Een rijk met bloemen versierde inkomhal, nieuwe tapijten op de trappen naar het eerste balkon, muren ontdaan van stofhoeken en spinnenwebben, nieuwe foto’s in de wandelgangen en zelfs bloemstukken op het balkon in de zaal : onmiskenbare signalen waarmee de nieuwe directie Eric de Meester/Silveer van den Broeck ons van haar goede intenties wil overtuigen. Zonder Brabançonne of Vlaamse Leeuw werd het nieuwe bewind van de O.V.V. op stormachtige openingsakkoorden van Verdi’s Otello de geschiedenis ingestuwd.

Er werd blijkbaar aan deze productie gewerkt, want het orkest o.l.v. Frits Celis klonk bijzonder gaaf en ook de koren mochten er zijn. De enscenering van Eddy Verbruggen is kenschetsend voor het « budget »-beleid dat de nieuwe directie zich heeft voorgenomen : sober, met decorattributen die men al eens in een andere productie zag, maar realistisch, netjes ingekleed en efficiënt in haar opbouw. Personenregie kwam er maar weinig bij te pas : nog nooit zagen wij b.v. zo’n levensloze en mat acterende Jago. Bij de solisten zat het niet allemaal zo gunstig. Positief was Amedo Zambon, het enige import-element voor deze reeks : een kernachtige Otello met een heldere en krachtige tenor.
De rest van de bezetting werd geput uit de lokale krachten. Jean Segani, aanvankelijk een bas, was Jago. Een rol die hem blijkbaar te zwaar op de schouders — en op de stembanden — drukte. Van het demonische karakter bracht hij niets terecht en vocaal miste hij de gestalte en de bravoure voor deze uitgesproken heldenbariton-partij. Jacqueline van Quaille is fundamenteel geen Desdemona; hiervoor is de stem te dramatisch. Ook beginnen de jaren haar nu parten te spelen : van legato is er bijna geen sprake meer, de hoogte staat er soms nog, terwijl de zuivere piano’s de prestatie als geheel nog aanvaardbaar maken.
Kleine rollen werden doorgaans goed vertolkt, behalve de Cassio van Koen Crucke die roepen met zingen verwart en van deze gekwelde figuur een potsierlijke karikatuur maakt. Foei Koen ! Geen denderende inzet zouden wij zeggen, maar rekening houdend met de ongezonde sfeer waar de O.V.V. reeds geruime tijd in baadt, toch nog een lovenswaardige prestatie. Het publiek was trouwens opgetogen en alle medewerkenden oogstten bij het slot een langdurig applaus.
AIDA
Dat was ook het geval in Gent, waar Aida op een staande ovatie mocht rekenen… behalve van de recensenten die allen eensgezind in hun (toch niet zo comfortabele) stoel bleven plakken. Zuurpruimen ? Nooit tevreden ? Of gewoon… een beter geheugen ? Hoezeer er na de pauze ook immers een goede poging werd gedaan om toch een zekere sfeer te creëren, waarin de zangers althans toch konden proberen een goede prestatie neer te zetten (poging die overigens deskundig werd verijdeld door Gianfranco « Radames » Cecchele die te laat in zijn grafkelder arriveerde), waren wij toch niet vergeten hoe we het daarvóór hadden uitgegierd bij het klowneske spektakel dat voor een triomftocht moest doorgaan, hoe een ridicuul decor bezaaid was met enorme fallussymbolen en hoe de personenregie van Giampaolo Zennaro in de oude Bianca Castafiore-traditie van weleer tot een « battle of the bosoms » was verworden, waaraan zelfs de mannelijke personages deelnamen (het was duidelijk dat de Ethiopiërs uit die tijd geen « live aid »-actie nodig hadden).
Zo mocht het al bij al nog een wonder heten dat in dergelijke omstandigheden de Deense bas Erich Knodt als hogepriester en de Amerikaanse bariton Michael Davidson als Amonasro nog een waardevolle dramatische en vocale prestatie neerzetten. In het duister van het derde bedrijf konden we de Zwarte Piet-grime van Aida (Maria De Francesca-Cavazza) eindelijk van ons afzetten en op die manier hoorden we voor het eerst dat ook zij goed op dreef was. Na een aarzelende, quasi-ongeïnteresseerde start kwam de Bulgaarse mezzo Liljan Nejceva (Amneris) er trouwens ook stilaan door. Cecchele zou met zijn benepen stemgeluid dat helemaal in tegenstelling staat met zijn enorme torso (en zijn nekomvang !) evenwel nooit ons hart kunnen beroeren.
Samenvattend kunnen we stellen dat we het nieuwe O.V.V.-seizoen zeker met de nodige goodwill en het nodige begrip tegemoet treden, maar de soberheidspolitiek mag toch niet tot al te belachelijke resultaten komen bij het samenstellen van een bric-à-brac decor en vooral het opteren voor « traditionele » regies mag niet leiden tot de oubolligheid van weleer.
EN ONTELBARE KEREN GIUSEPPE VERDI
Verdi-fans zullen tot het einde van het speeljaar van de Munt bijzonder aan hun trekken komen. Inderdaad, na deze tweede herneming (na 1981 en 1983) van « Don Carlo », volgen « Macbeth » op 13 februari, « La Traviata » op 21 april en « Falstaff » op 23 juni e.k. De pretenties van de Munt in acht genomen, was deze « Don Carlo » een voorstelling van middelmatige kwaliteit. Enkel José van Dam als Filippo II stak daar bovenuit door zijn sonoor en verzorgd klankdebiet. De andere solisten schoten op verschillende vlakken tekort : de tenor Alberto Cupido als Don Carlo klonk hard en ongenuanceerd, Barbara Midra als Elisabetta en Jonathan Summers als Posa misten kracht en présence en Livia Budai als Eboli was ronduit slordig. De kleine rollen deden het uitstekend, maar het koor – vooral de mannen in het eerste bedrijf – was niet in zijn beste dag. Albert Ereda dirigeerde en de honderd procent zwarte-Escuriaal-regie van Gilbert Deflo was ongewijzigd gebleven.
EEN KLEINE MAAR FIJNE MOZART
Van Mozarts « La Finta Giardiniera » gaf de Munt al heel wat voorstellingen. In het Brusselse Parktheater vorig jaar waren er dat niet minder dan een 14-tal. Daarna gasteerde de Munt met deze productie in Wenen. Een tussendoortje in de Singel te Antwerpen functioneerde als repetitie voor het optreden in het Landstheater te Salzburg einde januari. Ter gelegenheid van de première schreven wij reeds welk een vreugdevolle ervaring het was dit jeugdwerk van Mozart in dergelijke optimale omstandigheden bij te wonen. Nieuw in de bezetting zijn thans Marek Torzewski als Belfiore en Malvina Major als Arminda, maar die hebben zich probleemloos aangepast aan het perfect uitgebalanceerd ensemble van vorig jaar (Ugo Bevelli, Joanna Kozlowska, Lani Poulson, Elzbieta Szmytka en J. Patrick Raftery). Sylvain Cambreling dirigeerde met de toppen van zijn vingers, « en sourdine » zouden wij bijna durven zeggen. Dit leidde tot een uiterste verfijning die het Muntorkest met zijn gebruikelijke helderheid verklankte. De enscenering van Karl-Ernst en Ursel Herrmann was fris, pittig en geestig. Wat kan men voor deze jonge Mozart nog meer verlangen ?
DE BEAUX MOMENTS MAIS DE LONGS QUARTS D’HEURES
De O.V.V. heeft het blijkbaar breder dan de Munt. De John Dew-productie van « Die Walkure » uit 1983 heeft slechts enkele voorstellingen dienst gedaan (één reeks !) maar dit belette de directie niet Jo Dua te gelasten met een volledig nieuwe enscenering. Wij kennen geen enkel theater ter wereld dat zich een dergelijke luxe permitteert. Zelfs de allergrootsten (Milaan, Londen, Wenen, New York) herhalen hun producties verscheidene speeljaren alvorens ze te vervangen. In plaats van de fondsen zo gul te verspillen aan een nieuwe inkleding en decor — trouwens geen verbetering t.o.v. de John Dew-enscenering — had men beter een goede dirigent laten gasteren en/of enkele eerste-rangs solisten op onze planken uitgenodigd. De opvoering, zoals ze ons nu in Antwerpen voorgesteld werd, was ver beneden peil. Enkele solisten kenden wij reeds van vorige producties, maar ze waren er blijkbaar niet op vooruit gegaan. De baritonale tenor Elliot Palay was een kwelling als Siegmund, Monte Jaffe mist het gezag en de vocale middelen om een geloofwaardige Wotan te brengen en Gudrun Volkert moest een hele vocale strijd leveren om zich niet te verbranden aan de zware Brünnhilde-partij. Ingrid Haubold als Sieglinde was het mooiste lichtpunt in deze voorstelling. Gabor Andrasy had enkele sublieme momenten als Hunding, maar Annet Andriessen was een pijnlijke Fricka. Het orkest o.l.v. Silveer van den Broeck klonk onverschillig en routineus. Gloed, hartstocht en dynamiek waren volledig afwezig.
NA HARD-ROCK IS ER NU OOK HARD-OPERA
In Gent loopt ondertussen de « Fidelio »-productie die bij het seizoenbegin in Antwerpen was te zien. Wij waren daar toen niet over te spreken en gewaagden van « hard-opera » in navolging van « hard-rock ». De O.V.V.-directie had daaruit blijkbaar haar lessen getrokken (al zijn we wel zo realistisch om in te zien dat dit ook wel op basis van nog andere perscommentaren zal zijn) en de « sirene », zoals we hem hadden genoemd, Georg Paucker werd als Don Pizarro vervangen door Jef Vermeersch. Van de weeromstuit ging deze echter nauwelijks verstaanbaar zingen. Volker Horn als Florestan werd helaas behouden, maar uit reacties in de zaal kon men opmaken dat die blijkbaar over nog wat fans beschikt. Echter niet voor lang meer, dat geven we u op een bordje. De prachtige bas Erich Knodt was er ook uit, maar dat dan gewoon omwille van het feit dat die nu op dit ogenblik in « Don Carlo » schittert. Zijn vervanger was echter niemand minder dan Chris De Moor die met zijn Rocco-figuur terecht het meest in de kijker liep. Ook Jacqueline Van Quaille in de titelrol kreeg een open doekje, maar ondanks alle respect voor haar vocale inspanningen kwam ze als man nooit geloofwaardig over voor ons (en zeggen dat Monika Schanzer Koen Crucke in de kou laat staan voor haar, pardon « hem » !), wat de dramatische spanning uiteraard niet ten goede kwam. Daarvoor zorgde dan maar het Gentse orkest dat onder een emotionele leiding van Frits Celis tot concert-hoogte uitgroeide.
50 lieve jansenMISS HAVISHAM
De creatie van opera’s van bij ons nagenoeg onbekende componisten hebben wij altijd als de voornaamste bestaansreden van onze V.K.O. beschouwd. « Miss Havisham’s Wedding Night » van Dominic Argento valt volkomen binnen het streven. Argento is zonder twijfel één van de meest opvallende figuren uit de Amerikaanse operawereld. Hij behoort tot de medestichters van de Minnesota Opera, waarvoor hij in 1964 « The Masque of Angels » en « Postcard from Morocco » schreef. « Miss Havisham », gecreëerd in New York in 1979 werd minder goed ontvangen. De versie die de V.K.O. ons brengt is in feite maar een fragment van de opera : een monoloog, of beter een waanzinscène. U kent het verhaal uit Dickens’ « Great expectations » wel : jaren geleden is miss Havisham op de dag van haar huwelijk door haar bruidegom verlaten. Sindsdien is, in het vervallen huis, de bruiloftstafel steeds gedekt gebleven. De monoloog van de gefrustreerde miss is een dankbare one-man-show waar de sopraan Lieve Jansen echter in de verste verte de vocale middelen niet voor heeft. Er werd dan ook meer krampachtig geschreeuwd dan gezongen. Spijtig, want de muzikale leiding van Jean-Jacques Werner en de enscenering van Peter Jonckheer waren voortreffelijk. Vooraf ging « Pierrot Lunaire » van Arnold Schönberg waar dezelfde Lieve Jansen een méér verdienstelijke vertolking bracht. De opvoering van deze « Pierrot » werd omlijst door walsen van Johann Strauss in een orkestratie van Schönberg met bijzonder smaakvolle balletinterventies.
HUIVERINGWEKKENDE GILLEN
De première van « Salomé » in de O.V.V. te Gent in oktober vorig jaar werd in « de rode vaan » met veel lof besproken. Met de herneming te Antwerpen waren wij minder gelukkig. De gevierde Salomé van Brenda Roberts werd vervangen door Rose Wagemann die van de hysterische dochter van Herodias (en niet van Herodes Antipas — haar nonkel — zoals het programma verkeerd vermeldt !) niet veel teweeg bracht. Haar acteertalent beperkt zich tot een gekunsteld armgezwaai, terwijl zij vocaal in alle registers tekort schiet. Ook de alles overdonderende Frans van Eetvelt als Jochanaan was niet in zijn beste dagen. Voor Mariette Janssens beperkte de rol van Herodias zich tot enkele huiveringwekkende gillen. Udo Holdorf was het enige lichtpunt in de bezetting; de rol van Herodes is hem als het ware op het lijf geschreven. Zijn kale tenorstem is ideaal voor de rol en zelfs zijn krankzinnige uitbarstingen weet hij nog meesterlijk te doseren. De enscenering van An Roos was ongewijzigd gebleven en Frits Celis dirigeerde.
HETE POEZEN
Mozart in de Munt met een herneming van « Cosi fan Tutte » : bij voorbaat wisten wij dat dit een avond zou worden om van te snoepen ! Sinds « Amadeus » heeft het imago van Wolfje een gedaante verandering ondergaan en dit reflecteert zich nu ook in de enscenering van zijn opera’s. Vroeger waren de zusjes Fiordiligi en Dorabella levenloze marionetten in de handen van de ouwe rot Alfonso, nu zijn het twee hete poezen die hun seksuele lusten onbeschaamd tentoonspreiden. Hun partners Ferrando en Guglielmo laten zich dit welgevallen. Er werd oprecht plezier gemaakt en gelachen, de kurk van een champagnefles vloog tot in de orkestbak en de mannelijke partners mochten naar wellust en écht de zachtste plekjes van hun vrouwelijke partners betasten. In compensatie hiervoor kregen zij van tijd tot tijd een échte klinkende oorveeg. Realistisch theater dus, dat gepaard ging met een hoge muzikaliteit. Wat had kunnen uitdraaien tot een vulgaire parodie, bleef dankzij de fijnzinnige en pittige muzikale vertolking, een fonkelend juweeltje.
Zuiver vokaal stonden de rollen van Fiordiligi en Dorabella in 1984 op een hoger niveau (Barbara Madra en Alicia Nafé), maar de huidige voorstelling wist ons toch meer te boeien vanwege het aanstekelijke enthousiasme dat de zangers uitstraalden. Een schoolvoorbeeld van homogeen samenspel met Marie-Anne Häggander (Fiordiligi), Cynthia Buchan (Dorabella), Elzbieta Szmytka (Despina), Jerome Pruett (Ferrando), Russell Smythe (Guglielmo) en Claudio Nicolai (Don Alfonso). Luc Bondy was verantwoordelijk voor de sexy enscenering en Friedemann Layer stond aan het hoofd van het subtiele Munt-orkest. Een « must » voor elke operaliefhebber.
HOGE NOTEN
Dat was ook de « Rigoletto » in de Gentse O.V.V. en het is dan ook ontzettend jammer dat wegens plaatsgebrek de opera-rubriek een paar weken niet is kunnen verschijnen, zodat het nu reeds te laat is om voor deze productie nog wat publiciteit te maken. Nochtans is het voor een opera-instelling belangrijker via goede producties haar bestaansrecht te onderlijnen, dan via pamfletten.
Anderzijds bewijst zo’n voorval wel dat er iets schort met de programmering van de O.V.V. Akkoord dat er vaak voorstellingen dienen te worden afgelast « wegens ziekte van één van de solisten », maar als een voorstelling dan daarentegen wél succes kent, moet het toch mogelijk zijn die te verlengen, of niet soms ? En waarom deze « Rigoletto » niet naar Antwerpen gaat is ons helemaal een raadsel !
Dan maar, just for the record, even kort signaleren dat Michael Davidson in de titelrol één van de beste Rigoletto’s was die we ooit hebben gehoord en alleszins de beste die we ooit hebben gezien. We geven toe dat onze ervaring nog zo pril is dat dit eigenlijk geen referentie is, maar toch zal het o.i. moeilijk vallen zijn levensechte dramatiek te evenaren. Te vaak wordt Rigoletto als een huppelende hunchback met theatrale dramatiek opgezadeld. Uiteraard zit ook regisseur Werner Saladin hier voor iets tussen en laten we meteen ook maar scenograaf Olaf Zombeck in de hulde betrekken. Valerie Girard gaf uitstekend repliek als Gilda en viel tenor Antonius Nicolescu ons — traditioneel zouden we bijna zeggen — een beetje tegen, dan is het even traditioneel hij die in Gent het meest wordt toegejuicht. Ja, het Gentse publiek komt nog steeds voor de hoge noten ! Maar toegegeven, zijn « Donna è mobile » maakte zijn zwakkere start ruimschoots goed. Misschien lag dat wel aan de bezielende leiding van Edmond Saveniers die hem na verloop van tijd zijn tempo wist op de dringen. Het Gentse orkest speelde overigens zo gedisciplineerd dat zelfs een ongevalletje met het parelsnoervan één der violisten enkel de lachers even uit hun concentratie kon brengen. Proficiat, ook voor de eigen mensen in de kleinere rollen.
SCOTT JOPLIN
Evenzeer wegens plaatsgebrek kunnen we jammer genoeg niet stilstaan bij het feit dat het op 1 april zeventig jaar geleden zal zijn dat Scott Joplin is overleden. Scott Joplin was weliswaar niet de éérste, maar dan toch de eerste bekende zwarte opera-componist. Niet dat het hem veel opbracht, want zowel zijn opera t.g.v. de wereldtentoonstelling in Chicago als « Treemonisha » flopten grandioos tijdens zijn leven. Er dient wel bij vermeld dat omwille van zijn huidskleur, Joplin niet op de nodige steun kon rekenen zodat de beide premières plaatshadden zonder decors en kostumes en met hemzelf alleen aan de piano. « Treemonisha » werd wel een succes in 1975 nadat via de film « The Sting » (1973) de piano-rags van Scott Joplin opnieuw in de belangstelling waren gekomen.
Maar wie b.v. had gehoopt dat in het kader van het Festival van Vlaanderen aandacht aan Scott Joplin zou worden besteed, die komt dus bedrogen uit. Enerzijds « omdat het festival weigert mee te doen aan verjaardagsvieringen » (Briers) anderzijds omdat een operagezelschap naar hier halen nog altijd te veel kost. Zelfs voor het F.V.V. en zélfs als men samenwerkt met de Munt, Europalia, de Filharmonische Vereniging of de BRT. Wie zou opmerken dat men anderzijds toch maar weer eens probeert om von Karajan met zijn Berliner Philharmoniker naar hier te halen, die krijgt als antwoord dat dit volledig risicoloos voor de belastingbetaler gebeurt, dat m.a.w. sponsors en een kapitaalkrachtig publiek voor alle kosten instaan.
Niks nieuws dus op dat front, vandaar dat het niet wegens plaatsgebrek is dat we zo’n kleine ruimte voorbehouden voor de persconferentie in het mooie Alden Biezen. Neen, er valt gewoon zo weinig te melden. « Vlaanderen trefpunt van internationale symfonieorkesten » en « De prinsen van de muziek » kennen we nu immers stilaan wel. Nee, echt nieuw waren enkel de interessante cyclus sacrale muziek die onder de benaming « Magnificantus » ingang moet vinden en het feit dat op de suggestie van minister Dewael wordt ingegaan om werk van eigen hedendaagse componisten te creëren. We komen uiteraard nog op het festival terug als de concertkalender officieel wordt vrijgegeven.

Referentie
Willy Maijeur & Ronny De Schepper, “It’s just not our cup of tea”, De Rode Vaan nr.39 van 1986
Willy Maijeur & Ronny De Schepper, Na hard-rock is er nu ook hard-opera, De Rode Vaan nr.43 van 1986
Willy Maijeur & Ronny De Schepper, Meer geschreeuwd dan gezongen, De Rode Vaan nr.5 van 1987
Willy Maijeur & Ronny De Schepper, Hete poezen, De Rode Vaan nr.13 van 1987

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.