Vandaag wordt de Amerikaanse schrijver John Irving 75 jaar.

John Irving werd geboren op 2 maart 1942 (1) in Exeter, New Hampshire (2), als zoon van Helen Frances Winslow. Zijn officiële naam op zijn geboortebewijs was John Wallace Blunt Junior. Zijn biologische vader, een piloot uit Wereldoorlog II, was tijdens een aanval neergeschoten terwijl hij zich met zijn vliegtuig boven het door Japan bezette Birma vloog. Hij en zijn ploeg waren veertig dagen lang vermist. Zijn vader overleefde de oorlog, maar keerde achteraf niet meer terug naar de moeder van Irving. Zijn moeder hertrouwde toen Irving zes jaar oud was. Haar nieuwe echtgenoot adopteerde hem en zijn naam veranderde naar John Winslow Irving.
Hoewel sommige van zijn vrienden hem aanzetten tot het vinden van zijn biologische vader, heeft hij zich altijd tegen dit idee verzet. “Als ik ongelukkig was geweest met mijn stiefvader, zou de zoektocht naar mijn echte vader wellicht belangrijker geweest zijn voor mij,” zei Irving hierover in een interview. In 1981 kreeg John Irving een pakje met brieven die zijn moeder en vader hadden uitgewisseld en krantenknipsels over zijn heroïsche avonturen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Irving gebruikte die brieven en knipsels voor zijn boek De regels van het ciderhuis en modelleerde het personage Wally Worthington naar zijn vader. De biologische vader van Irvings meest bekende held, Garp uit De wereld volgens Garp, is een dodelijk gewonde vliegenier uit de Tweede Wereldoorlog die uit zijn moeders leven verdwijnt nadat hij haar zwanger heeft gemaakt.
De meeste belangrijke personages uit het oeuvre van Irving zijn mensen zonder of op zoek naar hun biologische moeder of vader. De zoektocht naar de ware identiteit van John Wheelwright bijvoorbeeld, is waar alles om draait in Bidden wij voor Owen Meany. In Een weduwe voor een jaar is de context nog meer biografisch: in dat boek vertelt Ruth Cole, een internationaal gevierd auteur, aan een journalist die haar vraagt naar haar verdwenen moeder: “Je zou kunnen stellen dat mijn moeder vermist is, maar ik ben niet op zoek naar haar. Als ze mij wou zoeken, had ze me al gevonden. Aangezien zij is weggegaan, wil ik me niet aan haar opdringen. Als ze mij wil vinden, dan ben ik de persoon die het makkelijkst te vinden is.”
De tweede man die haar moeder trouwde, Colin Franklin Newell Irving, was een Russische leraar geschiedenis aan de Philips Exeter Academy in New Hampshire. Hij was een gerespecteerd lesgever, berucht onder studenten omdat zijn vak vereiste dat ze een lijvige Russische roman per week moesten lezen. John Irving beschouwt deze man als zijn vader, en zijn roman Bidden wij voor Owen Meany is dan ook als dusdanig aan hem opgedragen: “Voor Helen Frances Winslow Irving en Colin Franklin Newell Irving, mijn moeder en vader“.
In de roman verwijst hij uitvoerig naar zijn eigen jeugdjaren in Front Street in Exeter en naar de grootmoeder die bij het gezin Irving inwoonde, Helen Bates Winslow. In verschillende interviews heeft John Irving gezegd dat Bidden wij voor Owen Meany niet alleen zijn meest autobiografische roman is, maar de grootmoeder in de roman zijn meest autobiografische personage. Dan Needham, de stiefvader van John Wheelwright in deze roman, is een stiefvader die zo belangrijk is voor zijn stiefzoon dat hij uiteindelijk zijn ware vader wordt.
In Exeter bleek Irving een matige student te zijn die hard moest werken voor karige punten, net als John Wheelwright in Bidden wij voor Owen Meany leed aan dyslexie en daardoor een jaar langer over zijn studies deed, en, net als Garp in De wereld volgens Garp een redelijk goeie worstelaar werd. Het was dankzij zijn passie voor de worstelsport dat hij uiteindelijk een beurs kreeg om te gaan studeren aan de universiteit van Pittsburgh.
In zijn memoire Het verzonnen meisje vertelt Irving dat hij een vrij goeie worstelaar was. Hij geeft de sport als speler op na een enorme nederlaag in 1962 en wordt coach. Worstelen is een belangrijke motief in het werk van Irving. Het is de centrale metafoor in Het huwelijk van 158 pond en speelt een belangrijke rol in de plot van De wereld volgens Garp (in de verfilming van “Garp” stond hij erop een cameorolletje te vertolken als scheidsrechter).
In de zomer van 1962 gaat Irving Duits studeren aan de universiteit van Harvard. In 1963 krijgt hij de kans om als uitwisselstudent een jaar in Wenen te gaan studeren, aan het Instituut voor Europese Studies. Oostenrijk wordt een belangrijk gegeven in zijn eerste romans (vooral in De beren los), zowel als locatie als als complex symbool. Voor Garp is Wenen een dode stad: “Een stad die echter was zou me minder hebben gepast, maar Wenen was aan het sterven; de stad was levenloos en liet met toe hem te bekijken en bestuderen, en opnieuw te bekijken. In een levende stad, zou ik nooit veel hebben opgemerkt. Levende steden blijven niet stil liggen.”
Garp schrijft in Wenen zijn eerste korte verhaal, “Pension Grillparzer”, Irving doet hetzelfde: een rodeoroman die zich afspeelt in New England die hij nooit afmaakt. Wanneer Garp terugkeert naar de Verenigde Staten trouwt hij met Helen Holm, wanneer Irving in 1964 terugkeert naar Amerika, huwt hij Shyla Leary, een medestudente van Harvard, die later een bekende kunstenares zou worden. Hun eerste zoon, Colin, wordt geboren in 1965.
Tijdens zijn jaren aan de universiteit schrijft Irving zijn eerste twee korte verhalen, “A Winter Branch” en “Weary Kingdom”. Nadat hij afstudeert, blijft hij aan de universiteit werken als assistent van Kurt Vonnegut (krijgt een – kleine – rol in Twisted River) en Vance Bourjaily en dankzij hun invloed schrijft hij zijn eerste roman, De beren los, als afstudeerscriptie.
Alhoewel John Irving, die nog speeches heeft geschreven voor Jimmy Carter, dus zeker niet zo maar mag vereenzelvigd worden met zijn geesteskind Garp (ondanks het feit dat ze allebei debuteerden met “een werk over beren i.p.v. over mensen“, Garp p.190), toch is het duidelijk dat Irving het heel duidelijk over zichzelf heeft, wanneer hij het falen van Garps debuut toeschrijft (Garp p.177) aan het feit dat het niet thuishoort in het postmodernisme (3).
SETTING FREE THE BEARS
Voor hij beroemd werd, schreef Irving zoals gezegd “Setting Free the Bears” (“De beren los”, 1968). Het is een verhaal in drie delen. Het eerste (“Siggy”) verhaalt over de ontmoeting van de ik-persoon (Hannes Graff) met een vreemde vogel, Siegfried Javotnik genaamd, in het Wenen van de jaren zestig. Wanneer Siggy omkomt in een merkwaardig ongeval met bijen, volgt deel twee, dat op zichzelf ook uit twee delen bestaat, namelijk enerzijds de voorbereidingen die Siggy had getroffen om de dieren uit de dierentuin te bevrijden en anderzijds zijn “voorgeschiedenis”, wat vooral neerkomt op de manier waarop zijn ouders en grootouders de oorlogsjaren (de bezetting eerst door de nazi’s, daarna door de Russen) zijn doorgekomen. Deze passage is erg anticommunistisch, wat nu “bon ton” is, maar wat in de jaren zestig toch wel erg uit de toon moet gevallen zijn. Het dient te worden toegegeven dat Irving zich wel een “poeta vates” toont over wat er later in de Balkan staat te gebeuren (want zoals de naam “Javotnik” reeds aangeeft, speelt een deel van deze geschiedenis zich af in het voormalige Joegoslavië).
Het derde deel begint met een literaire “verantwoording” waarom hij dat tweede deel heeft “gemixt” in plaats van in twee aparte verhalen te vertellen en wat de oorlogsjaren betreft voegt hij er op een (on)handige manier zelfs een bibliografie aan toe! Maar het grootste stuk van dit derde deel is dus uiteraard de realisatie van de plannen van Siggy door Graff (en diens liefje Gallen). Onnodig te zeggen dat het niet allemaal afloopt zoals gepland…
THE WATER-METHOD MAN
Daarna volgde “The Water-Method Man”(“De watermethodeman”) uit 1972, maar ik heb hem pas veel later gelezen (in 2014), wat wellicht een meevaller was, want ik vraag me af of ik op basis van dit boek wel tot zo’n grote Irving-fan zou uitgegroeid zijn. “The Water-Method Man” gaat over iemand die met een geslachtsziekte opgezadeld zit en die daarvoor een tijdlang (eigenlijk veel te kort om de titel van de roman te verantwoorden) de “watermethode” volgt om ervan af te raken. Die methode komt er op neer vooral veel te drinken, om het plassen te vergemakkelijken. Die problemen worden in het begin in ’t lang en in ’t breed beschreven en het lijkt me dan ook een acuut geval van therapeutisch schrijven. Therapeutisch voor de auteur dan wel, want als (mannelijke) lezer word je er alleen maar ongemakkelijk van. Nu is een geslachtsziekte me gelukkig bespaard gebleven, maar op oudere leeftijd heb ik wel last van mijn prostaat en een aantal van de nadelen zijn gelijkaardig, vandaar misschien mijn afkeer.
De geslachtsziekte als zodanig wees er al min of meer op, maar ook het feit dat de uroloog zijn methode aanpraat met erop te wijzen dat men ook best voor het neuken veel water drinkt, waardoor men een grotere en steviger erectie heeft, geeft reeds aan dat het titelpersonage (soms de ik-persoon, soms gewoon de hij-vorm) nogal wat rondneukt en daarom slaat de titel toch min of meer op de inhoud van het boek, want hij verkwanselt de ene relatie na de andere door nogal lichtvaardig met zijn “zwaard” om te springen. En wie met het zwaard omgaat, zal door het zwaard vergaan, zoals de bijbel stelt.
Die bijbelse spreuk is ook wel toepasselijk op de Oud-Noorse saga van Akthelt en Gunnel die de hoofdpersoon als doctoraal thesis vertaalt. Ook dit onderdeel lijkt me weinig interessant voor de doorsnee-lezer. Ikzelf was er enkel in geïnteresseerd omdat ik in mijn studententijd ook meegemaakt heb dat vriend(inn)en uit de Germaanse die een interessant onderwerp voorstelden, maar dat door de betreffende prof de boot werd afgehouden. Omdat zij door de “onderhandelingen” reeds al te veel tijd hadden verloren, moesten zij dan maar een of andere middeleeuwse tekst persklaar maken, waarvoor zij totaal geen belangstelling hadden. In het geval van de “watermethodeman” is het belangrijk dat hij in het begin hele passages overslaat of er met zijn pet naar gooit, terwijl hij op het einde, wanneer hij zijn privé-leven eindelijk een beetje in de hand heeft, het toch ernstiger aanpakt en helemaal opnieuw begint. En alsnog zijn dokterstitel behaalt. Maar die blijkt bij het solliciteren dan ongeveer evenveel waard te zijn als “pas gepoetste schoenen”
Maar goed, zoals gezegd komt het op het einde dan toch nog (min of meer) goed met het hoofdpersonage en ook hierbij speelt water een grote rol. Geen drinkwater echter, maar het water van een meer in Maine. En daarom vraag ik me af of de titel uiteindelijk toch ook dààr niet een beetje op slaat…
THE 158-POUND MARRIAGE
“The 158-Pound Marriage” (“Het huwelijk van 158 pond”, 1974) is een voor Irvings doen erg korte roman (235 blz.) over partnerruil. Aangezien Irving een Amerikaan is, heeft de titel uiteraard niks te maken met het Engelse pond, maar wel met een gewichtsklasse uit (je raadt het al) het worstelen. Eén van de vier hoofdfiguren (voor partnerruil moet men met vier zijn) is immers Severin Winter, een worstelcoach van de universiteit van Iowa die in zijn eigen carrière als worstelaar actief was in de categorie tot 157 pond (4). Ondertussen is die categorie echter gewijzigd naar 158 pond: “As a former 157-pounder, it must be nice, Severin, to involve yourself in a field that’s changed one pound in ten years.” (p.24). “What do you weigh now?” Edith asked. He looked so much bigger, though he was lean in those days. “One fifty-eight,” he said. She wasn’t sure if this was a joke. With him you never knew.” (p.42) “I learned later that he liked to categorize books by wrestling weight classes. Such as: “That’s a pretty fair 134-pound novel.” (p.74)
Severin is de zoon van een Oostenrijks koppel, waarbij de man (de kunstenaar Kurt Winter) zijn echtgenote (de actrice Katrina Marek) naar het buitenland had gestuurd de dag vóór de inval van Hitler. Hij had haar een aantal kunstwerken van zijn hand meegegeven “om te kunnen overleven”, maar toen ze deze ontrolde, bleken het allemaal erotische afbeeldingen van haarzelf te zijn. De man had immers geredeneerd dat ze met haar acteerprestaties in het buitenland niet aan de bak zou kunnen komen en bovendien was ze hoogzwanger dus weinig aantrekkelijk. Maar dankzij die tekeningen kwam het dus nog allemaal goed. Ze zou zelfs nooit meer acteren, ook na de oorlog niet toen ze was teruggekeerd naar Wenen. Ze modelleerde zich een weg door het leven, zou men kunnen zeggen. Meestal droeg ze een “muskrat coat” en daaronder helemaal niks. En in het bezette Wenen volstond het dan meestal om gewoon haar jas eens te openen om ergens toegang te krijgen…
Dat had hij dus goed ingeschat. Minder goed was zijn inschatting om tegen het einde van de oorlog de dieren uit de Weense zoo vrij te laten (tiens, waar hebben we dat nóg gelezen?). De dieren waren immers uitgehongerd en de eerste die op het menu stond was uiteraard hun bevrijder. Bovendien waren ook de Russische “bevrijders” (weer zeer anti-communistische passages) uitgehongerd en in plaats van de dieren te redden, werden ze op die manier op de kortste keren zelf allemaal verorberd.
Die Severin is getrouwd met Edith Fuller uit New York, een teer gebouwd schepsel, dat in opdracht van haar moeder (die voor het Museum of Modern Art werkt) op zoek was naar schilderijen van Kurt Winter (louter als overgangsfiguur, niet als belangrijk schilder), en waarop de auteur (de ik-persoon) meteen verliefd wordt als hij het koppel jaren later ontmoet. Zelf is hij getrouwd met Utchka, wat Oekraïns zou moeten zijn voor “klein kalf”, omdat ze als kind verstopt zat in het karkas van een dode koe, toen de Russen hun dorp “bevrijdden” door iedereen te vermoorden, nadat ze de vrouwen hadden verkracht. Ik moet mij overigens corrigeren als ik opmerk dat dit telkens “anti-communistische” oprispingen van Irving zijn, het zijn eerder racistische uitlatingen, want in het geval van Utchka, stipt Irving zelf de ironie aan dat haar vader door de nazi’s werd geëxecuteerd als “bolsjevistische saboteur”: “It is unproven that he was a Bolshevik, but he was a saboteur.” (p.7) Alhoewel. De passage over het naoorlogse Wenen is van het grofste anti-communisme dat ik ooit heb gelezen. Ik heb er wel de film “The third man” een beetje beter door begrepen, maar ik was dan ook erg jong toen ik die voor de eerste keer zag.
Uiteraard loopt het allemaal slecht af, hoe kan het ook anders als het over partnerruil gaat, maar dat ga ik hier toch maar niet verklappen, want ondanks alles is het toch wel een lezenswaardige novelle.
“Ruimte binnenshuis” is dan weer een écht kortverhaal uit 1974. “Ruimte binnenshuis” bevat twee plots, die lange tijd naast elkaar lopen en net als men denkt dat ze gaan samenvallen, loopt het verhaal op een sisser af. Onbevredigend, dat is het juiste woord. Maar “the best was yet to come“…
THE WORLD ACCORDING TO GARP
De families die John Irving beschrijft, zijn niet de families die u en ik gewend zijn. Men beleeft dingen die niemand ooit beleeft. Absurd, irreëel, fantastisch, wreed, ongelooflijk grappig, oeverloos verdrietig. Garp en zijn moeder Jenny Fields vormen in “The world according to Garp” (1976) zo’n gezin. Er is echter één constante: alles draait om het schrijven. Niet alleen ontdekken moeder en zoon elk hun schrijversambitie tijdens een verblijf in Wenen, de zoon vindt zijn vrouw ook nog dankzij de literatuur. Zou Irving dan toch romans over romans schrijven en op die manier uiteindelijk ook postmodernist zijn? (Onnodig op te merken dat ook Irving zelf zich van zijn schrijverstalent bewust werd tijdens zijn verblijf aan the Institute of European Studies in Wenen.)
HOTEL NEW HAMPSHIRE
Ook de Berry’s uit New England en later Maine (met alweer een tussendoortje in Wenen) maken zo’n toestanden mee in “Hotel New Hampshire” (1981). Omdat ze dat zo willen. Ze willen geen “opportunity“, geen “geschikt moment” in het leven laten voorbijgaan; zelfs als er teveel zouden zijn. Want eens komt er een eind aan de geschikte momenten.
Vader Win Berry, zoon van “coach” Bob Berry of kortweg Iowa Bob, kreeg die raad mee van Freud (niet dé Freud) vóór hij met moeder Mary (Bates) trouwde, net op het moment vóór Freud terug naar zijn geboortestad Wenen vertrok en Win zijn beer “State o’Maine” of kortweg “Earl” en motor naliet. En het was natuurlijk ook vóór Frank, Franny, John (de koele objectieve reporter), Lilly en Egg hun kleine gezin kwamen vergroten.
Wàt dat gezin precies meemaakt in een kwarteeuw (van 1939 tot 1965), is ook te zien in Tony Richardsons gelijknamige verfilming van het boek. Een voorsmaakje ervan krijg je reeds in “The Pension Grillparzer”, het kortverhaal dat Garp zogezegd schrijft in “The world according to Garp”. De titel van dat boek is daaraan trouwens ontleend: “Helen would later say that it is in the conclusion of ‘The Pension Grillparzer’ that we can glimpse what the world according to Garp would be like” (p.166).
En wat is dat einde dan wel? “I was thinking I had noticed a curious lack of either enthusiasm or bitterness in the account of the world by Theobald’s sister. There was in her story the flatness one associates with a storyteller who is accepting of unhappy endings, as if her life and her companions had never been exotic to her as if they had always been staging a ludicrous and doomed effort at reclassification.” (p.176)
Merkwaardig ook dat Irving (of althans toch zijn uitgever) in deze context een fout maakt die je niet direct zou verwachten bij een uitgave die normaal gezien toch “meticulously” nagelezen zou moeten zijn, namelijk “Australian” voor “Austrian” (p.122).
De personages van “Hotel New Hampshire” van hun kant zijn, hoe bizar en onecht ook, toch zo menselijk in hun reacties. Ze zijn woest en innerlijk verscheurd wanneer hun zus verkracht wordt door een hele voetbalploeg, ze lopen zich bijna te pletter om een andere zus van zelfmoord te weerhouden, maar toch stappen ze schijnbaar zonder probleem over de dood van hun moeder en broertje in een vliegtuigongeluk. Al worden deze vaak met weemoed weer in gedachten gehaald. De Irving-karakters zijn beslist nonconformistisch, maar hun reacties zijn die van iedere mens. Alleen hebben ze na elke slag in het gezicht – en het is een slag, want elk drama slaat bij voorkeur toe tijdens de leukste, onstuimigste momenten – toch altijd opnieuw de moed om door te gaan, om te leven, om jong te blijven.
Aan het slot van zijn roman wenst de verteller iedereen een goede, sterke beer toe. Als steun, stimulans, richtingaangever om te leven, om jong te blijven. Kortom een echte Winnie-the-Pooh. En alle personages vinden inderdaad hun “beer”: Frank in zijn verstand, vader Win in zijn illusies, Franny in haar zwarte minnaar en tenslotte John, de verteller, in Susie, het meisje dat zichzelf zo lelijk vond, dat ze zich jarenlang als beer vermomde (wat een beetje een probleem is als je de film gezien hebt vóór je het boek hebt gelezen, want met iemand als Nastassja Kinski voor ogen is het moeilijk om het personage geloofwaardig “lelijk” te vinden). Of, zoals Iowa Bob zaliger ooit zei: “You’ve got to get obsessed and stay obsessed. You have to keep passing the open windows.”
THE CIDER HOUSE RULES
Het verhaal van “The cider house rules” speelt in de jaren veertig. In een afgelegen weeshuis in de Amerikaanse staat Maine groeit Homer Wells op onder de hoede van dokter Larch, die hem heeft ingewijd in de geneeskunde. Homer kent niets buiten de veilige wereld van het weeshuis maar naarmate hij ouder wordt, groeit nieuwsgierigheid naar de wereld àchter het tuinhek. Meteen begint Homer ook bepaalde principes van de dokter in twijfel te trekken, met name het gemak waarmee hij vrouwen verlost van ongewenste baby’s. Dokter Larch verdedigt zijn aanpak door erop te wijzen dat hij vrouwen beschermt die in nood verkeren. Als hij niet ingrijpt, lopen ze wellicht naar een of andere kwakzalver die hun gezondheid in gevaar brengt.
Homer kan op de duur dokter spelen zonder dat hij de vereiste diploma’s heeft. Zijn wereldbeeld blijft echter beperkt tot dat van het weeshuis. Hij ziet een kans zijn horizon te verbreden als Wally en Candy Worthington naar dokter Larch komen om een abortus te laten uitvoeren. Nadien vraagt Homer dat ze hem zouden meenemen naar hun huis, waar hij met een ploeg zwarten appels tot cider helpt verwerken. Wally vertrekt als soldaat naar Europa en Homer wordt voorspelbaar verliefd op Candy. Even voorspelbaar keert Wally verlamd terug uit de oorlog en keert Homer uiteindelijk terug naar het weeshuis om er de plek van Larch (overleden na een overdosis) in te nemen, dankzij een door Larch zelf vervalst doktersdiploma.
Met dit laatste (maar ook op andere ogenblikken) wordt de titel van het boek verklaard. De huisregels die in het ciderhuis zijn opgehangen kunnen immers door de eenvoudige plukkers niet worden gelezen. Zij maken dan ook hun eigen regels. En dat is meteen ook de boodschap van het boek: in het leven moet je je eigen regels maken.
SAY A PRAYER FOR OWEN MEANY
Al op de eerste pagina’s van het volgende boek, “Say a prayer for Owen Meany” (1989) is duidelijk dat ook de moeder van de ik-persoon van het boek (John Wheelwright) haar eigen regels maakt. Dat blijkt al uit haar naam, want die was Tabitha (of Tabby) Wheelwright. Met andere woorden, John was “a love child”, zij het dat er van “love” blijkbaar niet veel sprake was, want zijn vader is zo lang zijn moeder leefde voor hem een onbekende gebleven. “Het was blijkbaar het soort verhaal waarvoor je ‘groot genoeg’ diende te zijn.” (p.21)
Maar John (niet enkel deelt hij zijn voornaam en woonplaats met de auteur, maar ook zijn geboortejaar, 1942) krijgt de kans niet om ‘groot genoeg’ te worden, want zijn moeder wordt, als hij elf is en zij pas dertig, gedood door een “uitbal” (term uit het honkbal en titel van het eerste hoofdstuk) gegooid door… precies die Owen Meany, de beste vriend van John maar ook het voorwerp van pesterijen van heel de klas, John inbegrepen. Die Owen Meany was anders nooit in staat een bal te raken, laat staan hard te raken. Als John later die bal weervindt (dankzij een ingrijpen van Owen vanuit het hiernamaals dan nog wel), dan weet hij meteen ook wie zijn vader is (p.549), maar dat ga ik hier nu niet verklappen natuurlijk. En ook niet in welke mate dat “ongeval” heeft bijgedragen tot het verliezen door zijn vader van diens geloof (p.550).
Owen Meany kon trouwens ook geen steentjes op het water doen wegketsen, aangezien hij vanop de oever niet eens tot aan het water geraakte (5). Behalve die keer dat hij over Johns vader zei: “Je vader kan zich verborgen houden voor jou, maar voor God kan hij zich niet verstoppen.” (p.22)
Jammer genoeg zegt hij dat (zoals alles trouwens) wel in hoofdletters, wat – zoals we weten sedert de invoering van de “nettiquette” – gelijk staat met roepen en dus onbeleefd is. Bovendien is het ook een beetje eigenaardig want “om überhaupt gehoord te kunnen worden, moest Owen Meany schreeuwen door zijn neus” (p.15). Op p.307 schrijft Irving het zelf: “toen hij eenmaal begon te praten, moeten ze helemaal de kriebels hebben gekregen, verbijsterd door de absurditeit dat juist die stem alleen in kapitalen werd weergegeven.” (p.307)
Maar goed, die dag dus stelt de schrijver: “En ofschoon ik hem toen niet geloofde, was dat de dag waarop Owen Meany begon aan zijn langdurige opbouw van mijn geloof in God.” (p.22)
Dat stond trouwens al in de eerste zin: “ik ben christen vanwege Owen Meany” (p.13). Alleen zijn dat niet de echte openingswoorden, maar het einde van een eerste zin die vijf lijnen lang is. Daarmee gaat Irving dus de wedstrijd “fameuze openingszinnen” zeker niet winnen!
Maar nog belangrijker is allicht, dat ik blij mocht zijn van reeds flink wat andere boeken van Irving te hebben gelezen, want anders was het nog maar de vraag of ik ermee zou doorgegaan zijn, na zo’n zin. (En Irving weet beter dan wie ook hoe belangrijk een openingszin is, zie het laatste hoofdstuk van Twisted River.)
En dat zou toch wel spijtig zijn, want zoals gewoonlijk liegt Irving er zo solied op los (zie verder), dat iedereen er wel iets van zichzelf in herkent. Zo kwam de discussie over de borsten van Tabitha Wheelwright me maar al te bekend voor (p.41). Ik herinner me ook nog hoe pijnlijk het was, als mijn vriendjes stonden aan te schuiven om met mijn moeder te praten, terwijl ze met een diepe décolletée op haar hukken in de tuin aan het werken was. Alhoewel ze hiermee eigenlijk meer overeenkomst vertoonde met Tabitha’s moeder Harriet dan met Tabitha zelf (p.30).
Met deze opmerking geef ik trouwens meteen aan dat de parallel niet helemaal opgaat. Voor de rest was mijn moeder (die tien jaar meer scheelde met mij dan Tabitha met haar zoon) zeker geen filmster (6) en vooral, bij Tabitha is dat dan een aanleiding om niet alleen haar zoon, maar ook Owen Meany, uitgebreid te gaan knuffelen (p.49). Bij ons thuis werd er niét geknuffeld. Ik heb mijn moeder mijn vader nooit zien zoenen of knuffelen en vice versa al evenmin. Ook ik werd niet geknuffeld, door geen van beide. In ruil kreeg ik dan maar materiële zaken: een fiets, een draagbare radio, een platenspeler… Telkens was ik daarmee de eerste uit de buurt, maar een knuffel? Forget it! (7)
Soms “liegt” Irving ook wel eens zodanig dat je zijn “leugen” misschien wel kunt terugbrengen op collega-schrijvers. Het feit b.v. dat het overgaan van de ene kerk naar de andere in de VS vaak te maken heeft met de repercussies die dit heeft op de koorzang (p.48), verwijst mijns inziens naar het jeugdboek “My name is Aram” (1937) van William Saroyan, dat daarginds erg populair heet te zijn. Terwijl het zwemmen in het meer ontstaan door de granietwinning (p.32) dan weer zó uit de film “Breaking away” (1979) zou kunnen komen…
Ik heb in verband met John Irving nog nooit de term “magisch-realisme” laten vallen en bij nader inzien vind ik dit merkwaardig. In “A prayer for Owen Meany” is dit frappant aanwezig en men zou kunnen zeggen dat, gezien de godsdienstige thematiek die aan de oorsprong ligt van het verhaal, dit nogal voor de hand ligt. Maar op zich verschilt de verteltrant in “Owen Meany” niet van andere verhalen van Irving, het wordt alleen een beetje explicieter gesteld. En dan, ik herhaal het, valt het op hoezeer Irving met het magisch-realisme flirt en dan nog wel het “klassieke” MR, zoals mijn vriend Johan de Belie dat placht te stellen, namelijk dat het eigenlijk bijna louter realiteit is, maar dat enkele kleine gebeurtenissen er dat “magische” aspect aan verlenen.
U merkt het, ik heb problemen met het verwoorden, maar dat maakt het daarom niet minder wààr. Nemen we b.v. de eerste drie hoofdstukken. Het eerste, over de “uitbal”, kan men nog puur als “realistisch” afdoen. In het tweede echter, krijgt dit “ongeval” (maar dat is het in de MR-betekenis nu juist niét) al een beetje mythischer proporties door de rol van het opgezette “gordeldier” (tevens de titel van het hoofdstuk) in de verwerking van het rouwproces door de twee kinderen (Owen Meany en de ik-persoon) en door de man van het slachtoffer, dus de stiefvader van Johnny, met name Dan Needham. In het derde hoofdstuk wordt dan duidelijk hoe de religieus geïnspireerde Owen zichzelf als doodsengel ziet, nadat hij naar eigen zeggen op een nacht per ongeluk de Engel des Doods (als titel voor het hoofdstuk afgekort tot “de engel”) bij zijn werk heeft gestoord. Belangrijk is ook de rol van Dan Needham als “mediator”. Hij moet aan Johnny (die dat toen allemaal niet snapte, maar nu als volwassen auteur die het verhaal neerschrijft wél) uitleggen wat elk woord van Owen precies wil zeggen en wat de symboliek ervan is.
Precies daarom spreken deze hoofdstukken me op dat vlak meer aan dan het vijfde waarin Owen de datum van zijn eigen dood “ziet” tijdens een opvoering van Charles Dickens’ “Christmas Carol” (later, p.546, zal hij deze zelfs in zijn eigen grafsteen beitelen), want hier zitten we dan toch bij een heel “theatraal” magisch-realisme! Al wordt het wel naar juistere proporties teruggebracht in het zevende hoofdstuk dat heel toepasselijk “de droom” heet, vooral op het einde (p.424-425) waarin tevens ook de titel van het boek wordt verklaard. Het aanvaardbare eraan is dat we dan al lang met onze ellebogen (!) aanvoelen dat de obsessie die de ik-persoon heeft met de Vietnamoorlog, iets te maken heeft met de “toekomst” die Owen voor zichzelf ziet (“Niets is zo angstwekkend als de toekomst”, p.205) en dat ook de schrijver het dan niet meer expliciet formuleert. Tenslotte bestaat er niet zoiets als het “toeval”, nietwaar? “Owen Meany geloofde dat ‘toeval’ een domme, doorzichtige uitvlucht was voor domme, doorzichtige mensen die het feit niet konden accepteren dat hun leven bepaald werd door een angstaanjagend en ontzagwekkend patroon” (p.197).
Tegelijk moet ik toegeven dat ik mijn interesse voor het boek grotendeels verloren ben, eens je weet dat Owen – ondanks alle kritiek die hij op de Amerikaanse regering heeft – eventjes de held wil gaan uithangen in Vietnam. Ondanks die kritiek komen we hier toch weer heel dicht in de buurt van de anti-communistische Irving en het feit dat de ik-figuur een draft resister is, is grotendeels gebaseerd op het feit dat-ie het gewoonweg in zijn broek doet. Heel begrijpelijk, hoor, maar niet goed voor het inlevingsvermogen. Ik heb wat gegoogeld om te vinden wat Irving zelf heeft gedaan om aan Vietnam te ontsnappen, maar ik heb daar nergens een verklaring voor gevonden. (Ook in Twisted River is het thema van het “ontsnappen” aan Vietnam prominent aanwezig.)
Het mag duidelijk zijn dat Owen Meany “a Christ-like figure” is, maar Irving gaat daarin toch wel heel ver door er zelfs de “maagdelijke geboorte” (“virgin birth”, p.544) bij te sleuren. Anderzijds was ik wel heel blij dat hij met zijn formulering niet in de “onbevlekte ontvangenis”-val was getrapt, maar twintig pagina’s verder (“immaculate conception”, p.566) doet hij dat toch wél, zeker! Tenzij het een fout is van de vertalers (C.A.G. Van den Broek, Nettie Vink en Jabik Veenbaas) natuurlijk, want die zijn elders ook al niet zo briljant.
TRYING TO SAVE PIGGY SNEED
Hierna volgde “Trying to save Piggy Sneed”, een redelijk overbodige bundel verhalen. Het titelverhaal uit 1982, dat eigenlijk zou moeten verduidelijken waarom Irving is gaan schrijven, is alleszins van een bedroevende kwaliteit. “Interior Space” uit 1980 is beter, ook al omdat de uroloog uit “The Water-Method Man” (misschien niet echt dezélfde) hier weer opduikt, maar “Almost in Iowa” (1973) is dan weer een weinig opbeurend verhaal over een echtgenoot die het echtelijke dak verlaat, maar nog vooraleer hij in Iowa aankomt, besluit hij terug te keren, louter omwille van het feit dat zijn wagen gemolesteerd wordt door vandalen.
“Weary Kingdom” (1968) gaat over frustratie. Een wat men in de volksmond “oude vrijster” zou noemen, staat in voor de maaltijden op een meisjesinternaat. Het leven is aan haar voorbijgegaan, maar ze heeft daar geen speciale gevoelens over. Tot er op een bepaalde dag plotseling van alles tegelijk gebeurt. Ze heeft al langere tijd iemand gevraagd om haar bij te staan en die wordt haar toegekend, net op dezelfde dag als één van de meisjes die ’s avonds bij haar televisie komen kijken, haar mee uit shoppen neemt. Daar houdt ze een warm gevoel aan over, dat nog intenser wordt als ze die avond haar nieuwe collega wil begroeten, maar deze blijkt al ingeslapen te zijn, terwijl ze zichzelf naakt streelt in haar slaap. Niet lang daarna komen precies deze twee personen met elkaar in conflict te komen over een jonge motorrijder, stijl Marlon Brando of James Dean. Mede door toedoen van de hoofdpersoon wordt haar collega ontslagen en het leven herneemt weer z’n aloude, saaie gang.
“Brennbar’s Rant” (= uitval) is een verwaarloosbaar tussendoortje uit Playboy van 1974 en “Other people’s dreams” uit 1982 is al niet veel beter als een verhaal over een tot dan toe droomloze jongeman die plotseling in staat is de dromen van anderen te dromen als hij in hun bed ligt. “The Pension Grillparzer” kenden we natuurlijk al uit “The world according to Garp” en we eindigen waar we begonnen waren: met “The king of the novel” (1986) heeft John Irving het over zijn liefde en eerbied voor Charles Dickens, maar beter dan in het titelverhaal leren we hier écht hoe hijzelf aan schrijven is toegekomen…
A SON OF THE CIRCUS
John Irvings boeken verfilmen is geen eenvoudige klus. Dat bewijzen de filmversies van “The World According to Garp” en “The Hotel New Hampshire”. Daarom besloot de auteur in 1994 om zelf het scenario te schrijven van “A son of the circus” (“Een zoon van het circus”). De film is er bij mijn weten nooit gekomen. Irving heeft zelfs een pamflet geschreven over zijn negatieve ervaringen met het filmwereldje (“My movie business”). De roman “A son of the circus” is wel tegelijkertijd met het scenario tot stand gekomen, maar is niet hetzelfde verhaal, aldus Irving zelf in zijn inleiding tot de roman (p.5).
“A son of the circus” speelt zich af in India en is als dusdanig een buitenbeentje in het werk van de auteur. Het titelpersonage is dokter Farrokh Daroewalla, een orthopedist uit Toronto, die echter vaak naar zijn thuisland afreist, omdat hij daar genetisch onderzoek verricht op de dwergen die in circussen zijn tewerkgesteld. “Dit soort overgeleverde kennis én het dwergenbloed gaven voedsel aan Farrokhs duurzame gevoel dat hij, door rond te hebben gesparteld in een vangnet en daarbij te zijn neergekomen op de arme vrouw van een dwerg, een aangenomen zoon van het circus was geworden.” (p.45)
Dat hij zich samen met zijn broer voor hun studies in de Russische sector van het naoorlogse Wenen vestigt (p.102), komt dan weer wél bekend voor, maar toch blijft dit een “vreemd” Irving-boek. Het racisme waarmee de familie Daroewalla in Londen wordt geconfronteerd (p.104), doet b.v. veel meer aan Julian Barnes (“Arthur & George”) denken.
In betrekking tot het kader waarbinnen deze roman is tot stand gekomen, is het ook belangrijk op te merken dat Farrokh onder een schuilnaam ook scenarioschrijver is, “zo’n hoer voor het geld” (p.63). Maar Irving is dan nog lief voor zijn hoofdpersoon (die zoals gewoonlijk een afsplitsing van hemzelf is, zij het deze keer dus wel een “vreemde” afsplitsing) in vergelijking met zijn Amerikaanse collega-scenarist Danny Mills, laat staan de regisseur Gordon Hathaway (p.114 e.v.).
Irving is een schrijver die zich altijd goed documenteert. Als hij dus een dokter Duncan Frasier opvoert, een “homoseksuele geneticus, vermaard om zijn onderzoek naar de zogenaamde (en ongrijpbare) homochromosomen“, dan kan men ervan uitgaan dat die Frasier weliswaar een fictief personage is, maar dat de kennis die hij etaleert, wetenschappelijk onderbouwd is. En wat schrijft Irving? “Biologisch onderzoek naar homoseksualiteit wekt doorgaans alom ergernis. De vraag of homofilie vastligt bij de geboorte dan wel een vorm van aangeleerd gedrag is, heeft een ontvlambare politieke lading. De conservatieven wijzen de wetenschappelijke suggestie af dat seksuele geaardheid een biologische kwestie is; de progressieven zijn bezorgd om het medische misbruik dat zou kunnen worden gemaakt van een identificeerbaar genetisch merkteken – mocht er ooit een gevonden worden.” (p.468)
En zowat honderd bladzijden verder (p.562) vervolgt hij: “Frasier had een keer tegen Farrokh gezegd dat er een kans van tweeënvijftig procent bestond dat de identieke tweelingbroer van een homo ook homo was. Bovendien had Farrokhs vriend en collega Macfarlane hem overtuigd van de onveranderlijkheid van homoseksualiteit. (‘Als homoseksualiteit aangeleerd gedrag is, hoe komt het dan dat je het niet kunt àfleren?’ had Mac gezegd.)”
52% dat is natuurlijk zo goed als fifty-fifty en alhoewel er in het boek geponeerd wordt dat van een tweeling, die onwetend van elkaars bestaan is opgevoed, toch blijkt dat ze allebei homoseksueel zijn, dan ken ik net zo goed een eeneiïge tweeling, waarvan de ene (Piet) homo is en de andere (Paul) hetero.
Maar Irving gaat nog verder: ook over de afstamming van de tweeling is er twijfel en geconfronteerd met de homoseksuele geaardheid van hen beiden concludeert hij: “De tweeling zou dus uiteindelijk toch wel van Neville zijn, niet van Danny” en dat omdat die Neville biseksueel was!
DE VIERDE HAND
In 2001 zou Irving teruggrijpen naar een Indisch circus als startpunt voor zijn “Vierde hand”. Een merkwaardige titel overigens voor een boek over een televisiejournalist wiens linkerhand (onderarm eigenlijk) wordt afgebeten door een leeuw. In een Indisch circus, jawel. “De tweede hand” zou immers een logische titel zijn of eventueel zelfs “de derde hand” (als je begrijpt wat ik bedoel), maar de vierde…? Daarna ging het over een transplantatie en ik nam dan ook aan dat die pas bij de vierde hand zou lukken, maar het bleek uiteindelijk helemaal iets anders te betekenen…
“Doris Clausen deed hem het tweede condoom om. Ze had er een zelfs voor Wallingford nieuwe manier voor bedacht: ze trok het met haar tanden over zijn penis. Voor iemand zonder eerdere ervaring met condooms was ze uitermate vindingrijk, maar Doris bekende dat ze deze methode uit een boek kende.
‘Een roman?’ wilde Wallingford weten. (Ja, natuurlijk!)
‘Geef me je hand,’ gebood Doris Clausen.
Hij dacht uiteraard dat ze de rechter bedoelde, zijn enige. Maar toen hij zijn rechterhand naar haar uitstak, zei ze: ‘Nee, de vierde.’
Patrick dacht dat hij haar verkeerd verstaan had. Ze had natuurlijk gezegd: ‘Nee, niet die’ – doelend op de andere hand, de zogenaamde onhand.
‘De wat?’ vroeg Wallingford voor de zekerheid.
‘Geef me je hand, de vierde,’ zei Doris. Ze greep zijn stomp en klemde die stevig tussen haar dijen, waar hij zijn ontbrekende vingers tot leven voelde komen.
‘Eerst waren er de twee waarmee je geboren bent,’ verduidelijkte Doris Clausen. ‘Je hebt er een verloren. Die van Otto was je derde. En deze,’ zei ze, en ze drukte ter accentuering haar dijen tegen elkaar, ‘deze zal mij nooit vergeten. Deze is van mij. Het is je vierde.’
‘O.’ Misschien kwam het daardoor dat hij er gevoel in had, alsof er echt iets zat.”
(p.325-326)
Om in de terminologie te blijven: niet echt ‘bevredigend’ dus. En zo is het ook met het boek. Vrij oppervlakkig, nietszeggend haast. Wel nog altijd lekker weglezend, maar voor het eerst viel me ook een manco op in de stijl van Irving. Hij gebruikt namelijk veel tussenzinnen tussen twee haakjes (het is niet omdat ik dit zelf ook vaak doe, dat ik dit niet ook als een manco op mijn conto zou schrijven).
A WIDOW FOR ONE YEAR
Chronologisch volgde op “Son of the circus” “Het verzonnen meisje”, wat het dichtst bij een autobiografie komt als Irving ooit zal komen, en het reeds eerder vermelde “My movie business”. Beide werken heb ik echter nog niet gelezen. Dat in tegenstelling tot “A widow for one year”, dat als ik me niet vergis gelijktijdig (in 1998) in het Nederlands verscheen als “Weduwe voor een jaar”. Dit had onder meer te maken met het feit dat een gedeelte van het plot zich in Amsterdam afspeelt. Dit boek en sommige andere heb ik dan ook in het Nederlands gelezen, ook al is dit zeker geen optie van mij, het is gewoon toeval (!). Want in een (doorgaans Noord-Nederlandse) vertaling moet je je toch telkens weer door ondingen ploegen, zoals in “Owen Meany”, die dus de zoon is van een graniethandelaar, waardoor het vaak over “trottoirbanden” gaat. Trottoirbanden, mijn god! Weet je wat een “trottoirband” is? Dat is de stoeprand. En een vrouw die tijdens het neuken “harder! harder!” roept, dat hebben we allemaal al meegemaakt, maar in Nederland roept men blijkbaar “stijver! stijver!” (Meany, p.203)
De andere locaties in “A widow” zijn Long Island (waar Irving dus werd geboren), Toronto en Vermont, waar de schrijver woont. Het verhaal blijft trouwens ook inhoudelijk weer “dicht bij huis”. De vier hoofdpersonages zijn immers allemaal schrijvers. Het begint allemaal met Ted Cole, een mislukte romanschrijver, die echter een succesvol auteur van kinderboeken wordt (personage dat doet denken aan de ik-figuur uit “The 158-pound marriage”). Onder meer omdat hij inspiratie voor zijn verhalen opdoet via de interactie met zijn twee zonen (Irving is zelf gehuwd en heeft drie zonen, maar in “The 158-pound marriage” zijn het er ook maar twee). Vooraleer ze het hem echter net als Christopher Robin Milne kunnen gaan kwalijk nemen, komen ze op een tragische wijze om het leven. Dit heeft vooral een blijvend effect op hun moeder Marion, die ook al “bij leven en welzijn” eraan dacht om Cole te verlaten.
In een wanhoopspoging om te redden wat er nog te redden valt, heeft het echtpaar Cole nog wel een meisje verwekt (Ruth), maar als deze vier jaar is, verlaat Marion het echtelijke dak omdat ze zichzelf wil verhinderen van Ruth te gaan houden (uit schrik dat er ook met haar iets zou gebeuren). Vooraleer te verdwijnen heeft Marion nog wel een passionele verhouding met de zestienjarige Eddie O’Hare, die zogezegd bij Ted het vak van schrijver kwam leren. (In werkelijkheid had Ted hem speciaal laten komen om Marion met hem in de koffer te laten duiken, zodat hij bij een echtscheiding Ruth zou mogen houden.) Deze O’Hare zal later inderdaad schrijver worden, maar dan wel een minderwaardige. (“Als hij meer vooruitziend was geweest, had Eddie zich daar op dat moment zijn beperkingen als schrijver kunnen realiseren: hij zou nooit een solide leugenaar zijn“, p.205). Hij herhaalt immers altijd hetzelfde thema, namelijk de liefde voor een oudere vrouw (8).
Ook Marion zal het verlies van haar zonen van zich proberen afschrijven, maar aangezien ze naar Canada is vertrokken en daar onder een pseudoniem detectiveromans schrijft, duurt het een tijdje vooraleer de andere personages erachter komen dat zij dit is.
Ruth zelf zal uiteraard een beroemde schrijfster worden en eveneens de werkelijkheid laten ingrijpen in haar boeken. Dat is bijvoorbeeld het geval met de moord op een Nederlandse prostituée. Op die manier komt ze in contact met Harry Hoekstra, de gepensioneerde rechercheur die bij het onderzoek naar die moord was betrokken. Deze Hoekstra is zoals alle politiemensen een groot lezer (grapje!) en is als zodanig niet enkel een fan van haar, maar ook van haar moeder, van haar vader en van de minnaar van haar moeder. Nou moe! Kortom, alhoewel deze kluif van bijna zeshonderd bladzijden vlot wegleest, is dit duidelijk maakwerk. Een typisch product van de Amerikaanse school (letterlijk).
Oh ja, op het moment dat Ruth Harry ontmoet, is ze precies één jaar weduwe van haar eerste echtgenoot (haar eindredacteur overigens), vandaar de titel. Nogal flauwtjes, jawel, maar dat wordt dan toch een beetje aangedikt door het feit dat ze in een ander boek over een “weduwe voor een jaar” had geschreven, waarbij ze zwaar werd aangevallen door een “echte” weduwe die haar verweet dat ze niks afweet van het werkelijke verdriet om een afgestorvene (tevens dus een verwijzing naar het trauma van haar moeder). “Men is weduwe voor eeuwig!”
Typisch is dan dat Ruth later die vrouw weerziet die “gelukkig hertrouwd” is, terwijl hààr gevoelens inderdaad precies overeenkwamen met die beschreven in haar boeken. Moraal van het verhaal: een schrijver hoeft niet iets echt te beleven om er realistisch te kunnen over schrijven. Je kan m.a.w. ook “liegen”. Maar ook deze stelling is dus iets te pover om zo’n kanjer te legitimeren.
UNTIL I FOUND YOU
Hierna volgde “The Fourth Hand” (zie hoger) en daarna “Until I found you” uit 2005. Op de achterflap wordt het boek als volgt samengevat: “This is the story of the actor Jack Burns (9), the bastard son of Alice, a tattoo-artist. Alice and Jack travel through the Baltic’s port cities in search of William Burns, Jack’s absconding father and ‘ink addict’. But William, a church organist and profligate womanizer, is always one step ahead – always departing in a wave of scandal, with a new tattoo somewhere on his body from a local ‘scratcher’. William can’t be found and Jack must grow up without a father, his childhood and education shaped by sexual experiences with older women. Later, as a young man with a beautiful face, Jack moves to Hollywood where international fame and stardom await. But with the shadow of his absent father always looming, Jack sets off again in search of the truth.”
Gezien deze samenvatting behoeft de titel geen verdere toelichting, dacht ik zo, al wordt op p.625 ook een andere mogelijkheid open gelaten.
Ook dit werk, dat door velen – maar dus zeker niet door mij (10) – als Irvings “magnum opus” wordt beschouwd, begint met een citaat (van William Maxwell deze keer), waarin expliciet staat: “In any case, in talking about the past we lie with every breath we draw.” En dat is zeker waar. In de tweede helft van het boek staan de lezer nog een aantal verrassingen te wachten!
De reden waarom ik dit zeker niet zijn “magnum opus” vind – integendeel, ik denk eerder dat ik van mijn Irving-obsessie verlost ben – is merkwaardig genoeg – listen carefully, I shall say this only once – dat er teveel seks in staat. Teveel kinky seks dan nog wel, maar dan niet in de betekenis van sm. Wel wederzijdse masturbatie, cross-dressing, gesmos met tatoeages enzovoort. Veel geswaffel, maar weinig wol, zou ik zo zeggen…
LAST NIGHT IN TWISTED RIVER
Zijn volgende boek, “Last night in Twisted River” (2009), bevestigde deze indruk. En deze keer niét omwille van teveel kinky sex maar o.a. weer door het uitmelken van zijn vader-zooncomplex. Het enige nieuwe was dat er tal van (overigens wellicht lekkere) recepten in staan. Maar ook dààrin is hij dan weer een kind van zijn tijd. Piet Huysentruyt of Jeroen Meus zullen in de States wellicht niet zo populair zijn als hier. Misschien zelfs Jamie Oliver of Angela Lawson niet, maar ze hebben vast wel hun equivalenten over de plas.
IN ONE PERSON
In maart 2012 vond ik een bericht van John Irving in mijn brievenbus. Uiteraard niet letterlijk, zo’n goeie vrienden zijn we nu ook weer niet, maar ik heb het uiteraard over mijn Facebook-account. Toch is het nog maar eens een bewijs welke revolutie de communicatie heeft ondergaan.
Net zoals de eerste de beste commerçant maakte Irving onbeschaamd reclame voor zijn eerstvolgende boek. Die kruideniersmentaliteit (die ook bij de andere artiesten in eender welke branche te vinden is op FB) stuitte me eerst wat tegen de borst (en voor wie vindt dat ik in feite ook hetzelfde doe als ik dit nu publiceer om reclame te maken voor mijn blog, het verschil is: ik verkoop niets, hé!), maar nadien dacht ik: what the hell, ik kan toch maar fijn gebruik maken van deze informatie. En daarom volgt hierbij wat Irving schrijft:
Here’s an early look at the cover of my new novel, In One Person, to be published May 8, 2012. My thirteenth novel, In One Person is about sexual identity. Billy, the bisexual narrator and main character, tells the story of his life as a “sexual suspect”—from his adolescence in the fifties, through the AIDS epidemic, into the present.
I first used the phrase “sexual suspect” in 1978, in my novel of “terminal cases,” The World According to Garp. I return to that theme in this novel; as a bisexual man, Billy is a “sexual suspect” in the eyes of both straight and gay people.
In One Person is my most political novel since The Cider House Rules and A Prayer for Owen Meany, but it’s also a tribute to Billy’s friends and lovers. Not least, In One Person is a portrait of the solitariness of a bisexual man who is dedicated to making himself “worthwhile.”
In addition to the cover image, I’ve included two quotes from my good friends and fellow writers Abraham Verghese and Edmund White. Their authority on the subject of this novel means a lot to me
.”
Abraham Verghese: “This tender exploration of nascent desire, of love and loss, manages to be sweeping, brilliant, political, provocative, tragic and funny — it is precisely the kind of astonishing alchemy we associate with a John Irving novel. The unfolding of the AIDS epidemic in the USA in the ‘80s was the defining moment for me as a physician. With my patients’ deaths, almost always occurring in the prime of life, I would find myself cataloging the other losses — namely, what these people might have offered society, had they lived the full measure of their days: their art, their literature, the children they might have raised. In One Person is the novel that for me will define that era. A profound truth is arrived at in these pages. It is Irving at his most daring, at his most ambitious. It is America and American writing, both at their very best.”
Edmund White: “In One Person is a novel that makes you proud to be human. It is a book that not only accepts but also loves our differences. From the beginning of his career Irving has always cherished our peculiarities – in a fierce, not a saccharine way. Now he has extended his sympathies – and ours – still further into areas that even the misfits eschew. Anthropologists say that the interstitial – whatever lies between two familiar opposites – is usually declared either taboo or sacred. John Irving in this magnificent novel – his best and most passionate since The World According to Garp – has sacralized what lies between polarizing genders and orientations. And have I mentioned it is also a gripping page-turner and a beautifully constructed work of art?”
Gelukkig heeft Irving niet om mijn mening gevraagd. Ik vind het immers allerminst “a beautifully constructed work of art” en al helemààl niet “a gripping page-turner”. Over de mening van die andere mijnheer ga ik niets zeggen, want die heeft het vooral over de aids-periode en dat is een apart gegeven in het boek. Irving gaat daar nogal in detail en maakt de ziekte daardoor zeer “aanschouwelijk”, maar over het algemeen interesseert het mij helemaal niet met wie de hoofdpersoon “het” gaat doen (man of vrouw of beiden) en nog veel minder waar hij “hem” – in eender welk geval – gaat insteken. En of hij daarbij vrouwenkleren gaat dragen of niet. Sorry dat ik het allemaal zo bot formuleer, maar dààr gaat het nu eenmaal om en – wat veel erger is – om niks anders. Ik wil maar zeggen: er is dus helemaal geen sprake van een plot. Het enige wat me tot nu toe is opgevallen (of althans wat ik blijkbaar de moeite waard vond om te noteren), is de obsessie van Irving met het doorgeven van het zogenaamde homo-gen (zie hoger). Per definitie kan dit uiteraard enkel doorgegeven worden via biseksuelen, maar vaak gaat het dan – zoals in het geval van de ik-persoon uit dit boek – over biseksuelen die voor 75% homo zijn en slechts voor 25% hetero (of nog minder). Dit dan wat zijn vader betreft. Langs moederskant is het zijn opa (de vader van zijn moeder dus), die – net als zijn vader – van cross-dressing houdt. De opa doet dit dan wel enkel op het toneel en in het dagelijkse leven is er geen bewijs dat hij een homo (of bi) zou zijn, die niet uit de kast is gekomen. Anderzijds zitten we dan wel in een periode (aangezien de ik-persoon ongeveer dezelfde leeftijd heeft als Irving) dat uit de kast komen een riskante onderneming was, zeker in zo’n achterlijk Amerikaans dorp in Vermont waar het verhaal (verhaal? welk verhaal?) zich afspeelt…
Daarom ga ik eigenlijk wel akkoord met de slotopmerking die iemand (ik kan er niet op ingaan wie dat dan wel mag zijn, want dat zou een spoiler van formaat wezen en er vàlt al zo weinig te spoilen!) op het einde van het boek maakt:
“Weet u – ik moet één ding kwijt (…) Ik ken u niet, dat geef ik onmiddellijk toe (…) Maar ik heb al uw boeken gelezen, en ik weet wat u doet – in uw werk, bedoel ik. U doet alsof al die seksuele uitwassen normaal zijn – dat is wat u doet (…) U verzint al die personages die in seksueel opzicht ‘anders’ zijn, zoals u het zou noemen – of ‘gestoord’, zoals ik het zou noemen – en dan verwacht u van ons dat we begrip voor ze hebben, of mededogen, of wat dan ook.”
“Ja, daar komt het inderdaad zo’n beetje op neer,” zei ik.
“Maar het meeste van wat u beschrijft is niet normaal!”
En alhoewel Irving dus eigenlijk precies het tegenovergestelde beoogt, is dit zeer wààr. Let op, ik heb het hier niet over de politieke intenties van het werk. Die zijn zelfs zeer lovenswaardig. Maar verhaaltechnisch is het gewoon ongeloofwaardig dat in zo’n verloren gat van het weliswaar doorgaans inderdaad progressieve Vermont zo’n waaier van seksuele diversiteiten te vinden zou zijn. Allé, ’t is bijna zoals in “Thuis“! :-)

Ronny De Schepper
De inleidende biografische nota’s zijn overgenomen uit de Nederlandstalige versie van Wikipedia die in deze veel beter is dan de Engelstalige, dat verdient toch wel eens te worden gezegd, vind ik.

(1) Precies op dezelfde dag als Lou Reed.
(2) “In New Hampshire wijzen we niet graag de weg – we hebben de neiging om te denken dat iemand die niet weet waar hij naartoe gaat, zich ook niet hoort te bevinden waar hij is.” (Owen Meany, p.28)
(3) Het grootste falen van Twisted river is nochtans duidelijk te wijten aan teveel postmodernistisch gedoe over schrijven. Schrijven over schrijven met andere woorden. Met als gevolg: te zeer “geconstrueerd” en als gevolg dààrvan dan weer veel te voorspelbaar.
(4) Wat ik niet begrijp is dat John Irving schrijft dat Severin tot dat worstelen is gekomen, omdat hij in zijn jeugd in het naoorlogse Wenen beschermd werd door twee Joegoslavische worstelaars, waarvan er één (Vaso Trivanovich) “een bronzen medaille had gewonnen op de Olympische Spelen van Berlijn” (p.38). Ik ben dan natuurlijk van het type dat dit onmiddellijk gaat opzoeken en uiteraard is er geen sprake van die man. Akkoord, als Bob Mendes een verhaal schrijft over een achttienjarige “beur” die zowaar bijna de Ronde van Frankrijk wint, dan gelooft natuurlijk ook geen mens dat, maar waarom geeft Irving dan zo’n precieze informatie die zo gemakkelijk te weerleggen is? Waarom het niet vager houden? Dat heeft toch geen enkele invloed op het boek?
(5) Een en ander heeft te maken met het feit dat hij zo klein is. In de verfilming “Simon Birch” wordt zijn rol zelfs gespeeld door een dwerg (Ian Michael Smith). Volgens mij is dat überhaupt de reden dat deze film van Mark Steven Johnson uit 1998 “Simon Birch” heet en niet “Owen Meany”. Alhoewel hij voor de rest het boek redelijk nauwgezet volgt (behalve dan wat het einde betreft), staat er op de aftiteling immers “suggested by the novel ‘A prayer for Owen Meany’ by John Irving“, wellicht omdat Irving er evenmin mee akkoord ging van zijn hoofdpersonage een gehandicapte te maken. Dat het einde afwijkt van het boek heeft (naast de evidente ingreep om tot een “normal length feature film” te komen) trouwens evenzeer met die invalshoek te maken. Hoe zou een dwerg immers in Vietnam kunnen gaan vechten?
(6) Alhoewel. Er bestaan toch foto’s van haar tijdens de Tweede Wereldoorlog aan het geïmproviseerde “openluchtzwembad” van Temse, genomen door de beeldhouwer Karel Aubroeck, omdat die haar als model wilde. Mijn vader vond hem echter “ne vuile pitoe”. Zelfs de belofte dat hij erbij mocht zijn, terwijl de beeldhouwer aan het werk was, kon hem niet vermurwen.
(7) Werden mijn vriendjes geknuffeld door hun ouders? Niet terwijl ik erbij was, alleszins. Misschien waren wij wel een “knuffelloze” generatie? Misschien zijn er na ons niets anders meer dan “knuffelloze” generaties gekomen en is dat wel de oorzaak van alle problemen?
(8) Ik heb dan ook zeer doelbewust John Irving met het epitheton “solide leugenaar” bedacht. Het is in die context uiteraard een zeer groot compliment. Mijn eigen falen op het vlak van het schrijven van fictie wijt ik trouwens ook daaraan: ik kan absoluut niet liegen. Het lijkt alsof ik mezelf hiermee bewierook, maar het is precies het tegenovergestelde. Niet alleen wil ik er mijn onkunde mee aantonen op literair gebied, maar ook in de dagdagelijkse realiteit. Je zou er immers van versteld staan hoe vaak “liegen” synoniem is van “beleefd zijn” of “sociaal zijn”!
(9) Hij is zogezegd geboren in 1965. De idee om van zijn hoofdpersonage een Hollywood-vedette te maken is volgens mij één van de redenen dat het boek zwakker is dan alle voorgaande. Zo is dit aanleiding om allerlei (uiteraard fictieve, maar toch ergens aan de realiteit rakende) anekdotes op te diepen van diverse andere Hollywood-vedetten. Maar ik wist niet dat Irving zich zelfs zou laten verleiden tot een “platgetreden” quote als “I did not have sex with that young woman!” (p.842)
(10) De kwalificatie van “The Independent” (“In the manner of Dickens”) is alleszins bespottelijk als je net hiervóór “The Quincunx” hebt gelezen! Er is wel een gelijkaardig misverstand over wie de opvoeding van Jack heeft betaald als in “Great expectations”, maar deze overeenkomst is toch te gering om tot een dergelijke vergelijking over te gaan. Anderzijds is “Great expectations” wel “the novel that made me want to be a novelist” (Sneed, p.191)

Een gedachte over “John Irving wordt 75…

  1. Genoten heb ik van een heel andere benadering van John Irvings boeken dan ik zelf heb. In het verwoorden ben ik geen held, maar wel kan ik het ergens heel erg mee eens zijn of ergens heel erg tegen zijn. Dit alles is gevoelsmatig en niet te onderbouwen. Desalwelteplus,; erg genoten van deze verhandeling en tot de laatste letter gelezen.

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s