Joe McCarthy (1908-1957)

Joe McCarthy (1908-1957)

Het is vandaag al 65 jaar geleden dat de republikeinse senator Joseph McCarthy, die vooral bekend is van de commissie die zijn naam draagt, werd teruggefloten door het leger. Die commissie had jarenlang een heksenjacht geopend op al wie linkse sympathieën had in het Hollywood-wereldje van de vroege jaren vijftig, maar toen ze 65 jaar geleden ook het leger op de korrel wou nemen, keerde zich dit als een boemerang tegen hen en werd McCarthy beschuldigd van “undue pressure tactics”.
Lees verder “Joe McCarthy (1908-1957)”

Allen Ginsberg (1926-1997)

Allen Ginsberg (1926-1997)

Het is vandaag al twintig jaar geleden dat in New York op 70-jarige leeftijd Allen Ginsberg is overleden aan leverkanker. Was de doodsoorzaak redelijk voorspelbaar (tien jaar eerder werd reeds levercirrose vastgesteld), dan heeft de kwieke baas het nog lang uitgezongen, als men rekent dat z’n ouwe maat Jack Kerouac reeds in 1969 aan een overbelaste lever ten onder is gegaan.
Lees verder “Allen Ginsberg (1926-1997)”

Dirk Bogarde (1921-1999)

Dirk Bogarde (1921-1999)

Vandaag is het al vijftien jaar geleden dat de Britse filmacteur Dirk Bogarde (rechts op de foto) is overleden.

Eigenlijk heette hij Derek Jules Gaspard Ulric Niven van den Bogaerde. Zijn vader, Ulric van den Bogaerde, was kunstredacteur van The Times en half-Nederlands. Zijn moeder Margaret Niven was een voormalige actrice. Na zijn studie aan de University College van Londen ging hij reclameontwerpen studeren. Tijdens zijn studie begon hij te acteren. Zijn toneeldebuut maakte hij bij de Amersham Repertory Company in 1939. Datzelfde jaar maakte hij tevens zijn filmdebuut in een tekstloze figurantenrol in de komedie Come On George van George Formby.
Bogarde ging in 1940 bij het Britse leger. Uiteindelijk keerde hij na vijf jaar terug uit de oorlog met zeven medailles en de rang van majoor. Al snel na zijn terugkeer zette Bogarde zijn acteercarrière voort. In 1947 speelde hij in Londen in het toneelstuk Power Without Glory, waarbij hij werd opgemerkt door een talentscout voor de Rank Organisation. Bogarde tekende een filmcontract bij deze maatschappij en al in 1947 had hij zijn eerste filmrol met tekst, Dancing With Crime. In 1948 speelde hij zijn eerste hoofdrol in de film Esther Waters, nadat Stewart Granger, de beoogde hoofdrolspeler, zich terugtrok uit de film. Het succes van deze film leverde hem een contract van veertien jaar op bij Wessex.
In 1950 werd Bogarde bij het grote publiek bekend als talentvol acteur in zijn rol van de jonge copkiller Tom Riley in de misdaadthriller The Blue Lamp. In 1954 werkte hij voor het eerst samen met de uit de Verenigde Staten gevluchte regisseur Joseph Losey in de film The Sleeping Tiger, maar Losey gebruikte de naam Terence Hanbury opdat de film toch ook een kans zou maken in de V.S., waar Losey nog altijd op de Zwarte Lijst van McCarthy stond.
Hij werd een groot ster in 1954 met zijn rol van dokter Simon Sparrow in de komedie Doctor in the House, een zeer succesvolle film waarop twee vervolgen kwamen, Doctor at Sea met Brigitte Bardot (1955) en Doctor at Large (1957). Dokter Simon Sparrow maakte van Bogarde een vrouwenidool en een van de populairste en succesvolste Britse acteurs van de jaren vijftig.
Op het hoogtepunt van zijn roem speelde hij dan ook de charismatische Sydney Carton in “A tale of two cities” van Ralph Thomas uit 1958 naar het boek van Charles Dickens.
In 1960 maakte hij zijn enige Hollywoodfilm, Song Without End van George Cukor, waarin hij componist Franz Liszt speelde.
Latere rollen waren meer gewaagd, zoals Basil Deardens controversiële Victim (foto) uit 1961, de eerste Britse film die sympathiek met het onderwerp homoseksualiteit omging. Bogarde speelde hierin een getrouwde advocaat die werd gechanteerd met zijn geheime homoseksualiteit. Echt verboden werd de film niet, maar dat was ook moeilijk want alles werd zeer subtiel aangebracht. Een kopie van een Romeins naakt standbeeld moest b.v. aanduiden dat de eigenaar homofiel was. Het ging zelfs zo ver dat Dirk Bogarde eiste dat er toch één scène in voorkwam, waarin hij onverbloemd tegen zijn wettige echtgenote mocht zeggen dat hij van een man hield.
Alhoewel Dirk Bogarde zich nooit heeft “geout”, is hij toch de man die op dat vlak voor een doorbraak heeft gezorgd. Dat kwam o.m. ook door het feit dat hij erg populair was bij de meisjes wegens de zogenaamde “dokterfilms” en Bogarde had daar een hartsgrondige hekel aan. Zo kwam het dat hij vlak vóór “Victim” al een western had gedraaid, “The singer not the song” (later overigens de inspiratie voor een nummer van The Rolling Stones), waarin hij een outlaw vertolkte die het vuur aan de schenen legde van een pastoor (gespeeld door John Mills), omdat hij een verdrongen liefde koesterde voor de man. Deze problematiek werd als dusdanig echter niet gesnapt door het publiek, wat niet echt te verwonderen was, als men weet dat het nog bijna vijftig jaar zou duren vooraleer “Brokeback Mountain” werd gedraaid. En ook in Groot-Brittannië zou het nog tot 1971 en “Sunday bloody sunday” duren vooraleer Peter Finch en Murray Head elkaar de eerste zoen onder mannen zouden geven op het witte doek. Het onderwerp lag, in een tijd waarin homoseksualiteit nog verboden was in het Verenigd Koninkrijk, zeer gevoelig bij het publiek, en Bogarde verloor veel fans uit zijn “Dokter Simon Sparrow”-tijd. Het opende wel de weg voor hem naar meer uitdagende rollen in arthouse-films.
In de jaren zestig werkte hij weer enkele malen samen met Losey, wat resulteerde in de films The Servant (1963), King and Country (1964) en Accident (1967). Ook maakte hij met regisseur John Schlesinger de film Darling (1965). Mede door deze films en Victim kreeg Bogarde ook meer waardering bij filmcritici. Tweemaal kreeg hij de BAFTA voor Beste Acteur, voor zijn rollen als decadente bediende in The Servant en als televisieverslaggever in Darling.
Dirk Bogarde en Julie Christie, zijn tegenspeelster in Darling, waren twee van de belangrijkste gegadigden voor de hoofdrollen in Dr. Zhivago (1965). Tijdens de opnames van Darling kregen ze echter te horen dat Bogarde de rol niet had gekregen, maar Christie wel. De rol ging uiteindelijk naar Omar Sharif.
In latere jaren was Bogarde in minder films te zien. Hij speelde wel nog in twee films van Luchino Visconti, The Damned (1969) en Death in Venice (1971). Zijn rol als de stervende componist Gustav von Aschenbach in Death in Venice is tegenwoordig waarschijnlijk Bogardes bekendste filmrol. In 1974 speelde hij in het controversiële The Night Porter van Liliana Cavani. In deze film is hij te zien als een ex-nazi-officier die na jaren de vrouw tegenkomt die tijdens de oorlog in een concentratiekamp zijn seksslavin was. Het was Dirk Bogarde (overigens ooit nog als soldaat een bevrijder van de kampen) die Charlotte Rampling had voorgesteld als tegenspeelster, nadat hij met haar een scène had gehad in The damned.
Uiteraard zorgde dit thema voor het nodige schandaal, maar ook al werd naderhand “bewezen” dat een vrouwelijk orgasme los staat van het feit of men al dan niet genot beleeft aan een seksuele daad, laat staan ermee instemt (deze studie was vooral belangrijk om slachtoffers van verkrachtingen opnieuw zelfvertrouwen te geven, want de meesten schaamden zich omdat ze desondanks toch een orgasme hadden gehad), toch bestaan er inderdààd verhoudingen waarbij het onderworpen zijn precies erotiserend werkt. Dat Lucia ook na de oorlog dus graag geketend wordt door haar beul is op zich dus niet zo verwonderlijk. Het probleem is alleen maar dat men zo graag veralgemeent en dat Cavani werd aangewreven hiermee de nazi’s te vergoelijken. Dat het bovendien een verhouding was van een dominante man en een onderdanige vrouw is, gezien de historische achtergrond wel normaal, maar ook hier ging men aan het veralgemenen en dat ondanks het feit dat Cavani niet alleen zélf een vrouw is, maar ook nog een documentaire heeft gedraaid over “de vrouw in de weerstand” (1963).
Inhoudelijk draait de film over een “deculpabilisering” die oud-nazi’s via schijnprocessen in dat hotel proberen uit te lokken. Daarvoor hebben zij dan getuigen nodig, die dan later wel “verdwijnen”. Ook Max heeft reeds zo iemand laten “verdwijnen” in een visvijver, maar zal hij dat met Lucia ook kunnen doen? Hij achtervolgt haar alleszins tot op de plaats waar ze haar verloren waardigheid kan hervinden: de uitvoering van Mozarts “Toverfluit”, geleid door haar man.
In de groots opgezette oorlogsfilm A Bridge Too Far (1977) was Bogarde te zien als Luitenant-Generaal Frederick “Boy” Browning. Bogarde was overigens de enige van alle acteurs in de film die daadwerkelijk had gevochten in de Slag om Arnhem. Andere films waren nog Providence van Alain Resnais (1977), waarin hij tegenover Sir John Gielgud speelde, en Despair van Rainer Werner Fassbinder (1978). Na een afwezigheid van twaalf jaar draaide hij in 1990 zijn laatste film, Daddy Nostalgie met Jane Birkin.
In 1984 werd Bogarde gevraagd om de jury-voorzitter te zijn op het Filmfestival van Cannes. Hij was de eerste Brit die werd gevraagd voor deze positie. Bogarde was dan ook een halve Fransman want hij woonde vanaf het begin van de jaren zeventig met zijn manager en goede vriend Anthony (Tony) Forwood in een vijftiende-eeuwse boerderij in Zuid-Frankrijk. Toen bij Forwood kanker werd geconstateerd, verhuisden de twee terug naar Engeland, waar Bogarde voor Forwood bleef zorgen tot zijn dood in 1988. Na Forwoods dood werd Bogarde een fervent voorstander van euthanasie, en werd zelfs vicevoorzitter van de Voluntary Euthanasia Society.
In 1996 werd hijzelf getroffen door een beroerte, waardoor hij gedeeltelijk verlamd raakte. Ondanks zijn verlamming wist hij echter nog het laatste deel van zijn autobiografie te voltooien. Dirk Bogarde stierf uiteindelijk op 78-jarige leeftijd aan een hartaanval.

Lees verder “Dirk Bogarde (1921-1999)”