Het is vandaag al twintig jaar geleden dat ik de Antwerpse musicus Jos Van Immerseel ben gaan opzoeken in zijn huis in Antwerpen. Het was het hoogtepunt (en ik geloof ook het eindpunt, al ben ik daar niet helemaal zeker van) van de ontelbare malen dat ik Jos heb ontmoet, geïnterviewd, er cursus bij gevolgd en, natuurlijk, concerten bijgewoond. En elk moment is me bijgebleven. Omdat de man intens bewogen is en zijn passie ook kan overdragen. En zo kan het gebeuren dat hij ondertussen met zijn orkest een ongelooflijk parcours heeft afgelegd (van Bach tot Gershwin) en dat toch, als ik hem nu bezig hoor op de radio, hij mij nog steeds vertrouwd in de oren klinkt. Alsof onze laatste ontmoeting pas gisteren was…

Jos Van Immerseel (°9/11/1945) was het jongste kind uit een gezin van vier, waarbij de moeder amateuristisch piano kon spelen. De vader (elektricien en meubelmaker) speelde viool. Als “kakkenestje” van negen kreeg Joske uiteindelijk een buffetpiano en hij werd in de pianistiek ingewijd door een non van 160 jaar, “althans zo oud zag ze eruit in mijn ogen”, die volledig “van de oude stempel” was: “Tachtig procent van de pianoliteratuur waren toen bewerkingen!”
Toch was hij daar erg blij mee, met Zuster Cécilienne (“Als er in een partituur een stuk ontbrak, moest ik het zelf maar uitzoeken. Ik heb bij haar uitstekend van blad leren spelen, arrangeren en mijn plan trekken,” Knack 24/12/1997) zodanig zelfs dat hij zich volledig op zijn pianostudie ging toeleggen en zijn middelbare school (Latijn-Griekse) niet afmaakte (wat hem zou beletten aan een aanstelling te geraken in het onderwijs in België).
Na twee jaar “was hij door al de muziek heen” en toen ging hij eerst op de muziekschool bij een oudleerling van Eugène Traey in de leer en nadien voor twee jaar bij Traey zelf op het conservatorium. Deze schreef hem (zonder zijn medeweten) in voor de Elisabethwedstrijd. “Toen ben ik bijna met pianospelen gestopt.”
Om zich af te reageren speelde hij dan maar bij een salonorkest en “deed hij iets met zang” (ondanks zijn “stem van schuurpapier” heeft hij zangles gevolgd omdat hij dat boeiend vond en het kwam hem natuurlijk goed van pas als begeleider) en leerde hij orgelspelen bij Flor Peeters. Toen hij op die manier vaststelde dat een “standaardorgel” niet bestaat, kreeg hij ook belangstelling voor het uitvoeren van pianoliteratuur door het instrument waarvoor het was geschreven.
“Vergeet niet dat in de jaren zestig nogal serieuze revolutionaire bewegingen aan de gang waren, vooral in de orgelwereld. We spreken in verband met de historische uitvoeringspraktijk altijd over figuren als Nikolaus Harnoncourt en zo, maar in de orgelwereld waren ze er veel eerder mee bezig. Ik heb mijn injectie vanuit die kant gekregen, vanuit de orgelrenaissance zeg maar: terugkeer naar de oude instrumenten, de manuscripten, de uitvoeringspraktijk en de studie van die uitvoeringspraktijk.” (Knack 24/12/1997)
Hij leerde klavecimbel bij Raymond Schroyens en niet bij zijn idool Gustav Leonhardt, omdat hij geen Leonhardt-cloon wilde worden. Op die manier leerde hij ook Marcel Druart en het orgel kennen. Daarna was zijn leraar Kenneth Gilbert, de Canadese klavecinist en musicoloog. Bij Daniël Sternefeld studeerde hij daarna orkestdirectie.
In zijn studietijd was hij reeds gefascineerd enerzijds door instrumenten (op 14-jarige leeftijd had hij reeds 500 verschillende orgels bespeeld, die hij allemaal op fiche had gezet) en anderzijds door de barrière tussen componist en uitvoerder. Als jazzliefhebber vond hij dat die barrière er niet mocht zijn en daarom waren zijn favoriete uitvoerders tegelijk ook componisten. Dat was dan vooral Francis Poulenc van wie hij alles verzamelde (later zou hij zijn concert voor klavecimbel spelen) en ook Messiaen.
Zelf componeerde hij heel even ook avant-garde, in een eerste fase omdat het allemaal toch niet zo nauw stak (b.v. Milhaud), nadien overgecompliceerd, waarbij de uitleg belangrijker wordt dan de compositie (b.v. Boulez). Toen hij merkte welk een leegte daarachter schuil ging, stopte hij er snel mee en was ook zijn belangstelling voor avant-garde over.
Als uitvoerder hield hij vooral van Alfred Deller. Dat in tegenstelling tot Jean-Pierre Rampal waarmee hij op 16-jarige leeftijd heeft samengespeeld en wat tot heel grote problemen heeft geleid. “Iedereen vond het een grote eer, terwijl ik er ziek van werd!” In eigen land heeft hij het meeste bewondering voor Paul Van Nevel. Jos zelf werd in “Le Soir” ooit een nieuwe Glenn Gould genoemd. Het was als compliment bedoeld, maar zelf heeft hij een hekel aan “Gouldisme” (“Dat is een ziekte”).
Op privé-gebied is Jos een typische Antwerpse bollekes-drinker en heeft op zijn minst vier vrouwen gehuwd. Eerst was er Hilde Coessens, die iets met klavecimbelbouw te maken heeft en waarmee hij een zoon heeft, Hendrik (geboren rond 1980), die naar een Steinerschool is gegaan. Daarna kwam pianiste Martine Chappuis, gevolgd door violiste Maria Lindal en nu opnieuw met een pianiste, Claire Chevalier. Toen hij me hiervan het bericht stuurde, antwoordde ik hem met een kaartje dat een stuk in het NTG moest illustreren en waarop stond: “Weg met de stad! Weg met het huwelijk!”
Hij wordt dan ook beschouwd als de tegenpool van de “té nederige” Sigiswald Kuijken. Met name in een interview met Stephan Moens in De Morgen van 19/9/97 haalt deze laatste toch kwetsend uit naar Jos. N.a.v. de vroege strijkkwartetten van Beethoven, die hij “anachronistisch” op zijn Grancino-viool had gespeeld, zegt hij: “Ik zou mij wel op een andere manier aan Beethoven kunnen wagen, met een andere viool en een andere strijkstok en een andere speeltechniek, die trouwens veel beter beschreven is dan de barokke, met name door Spohr en Baillot. Maar daar zou ik een nieuw mensenleven voor nodig hebben, ik heb daar geen tijd meer voor. Ik zit wel al lang te wachten op iemand die dat echt gaat doen. Wat we nu zien in de op negentiende-eeuwse leest geschoeide orkesten, is misschien wel een aanzet, maar niemand heeft daar dat soort basisresearch gedaan. Dat vind ik spijtig.”
Sinds 1973 doceert Jos Van Immerseel zelf klavecimbel te Antwerpen en dat jaar wordt hij ook uitgeroepen tot eerste laureaat van het Concours International de Clavecin in Paris. “Het was omdat het de eerste aflevering was, nog helemaal zonder competitiesfeer, anders had ik zeker niet meegedaan.”
Een jaar later wordt in het Vleeshuis de Conrad Graf, een Schubertvleugel, gerestaureerd en acht hij de tijd gekomen om zich op de pianoforte toe te leggen. “De eerste keren dat ik musea bezocht, heb ik er pianofortes gezien. Ik was geïnteresseerd, maar ik had niet begrepen dat het ook in praktijk kon worden omgezet. Zelfs de markante opnamereeks door Jörg Demus bleef teveel in de museumwereld steken. Ik bleef concerten op de moderne piano spelen.” Tot in 1974 dus. “Doordat ik veel in het museum kon spelen – het was omzeggens mijn tweede huis – is het van dan af snel gegaan. Nu heb ik altijd wel meerdere pianofortes in huis, van vrienden of van bouwers geleend.”
“Een obsessie?” vraagt Lucas Huybrechts in Knack van 13/12/1995. “Neen, het is mijn materiaal. Als je bij een schrijnwerker komt, heeft die niet één zaag en één schroevedraaier. Voor elke manier om een plank door te zagen, heeft hij een andere zaag. Misschien wel twintig zagen. Ik heb vijf, zes piano’s.”
In die tijd, toen ik nog voornamelijk popmuziek recenseerde voor “De Rode Vaan”, maar zeker geen “klassieke” muziek, noteerde ik dat “vanuit een onverwachte hoek er een inswinger in onze netten wordt getrapt. Voor de tweede maal speelt Jos Van Immerseel immers een plaat vol met klavecimbelmuziek, deze keer vertolkt op het instrument gebouwd door Jacobus van den Elsche in 1763 en te bezichtigen in het Vleeshuis te Antwerpen. Zijn gewoonte getrouw heeft Van Immerseel een aantal composities geselecteerd die ongeveer tegelijkertijd ontstaan zijn. Zo vinden we hier werk terug van Armand-Louis Couperin, Carl Philipp Emanuel Bach, de zesjarige (!) Wolfgang Amadeus Mozart (al vindt Van Immerseel dat de jeugdwerken niet fameus zijn, in tegenstelling tot die van Mendelssohn b.v.) en Joseph Haydn. Het is echter vooral de mij tot nu toe onbekende Claude-Bénigne Balbastre (1727-1799) die voor de verrassing zorgt. Op sommige stukjes van deze mijnheer ‘swingt’ Van Immerseel werkelijk zodanig dat je je gaat afvragen hoe dat klavecimbel dit gaat overleven. In de meeste gevallen klinkt het klavecimbel echter zoals het in zijn aard ligt: statig en speels tegelijkertijd. Als een beeldschoon maar nuffig meisje, dat je uitnodigt, maar dat je toch nooit te pakken krijgt.”
Meer dan vijftien jaar later vindt Jos dat deze opnames te zeer de bassen beklemtonen, “blijkbaar omdat een klavecimbel zoveel mogelijk op een piano moest lijken”. Ook zijn spel is geëvolueerd, zegt hij, wat voor piano niet het geval is.
Van 1981 tot 1985 was hij artistiek directeur van het Sweelinck Conservatorium van Amsterdam. In 1985 sticht hij dan een kamermuziekensemble met zes leden, Anima Eterna (een verlatijnsing van “Immer Seele”), dat twee jaar later tot een volwaardig orkest uitgroeit met het instrumentarium uit Mozarts tijd.
“Hoe dikwijls komt uw orkest Anima Eterna samen?” vraagt Lucas Huybrechts.
“Ik zou bijna zeggen: zo weinig mogelijk,” antwoordt Jos.
En wat is dan ‘zo weinig mogelijk’?
“Vier producties per jaar. Een korte periode, twee tot drie weken, inclusief repetities.”
En waarom?
“Om twee redenen. Over het algemeen hebben de leden van het orkest een rijke bezigheid. Hoe meer ik die mensen wil binden aan mijn orkest, hoe minder ik er ga vinden. Ze willen hun eigen werkzaamheden niet opzeggen. Een tweede reden: (…) de eisen die ik aan Anima Eterna stel, liggen zo hoog. Dat werkt stresserend, dat kan niet langer duren dan twee weken. Als je langer werkt, komen er verschijnselen te voorschijn die men courant ziet in orkesten die veel samenspelen. Bijvoorbeeld, al eens op een horloge kijken. De eerste dagen met het orkest gebeurt dat nooit. Men is zo geboeid door datgene waarmee men bezig is. Maar dat is afmattend. Daarom spelen ze zo weinig mogelijk samen om zo goed mogelijk werk te kunnen verrichten.”
In 1989 richt hij Antverpiano op, een tweejaarlijks internationaal congres over de pianoforte-praktijk. Jos Van Immerseel speelt op een pianoforte vervaardigd door Christopher Clarke naar het model van Anton Walter, waarop Mozart zelf speelde, alleszins vanaf het 11de concerto. Hij heeft aan Clarke ook gevraagd een instrument te bouwen, waarop hij de laatste sonates van Schubert zou kunnen uitvoeren. En dan zou Clarke ook nog werken aan een kopie van Bartolomeo Cristofori, die (weliswaar ten onrechte, vindt Van Immerseel) de geschiedenis is ingegaan als de “uitvinder” van de piano. Hierop zou Jos dan Scarlatti spelen.
MOZART
Dat Van Immerseel uitgerekend in het Mozart-jaar (1991) tot Festivalster werd uitgeroepen, is uiteraard niet toevallig. Met Anima Eterna bracht hij immers de integrale opname van de solo-klavierconcerti van Mozart, waarvoor hij trouwens de René Snepvangersprijs mocht ontvangen. Deze prijs kreeg hij heel terecht, ook al was het niet de eerste keer dat deze concerti integraal op pianoforte werden uitgevoerd. Malcolm Bilson en John Gibbons waren hem b.v. reeds vóór geweest, maar die zondigden om te beginnen reeds tegen de “dubbele directie”, want respectievelijk John Eliot Gardiner en Frans Brüggen hanteren daar het dirigeerstokje.
Door de snellere acceleratie van de hameraanslag is de piano¬forte moeilijker te bespelen dan een gewone piano, waarop je een toets toch lichtjes mag indrukken, zonder dat de snaar effectief wordt aangeslagen. “Als ik vermoeid ben,” zegt Van Immerseel, “lijkt het soms wel alsof ik geen piano meer kan spelen. Maar als ik dan aan een modern instrument ga zitten, gaat het nog altijd uitstekend.”
Volgens sommigen is een pianoforte te zwak (tegenover het orkest) om de Mozart-concerti in de hedendaagse concertzalen uit te voeren. Van Immerseel heeft ondertussen bewezen dat dit onzin is. In plaats van dan ook “forte” te spelen als er “pianissimo” staat, had hij aan instrumentenbouwer Clarke gevraagd om uit te zoeken hoe het mogelijk zou zijn zeer zacht te spelen, terwijl het orkest doorgaat, en toch hoorbaar te blijven. “Dat is onmogelijk,” antwoordde Clarke prompt. “Ja,” veinsde Van Immerseel heel handig, “als jij zegt dat je dat niet kunt, dan zal niemand het wel kunnen… maar ik denk toch dat je het kunt.”
Daarmee was Clarkes beroepsfierheid natuurlijk aange¬wakkerd en na lang zoeken maakte hij het onmogelijke waar: dankzij het gebruik van antilopenleer is de pianoforte van Van Immerseel zelfs in het immense Amsterdamse Concertgebouw nog te horen in de pianissimo-passages. Men kan zich terloops afvragen of er wel antilopenleer te verkrijgen was in de tijd van Mozart en wat het World Wildlife Fund daar dan wel van vindt, maar kom, “het doel heiligt de middelen”, zeker?
CADENZA’S
Een ander groot discussiepunt is het improviseren tijdens de zogenaamde “cadenza’s”. In Mozarts tijd lag iedere pianist daarop geslepen, hijzelf in de eerste plaats. Ook Jos Van Immerseel houdt hier geweldig van. “Improviseren is componeren zonder gom”, pleegt hij te zeggen. Men kan aan de “instant compositie” immers niets meer wijzigen, ze gaat meteen “op antenne”.
Het spreekt vanzelf dat op die manier iedere uitvoering telkens weer boeiend en verrassend is, maar ik vroeg Jos Van Immerseel toch hoe hij dan te werk gaat als hij door een opname een bepaalde interpretatie “voor de eeuwigheid” wil vastleggen. Zijn antwoord was tweeledig: enerzijds heeft Mozart ten behoeve van minder begaafde pianisten een aantal cadenza’s uitgeschreven, voor het overige neemt men een drietal versies op en wordt de beste gekozen.
Alhoewel ik niet denk dat er iets verkeerd is met het geheugen van Jos Van Immerseel, weigert hij om “uit het hoofd” te spelen. Niet alleen omdat hij dit beledigend vindt voor het orkest dat wél van het blad moet spelen, maar ook omdat àls er notities bestaan, hij er zich heel trouw aan wil houden.
Ook dàt haalt hij bij Mozart zelf. Die eiste namelijk eveneens een heel trouwe uitvoering. Zo zijn er brieven bekend waarin hij zijn vader vraagt om een oogje in ’t zeil te houden bij het kopiëren van zijn muziek, opdat de kopiïsten toch zeker geen fantasietjes zouden verkopen.
Dat er anderzijds een boel problemen bestaan rond de uitgave van Mozarts muziek heeft eerder te maken met de razendsnelle manier waarop de man te werk ging (hiervan geeft de film “Amadeus” van Milos Forman een goed voorbeeld), zodat zijn handschrift soms onleesbaar wordt.
RETORIEK
Wat Jos Van Immerseel ook nauw aan het hart ligt, is de retoriek bij Mozart. Wat retoriek is in het taalgebruik weten we allemaal: om een bepaald idee beter ingang te doen vinden, maken we gebruik van stijlfiguren zoals de herhaling, de tegenstelling, de overdrijving enz. Al deze stijlmiddelen hebben ook steeds in de muzikale taal bestaan, maar op een bepaald moment werden die “gecodeerd” (meestal door ze een moeilijke naam te geven) en expliciet aangeleerd op de muziekscholen. Bach heeft b.v. niet minder dan drie jaar retoriek gevolgd. Aangezien Mozart huisonderricht kreeg, is het niet helemaal zeker of hij deze stof ook echt “academisch” heeft verwerkt, maar hij gebruikt de stijlfiguren wel en dat is natuurlijk het belangrijkste.
In Merksem sprak hij over die retoriek en haalde natuurlijk voorbeelden uit zijn eigen opname van de integrale klavierconcerti. Als voorbeeld van een “anafora” (herhaling van een toon of een motief in sekwensen of in ostinatovorm) gaf hij daarom de overeenkomsten tussen de openingen van het 16de, 17de, 18de en 19de concerto. Dat is echter geen teken van bloedarmoede of van eigen plagiaat, maar integendeel een bewijs van de genialiteit van Mozart, die voor dat eenvoudige thema telkens een verschillende aanpak verzint. Retoriek staat overigens niet aangegeven in de partituur, je moet dat uit het notenbeeld halen. Wie dat niet kan, zal dus iets heel anders ten gehore brengen. Bovendien is het kénnen van retoriek geen garantie om een goed componist te zijn. Matheson b.v. is een uitstekend theoreticus in de materie, maar een “lousy” componist. Componeren is volgens Jos Van Immerseel een combinatie van intuïtie en technische kennis. Een goed inwendig gehoor is ook belangrijk. Igor Stravinsky b.v. had dat niet en daardoor was hij steeds verbaasd als hij zijn eigen composities uitgevoerd hoorde. “En dat moet nochtans, want muziek die niet wordt uitgevoerd, bestaat niet,” aldus Van Immerseel. “Maar je hebt de doeners en je hebt de sprekers. In die zin ben ik mezelf hier dus een beetje belachelijk aan het maken.” Duidelijk een echo van “Those who can, do. Those who can’t, teach. And those who can’t teach, manage.”
Volgens Van Immerseel kan de studie van de retoriek de intuïtie helpen die nodig is om aan te vullen wat niet op de partituur is terug te vinden. Nochtans moet men daar nu opnieuw op wijzen, want vanaf het begin van de 19de eeuw is de retoriek stilaan in onbruik geraakt, al zijn er zelfs tot bij Ravel nog elementen terug te vinden. Bij uitvoerders heeft het nog veel langer stand gehouden, zegt Van Immerseel. En als voorbeelden geeft hij Maria Callas en… Barbra Streisand.

Ronny De Schepper

Een gedachte over “Op bezoek bij Jos Van Immerseel

  1. BUONA SERA
    COME DA FOTO ALLEGATA SI PUÒ DIMOSTRARE CHE SIAMO IN POSSESSO DI UN
    PEZZO DI STORIA UN FORTEPIANO CONRAD GRAF DEL 1810 / 1820 PER L’ESATTEZZA IL n° 102
    CHE E’ STATO TRAMANDATO DI GENERAZIONI NELLA NOSTRA FAMIGLIA. HO GIÀ MOLTE
    INFORMAZIONI SULLO STRUMENTO E’ SICURAMENTE DA RESTAURARE MA NON TROPPO.
    SIAMO A CONOSCENZA CHE IL PEZZO E’ UNICO AL MONDO NEL SUO GENERE
    E’ GIA’ STATO INTERESSE DELLA BEEHTOVENHAUSE DR. Ladenburger CHE VERRANNO IN
    SOPRALUOGO A BREVE.
    MA LA NOSTRA DOMANDA E’ :
    QUALE STIMA e/o VALUTAZIONE SI PUO’ DARE DI UN PEZZO DA MUSEO COME QUESTO VISTO
    CHE ABBIAMO GIA’ RICEVUTO DELLE PROPOSTE DI VENDITA NON COMPATIBILI TRA LORO
    CIFRE MOLTO DIVERSE
    CIO’ MI FA PENSARE CHE IL PREZZO SALIRA’
    PERCHE’ VISTE LE DATE E LA PROVENIENZA PROBABBILMENTE E’ STATO SUONATO DA BEETHOVEN IN PERSONA

    ORA E’ STATO DECISO DI VENDERLO SE ANCHE VOI SIETE INTERESSATI POTETE FARE LA VOSTRA OFFERTA STIAMO VALUTANDO
    CERTO DI UNA VOSTRA RISPOSTA
    DISTINTI SALUTI TIZIANO

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.