ander licht (van Jaak van de Velde).
Lees verder ““Mario ga eens opendoen er werd gebeld””

Onder de torens

“Onder de torens” werd in het NTG opgevoerd in een regie van Sam Bogaerts (“Claus is voor mij toch jarenlang een ouwe zeiker gebleven die enkele goede gedichten had geschreven”, HLN 15/10/93), die echter volgens Jef Demedts op de helft van de repetities niet eens aanwezig geweest was (tegen Ingrid van der Veken in Het Laatste Nieuws: “Ja, ik ben heel combattief als het om het NTG gaat, voor 75 procent zijn voorstellingen hier gered door de acteurs. Herinner je je die rel bij de opening van de nieuwe schouwburg met ‘Onder de Torens’ van Hugo Claus? Wel, Sam Bogaerts is als regisseur op de helft van de repetities niet eens aanwezig geweest!”).
Lees verder “Onder de torens”

Het Salon

Sam Bogaerts was vanaf het seizoen 1993-1994 verantwoordelijk voor “Het Salon”, een “experiment” dat in dat seizoen is van start gegaan in het NTG. Sam Bogaerts is in Gent terechtgekomen na zijn “Hollands avontuur” (aan Toneelgroep Amsterdam hield hij naar eigen zeggen namelijk een heroïneverslaving over). Hij is altijd al een speciaal geval geweest. Hij is pas naar de toneelschool getrokken toen hij reeds 27 was. Daarvóór deed hij allerlei jobs: boekhouder, chauffeur, dokwerker, expediteur… Hij had immers zelfs niet eens de middelbare school uitgedaan. Het was pas toen zijn huwelijk op de klippen liep en hij een meisje ontmoette dat toneel studeerde dat hij ook enige belangstelling voor toneel begon te ontwikkelen. Ik zeg wel “enige”, want eigenlijk gaat hij ook nu nog altijd enkel “om professionele redenen” naar theater. Hij vindt het immers niet vervelend, maar overbodig. Zelfs het conservatorium in Brussel heeft hij niet afgemaakt, omdat hij ruzie kreeg met Jan Decorte (terecht m.i.: hij moest iemand écht pijn doen en dat weigerde hij). Dat maakte evenwel niet veel uit, want hij had toen al De Witte Kraai gesticht.
Lees verder “Het Salon”

“The dumb waiter” van Harold Pinter in NTG (26/9/1992)

Harold Pinter debuteerde met de eenakters “The Room” en “The dumb waiter” (De dienstlift) in 1957. Dit laatste stuk werd in een regie van Sam Bogaerts en een decor van Stefaan Depover & Valentine Kempynck opgevoerd in het NTG door Jef Demedts (Ben) en Bob Van der Veken (Gust).
De atmosfeer van dreiging en onzekerheid die in zijn stukken is terug te vinden wordt vaak toegeschreven aan het feit dat Pinter werd geboren in 1930 in een proletarische buurt van Oost-Londen. Omwille van zijn Joods-Portugese afkomst werd hij toen immers vaak door met afgebroken flessen gewapende benden opgewacht.
Sam Bogaerts laat de twee huurmoordenaars die op hun volgende opdracht wachten, spelen in een ruimte die ook nog vooraan (met glas uiteraard) is afgesloten. Dit verhoogt het claustrofobische aspect en het (noodzakelijke) gebruik van een geluidsversterking draagt eveneens bij tot een vervreemdende sfeer.
Toch kan men Pinter m.i. onmogelijk in een zelfde laadje stoppen als Beckett, Ionesco of andere “absurdisten”. Voor mijn part is Pinter zelfs hyperrealistisch. Het is dus niet omdat we hier ook te maken hebben met twee figuren die op iemand als Godot zitten te wachten, dat dit stuk ook absurd zou zijn. Integendeel, er zit zelfs een vrij voor de hand liggende ontknoping in (omdat Gust zich vragen begint te stellen over zijn job, is hij het volgende slachtoffer).
Ook de dialogen zijn realistischer als men vaak veronderstelt. Ik zal even een voorbeeld geven uit mijn eigen leven. Als ik aan mijn zoon of mijn vriendin vraag of ze koffie moeten hebben, dan zet ik hen thee voor. Ik wéét namelijk dat ze thee boven koffie verkiezen. Als ik dus voor mezelf koffie zet, maak ik meteen thee voor hen, als ze daar zin in hebben. Voor een buitenstaander lijkt het dus “surrealistisch” of “absurd” als ik thee geef aan iemand die koffie heeft gevraagd, maar in feite zou dit hyperrealistisch zijn. Het zou slechts “toneel­realistisch” worden, als ik zou zeggen: “Ik ga koffie zetten, maar jullie lusten liever thee, nietwaar?”
Een ander punt is het feit dat Bogaerts (samen met dramaturg Frans Redant) de “actie” heeft verplaatst naar België, meer bepaald naar Luik. Grappige knipoog naar de huidige gangstertoestanden in die stad natuurlijk, maar het brengt wel op een bepaald moment een fout mee. Het stuk speelt zich namelijk af in 1957 (men is daar zeer expliciet over, in de aankleding b.v.) en toch heeft men het over een wedstrijd tussen Club Luik en S.K.Beveren. Nu, in 1957 speelde Beveren allicht nog in Bevordering of zoiets. Bovendien wordt hen een witte uitrusting toegedicht (omdat in het origineel Leeds wordt bedoeld?), waar geel-blauw beter op z’n plaats zou zijn!
Een horloge die achterste voren loopt is misschien nog het meest absurdistische uit het ganse stuk.