Het zal nu al een dikke vijf jaar geleden zijn dat ik iets schreef over een boek van Geert Stadeus (links op bovenstaande foto van Anna De Swaef) waarbij ik me de bedenking maakte dat “een moeizaam opgebouwde vriendschap hier onder grote druk zou komen te staan.” Quod erat demonstrandum, want sindsdien heb ik helaas niets meer vernomen van Geert. En zo komt het dat ik alweer op de website van Doorbraak.be ben aangewezen om het over een nieuw boek van Geert te hebben. Samen met ene Stijn Van der Stockt (mij totaal onbekend) schreef hij immers “De Vlaamse canon (een aanzet tot)”. Eens zien wat Karl Drabbe daarover te vertellen heeft op hogergenoemde website.

“De voorliggende canon is echter in geen geval een canon,” zo schrijft Drabbe. “Dat steken de auteurs niet weg; ze waarschuwen er zelfs voor in de inleiding. ‘Toen die passage lekte uit het regeerakkoord, bleek al snel dat geen enkele serieuze mens zich daarmee bezig wilde houden. En daarom hebben wij het maar gedaan.’

En, inderdaad, “het is één grote grap, van de eerste tot de laatste pagina. Allicht een niet-subliminale hint naar de feitelijke canon die nog moet gemaakt worden. Beide auteurs – Geert Stadeus is romancier en almanakauteur, Stijn Van der Stockt is ‘Vlaams mediafiguur’ (volgens zijn Wikipediapagina) – steken 400 blz. de draak met Vlaanderen en de Vlamingen. En daar zijn ze wonderwel in geslaagd. Haast elk stukje zou zo kunnen verschijnen in Humo, toen het nog het niet van humor gespeende blad was van Guy Mortier. (…) Betrachting van het boek: de lezer te doen lachen. Dat stellen beide auteurs voorop in het woord vooraf, en warempel, daar zijn ze in geslaagd. Al moet de lezer wel met wat zelfkritiek om kunnen.”

“Komen aan bod: plaatsen, figuren, een handvol historische gebeurtenissen, twee kleuren (wit en zwart…), eten en drinken (neen, Zuhal Demir, geen ballekes in tomatensaus, wel witlof, waterzooi en Westmalle, om bij de letter W te blijven). Clichés worden in deze canon bij voorkeur benadrukt en dik in de linkse verf gezet in plaats van bevraagd en genuanceerd. Dat laatste betracht de échte, in de steigers staande, canon dan weer wel. Het woord cliché ontbreekt echter in de niet-exhaustieve canon. Wetenschap gelukkig genoeg ook. Geen wonder dat de leeuw op de cover zich van schaamte wegsteekt,” aldus Karl Drabbe, die er nog aan toevoegt dat de leeuw er één is “mét rode nagels, voor wie dat relevant zou vinden.”
JA TARARA EN ANDERE RITEITEN

Ik heb Geert leren kennen toen hij de rechterhand was van Eric Goeman toen deze Tempo uitgaf. Als ze daar een sportverslaggever nodig hadden, herinnerde hij zich dat hij op klassieke concerten een rare kwiet was tegengekomen die zowel over de Elisabethwedstrijd als over de Tour de France schreef. En zo werd schrijver dezes ook in het puikje opgenomen. “Louis, I think this could be the beginning of a long friendship.”
Vijf jaar geleden was B. weer op bezoek en zoals gebruikelijk gingen we dan even langs in de boekhandel Limerick, vlakbij het Gentse Sint-Pietersstation. Maar evenzeer zoals gebruikelijk kocht B. helemaal niets en Gaby voelt zich dan altijd een beetje op haar ongemakken. De vorige keer kocht ze dan maar een paar boekjes voor haar kleinzoon Kobe, maar deze keer struikelde ze over een boekje van Geert Stadeus, dat de ietwat ongelukkige titel “Ja tarara en andere riteiten” meekreeg.
Geert is sedert 2003 hoofdredacteur van Snoecks, daarvóór was hij als free-lance journalist reeds actief voor diverse bladen zoals Het Laatste Nieuws, De Gentenaar, Menzo, Humo, Panorama/De Post, Maxim, Het Nieuwsblad, De Standaard en Muziek & Woord. Meer en meer begon hij zich echter te specialiseren als ghostwriter voor stand-up comedians of voor komische televisieprogramma’s zoals “De Rechtvaardige Rechters” of “De slimste mens ter wereld”. Heel af en toe doet hij zelf ook wel eens een standup.
Zo iemand moet wel met taal bezig zijn. “Tarara” kreeg dan ook als ondertitel “een spitsvondig en vernuftig boek over taal, haar kronkels, haar problemen, haar klieverij, voor dagelijks gebruik en misbruik” mee.
Nu ben ikzelf ook erg met taal bezig, maar ik beken het eerlijk: ik zou nooit dergelijk boek schrijven. Want als je de mensen de les wil spellen wat hun taalgebruik aangaat, dan gaan die natuurlijk met een luizenkam door de tekst en zo verbaasde het me helemaal niet dat ik reeds op p.12 een eerste (*) dt-fout aantrof: “vader vind hem geen gepaste kandidaat”.
Maar helaas, it gets worse… Een dt-fout kan door verstrooidheid immers in de beste families voorkomen. Ikzelf heb er één gemaakt in mijn eindexamen Nederlandse taalkunde en kon ei zo na in extremis mijn jaar nog eens overdoen (prof.Vanacker zei het heel eerlijk: in de eerste kandidatuur was het prijs geweest). En de dt-fouten in de brieven van Marc Didden heb ik zelfs niet durven weergeven, omdat men zou denken dat ik ze er opzettelijk zou hebben in gezet.
Dus die dt-fout, die schrijven we maar even op de rekening van de zetter (alhoewel, bestààt dat nog in deze tijd?) of op die van de redacteur van uitgeverij Van Halewyck, waar het boek werd uitgegeven. Maar wat schrijft Geert enkele bladzijden verder (p.17)? “Het adagio eerst zien en daarna geloven”
Aiaiai! Dit komt nooit meer goed. Ik hoop dat onze vriendschap dit kan doorstaan, maar een adagio, beste Geert, is een trage beweging in de klassieke muziek. Wat jij bedoelt, is een adagium. Dus ik ben nog geen twintig bladzijden ver en een moeizaam opgebouwde vriendschap komt hier reeds onder grote druk te staan. Alhoewel ik me verder geen calamiteiten meer kan herinneren, was het onheil blijkbaar al geschied, want sindsdien heb ik niet veel meer gehoord van Geert (één keer om precies te zijn). Jammer maar helaas.

Geert Stadeus

EEN HOND GENAAMD SIBELIUS
Die oprisping was ook te danken aan het feit dat het boekje mij 15 euro heeft gekost. Niet dat ik wegens die 15 euro nu op water en brood moet leven, maar omdat wij doorgaans slechts één euro voor een boek betalen. In de jaarlijkse uitverkoop van een of andere bibliotheek namelijk. En dan kopen wij voor 15 euro dus ook 15 boeken. Waaronder bijvoorbeeld “Een hond genaamd Sibelius”, een roman die Geert in 1990 heeft geschreven (en die we overigens in twee exemplaren hebben aangeschaft, omdat Geert zelf ook nog een extra exemplaar wilde).
Op de kaft wordt het boek als volgt samengevat: “In een wereld waar mensen niet met, maar langs elkaar heen praten, waar men geprezen wordt als men in staat lijkt zijn eigen moeder te verkopen en waar men zich laaft aan bloed en tranen, besluit de jong Max Van Doorn het spel niet langer te spelen.”
Ward Ruyslinck geeft als appreciatie: “Een verhaal vol zwarte humor en geestige monologues intérieurs over een jongeman die met zelfmoordgedachten rondloopt. Het is een plezierig boek, waarin leven en dood en de menselijke capriolen op een cynisch-grappige manier worden gerelativeerd. De hoofdfiguur is een psychologisch geloofwaardige combinatie van een fantast en een zielige anti-held.”
En de titel? “Het is haast pervers om een hond een naam te geven die verwijst naar adembenemend mooie dingen. (…) Vaak voelde Max zich als een hond die luistert naar de naam Sibelius. Al het moois gleed van hem af. Hij zag en hoorde het, maar voor hem was het niet bedoeld.” (p.69)
Al mag men nu ook weer niet overdreven veel belang hechten aan die titel. De straathond die op het eind tegen het gespleten hoofd van de hoofdpersoon komt zeiken is bijvoorbeeld niet Sibelius, zoals onaandachtige lezers verkeerdelijk veronderstellen, maar een naamloos mormel. Mijzelf doet het natuurlijk denken aan het fameuze zinnetje “Ik ben een hond, gooi me een been toe” (Hugo Claus, Mama kijk zonder handen).
‘Een hond genaamd Sibelius’, dat Stadeus nochtans enkel als een soort caféweddenschap had geschreven (“als die of die dat kan, dan kan ik dat ook”), raakte desondanks in de finale van de NCR-prijs en als Marc Reynebeau er niet zo nodeloos was over gestruikeld (ongetwijfeld louter omwille van het feit dat Geert toen nog voor Het Laatste Nieuws schreef) dan had hij die misschien nog gewonnen ook. It would have served them right!
TANGIBLE JOY
Eind 2010 verscheen bij Walhalla Records The Belgium Underground Vol 2. Met daarop een nummer van Tangible Joy en Geert bleek ook hier iets mee te maken te hebben. In De Gentenaar van 21 december geeft hij wat meer uitleg: “De nummers die op de plaat komen zijn uit 1984. Tangible Joy bestond toen uit Geert Stadeus (ik dus), zang en synths, Henk Wallays en Guy Dierick op synths. Maar ik zou niet correct zijn mocht ik niet meegeven dat op het nummer Move ook Guy en Henk meezingen. Henk was toen bezig met erg zweverige en serieuze synthesizermuziek, Guy was semi-professioneel bezig en trad zelfs op met Rob de Nijs. Hij had dan ook de leukste synths.”
“Lang voor het internet en MySpace stuurden wij cassetjes naar elkaar op en zo leerden wij elkaar kennen. We vonden elkaar wel in de idee van een synthesizerpopgroep. De gitaar op Move is trouwens Gentenaar Paul Despiegelaere, destijds van The Machines (**). Hij was ook de producer van deze 8-track opnames. Het waren demo-opnames die we rondstuurden naar platenfirma’s en organisatoren, het heeft ons op korte tijd drie optredens opgeleverd waaronder het voorprogramma van Anne Clark in de concertzaal van Vooruit in Gent. Dat was dan via Kris Verleyen, die ik wat overmoedig had gecontacteerd in de hoop het voorprogramma van Depeche Mode in de Brielpoort te doen. Stel je voor!”
“Er waren zelfs gesprekken voor een release met het eigen label van de gasten van Front 242 en zelfs een telefoontje van iemand bij ZTT (die toen net Relax van Frankie Goes To Hollywood uit hadden), maar dan is de groep erg snel uiteengevallen en kwam er niets van in huis. Tot 26 jaar later dus! Het is me een raadsel hoe mensen die deze compilatie-lp maken zich dit nummer herinneren, ik had 26 jaar geleden niet door dat iemand het had gehoord. Maar de man die die compilaties maakt draait veel ‘underground eighties electro’ fuiven in Duitsland of all places en hij verzekerde me ervan dat het daar altijd een klepper was. Zo zie je maar.”

FOTOGRAFIE
De laatste tijd is Geert vooral bezeten door fotografie: “Ik was als tiener redelijk goed op weg om een halve fotograaf te worden, een beetje onder de vleugels van de ‘dorpsfotograaf’. Maar net toen ik moest overschakelen op duurder materiaal had de muziekmicrobe mij zodanig te pakken dat ik de eerstkomende vijf jaar al mijn centjes aan synthesizers zou uitgeven… En daarna was het weer schrijven. Twaalf stielen, hé. Maar er is de jongste jaren veel gebeurd dat de vonk weer deed overslaan. Via Menzo enkele goede fotografen leren kennen, een nieuw (digitaal) toestel gekocht, ongeveer hele dagen ‘in de foto’s zitten’… Ik ben dus weer aan de slag gegaan, zeg maar. Niet noodzakelijk erotisch, maar laten we zeggen dat ik weinig landschappen fotografeer. Ook weinig mensen want ik ben nogal verlegen dus ik vraag haast nooit of iemand eens wil poseren. Er staan wat foto’s van mij in de Almanak van 2005, hoor, clandestien, op pp.148, 185, 213, 221. En – ha ha ha – de achtergrondfoto bij de titelpagina van het verhaal van Barnes in Snoecks ook.”

Ronny De Schepper

(*) Een tweede dt-fout staat op p.195 in en stukje over… dt-fouten! Maar, laat ik u meteen geruststellen, deze keer staat ze er opzettelijk en Geert hangt er een soort van quizvraag aan vast. Leuk! Voor de rest valt het trouwens wel mee dit boekje, op een paar slordigheden na, de moeite van het vermelden niet waard, tenzij misschien die “paralelle vergelijking” (p.68).
(**) Eveneens in 1984 speelden The Machines ook op “Carolien”, het fantastische nummer dat Fabien Audooren en Freek Neirynck voor Eric Goeman schreven. Zou dat nu puur toeval zijn?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.