Dat de Gentse violist Rudolf Werthen een prima musicus is, dat staat als een paal boven water en eigenlijk zou je dat dus niet meer moeten herhalen (“Elke repetitie met Werthen kon bijna een masterclass genoemd worden,” zegt b.v. violist Eric Baeten). Toch moet je dat wél doen, want het eerste wat opvalt als je met de man praat, is dat je met een zakenman te doen hebt. Dat is eigenlijk niet zo verwonderlijk, als je weet dat Rudolf Werthen afkomstig is uit de kleine middenstand. Zijn ouders hielden een toeristenwinkeltje in de buurt van het Gentse Gravensteen (het winkeltje naast de Veneziana bestaat nog steeds) en kleine Rudolf kreeg daar een gratis cursus verkoopstechnieken als het erop aankwam theelepeltjes en andere prullaria aan Japanners of Amerikanen te versjacheren.

Alhoewel, zijn “ouders”? Eigenlijk betekende dit alleen zijn moeder, want mijnheer De Brabander is, zoals het verschil in naam reeds laat vermoeden, niet zijn vader. Of Werthen dan de naam is van zijn moeder of van zijn echte vader is niet helemaal duidelijk. Het is ook niet duidelijk wie die echte vader is. Via Johan Huys vernam ik het merkwaardige verhaal dat de heer Van Rekkem, de ondertussen overleden directeur van de academie van Eeklo, zou hebben verteld. Deze gaf namelijk de eerste vioollessen aan de kleine Rudolf, nadat die eerst de piano had uitgeprobeerd, die daar toch maar stond te staan. Aangezien hij daar blijkbaar aanleg voor had, ging hij op 9-jarige leeftijd reeds naar het conservatorium. Dat zou overigens nu niet meer gaan. In een interview met Geert Stadeus (“Uit in Gent”) betreurt Werthen deze gang van zaken: “Erg, hoor. Ik ben ervan overtuigd dat wij hier nu niet zouden zitten, als wij in dat nieuwe systeem waren opgeleid.”
Toch was het ook ‘in zijn tijd’ niet allemaal rozengeur en maneschijn. De toenmalige directeur beweerde immers dat Rudyke zijn pollekes veel te klein waren voor piano en dat hij beter viool zou studeren. Later zou Rudolf erachter komen dat dit gewoon larie was: de pianoklas was al volzet en voor viool waren er te weinig leerlingen. Joël Hanssens zat dus veel dichter bij de waarheid dan hij wellicht vermoedde toen hij zijn “Rudolf Baeten” in “Het Concert” (het toneelstuk van Theater Malpertuis) piano liet spelen i.p.v. viool om de herkenning toch niet té groot te maken (zeg maar: om een proces te ontlopen).
Maar zo kwam Rudy dus bij Van Rekkem terecht, die vertelt dat zijn vader een jood was, die ondergedoken in een fabriekske achter het winkeltje al die brol fabriceerde, samen met andere joden. Werthen is echter in 1945 in Mechelen geboren, al zou deze geboorteplaats aan toevallige omstandigheden te wijten zijn. Anderzijds zijn de laatste joden in België in 1944 gedeporteerd en dan moet het in dat geval toch wel wat men in de volksmond een “ezelsdracht” noemt geweest zijn…
Het is ook in tegenspraak met één van Werthens meest gewaagde uitspraken: “Een doorbraak gaat meestal samen met een lobby. Ofwel zit de Joodse kliek erachter, ofwel die van de homosexuelen met haar belangrijke invloeden in de kunstwereld, ofwel is het geld. Als je noch bij de ene, noch bij de andere club hoort, of er niet in infiltreert, zit je vast. Dan moet je het zelf rooien.” (Brouwers, p.208)
Ik heb getracht via het internet opheldering te krijgen in deze zaak, maar merkwaardig genoeg is er daar helemaal niets te vinden, wat de jeugd van Rudolf Werthen aangaat. Meer zelfs, ik heb nergens een exacte geboortedatum gevonden. (Hoe ikzelf daar dan wél ben aangekomen, weet ik ook niet meer, maar ik heb ooit een vriendin gehad, die ook – weliswaar via haar man – met Werthen bevriend was, misschien vandaar?)
Hoe dan ook, twaalf en een half jaar was Werthen pas, als hij zijn eerste prijs viool reeds op zak had. En dan nog zonder hard te werken, zoals hijzelf zegt, ’t ging gewoon vanzelf. Op een van de fameuze artistieke aperitieven tijdens de Gentse Feesten vroeg Freek Neirynck dan ook terecht of hij dan soms “een wonderkind” mocht worden genoemd?
R.W.: “Nee, want een wonderkind veronderstelt hersenen in het hoofd. Mijn begaafdheid beperkte zich tot muzikale handigheid.”
In 1958 was het wereldtentoonstelling en andere niet-wonderkinderen zoals ondergetekende zaten toen naar Bill Haley te gapen, de eerste rocker (nou ja) die naar België afzakte. Niet zo Rudolf Werthen echter. Die maakte als 13-jarige reeds deel uit van het Belgisch Kamerorkest dat door Georges Maes werd opgericht.
In 1965 wordt hij dan geselecteerd om drie jaar gratis in de fameuze “kapel” te gaan studeren bij de grootste pedagogen… of wat daarvoor moet doorgaan.
R.W.: “Dan ben ik met (Robert) Hosselet in contact gekomen, een kerel die benoemd was door de loge. Daar was niets tegen in te brengen. Hij kende geen woord Nederlands, maar op 5 dagen tijds – hij had zelfs zijn kandidatuur niet ingestuurd – werd hij aangesteld. Allemaal goed, want is het niet de ene machtsgroep die benoemt, is het een andere lobby. Als er toch geen normen worden gehanteerd, mag voor mijn part Sinterklaas de benoemingen voor zijn rekening nemen. Hoe dan ook, ik zat ermee! Ik ben gedurende 5 jaar alleen op mijn eigen talent geëvolueerd. Die vent heeft mij niets gegeven. Ik heb van hem niets geleerd. (…) Toen ik in de klas kwam vroeg hij steevast of ik de ‘nouveau Play-Boy’ al had. Terwijl ik zogenaamd les kreeg, zat hij daar 3 uren in te bladeren. Zo kreeg ik mijn vioolles, terwijl hij naar de blote madammekes zat te kijken.” (Brouwers, p.203)
Nadien gaat hij dan in de leer bij André Gertler, een tiran die hem wél iets bijbrengt en vooral daardoor de angst voor wedstrijden doet overwinnen. Na nog een paar zomercursussen bij David Oistrach, Henryk Szeryng en Leonid Kogan was hij er dan ook helemaal klaar voor.
Tot 1971 blijft Werthen deel uitmaken van het semi-professionele gezelschap van Georges Maes, dat hij tenslotte verlaat om een solistencarrière te beginnen. Remember: 1971, laureaat van de Tenutowedstrijd en 7de in de Elisabethwedstrijd 1971 met het concerto van Sibelius, waar hij bekaf was zodat hij naar eigen zeggen vier plaatsen is gedaald; vooraf had hij blijkbaar in de spiegel gekeken om eruit te zien als een jonge Paganini, tenzij het een van die hippe popgroepen was, zoals Supertramp of Electric Light Orchestra of zo.
In mijn studententijd zat ik korte tijd daarna aan zijn voeten tijdens de happening van het FVV bij de uitvoering van het concerto voor twee violen van Bach (hij bespeelde uiteraard maar één viool, de andere violist was Henry Raudales meen ik me te herinneren), terwijl de chichi-madammekes niet konden begrijpen waarom ik zat te “headbangen” (al kende ik die term toen nog niet). Ik was toen overigens die dag niet enkel vergezeld van twee andere “wilden” (Staf en Marijke), maar ook van Catherine H., die de finale van de Elisabethwedstrijd destijds had bijgewoond als “his self-appointed mistress”. Later hierover ondervraagd bleek Rudolf Werthen haar niet eens te kennen…
BELGISCH KAMERORKEST
Als Georges Maes in 1977 overlijdt, wordt Werthen teruggeroepen om leider te worden van het ensemble. Dat gebeurt en vijf jaar lang wordt er gewerkt aan een verjonging van de bezetting en een vernieuwing van het repertoire. Als Werthen vindt dat alles op punt staat, wijzigt hij de naam in I Fiamminghi, in de renaissance een kwaliteitslabel voor onze muzikanten die naar Italië waren afgezakt. In tegenstelling tot het vrij beperkte afzetgebied voor het Belgisch Kamerorkest wil Werthen met I Fiamminghi immers de internationale toer op. Verbazingwekkend is het grote aantal concerten in het buitenland, de Verenigde Staten en Canada inbegrepen. Werthen weet waarom dat zo is : “In ons ensemble zijn professionalisme, management en artistieke opties even belangrijk als de muziek. Na tien jaar muzikale activiteit is onze nationale reputatie gevestigd en we ervaren nu, hoe de internationale erkenning ook groeit. Daar moeten we op inpikken. Dat vraagt op de eerste plaats een degelijke organisatie. Musici kunnen dat niet : daar heb je beroepslui voor nodig. Daarom hebben we bij de herstructurering van I Fiamminghi bestuurders uit het bedrijfsleven aangetrokken zoals Louis Verbeke, Lucas De Bruycker, Rik Müller en Johan Mussche.”
De uitwerking van de ondernemingsgedachte bij I Fiamminghi concretiseert zich in het realiseren van een aangepaste managementomgeving rond een artistiek gebeuren, waarbij de artistieke onafhankelijkheid in de statuten van het ensemble gewaarborgd wordt. Dit betekent onder meer de uitbouw van een langetermijnstrategie binnen een professionele situatie waar alle beleidsaspecten op een efficiënte en synthetische wijze gerealizeerd worden.
Werthen in Knack: “De reden tot uitbouw van professioneel management is tweeledig. Vooreerst is het de bedoeling de musici en de artistieke leiding hiervan te ontlasten, zodat ze zich ten volle aan hun muzikale ontplooiïng kunnen wijden. En vervolgens creëert men op deze manier een snellere groeibasis op nationaal en internationaal vlak. Als wij, I Fiamminghi dus, onze ambities op internationaal vlak willen waarmaken, dan moeten we zoals in elke onderneming verder investeren. Het organiseren van internationale concertreizen, het maken van plaatopnamen zijn echter activiteiten, die niet self-supporting kunnen zijn. Gedeeltelijk vullen we de hierdoor ontstane financiële tekorten aan met subsidies van nationale en regionale overheden en van instellingen zoals de Nationale Loterij. Allemaal welkom. Maar niettemin zijn we genoodzaakt systematisch op zoek te blijven gaan naar andere middelen om een gezonde financiële basis op te bouwen.”
Zoeken naar sponsors dus. Dat is moeilijk, maar wordt toch weer vergemakkelijkt door een recente gebeurtenis, zeg maar promotie. Een cadeau voor 30-jarig bestaan : I Fiamminghi — tot spijt voor wie het benijdt — is het officiële ensemble geworden van het Festival van Vlaanderen. Die titelaffiche voeren is natuurlijk een sterke troef. „Vooral nu onze buitenlandse concertreizen zo veelvuldig worden,” zegt Werthen. En de naam hebben ze ook mee: I Fiamminghi als vlagdrager van het Festival van Vlaanderen.
RUDOLF WERTHEN AAN HET LIJNTJE (1)
Rudolf Werthen« Gaat u wel een recensie schrijven ? » vroeg Lucas De Bruycker streng. « Jazeker, » antwoordde ik vlug, want destijds heeft deze heer mij nog aan de deur gezet in zijn theater Controverse. Dat vond ik toen helemaal niet erg, want dat was toch telkens een bezoeking, maar nu treedt hij op als public-relations van het kamerorkest I Fiamminghi en dat is andere koek. Dat willen we niet missen. Maar ja, hoe gaat dat ? Die week was er geen plaats in De Rode Vaan en de week daarop had een recensie uiteraard geen zin meer, enz., enz. Dan maar hopen dat het met dit lijntje weer goed komt. Tenslotte heeft Rudolf Werthen met zijn North Sea Classics Festival blijkbaar immers weer midden in de roos gemikt.
Rudolf Werthen: Het is een festival dat erop gericht is die mensen te bereiken die doorgaans weinig kans hebben om een klassiek concert bij te wonen. Ik denk aan mensen die in ploegen werken, grote gezinnen, mensen die het financieel een beetje moeilijk hebben, enz. Het is dus vooral een « sociaal » festival. Het is eerst en vooral erg goedkoop. Een familie met twee of drie kinderen kan samen naar een concert gaan voor een totaal bedrag van 400fr. Daarnaast hebben we voor een heel breed repertoire gezorgd, een heel gamma van optredens op verschillende uren van de dag, dus niet enkel ’s avonds wanneer de kinderen geacht worden reeds in bed te liggen, enz.
— Moet ik daaruit ook afleiden dat er vooral, om nu een woord te ontlenen uit een ander muzikaal genre, tophits zullen worden ten gehore gebracht?
R.W.
: Niet helemaal, nee. Uiteraard wordt er bij bepaalde gelegenheden muziek gespeeld die heel populair is, maar van de andere kant willen wij onze artistieke integriteit blijven benadrukken door programma’s te brengen die zeer gediversifieerd zijn : dat gaat in sommige gevallen zelfs vanaf de renaissance tot en met muziek van de twintigste eeuw, avant-garde uitgezonderd.
— De concerten zijn op de eerste plaats gebouwd rond I Fiamminghi ?
R.W.
: Het initiatief gaat daarvan uit, ja. De concerten die wij het hele jaar door organiseren hebben als implicatie voor ons dat wij een bepaalde kostprijs moeten aanrekenen, anders komen wij in de problemen. Maar aan de kust kunnen wij die prijs drukken door niet uitsluitend de volledige groep te laten spelen, maar ook een aantal solisten in diverse combinaties: de concertmeester met de gitarist, de solo-altviool met de piano, enz. Veel concerten worden dus gegeven door I Fiamminghi zelf.
— Maar daarnaast zijn er ook nog anderen…
R.W.
: Jawel, er is b.v. een Franse cellist Gabin Linale, het Nederlandse ensemble Kokon, Benjamin Holland komt uit Engeland met een groep en daarnaast zijn er ook nog mensen uit eigen land.
— Als u op het grote publiek mikt, het publiek dat niet direct een concertzaal binnenloopt, dan heeft de keuze van de zalen erg veel belang…
R.W.
: Uiteraard. Daarom hebben we zalen gekozen, waarbij er geen drempelvrees kan zijn. Een aantal concerten vinden b.v. plaats in kerken en kapelletjes. Toch gaan we ook de culturele centra niet uit de weg, want de mensen zijn daar soms ook voor andere gelegenheden reeds binnen geweest. Maar er zijn zelfs concerten in restaurants en hotels, jawel !
— Anderzijds kan ik me niet voorstellen dat I Fiamminghi daar in zwembroek zal staan spelen. Bij een klassiek concert is een zekere vorm van sereniteit nu eenmaal noodzakelijk…
R.W.
: Dat klopt. Maar van de bezoekers wordt toch niet verwacht dat zij zich speciaal voor de gelegenheid uitborstelen. Voor mijn part mogen zij gerust in shorts komen.
— Of in monokini, waarom niet? Hoe dan ook, in de periode tussen 20 juli en 15 augustus 1983 zijn er zoveel concerten dat de meeste media, zoals b.v. De Rode Vaan, de hele kalender niet kunnen afdrukken. Hoe worden de mensen dan geïnformeerd ?
R.W.
: Er is een grote affichecampagne geweest met als gevolg dat er een paar tienduizend affiches ophangen aan de kust, er zijn een goeie honderdduizend programmaatjes rondgestuurd en dan kan men ook nog bij de radio en de televisie terecht waar de concerten zullen worden aangekondigd.
Dan rest ons niets anders meer dan Rudolf Werthen en de zijnen veel succes toe te wensen. En misschien lopen we ook wel eens binnen, in ons tangaslipje…
Was getekend:
John (G-)String

RUDOLF WERTHEN AAN HET LIJNTJE (2)
In 1971 eindigde hij zevende in de Koningin Elisabeth-wedstrijd voor viool. Toch, als wij hem zestien jaar later aan het lijntje halen, dan is dat omwille van het vijfjarige bestaan van het kamerorkest I Fiamminghi, waarvan hij de leiding op zich heeft genomen. Hoe hijzelf tegen deze evolutie aankijkt, dat was onze eerste vraag.
— Als u tien jaar geleden het Belgisch Kamerorkest heeft overgenomen van Georges Maes (die het t.g.v. Expo ’58 had opgericht), heeft u dan doelbewust uw solo-carrière een beetje teruggeschroefd of zijn die twee te combineren ?
Rudolf Werthen:
In die tijd was dat heel goed te combineren, omdat de activiteiten van het orkest niet zo intens waren. De mensen die toen meespeelden waren dan ook méér dan deeltijds b.v. bij andere orkesten betrokken. Dat vormde hoegenaamd geen probleem omdat de optredens van het toenmalige Belgische Kamerorkest zeer lokaal gericht waren, er werd b.v. nooit naar het buitenland gegaan.
— Dan was de naamverandering in I Fiamminghi in 1982 allicht meer dan louter het opkleven van een nieuw etiket ?
R.W.:
Inderdaad. Die verandering is er gekomen door mijn wens om het anders aan te pakken en ook door het feit dat ik daartoe de mogelijkheid zag. Een aantal mensen zijn immers met pensioen gegaan en de jongeren die ik er toen heb bij gebracht hadden een andere soort ambitie, die wij uiteindelijk hebben kunnen waarmaken, ook op internationaal vlak.
— Dat klopt. Maar is de genoegdoening die u daarbij ondervindt een voldoende als balsem voor het opgeven van die solo-carrière ?
R.W.:
Vast en zeker. Na de Elisabeth-wedstrijd heb ik mij een paar jaar zeer intens in die solo-carrière gestort, maar rond 1974 ben ik reeds begonnen met een dirigenten-carrière op te bouwen in het buitenland. Denk maar aan het Stuttgarter Kammerorchester, het symfonie-orkest van de NDR en zelfs op dit moment ben ik nog altijd eerste gastdirigent in Hamburg en in Florence. Ik heb destijds veel genoegen beleefd aan mijn solo-carrière, maar dat is nooit het eindpunt van mijn ambities geweest.
— En slorpt dat lidmaatschap van het orkest nu ook de andere muzikanten zo op dat zij zich niet meer aan andere opdrachten kunnen wijden ?
R.W.:
Let op, dat kunnen ze wél! Maar het is inderdaad zo dat zij nu bij ons van een vast inkomen verzekerd zijn en eigenlijk full-time aan de slag kunnen. Ze zijn dus niet genoodzaakt om zich met andere dingen bezig te houden. Nuance!
— Ik stel die vraag vooral omdat u in 1985 met de Vereniging voor het Promoten van Vlaamse Musici op de proppen bent gekomen, waaruit ik mag afleiden dat ook de situatie van klassieke musici in Vlaanderen allesbehalve rooskleurig is. De zogenaamde « Vlaamse vedetten » hebben nog onlangs met succes een actie gevoerd t.g.v. de verkiezingsshow op de BRT maar ook klassieke musici worden nu niet bepaald vertroeteld langs die zijde ?
R.W.:
Ach, het is een gekend probleem, nietwaar: we zijn hier in Vlaanderen veel te weinig chauvinist. En aangezien het hier dan gaat over capaciteiten die we wel degelijk bezitten, vind ik dat ten onrechte. U weet het, dat is historisch gegroeid: de voortdurende bezettingen met dan nadien de taalstrijd (en dan bedoel ik niet de radio-uitzending maar het feit dat de Vlamingen steeds in een tweedeplansrol zijn gedrongen), kortom dat is een soort tweede natuur geworden die nu gelukkig aan het veranderen is. Misschien heeft onze actie daar ook een klein beetje toe bijgedragen. Wij zullen trouwens ook in de toekomst voorrang blijven geven aan mensen van bij ons. Als wij concerten geven dan proberen wij op de eerste plaats b.v. eigen solisten een kans te geven, zodanig dat zij daarmee niet enkel eens een optreden kunnen versieren, maar vooral in staat gesteld worden zich te ontwikkelen, zodanig dat zij het uiteindelijk ook internationaal kunnen waarmaken.
— Een laatste vraagje: ongeveer gelijktijdig met deze viering, wordt ook de oprichting gemeld door Jan Caeyers van het Nieuw Belgisch Kamerorkest. Hoe moeten we deze « nieuw » interpreteren ?
R.W.:
Dat is inderdaad een min of meer « ethisch » probleem. Wij zijn uiteraard niet zeer gelukkig met deze naamkeuze, want tenslotte bestaat het « oude » Belgische Kamerorkest nog, ook al hebben wij nu als roepnaam I Fiamminghi aangenomen. We hebben dat ook aan die mensen laten weten en aangedrongen op een rechtzetting b.v. door een andere benaming.
Een « muzikale » betekenis heeft « nieuw » alleszins niet, want ondanks het feit dat I Fiamminghi gespecialiseerd zijn in barokmuziek, spelen zij ook hedendaagse werken. Zo zal in januari 1989 de concertreeks « Masters of Today » van start gaan, met vooral werken van nog levende Vlaamse componisten.
WERTHEN VERSUS CAEYERS EN BROUWERS
Met Jan Caeyers is het uiteindelijk zelfs tot een proces gekomen, waarbij Werthen in het ongelijk werd gesteld, zodanig dat van bij het begin de verhoudingen tussen Werthen en het N.B.K. reeds zeer gespannen lagen.
Dat vermeerderde nog toen er problemen rezen met Fred Brouwers. Vooraleer hij intendant was van het N.O.B., was Fred Brouwers immers intendant van het Nieuw Belgisch Kamerorkest. In die hoedanigheid beschuldigde hij er Rudolf Werthen van om voor het orkest van de Vlaamse Opera musici uit het N.B.K. te “ronselen”. “Dat neemt de vorm aan van Amerikaans opbod, een beetje zoals in het voetbal, met aanlokkelijke financiële aanbiedingen” (Het Belang van Limburg, 8/12/88).
Rudolf Werthen in “Humo”: “Brouwers heeft de ‘onnozelaar’ uitgehangen. Hij heeft me een uur lang uitgehoord over het beleid van ‘I Fiamminghi’, zonder daarbij te vertellen wat zijn plannen waren. Daar heeft hij niet over gepiept. Wél, op zijn persconferentie heeft hij mijn woorden in de mond genomen toen hem werd gevraagd naar zijn plannen voor het ‘Nieuw Belgisch Kamerorkest’. Excuseer, ik vind dat onnozel, belachelijk zelfs. Afkomen met ‘Rudi, beste vriend…’ en dan het gras voor mijn voeten wegmaaien: dat doet men niet. Tegenover zo iemand heb ik geen scrupules meer.”
In september 1993 wordt Jos Van Immerseel door Nicolas Blanmont (eigenlijk François Jongen) in “La Libre Belgique” naar voren wordt geschoven als mogelijke leider van het Nationaal Orkest. Het is eigenlijk een kwakkel, die er vooral op gericht is de reële kandidatuur van Rudolf Werthen de grond in te boren. Als Werthen immers wordt beschreven als iemand die met I Fiamminghi wel een “réussite économique” maar artistiek gezien van “une rare platitude” getuigt, dan stelt de auteur daar Van Immerseel tegenover als “l’exact contraire”. Van Immerseel mag dan “un véritable artiste” genoemd worden, of hij met de qualificatie “allures de farfadet fantasque” tevreden zal zijn is weer wat anders. Eigenlijk komt het erop neer dat de steller (duidelijk getuyoteerd door iemand uit de Raad van Bestuur) zegt: men moet kiezen tussen de pest en de cholera. Daarom durfde ik er toen al mijn hoofd op te verwedden dat er in laatste instantie een Brusselaar, een Waal of desnoods zelfs een Fransman als reddende engel op de proppen zou komen.
Die vermoedens werden een paar dagen later alvast bevestigd toen bekend werd gemaakt dat Van Immerseel zijn kandidatuur had “teruggetrokken”, maar dat de muzikanten zich zouden verzetten tegen Werthen… De kern van het betoog was wellicht het label “flamingant” dat Werthen werd opgekleefd. Vanwaar dat komt en of het juist is, daarover wens ik me niet uit te spreken, maar het is op zich toch merkwaardig dat hij zelden of nooit optreedt in Wallonië. “Onze uitkoopsom ligt inderdaad vrij hoog,” geeft hij als toelichting, “té hoog wellicht voor Wallonië. Vandaar als wij daar optreden dat het meestal besloten concerten zijn.”
De controverse tussen Werthen en het N.B.K. is sedertdien niet meer geluwd, ook niet na het vertrek van Brouwers en het (succesvol) heropstarten van het opera-orkest. In 1990 brak er namelijk een ruzie uit tussen de blazerssectie van het N.B.K. en dirigent Jan Caeyers. Toen werd er van de kant van de gedupeerden duidelijk op gewezen dat hun ontslag niet enkel te maken had met de sociale onrust die was ontstaan na een weddevermindering met 25 procent bruto, maar dat er ook artistieke meningsverschillen aan de grondslag lagen. Op een persconferentie stelden de betrokkenen immers dat ze zich eventueel wel in een weddevermindering zouden kunnen schikken op voorwaarde dat er dan ook wijzigingen zouden gebeuren wat de programmatie, het artistieke management en de opbouw van het orkest betreft. “Dat we de kop van Caeyers willen, is onjuist,” aldus de ontevreden blazers. “Wel stellen we voor dat hij in de toekomst ongeveer een derde van de activiteiten zou leiden en dat naast hem een tweede vaste dirigent zou worden benoemd.”
Hoe dan ook, in april maakte Rudolf Werthen bekend dat vanaf 1 september 1992 tien blazers en vijf strijkers de twaalf solisten van I Fiamminghi kwamen versterken, om het strijkersensemble tot een echt kamerorkest uit te bouwen. Werthen kwam hiermee vooral tegemoet aan de stijgende vraag vanuit het buitenland, waarbij de blazers van het N.B.K. door Werthen met open armen werden onthaald. Artistiek gezien overigens een heel geslaagde operatie, want niet alleen blijven die blazers ook nog samen actief onder de naam “Die Neue Harmonie” (als “Die Harmonie” bestonden ze ook al sedert 1988 toen ze nog bij het N.B.K. werkzaam waren).
Maar hij wees tegelijk erop dat juist door dat internationale succes de problemen zich opstapelen. I Fiamminghi is wellicht het meest zakelijk geleide klassieke orkest in ons land en daarom is de nood niet direct zichtbaar, aldus Werthen, maar hij is zeker reëel. Ook hij verwacht dus “iets” van de overheid…
Het uiteindelijke doel van Werthen was echter dat I Fiamminghi (op dat moment nog altijd een privé-onderneming) als “officieel” kamerorkest van Vlaanderen zou worden erkend, een titel die Walter Proost zich ondertussen uit eigen beweging voor zijn kamerorkest had toegeëigend. Zou de naam voor I Fiamminghi alvast geen probleem zijn, dan was dat wel het geval voor het Nieuw Belgisch Kamerorkest, dat zich – ondanks zijn naam – ook naar de Vlaamse regering wendde voor subsidies. Alhoewel Jan Caeyers in zijn gekende bitsige stijl reageerde dat de naam daarvoor geen belemmering zou zijn, kon men in de wandelgangen vernemen dat een eventuele naamsverandering toch zou worden overwogen. En of de Vlaamse regering nu een keuze zal maken tussen al die kamerorkesten (er zijn er ondertussen nog een paar bij gekomen)? “Dat moet je aan de minister vragen!” (Caeyers).
In 1993 werd het N.B.K. dan failliet verklaard, maar eigenlijk met de medewerking van de Vlaamse cultuurminister Weckx (als KUL-professor kon Caeyers op de volledige steun van de toenmalige CVP rekenen), die weigerde de tekorten voor de RSZ (nog steeds nationaal!) te dekken. Maar hij stelde wel in het vooruitzicht dat Caeyers nadien opnieuw aan de slag zou kunnen als de Beethoven Akademie!
DIRIGENT
Ondertussen was Werthen rond 1974 ook begonnen met het uitbouwen van een dirigentencarrière. Eerst bij het Stuttgarter Kammerochester en het symfonieorkest van de NDR, later werd hij zelfs eerste gastdirigent in Hamburg en in Florence. Maar zijn belangrijkste “career move” was toen hij orkestdirecteur werd van de Vlaamse Opera, toen die heropgestart werd door Gerard Mortier.
Rudolf Werthen in gesprek met Lukas Huybrechts in “Tussendoor” (Radio 1): “Ik dirigeer reeds sinds het begin van de jaren tachtig in Duitsland. Grote symfonische orkesten waarmee ik ook op tournee ben geweest door diverse steden van Europa. Mijn sterkte als dirigent ligt vooral in de Duitse romantiek en de muziek van het begin van de twintigste eeuw. Daar voel ik mij echt zeer goed in. Ook misschien in de Franse impressionisten. Kortom alles wat zich zowat rond de eeuwwisseling situeert. Maar ik voel me ook reeds thuis in het begin van de negentiende eeuw. De muziek van Beethoven ligt mij, of de latere symfonieën van Mozart en dan gaat dat zo verder naar Brahms, Bruckner, Mahler…”
En opera?
“Akkoord dat een opera dirigeren iets anders is, maar het is onzin te beweren dat het twee totààl verschillende zaken zijn. Opera is een dimensie meer. Bij symfonische muziek heb je een totaal klankbeeld van het orkest, maar bij opera heb je ook de zangers erbij en wat nog meer is (want er zijn uiteraard ook sommige symfonieën met zangers of koor), je hebt ook de scenische complicaties die erbij komen. Er kan al eens iets verkeerd lopen op de scène, de zangers zingen alles uit het hoofd, zij kunnen zich dus al eens vergissen, er is een grotere afstand, soms tot dertig meter, de contacten zijn bijgevolg uiteraard moeilijker. Maar daarnaast meen ik dat bij opera vooral het aspect van de dramatiek anders is. Goeie operadirigenten zijn diegenen die het karakter van een opera naar buiten kunnen laten komen. Een Verdi-opera is problematisch om te laten doorwerken naar het publiek toe. Het komt er niet alleen maar op aan om zangers accuraat te begeleiden.”
Ondertussen is Werthen een degelijk operadirigent gebleken met “Macbeth”, “Der Fliegende Holländer” en “La Cenerentola”. De allereerste opdracht van Werthen voor de Vlaamse Opera was trouwens “Tancredi”, die hij in 1993 met I Fiamminghi wou opnemen. De solisten van de VLOS-opvoering hadden zich reeds vrijgemaakt (voor opname + tournee), maar de laattijdige afzegging van het Festival van Vlaanderen kelderde het project. Kort daarna werd de opera succesvol opgenomen door Patrick Peire, zodat Werthen zijn plannen definitief heeft opgeborgen.
Want Werthen heeft uiteraard ook zijn tegenstanders. Al begreep ik met name in het geval van “Cenerentola” de boe-roepers niet. Ik had eerder boe willen roepen op de persconferentie toen Werthen totaal ongepast uithaalde naar “historische” uitvoeringen. Volgens hem zijn er dan geen repetities meer nodig en kan je beter spreken van “hysterische” uitvoeringen. Maar goed, laten we iemand niet beoordelen op zijn woorden, maar op zijn daden en dan moeten we vaststellen dat Werthen, ondanks zijn afkeer voor historische uitvoeringen, met de “sound” van dit beperkte orkest dicht in de buurt van dergelijke interpretaties kwam, wat ik b.v. heel wat beter kon appreciëren dan zijn vaak te “massieve” aanpak van Mozart.
Daarnaast speelde Werthen op een bepaald moment zelf mee in het stuk toen Don Magnifico, de onwaardige vader van Assepoester, hem van de dirigeerstoel verjoeg. Toen hierop een massaal applaus volgde, dacht ik dat het publiek Werthens acteerprestatie apprecieerde, maar gezien in het licht van wat achteraf is gebeurd, zou het wel eens kunnen dat de anti-Werthen-kliek (zeg maar: de “die hards” van de Opera voor Vlaanderen) hier hun wensen voor werkelijkheid namen.
I FIAMMINGHI
Werthens grootste liefde blijft echter uitgaan naar I Fiamminghi, het kamerorkest dat hij zelf heeft gesticht en waarin o.m. ook zijn vrouw, de celliste France Springuel speelt. Springuel was in 1969 (année érotique) als dertienjarige reeds verliefd geworden op de leraar van haar zus Marie-Christine, al duurde het nog tot 1981 vooraleer het tot een echte verhouding kwam. Rudolf had toen al twee kinderen uit zijn huwelijk met de Zweedse Ingrid, ooit nog een collega van een vriendin van mij: Samantha (°1976) en Jo (°1978). Na een proces en de gekende pesterijen werden de kinderen uiteindelijk aan hem toegewezen: het dient te worden toegegeven dat Ingrid een beetje een “hippie” is (met belangstelling voor astrologie en andere “paranormale” verschijnselen). Toch zou het nog duren tot 1988 vooraleer hij effectief met France zou huwen.
Het ensemble bestond oorspronkelijk enkel uit twaalf strijkers, maar na verloop van tijd is het een heus orkest geworden. Als gevolg daarvan is het ook gedaan met het rechtstaan, hét trademark van de oorspronkelijke Fiamminghi. Zoals François Jongen zou zeggen (zij het dat hij het over Il Giardino Armonico had): “Ils jouent debout. C’est peut-être un détail pour vous, mais pour nous ça veut dire beaucoup.”
Werthen tegen Huybrechts: “Ik ben iemand die zeer veel ambitie heeft. Het opzet van I Fiamminghi is dus noch min noch meer om met die paar mensen uit Vlaanderen het beste kamerorkestje van de wereld te worden. Als ik ons qua klank even mag vergelijken met St.Martin in the Fields of het Orpheus-ensemble, dan proberen wij juist te vermijden ‘afstandelijk en koud’ te spelen, wat men nogal eens als kritiek op die formaties heeft. Eerst en vooral komt het (net zoals bij het opera-orkest) op accuratesse aan. Maar mensen als France Springuel, Etienne Siebens, Henry Raudales, Mark Tooten, kunnen dat, daaraan hoef je niet te twijfelen. En dan proberen we bij het publiek een emotie over te brengen.Met daarnaast ook een beetje virtuositeit en bravoure, want dat hoort bij de kamerorkesten toch nog meer dan bij symfonische of opera-orkesten, aangezien je anderzijds dat dramatische aspect mist. We hebben daarmee een eigen sound gekweekt, die zeer specifiek is en het bewijs daarvoor is dat de impressariaten zeer geïnteresseerd zijn in ons.”
Werthen heeft ook de gewoonte om op concerten van I Fiamminghi tussen de werken door een praatje te slaan met het publiek.
“Ja, ik praat bijna altijd tussen de composities door. Ik vind dat een praatje de mensen dichter bij het orkest brengt, terwijl het ook informatief kan zijn. Want hoe jammer het ook is, een programma wordt gewoonlijk pas gelezen nà het concert. Als het überhaupt al wordt gelezen! Bijgevolg weet ongeveer 90% van de luisteraars veel te weinig over datgene wat ze te horen gaan krijgen. Zonder schoolmeester te willen spelen, vind ik het dus toch aangenaam om te laten weten wanneer het stuk werd geschreven en wat de componist ermee bedoelde.”
Met I Fiamminghi had Rudolf Werthen ook een vaste plaats op de Gentse Stadsconcerten in het Internationaal Congrescentrum tot de nieuwe programmator Joris De Zutter aankondigde dat de vertrouwde paden van de vroegere “hitgevoelige” programmatie wat zouden worden verlaten. Omdat ook hij wel weet uit welke richting op dit moment de wind waait, stelde hij barokwerken op authentieke instrumenten in het vooruitzicht. En natuurlijk ook hedendaagse en Belgische componisten.
Van dit alles vonden we echter weinig terug in de programmatie van het eerste jaar onder zijn bewind. Integendeel, als men een Mozartprogramma aankondigt, dan moet men zo nodig “Eine Kleine Nachtmusik” en de 40ste symfonie spelen! En wat dan gezegd van het programma op 4 november? Land of Hope and Glory, de Sabeldans, de Ouverture 1812, de Carmen-suite, Ravels Boléro, de Lichte Kavalerie, de Radetzky-mars. Dit leek wel Tien om te Zien!
Let op, voor mij niet gelaten. Ik ben ook jong geweest en de uitvoering van de Boléro joeg me zelfs nu nog de koude rillingen door het lijf. Maar waarom dan al die dure woorden, zo vroeg ik mij af. Het antwoord kwam terstond. Niet van de affiches aan de muur, zoals Jan De Wilde zingt, maar van Joris zelf die me wist te vertellen dat dit eerste seizoen een overgangsseizoen was, waarbij hij voornamelijk nog de programmatie van zijn voorganger Raymond Van Dijck uitvoerde.
Overigens wil ik aansluitend hierbij even reageren op de uitlatingen van Rudolf Werthen over de muziekkritiek in het boek van Fred Brouwers. Dit boek is verschenen nog vóór ikzelf me op klassieke muziek ging toeleggen, dus ik hoef me helemaal niet geviseerd te voelen, maar ik doe het tóch omdat het flagrante onzin is wat Werthen daar verteld. Wat zegt hij juist?
R.W.: “Op dat gebied zijn we ook niet verwend. Ik heb in New York kritieken gekregen – goede – van Schönberg, maar die vent schrijft fantastisch. Een Kaiser in München, formidabel. Die geeft een detail van één bepaalde maat. Geweldig dat die mensen dat kennen. Hier schrijft men: ik vond het goed, maar niet om op het puntje van de stoel te gaan zitten. Dat is toch geen kritiek. Dat is pure subjectiviteit. En nonsens.”
De Grote Virtuoos Rudolf Werthen (in het interview met Fred doet hij pakweg tien collega’s van hem, waarvoor ik mijn pet zou afnemen, af als klungelaars) wil dus kritiek van iemand die hem, de Grote Virtuoos, toch nog iets zou kunnen leren. Iemand die een bladzijde kan vullen met “een detail van één bepaalde maat”! Waar gaan we dié vinden?
Of nee, ik zou liever de vraag stellen: moeten we die wel vinden? Ik vind alvast van niet. Ik vind niet dat een criticus schrijft ten behoeve van de Grote Virtuoos. Zeker niet als men voor “De Rode Vaan” of “Het Laatste Nieuws” schrijft. Dan schrijft men voor “het grote publiek” (hoe klein dat bij de RV ook mag geweest zijn). Dan schrijft men m.a.w. niét over “een detail van één bepaalde maat”!
Integendeel, als ik mezelf op dat vlak iets zou verwijten, dan is het juist dat men als criticus (alles is toch gratis: de plaatsen, de CD’s…) niet genoeg aandacht besteedt aan de inspanningen die het publiek moet leveren om dat concert bij te wonen. Een criticus wordt dan nog in de watten gelegd (de beste plaatsen, receptie achteraf, enz.), maar wat is de prijs van zo’n concert eigenlijk voor de doorsnee-concertbezoeker? En dan bedoel ik niet enkel de prijs van het toegangsticket, maar ook voor de verplaatsing, voor de babysit, ja zelfs voor het drankje tijdens de pauze. En, jawel, in zo’n geval kan een recensie als “ik vond het goed, maar niet om op het puntje van de stoel te gaan zitten” zeer zinvol zijn. Want de gevraagde inspanningen van de concertbezoeker zijn meestal zo hoog dat de Grote Virtuoos daar tegenover op zijn minst toch een uitvoering mag plaatsen, waarvoor men wel degelijk op het puntje van z’n stoel gaat zitten!
Maar goed, in 1994 speelden ook I Fiamminghi reeds hedendaagse muziek. Enerzijds werd werk uitgevoerd van twee nog levende Russische componisten, namelijk Sofia Gubaidulina en Alfred Schnittke, anderzijds werd een compositie gecreëerd van Dirk Brossé, de inwoner van Heusden, die vooral bekendheid verwierf als de componist van de muziek voor de film “Daens”. Daarnaast werden ook nog een divertimento van Belà Bartok en een strijkkwartet van Sjostakovitsj (in bewerking voor kamerorkest) uitgevoerd, ook muziek uit de twintigste eeuw dus en bovendien eveneens afkomstig uit Oost-Europa.
DE ‘AUTHENTIEKEN’
Rudolf Werthen kan het ook nooit laten uit te halen naar de adepten van de ‘authentieke’ uitvoeringspraktijk. Toch zijn het paradoxaal genoeg juist deze coryfeeën die hij uitnodigt, als hij dan toch al eens iemand anders dan hemzelf toestaat om I Fiamminghi te dirigeren. Jos Van Immerseel, René Jacobs, Hans Martin Linde, Frans Brüggen, allen hanteerden ze reeds het stokje bij I Fiamminghi: “We proberen ook te voldoen aan een vraag van de markt om barokmuziek te vertolken op autentieke instrumenten. Soms vraag ik me wel af in hoeverre het dat waard is, want zelfs iemand als Harnoncourt geeft nu toe dat je de klok niet kunt terugdraaien. Hij is er nu ook van overtuigd dat men barokmuziek kan uitvoeren op hedendaagse traditionele instrumenten, op voorwaarde dat men de muziek uitvoert op de wijze waarop de componist het verwachtte. Af en toe geef ik toch nog eens een concert met darmsnaren en een oude boog, wat dan wel eens kritisch wordt bekeken in de zin van ‘ook dat nog’! Maar ik vind dat leuk. Er moet diversiteit zijn. En op voorwaarde dat je het goed doet, is het voor mij o.k. Maar het is foutief alles van het instrument te laten afhangen. De juiste interpretatie is de dichtste benadering van de componist, zeker als je in grote zalen speelt, die tenslotte in die tijd niet bestonden. Ik durf zelfs zeggen dat wij gespecialiseerd zijn in Italiaanse barokmuziek, want dat is een virtuozenmuziek, geen achtergrondsmuziek.”
Toch waren mijn eigen ervaringen met Vivaldi-concerten van Werthen niet altijd positief. Het Vivaldi-programma in het Gentse conservatorium b.v. dat begin ’92 in de plaats kwam van een orgelconcert door Johan Huys, die met griep te bed lag, was zeker geen perfect concert, om het met een understatement te zeggen. Vooral Henry Raudales leek juist van een salsa-party te komen. Een beetje meer repeteren zou I Fiamminghi toch geen kwaad doen!
En “Juditha triumphans” op diezelfde plaats in november ’91 was ook al een zwakke uitvoering, vooral vanwege Hilde Verheyen en Pascal Devreese, met daarbij nog lachwekkende “theatrale” effecten, vooral met de belichting.
gertjeFRANCO‑BELGISCHE VIOOLSCHOOL
Maar waar I Fiamminghi zich vroeger in specialiseerden was de Franco-Belgische vroegromantische school van het einde van de achttiende eeuw.
De Franco‑Belgische vioolschool is toonaangevend in de wereld. Zij ligt aan de basis van de vele andere vioolscholen (b.v. het oprichten van de ‘Conservatoires’ na de Franse Revolutie en de ‘Ecole de Baillot’) die nu nog gedeeltelijk gevolgd worden in landen als de VS en Rusland.
In het verleden waren Henri Vieuxtemps, Hubert Leonard, Adrien Servais en nadien Eugène Ysaÿe en Arthur Grumiaux, de bekende namen en pedagogen in België. Servais was de belangrijkste cellopedagoog. In de 19e eeuw werd wereldwijd opgekeken naar de de glorie van deze roemrijke Belgische vioolschool.
Typerend voor de ‘school’ is de klankvorming en de interpretatie van een heel specifiek repertoire uit de 19de en 20ste eeuw. Het repertoire omvat veel muziek in duo, talrijke typische salonmuziek en arrangementen op bestaande thema’s uit de opera etc.
Toen werden trouwens massaal nieuwe instrumenten gebouwd, aldus Werthen, al moest zelfs hij toegeven dat dit toch ook weer niet betekende dat alle muzikanten hun oude instrumenten door het raam kieperden. Stradivarius b.v. werd pas toen een echt begrip. Dit gebeurde onder de invloed van Giovanni Batista Viotti (1755-1824), die als de vader van het moderne vioolspel kan worden beschouwd, ook al omdat hij mede aan de basis lag van het eerste conservatorium uit de geschiedenis, dat van Parijs (1795). Men wilde van nu af aan immers de muziekmethodiek institutionaliseren.
De invloed van Viotti vertakte zich over drie stromingen. Eerst is er de lijn Rodolphe Kreutzer (1766-1831) en Henryk Wieniawski (1835-1880), dan is er de Belgische school van Henri Vieuxtemps (1820-1881), Eugène Ysaye (1858-1931) en Arthur Grumiaux (1921-1986) en tenslotte de tak van Pierre Baillot (1771-1842), waar Rudolf Werthen zich het best situeert aangezien zijn leermeester Henryk Szeryng (1918-1988) hier ook thuishoort. Toch vindt hij dat hijzelf en de andere Fiamminghi ook als afstammelingen van de twee andere richtingen kunnen worden beschouwd, vooral dan uiteraard van de “Belgische”. Idem met de cello-stijl van France Springuel die via Tortelier teruggaat op Duport.
Toch is Werthen zich bewust van het gevaar: “De virtuositeit heeft het legato (gevoelsuitdrukking) verdrongen.”
Werthen vindt overigens dat er te weinig verschil is tussen de diverse orkesten. “Op uitzondering van de Wiener Philharmoniker klinken ze in principe allemaal hetzelfde. Als er dan toch al een verschil is, is dit te wijten aan de dirigent die een ander accent legt.”
EIGEN OPNAMESTUDIO
Door I Fiamminghi werd ook een CD uitgebracht met klarinetconcerti van Johann en Carl Stamitz uitgebracht (solist Henri De Roeck, ex-NBK). Daarnaast waren er tournees met Eduard Brunner, Barbara Hendricks, Melvyn Tan enz., maar toch niet te veel, aldus manager Dries Sel, “omdat we niet louter een begeleidingsorkest willen zijn, daarvoor hebben we zélf te veel te vertellen.”
Desondanks (of misschien juist daarom) solliciteerde Werthen uitdrukkelijk naar staatssteun voor buitenlandse tournees zoals b.v. The British Council dat doet. Omdat hij dit langs politieke weg wenste te verkrijgen dankzij de toenmalige Vlaamse premier Luc Vandenbrande, wordt hij wel eens als de “uitvinder” van het begrip “culturele ambassadeurs” beschouwd.
Die vele CD’s zullen menigeen misschien verbazen, maar weet dan dat Werthen sedert de jaren negentig over een eigen opnamestudio beschikt in een vleugel van zijn niet onaardige villa in Sint-Martens-Latem. Nou ja, “eigen”?
Werthen: “Dat zou ik wel willen. Neen, hier zijn investeerders met interesse voor cultuur mee gemoeid. Een onafhankelijk vennootschap heeft het initiatief genomen en het geld bij elkaar gebracht. De studio werd wel ‘op maat’ gemaakt. De vormgeving werd m.a.w. aangepast aan de vereisten van een ensemble als I Fiamminghi. En de eerste jaren zijn wij nagenoeg ook de enige huurders: we nemen hier niet alleen op, maar repeteren hier ook.”
“Een luxe die aan weinig ensembles gegeven is,”
voegt Stephan Moens in “De Morgen” daar terecht aan toe.
Met de steun van zijn vriend, Prof.Lagasse, heeft Rudolf Werthen ook speciale aandacht besteed aan de akoestiek, iets wat hem enorm bezighoudt trouwens. Zo maakte hij zich bijzonder druk na de renovatie van de Gentse opera. “We krijgen misschien mooie zalen, maar geen goeie zalen,” vatte hij de problematiek samen, waarbij hij erop wees dat de pluche altijd een vijand zal zijn van een goede akoestiek (daarnaast had hij ook kritiek op de verluchting: “Een opera van vier uur zal ondraaglijk zijn, zowel voor het publiek als voor de muzikanten”). Hij verwees ook naar de Festivalhal in de Bijloke die zo’n slechte akoestiek zou hebben. Toch werd de CD “France Springuel plays Schumann, Tchaikowsky and Bruch” dààr opgenomen. De opname gebeurde door Gregor Zielinksy van DGG, die een jaar eerder een Grammy Award kreeg voor de beste technische opname. Orkestmeester was toen al Otto Derolez i.p.v. Henry Raudales.
Er is ook een wijziging te bespeuren in de opnames: niet langer kaskrakers als “De vier seizoenen” of zelfs “The summer of 42”, maar werk van minder bekende componisten of minder bekend werk van die componisten die wél een zekere status hebben. Dat komt omdat I Fiamminghi onder de arm zijn genomen door het label Koch International Classics, die zichzelf de bijnaam “het label van de premières” hebben toebedeeld. Daarvoor moest I Fiamminghi wel de garantie geven dat zij over meer volk konden beschikken dan enkel maar een strijkersafdeling. Daarom werden bij het begin van het seizoen 1992-1993 de free-lance contracten van de tien ex-blazers van het Nieuw Belgisch Kamerorkest omgezet in vaste contracten. Dit gebeurde dankzij een extra subsidie van tien miljoen vanwege de Vlaamse regering. Deze subsidie gebeurt naar eigen zeggen niet ten nadele van andere orkesten.
“Integendeel,” aldus Werthen, “juist door het feit dat wij het idee hebben gelanceerd om als cultureel ambassadeur van Vlaanderen te worden erkend, zullen ook andere orkesten hiervan kunnen genieten.”
Uiteindelijk werden er 35 culturele ambassadeurs betoelaagd, ook uit andere disciplines uiteraard, maar toch veel te veel volgens Werthen, zodanig dat iedereen maar een beetje krijgt.
“In plaats van iedereen te vriend te proberen houden,” klinkt het dan ook een jaar later (in 1993), “zou men beter wat selectiever zijn op het vlak van de kwaliteit.”
Manager Dries Sel sluit zich daarbij aan: “Er zou een Raad moeten komen in de zin van de Raad voor het Theater, niet zoals die voor het muziektheater, want die is veel te politiek samengesteld, met mensen die er niks van afweten.”
De voorzitter van de Raad voor het Muziektheater was toen… Fred Brouwers!
Maar vanwaar komt het geld dan wel? Van economische zaken. Die zitten met een overschot. Zo gaat dit in dit vreemde land. Terwijl de nationale regering van Dehaene naar het failliet afstevent, zit de Vlaamse regering van Van den Brande “met een overschot”!
I Fiamminghi zelf heeft ook voor nieuwe inkomsten gezorgd. Manager Dries Sel kwam op de idee van een obligatielening “met cultureel divident”. Zo’n 300 firma’s en 200 privé-personen werden aangeschreven met het verzoek aandelen te kopen. Na tien jaar krijgen ze hun geld gegarandeerd terug, maar wel zonder intrest. Die intrest wordt immers uitbetaald via “culturele dividenten”. D.w.z. dat men op basis van de rente op de som gratis concerten kan bijwonen of zelfs een huisconcert organiseren!
Dat werd een succes: tien miljoen werd op die manier binnengebracht in 1992-93.
Daarnaast is er ook een princiepsovereenkomst met een ander Duits kwaliteitslabel (CPO) om het integrale werk voor orkest van Johann Christian Bach op te nemen (totaal: 19 CD’s!). Ik heb echter geen weet van het feit dat dit “principe” ook in realiteit is omgezet. Wie het weet, mag het zeggen!
Merkwaardig is wel dat iemand die zo begaan is met akoestiek erin slaagt zijn concerten soms elektronisch te laten versterken! Volgens Werthen is dat echter geen tegenspraak: integendeel door de slechte akoestiek is het juist een noodzaak, ook al is het resultaat niet altijd geslaagd. Toch kan een procédé dat vergelijkbaar is met het “sense-surround” uit de bioscoop, zoals dat o.a. in ’s Hertogenbosch en Frankfurt wordt toegepast, zeer goede resultaten hebben.
DE ROMANTISCHE RUDOLF
De laatste tijd is Rudolf Werthen ook meer geïnteresseerd in hedendaagse muziek. Denken we maar aan de creatie van Piet Swerts’ “Magma”. Deze creatie is tot stand gekomen nadat alle SABAM-leden werden aangeschreven met de vraag om speciaal voor I Fiamminghi een werk te schrijven of ze tenminste op een bestaand werk van hen attent te maken. Daarop kwamen slechts twee (2!) reacties. Werthen voegt er wel vergoelijkend aan toe dat men niet veel composities vindt voor een strijkersensemble. Voor een symfonisch orkest of zelfs voor een strijkkwartet, o.k., maar voor een ensemble…
Maar goed, bij een tweede poging legde I Fiamminghi zelf telefonisch contact. Uiteindelijk bleven er vier componisten over: Swerts, Dhaene, Ghijselinck en Westerlinck. Bij zo’n opdrachten (Werthen heeft ook bekende buitenlanders aangesproken, maar zolang niets vaststaat wil hij geen namen kwijt) is het gebruikelijk dat het orkest gedurende één jaar het alleenrecht krijgt wat de uitvoering van het werk betreft.
Dit werken met opdrachten is de wijziging die minister Weckx heeft aangebracht aan het subsidiedecreet van zijn voorganger Dewael. Een verplicht aantal minuten “Vlaams werk” brengen was uiteindelijk toch niet zo’n goed idee…
Over die hedendaagse muziek zegt Werthen: “U kent mijn afkeer van de avant-garde, maar ik heb niets tegen hedendaagse muziek als zodanig. Als ze maar emoties uitdrukt en losmaakt. Want ik ben een pur sang romanticus.”
DE ANDERE RUDOLF
In het reeds geciteerde interview met Geert Stadeus krijgen we trouwens ook een ander beeld van Rudolf Werthen, omdat Stadeus, een gewezen rockmuzikant, een paar vraagjes in die richting stelde. Zo is het b.v. grappig te moeten vaststellen dat France het soms op haar heupen krijgt als Rudolf te veel naar MTV kijkt (luistert?). Uiteindelijk blijkt ook hij de huidige popmuziek echter niet te veel te appreciëren, hij houdt meer van… Status-Quo en Creedence Clearwater Revival. Uit de jaren zestig bezit hij naar eigen zeggen trouwens nog honderden rockelpees. Meestal staat het volume echter een verdere interesse in de weg. Wel speelt hij met zijn zoon-pianist soms jazz à la Stéphane Grapelli. En t.g.v. de Elisabethwedstrijd 1997 waarin de laatste Japanner tot z’n achttiende in een popgroep had gespeeld, verklaarde Werthen dat hij dat in de jaren zestig ook nog had geprobeerd.
Want een “dikke nek” is Werthen niet. Dat blijkt ook uit déze anekdote: hij ging met zijn kinderen naar de happening van het Festival van Vlaanderen in 1993 en toen hij vaststelde dat het echt niet te doen was, besloot hij maar ter plekke de steven te wenden naar de Dekaskoop, waar ze naar “The Fugitive” gingen kijken. “Een prachtige film, zo hebben we ons dan toch nog geamuseerd,” aldus Werthen.
Op 8 oktober 1994 was het gezelschap van Lucinda Childs te gast in de Vlaamse opera, waar met live-begeleiding door I Fiamminghi gedanst werd op muziek van Gorecki (“Concerto” uit 1993). Daarvóór waren er nog choreografieën op muziek van Kurylewicz (“Impromptu” uit 1993), Ligeti en Ferrari (“Rhythm plus” uit 1991), gespeeld door de Poolse claveciniste Elisabeth Chojnacka, die ook clavecimbel speelde in het concerto van Gorecki. Eigenlijk was er een creatie voorzien, maar Lucinda had haar huiswerk niet gemaakt. Dit werd door Dries Sel vooraf aan het publiek meegedeeld.
Toch gaat het goed met I Fiamminghi. Dat was immers zowat de teneur op de voorstelling van het nieuwe seizoen. Vrij logisch als men weet dat hieraan de voorstelling van de CD “Fratres” van Arvo Pärt werd gekoppeld, die werd uitgebracht op het prestigieuze Amerikaanse label Telarc. I Fiamminghi blijken zich trouwens erg goed thuis te voelen in deze vorm van hedendaagse muziek, wat mij reikhalzend deed uitkijken naar de compositie van Philip Glass, die ze in de loop van volgend seizoen zouden brengen. Het betreft een concerto voor saxofoonkwartet en kamerorkest, geschreven in opdracht van het Rascher Saxophone Quartet, dat het werk dan ook samen met I Fiamminghi zal creëren. Van een CD-opname is geen sprake, wel werd de zesde symfonie van Alan Hovhaness, bijgenaamd “Celestial Gate” uitgebracht.
GREATEST HITS
Daarnaast worden I Fiamminghi nog steeds gevraagd om grote solisten te begeleiden (ook al staan ze daar niet voor te springen, zoals hoger reeds werd gezegd door Dries Sel). Zo was dit nu weer het geval met Barbara Hendricks. Naast leider Rudolf Werthen werden ook twee gastdirigenten uitgenodigd: Avner Biron en Giora Bernstein. De eerste leidt de driedaagse “happening” in Campo rond de “composer in residence” Roland Coryn. De laatste zal te gast zijn op de Latemse Meester Concerten, waar we als solisten o.a. Boris Belkin en Bruno-Leonardo Gelber terugvinden, maar waar ons ook een prettig weerzien met Aga Winska te wachten staat. En op 11 januari 1996 begeleidden ze de 15-jarige vioolvirtuoos David Garrett in het beroemde concerto van Tsjaikovski. Dit was het eerste optreden van Garrett in ons land. Het concert in het ICC is tevens het nieuwjaarsconcert van I Fiamminghi en daarom brachten ze onder de leiding van Rudolf Werthen zelf nog twee andere “greatest hits”, namelijk de ouverture tot “La scala di seta” van Rossini en de vijfde symfonie van Beethoven.
Is het u trouwens ook opgevallen dat de talrijke nieuwjaarsconcerten, waarmee we de laatste tijd te maken krijgen, opvallend uit de buurt blijven van de voor de hand liggende “schlagers” van de Strauss-familie zoals de Blauwe Donau of de Radetzkymars?
Zo niet bij de Fiamminghi van Rudolf Werthen in de Bijloke. Niet alleen stortten zij zich wel volop op Strauss met ook nog de Keizerwals, Wiener Blut of de Annenpolka, bovendien vulden zij de rest van het programma eveneens op met de “greatest hits” binnen het klassieke wereldje. Zo kregen we bijvoorbeeld de “Méditation” uit Thaïs te horen, de “Lichte Cavallerie” van Franz von Suppé of de Cancan uit “Orpheus in de onderwereld” van Jacques Offenbach.
Een concert voor wie na Helmut Lotti aan iets nieuws toe is, zouden we zo zeggen.
HAYDN VERSUS GESUALDO
Rond Pasen volgden dan Haydns “Sieben Worte des Erlösers am Kreuz”. Die zorgen altijd voor problemen bij de uitvoering. Acht trage delen na elkaar is inderdaad zeer ongewoon, enkel te verklaren door het feit dat deze compositie een opdracht was voor de kathedraal van Cadiz, waarbij na een introductie elk deel één van de zogenaamde “kruiswoorden”, de zeven zinnen die de gekruisigde Christus uitsprak moest “illustreren”. Of nog beter gezegd: ze moesten de kerkgangers in staat stellen er even over te mediteren. Vorig jaar kwam het Kuijken Kwartet met Willem Vermandere nog het dichtste bij deze benadering. Dit jaar bracht Rudolf Werthen met I Fiamminghi de oorspronkelijke orkestversie, afgewisseld met koorwerk van de 200 jaar oudere Don Carlo Gesualdo. Voor de uitvoering van diens negen “Responsoria” stond het koor Currende van Erik Van Nevel in. So far so good, want die responsoria waren ook intermezzi tussen de lezingen tijdens de mis voor Goede Vrijdag. Het wordt echter wel een beetje eigenaardig als men deze vorm ook gaat doortrekken op een CD, meer bepaald een dubbel-CD. Als Werthen en Van Nevel dan toch een tastbaar bewijs van hun (inderdaad geslaagde) samenwerking wilden hebben, waarom dan niet een CD gewijd aan beide componisten en die tesamen in een box gestopt? Dan kunnen diegenen die wensen af te wisselen dat nog altijd zelf doen mits een eenvoudige ingreep. Als men nu echter b.v. alleen maar Haydn wil horen, dan vergt dat toch wel enige moeite. Dat is de enige schaduwvlek op deze voor de rest uitmuntende opname, die gelukkig ook de afsluitende “Terremoto” (aardbeving) bevat, die Werthen in het live-programma achterwege liet. (Gesualdo/Haydn – Responsoria/Sieben Worte – Currende/Fiamminghi – SOF 9601)
PRINCIEPSOVEREENKOMST
Op 30 april van dat jaar werd dan het verrassende bericht verspreid dat het BRTN-orkest en koor een “princiepsovereenkomst” hadden gesloten met I Fiamminghi. Uiteraard verwachtte Werthen dat hij ook de daaraan vastzittende subsidie in de wacht zal slepen. Maar waar zit dan de besparing? In een uitdunning van ons orkestenbestand? Het Koninklijk Filharmonisch Orkest van Vlaanderen voelde meteen nattigheid en vroeg aan de Vlaamse regering of het wel nodig was dat er een tweede quasi-identiek symfonieorkest door de overheid in leven zou worden gehouden. Bovendien vroeg het KFOVV zich ook af of Werthens orkest dan preferentieel voor de BRTN zou mogen werken?
Kamiel D’Hooghe, toen nog directeur van het Koninklijk Muziekconservatorium van Brussel (CVP), wees nochtans tijdens de voorstelling van OVUM (de Onafhankelijke Vereniging van Uitvoerende Musici) in de Antwerpse Singel op 26 oktober 1992 reeds op het gevaar van dat ene Superorkest van Vlaanderen waarvan een aantal politici dromen.
Hij weerlegde tevens de kritiek van minister Weckx dat de grote aanwezigheid van buitenlanders in Belgische orkesten vragen opriep over de doeltreffendheid van onze conservatoria. D’Hooghe wees erop dat op hun beurt vele Vlaamse muzikanten aan het werk gaan in het buitenland, omwille van het feit dat men nog altijd geen sant is in eigen land. Hij kloeg ook aan dat buitenlandse solisten vaak ook betere contracten krijgen aangeboden dan Belgische (meer mogelijkheden tot werk nààst dat van het orkest, minder orkest-‘verplichtingen’, geknoei met anciënniteit…) en dat het aantrekken van buitenlandse dirigenten vaak de deur openzet voor muzikanten die door deze dirigenten worden meegebracht.
De Muziekraad protesteerde dan ook tegen deze gang van zaken, evenals de vakbonden. Die wezen er immers op dat I Fiamminghi dan een subsidie van 100% zouden opstrijken wat personeelskost betreft, terwijl b.v. het Filharmonisch Orkest van Vlaanderen het met 87,59% moest stellen. Dat maakt dat de uitkoopsom veel lager kan liggen en men dus concurrentievervalsing krijgt. In de politieke wereld werd (niet toevallig) alleen de VLD bereid gevonden om het project te verdedigen.
Tegen het princiepsakkoord tussen de BRTN en I Fiamminghi aangaande de overname van het orkest zou ook de SP zich verzetten, aangezien dit een verstoring van de markt met zich zou meebrengen. Er is volgens de SP geen behoefte aan een orkest dat gaat meedraaien in het concertcircuit en zeker niet volgens het businessplan van Dries Sel met bijna volledig gesubsidieerde “modules” waarbij er op alle niveau’s concurrentievervalsing zou ontstaan.
Het princiepsakkoord kan nochtans wél rekenen op steun van minister-president Van den Brande. Dat Werthen vanuit CVP-hoek wel degelijk op steun kan rekenen, werd o.m. ook bevestigd door de ombuiging van het advies voor culturele ambassadeur in 1996. De adviesraad (Erik Van Lerberghe, Diane Verstraeten, Erna Metdepenninghen, Rudi Laermans, Jef Lambrecht, Gommer Van Rousselt, Frans Boenders en Eddy Frans) had een titel-zonder-bezoldiging geadviseerd, maar minister Luc Martens viste uiteindelijk toch nog 3 miljoen op.
Volgens Tuur Van Wallendael wil Van Rompuy zich echter op niets laten vastpinnen. Bovendien wil de toenmalige interim-voorzitter van de CVP, Marc Van Peel (aangezien Johan Van Hecke precies op die dag, zijnde 6 juni, zijn ontslag heeft ingediend “om persoonlijke redenen”, d.w.z. hij heeft een verhouding met BRTN-journaliste Els De Temmerman, wat voor een gehuwde moraalridder zoals hem uiteraard een probleem is), niet voor een fait accompli geplaatst worden: de beslissing moet volgens hem in de commissie cultuur worden genomen.
Principieel blijft de SP vasthouden aan het voortbestaan van het orkest, maar aangezien het niet meer op de huidige manier kan, dan met een zelfstandige structuur.
Alles staat of valt, volgens Daan Bauwens, wel met het feit of het orkest een functie kan behouden binnen de omroep. Die functie bestaat enerzijds uit werk in de amusementssector en anderzijds in het creëren van werk van Vlaamse componisten.
Voor het eerst wordt duidelijk dat Bert De Graeve nooit heeft gedacht dat hij het orkest kon afstoten en het geld toch behouden. Toch is het voor hem een bezuinigingsoperatie omdat de kosten voor het orkest ieder jaar stijgen.
Tuur Van Wallendael, die ook lid is van de RvB van het KFOVV (“maar ik ben nog maar één keer geweest, hoor!”), weet te melden dat ook Luc Vanackere een plan voorbereidt. Het KFOVV wenst het BRTN-orkest eveneens over te nemen, maar dan geleidelijk over een periode van drie à vier jaar. Op die manier hoopt men de gaten op te vullen die er nu al (en tegen die tijd uiteraard nog meer) zijn in het orkest. Het probleem is dat de rest van het orkest al die tijd technisch werkloos zou zijn, zoals dat nu al het geval is bij het koor, waar twee van de drie bassen met vervroegd pensioen zouden willen gaan, maar ze zouden niet meer worden vervangen, zodat het koor niet meer kan optreden.
Tuur zelf vindt het eigenlijk allemaal onzin. “Waarom moeten wij zoveel orkesten hebben? Als we ze allemaal zouden samenvoegen tot één orkest dan zou dat misschien enig niveau halen. In ónze betekenis dan nog.” Het beheerraadslid van het KFOVV bewijst hiermee wel héél weinig kaas te hebben gegeten van het onderwerp. Want zowel het KFOVV als het BRTN-orkest halen de laatste jaren een goed niveau, zelfs op internationaal vlak. En Rudolf Werthen mag dan nog openlijk een “gangster” genoemd worden, ook hij én zijn orkest kunnen spelen!
Er wordt hiervan nogmaals een frappant voorbeeld gegeven. Een lobbyist van I Fiamminghi loopt naar het schijnt alle ambassades af in binnen- en buitenland om optredens van… La Petite Bande te verlappen. Dat lukt natuurlijk aardig, maar als puntje bij paaltje komt, verschijnt de lobbyist dan opnieuw ten tonele met de mededeling dat La Petite Bande jammer genoeg niet vrij is, maar dat hij wel een vervanger heeft: I Fiamminghi!
Het werken met onkostennota’s bij I Fiamminghi komt ook weer ter sprake, evenals het feit dat er problemen zijn rond de opbrengsten van de CD-verkoop van het BRTN-orkest. Hier leidt de piste natuurlijk naar Rahbari.
Eveneens zeer pijnlijk is het feit dat de opmerking van de conservatoria (“waarom zouden wij nog mensen moeten opleiden als er geen werk meer voor hen is?”) wordt weggewuifd met als argument: “We gaan toch geen orkesten creëren om de lesgevers aan de conservatoria aan het werk te houden, zeker?”
Werthen zelf liet het ondertussen niet aan zijn hart komen. Hij had tijdens het weekend deelgenomen aan “The Celebrity Cup”, een golfwedstrijd voor “vedetten”, meestal uit de sport (Fignon, Altig, Tomba, Lendl, Moens…), maar ook uit “show en televisie”. Hierbij blijkt dus ook Werthen te horen, naast b.v. Rocco Granata en Arsène Vaillant. Eigenlijk hoeft dat niet te verwonderen: Werthen heeft immers alle faciliteiten om veel te oefenen in Sint-Martens-Latem…
Ondanks het feit dat hij met de “showploeg” laatste eindigde, legde zijn kalmte hem geen windeieren. De adviescommissie voor muziek mocht dan nog een verlaging van zijn subsidies met acht miljoen hebben voorgesteld, minister Martens vond zelf dat hij het met één miljoen minder ook wel kon doen, maar minister-president Van den Brande compenseerde dat “verlies” met zo maar eventjes 30 miljoen extra! Dat was in de tijd dat het gerucht de ronde deed dat Dries Sel met de dochter van premier Van den Brande zou vrijen. Dat bleek achteraf echter een kwakkel te zijn.
Ondertussen hebben I Fiamminghi dan maar een overeenkomst afgesloten met het nieuwe theater van het Nederlandse Tilburg (de zogeheten “Kunstcluster”) om dit als vast orkest te bespelen.
Toen hij in de Commissie Cultuur in het parlement een toelichting gaf bij zijn beleidsbrief, gleed minister Martens stilzwijgend over I Fiamminghi heen. Later zou hij als een reactie op zijn partijgenote Vanhecke het wel even terloops over deze nominatim-subsidie hebben, maar ook dan lokt dit geen enkele reactie uit, ook niet van de SP-mandatarissen die daar bij Christel Opdebeeck zo’n ophef over hadden gemaakt. Later zal blijken waarom…
Het is uiteindelijk Jos Stassen (Agalev) die de kat de bel aanbindt: de muzieksector is terecht boos wegens I Fiamminghi. Van den Brande voert een obstructiepolitiek. “Mocht ik minister zijn, ik zou dit niet pikken.” Die 15 miljoen voor dat jeugdinitiatief zijn niet nodig, als er toch een Vlaams jeugdorkest komt. “De sector zegt zelf dat er gewoon niet voldoende degelijke jeugdige muzikanten voorhanden zijn.”
En dan is er de VDB-prijs voor het hoogste aantal vermeldingen in combinatie met het woord Vlaanderen in de buitenlandse pers. “Eerst vond ik dit nog om te lachen, maar eigenlijk is dit puur Baas Ganzendonck. Ik raad iedereen aan de column van Hugo Camps op te vragen die deze heeft geschreven voor het radioprogramma ‘De toestand is hopeloos, maar niet ernstig’.”
Joachim Coens sluit zich aan bij de mening over het jeugdorkest.
Van Cleuvenbergen: de DKO-stop zal problemen opleveren voor de muzieksector.
Martens verdedigt Vandenbossche: de problemen dateren al uit de tijd van Coens sr.
Martens over I Fiamminghi: “Ik vind het een vervelend dossier en heb veel begrip voor protest. Buiten Ictus, Oxalys en nog een paar anderen moet iedereen inleveren en dan dit! Zelfs mijn eigen regio, met name het Vlaams Symfonieorkest, keert zich tegen mij. Het is wellicht een compensatie voor het BRT-verhaal en de interne sociale problemen die dit met zich meebrengt. Ikzelf ging niet akkoord met de BRT-piste en ook niet met de voorgenomen groei, dus van mij krijgen ze geen extra geld. Die 15 miljoen voor dat jeugdinitiatief komt van Van den Bossche en de andere 15 miljoen van Van den Brande, omdat I Fiamminghi een residentieorkest wordt ergens in Nederland.” (dat is dus die overeenkomst met Tilburg, RDS).
In de Adviesraad voor Muziek herhaalde minister Martens dat hij als minister van cultuur gebonden is aan de regeringsbeslissingen die bij consensus worden genomen. Hij herhaalt dat hijzelf geen voorstander was van het samengaan van I Fiamminghi en het BRTN-orkest “omdat gefatsoeneerde cijfers werden gebruikt”. Hij heeft die 30 miljoen extra dan ook enkel aanvaard om goodwill te creëren, zodat hij het algemene budget voor muziek kon opdrijven (wat in eerste instantie reeds bij bijblad gebeurt, zij het dat de hele muziekwereld dan veertig miljoen onder elkaar moet verdelen tegenover dus 30 voor I Fiamminghi alleen – volgens de minister is het dan ook de Raad die zal mogen beslissen wie wàt krijgt). Voor 1998 belooft hij een extra inspanning (tot 100% meer!) op voorwaarde dat het nu voorliggende decreet half ’97 àf is. Hij wil ook rock en jazz bij het beleid gaan betrekken.
Toch is niet iedereen gerustgesteld. Ric Urmel van Megadisc, die zélf in Sint-Martens-Latem woont, stoort zich aan het etalleren van luxe bij I Fiamminghi, terwijl dit geen weerslag heeft op hun programmatie.
Martens: “Ontmasker dat!”
Met de nieuwjaarsvraagjes in “Humo” kwam er echter plotseling nog een aap uit de mouw. Premier Dehaene mag dan wellicht niet in zijn nopjes zijn met de separatistische trekjes van collega Vandenbrande, maar op één punt zijn ze het blijkbaar volledig eens: “Ik heb enkele concerten van I Fiamminghi bijgewoond en dat was telkens een feest: mijn lievelingsinstrument is de cello en France Springuel van I Fiamminghi is een van de beste cellisten van de wereld.”
Dezelfde dag (8/10/1997) dat het nieuwe muziekdecreet in de pers verscheen, maakte De Standaard bekend dat I Fiamminghi voor hun “pedagogische” (?!) werking nog eens acht miljoen bijkregen. Ze zaten toen al aan 39 miljoen! Was dat nu op de valreep nog een blijk van “oude politieke cultuur” of zal dat ook binnen de “nieuwe politieke cultuur”, lees: het nieuwe decreet, nog steeds het geval zijn?
Dehaene in Het Laatste Nieuws van 2/3/2000: “Ik steek niet weg dat ik persoonlijk ben tussengekomen om voor het orkest I Fiamminghi tenminste een overgangsregeling te voorzien, toen ook zo’n commissie het orkest van dag op dag op droog zaad wou zetten.”
NEW AGE
Ondertussen leverde Rudolf Werthen met I Fiamminghi opnieuw enkele CD’s af met daarop van die meditatieve muziek uit de twintigste eeuw, waarin hij zich nu schijnt te specialiseren. Deze keer komt de Poolse componist Henryk Gorecki aan bod, geen onbekende sedert zijn “Symfonie der Klagelieder” enkele jaren geleden zelfs in de popcharts was terug te vinden. De CD opent trouwens met “Drie stukken in de oude stijl” die op sommige andere CD’s (b.v. die van Naxos) samen met die “hitsymfonie” zijn opgenomen. Terecht, want deze drie korte stukken passen helemaal in de tragische sfeer ervan. Bij Werthen worden ze echter gevolgd door een compositie die weliswaar “Ein kleines Requiem” heet, maar de toevoeging “für eine Polka” geeft veel meer aan welke richting ze uitgaat (alhoewel het in het Pools ook “voor een Poolse vrouw” kan betekenen, maar Gorecki gebruikt zelf de Duitse titel). Na een rustige inleiding komt een ongewoon agressieve passage, gevolgd door een opgewekte Polka. Men vermoedt immers dat Gorecki de verloedering van onze tijd heeft willen uitdrukken en het heimwee naar de tijd van de polka.
Men kan tegenover deze keuze twee houdingen aannemen. Men kan zeggen: het zorgt voor afwisseling, maar men kan even goed verzuchten dat het de sfeer breekt. Die keert immers weer op het einde met alweer een Requiem, maar deze keer een écht, namelijk datgene door Gorecki in 1990 geschreven voor het overlijden van Michael Vyner, de Engelse concertorganisator die hem in het westen bekend maakte. Net als bij de “Klagelieder” wordt hieraan meegewerkt door een sopraan (Elzbieta Szmytka), terwijl in het “Kleines Requiem” mijn vroeger buurmeisje, pianiste Mireille Gleizes, in de schijnwerper staat.
Deze CD is alweer een opname op het Amerikaanse Telarc-label, maar dat maakt ook dat een Nederlandse tekst ontbreekt in het drietalige CD-boekje. Benieuwd wat minister-president Van den Brande daarvan zal zeggen…
Daarna heeft Rudolf Werthen met zijn Fiamminghi een nieuwe CD uitgebracht met werk van Giya Kancheli, de vroegere “composer in residence” van het Filharmonisch Orkest van Vlaanderen. Het is een wereldpremière, die helemaal past binnen de reeks hedendaagse mystieke muziek die Werthen voor het Amerikaanse Telarc-label opneemt. Het contract met deze firma was wellicht de laatste heldendaad van manager Dries Sel want in 1998 werd hij immers als intendant van het Filharmonisch Orkest van de VRT aangesteld. Dat gebeurde echter zonder ruzie te maken met Rudolf Werthen, zodat waarnemers meenden dat dit de eerste stap was om de mislukte fusie tussen I Fiamminghi en het VRT-orkest uiteindelijk toch nog door te voeren. Ook dit bleek echter vals alarm.
RUSH HOUR
In het seizoen 1998-1999 kwam Werthen dan alweer met iets nieuws af: de zogenaamde “rush hour”-concerten. Terwijl de meeste mensen in de file zitten, speelt een gedeelte van I Fiamminghi in een hotel. Het eerste optreden in Gent was alvast een flop. Buiten een paar genodigden was er amper meer volk dan er op het podium stond. En wat lees ik daarna (op 20/1/1999) in De Standaard? “Wij hadden bijvoorbeeld zeer veel jonge mensen tijdens ons eerste concert in Gent. Dat waren internen van een school die anders niet naar een concert zouden gaan.” Hoe zei Freek De Jonge dat destijds ook weer? “Wij verzinnen ze waar u bijzit!”
Maar het mocht niet baten: op het einde van het seizoen (GVA, 15/5/99) geeft Werthen wel degelijk toe dat er geen volk op afkwam en dat men het jaar daarop op lunchconcerten zou overschakelen.
Bijna was er trouwens geen “jaar daarop” meer: I Fiamminghi werden door de nieuwe adviescommissie teruggefloten en gewoonweg op droog zaad gezet. Al was het misschien de administratie die de doorslag had gegeven: 12 miljoen in het kostenprentje voor Werthen en Springuel alleen springt opvallend in het oog. Het is dan ook de vraag of de 22 miljoen die als “overbruggingskrediet” werd toegekend inderdaad voor sociale reaffectatie van de onderbetaalde orkestleden gaat worden aangewend. Overigens brengt dit negatieve advies Werthen uiteindelijk zes miljoen méér op dan de subsidie die hij van de oude raad kreeg…
DE ZWARTE DOOS VAN MARIA DE BUENOS AIRES
Op 11 februari 2000 ging in een loods in de Gentse zeehaven “Maria de Buenos Aires” in première. Nu speelt deze tango-opera van Astor Piazzolla zich wel af in een havenkroeg van Buenos Aires, maar toch is deze locatie verrassend. Rudolf Werthen liet echter speciaal voor deze voorstelling een “black box” bouwen, een zwarte doos, die omzeggens overal kan worden geplaatst en waarin de toeschouwers ook kunnen plaatsnemen om op die manier opgenomen te worden in de intimiteit van het werk.
Buiten het (weliswaar kleine) orkest, een dansvloer en ruimte om te acteren, biedt de black box ook nog plaats aan 350 toeschouwers. Bij transport neemt het geheel dan ook drie containers in beslag. Toch is het financieel rendabel om deze containers mee te nemen op tournee naar Israël, Hong Kong en Melbourne, liever dan daar ter plaatse telkens het decor herop te bouwen, aldus Rudolf Werthen. Bovendien kan deze black box ook als locatie dienen voor andere kleinschalige programma’s van I Fiamminghi, zoals dat met joodse liederen.
“Maria de Buenos Aires” is het enige muziektheaterwerk dat Astor Piazzolla schreef. Dat was in 1972, op een tekst van de Uruguayaanse dichter Horacio Ferrer. Deze schreef de geschiedenis van het arme meisje Maria, dat in de bordelen van Buenos Aires eerst succes kent, daar ten onder gaat en na haar dood “verrijst”. Een geschiedenis die symbool staat voor de tango. Van het platteland veroverde de tango de havenkroegen van de stad. Daarbij werd wel een deel van de eigenheid prijsgegeven, maar uiteindelijk heeft de tango toch getriomfeerd.
In Gent werd het verhaal in de originele taal vertolkt door zangeres Laura Lahera als Maria en Carlos Palazzo in diverse rollen als haar tegenspeler. De onlangs overleden Dirk Van Esbroeck vertelde als El Duende (de schim) het verhaal, maar hij deed dit wel in het Spaans. Voor een Nederlandse vertaling zorgde barkeeper Harry De Swarte. Maria als kind werd afwisselend vertolkt door de dochter van Laura Lahera en de toen negenjarige dochter Florence van regisseur Frank Van Laecke. Verder wordt er ook nog tango gedanst door Argentijnse virtuozen.
THE LAST BUTTERFLY
De volgende multimedia-productie had plaats op 29 april 2000 in het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten met medewerking van o.a. Myriam Fuks en Roby Lakatos.
The Last Butterfly refereert aan een gedicht dat door een kind in het getto of “modelkamp” van Terezin werd geschreven. Het is ook het verhaal van volwassenen en kinderen, geconfronteerd met de gruwel van de “leugen”. “De leugen” die we ook zo meesterlijk aangewend zien in het magistrale “La vita é bella” van grootmeester Bellini. “De leugen” van dokter Janusz Korczak toen hij zijn kinderen naar de gaskamer vergezelde. “De leugen” van de kinderen zelf die de dagelijkse doodsangst ontvluchtten in de meest kleurrijke tekeningen en de meest idyllische poëzie, waarbij de vlinder het symbool van de vrijheid werd. Vlinders horen immers niet thuis in een oorlog.
“The Last Butterfly” is een voorstelling die bestaat uit twee afzonderlijke delen. Het eerste deel is een multimediale reis naar een recent verleden. Meeslepende strijkkwartetten van Pavel Haas en Hans Krasa, allebei componisten die eerst in het “modelkamp” in Theresienstadt of “kamp van de grote leugen” verbleven vooraleer ze op 17 oktober ’44 in Auschwitz werden vergast, worden in perfect evenwicht afgewisseld met Jiddische en volkse liederen die qua stijl en inhoud nauw aanleunen bij Weil en Brecht. Humor, soms wrang, soms ook helemaal niet, maar steeds rond allerlei leugens (kleine en grote, onschuldige en bittere) loutert en countert.
Myriam Fuks zingt in de frivole sfeer van het authentieke cabaret en met de rauwheid van een doorleefde interpretatie over komische situaties in huiselijke kring tot wrange toestanden in ghetto’s en kampen. Daarnaast wordt muziek gebracht die zelf in kampen werd gespeeld door een gevangenen‑orkest.
Acteurs en mimespelers maken de waaier breder en leggen op hun beurt verdere accenten. Beeldmateriaal illustreert een gemeenschap en al haar emoties. Film en muziek worden protagonist en antagonist, soms door elkaar aan te vullen, soms door radicaal met elkaar in conflict te gaan, maar de ware gruwel wordt nooit getoond.
“Myriam Fuks zingt Lebedeff” is het tweede luik van de avond en beklemtoont vooral de hoop en de blijvende levensvreugde van het Joodse volk. De wereldvermaarde zangeres Myriam Fuks brengt liederen van Aaron Lebedeff. Aaron Lebedeff was een grote Jiddische ster binnen de Amerikaanse toneeltraditie.
AND NOW FOR SOMETHING COMPLETELY DIFFERENT
Het meest opmerkelijke onderdeel van het Kama Sutra-festival in Oostende was ongetwijfeld het dansspektakel “Sutra” van Rudolf Werthen in het Thermae Palace. Buto- en Spaanse dansen werden daarin afgewisseld met fragmenten uit “Mieke Maaike”, gezegd door Ariane Ryckaert, die met deze productie sedert februari 2000 zowat heel Vlaanderen en Nederland heeft afgereisd. Let wel: de liefhebbers konden dus enkel de (niet zo denderende) stem van Ariane horen, ze kregen haar niet te zien. En nochtans maakte precies haar verschijning (90-63-91, 1,79m, lichtblauwe ogen, goudbruin haar) de charme uit van de “Mieke Maaike”-voorstelling.
Met deze rol als producer heeft Rudolf Werthen zijn actieradius alweer uitgebreid. Begonnen als violist is hij op dit moment beter bekend als dirigent, vooral dan van zijn eigen orkest I Fiamminghi. Zijn vrouw France Springuel heeft ondertussen haar carrière als soliste op de cello opnieuw opgenomen, nadat ze die een paar jaar had teruggeschroefd om voor Lorin, hun vierjarig zoontje, te zorgen. Nu is het knaapje, dat genoemd werd naar de beroemde dirigent Lorin Maazel, leermeester van Werthen, pienter genoeg om de buitenlandse verplaatsingen mee te maken. Rudolf Werthen is een familieman. Een familiekiekje van Rudolf, France en Lorin. De tafel op de voorgrond is eigenlijk een omgekeerde Afrikaanse ploeg. In een aanpalende woning leeft zijn moeder (85) met haar twee zussen (80 en 82).
Naast Lorin heeft Rudolf Werthen zoals gezegd nog twee volwassen kinderen uit zijn eerste huwelijk. Joachim (22) studeert voor burgerlijk ingenieur en Samantha (25) is psychologe aan de VUB. Alhoewel vooral Samantha duidelijk muzikale aanleg vertoonde, zijn geen van beiden de muzikale richting ingeslagen. “Ik geloof dat ze te zeer gemerkt hebben wat er allemaal komt bij kijken,” zegt Werthen. “Vooral het reizen dan. Misschien dat dit er voor Joachim ook te veel aan was om een professionele tenniscarrière uit te bouwen, wat er zeker had ingezeten.”
Paradoxaal genoeg wordt Rudolf Werthen zelf geteisterd door een kwaal, waarmee beroepstennissers vaak te kampen hebben. Een kwaal, die hem belet zijn vioolcarrière verder uit te bouwen. “Het zijn dezelfde gewrichten die in beide gevallen worden belast. Het is puur slijtage die niet is tegen te gaan, tenzij misschien door een delicate operatie, waarvan men het resultaat niet op voorhand kan bepalen.”
Het dirigeren is natuurlijk een goede compensatie, maar mist hij het viool spelen niet? “Optreden wel,” lacht hij. “Maar het vele repeteren dat daarvoor noodzakelijk is zeker niet!”
In 2003 legde Rudolf Werthen zijn functie als muziekdirecteur van I Fiamminghi neer. Hij kon er zich niet mee verzoenen dat de raad van bestuur de komende reeks concerten afzegde. Werthen blies daarmee het ensemble op dat hij sinds 1984 leidde en dirigeerde. Hij wilde naar eigen zeggen met een schone lei beginnen met dezelfde muzikanten, maar wel onder een andere naam. Alhoewel… “I Musici Fiamminghi”, waar heb ik dat nog gehoord?
Tot slot vraag je je misschien af waarom ik niets heb geschreven over “het geld dat aan de strijkstok bleef plakken”. Je weet wel, de beruchte “onthullingen” over Rudolf Werthen in De Morgen en Humo een tiental jaar terug. De reden is heel eenvoudig: sedertdien bewaren alle betrokken partijen hierover het grootste stilzwijgen. Frieda Verdonck, één van de auteurs, schreef nadien zelfs het programmaboek van I Fiamminghi vol. If you can’t beat them…

Ronny DE SCHEPPER

Referenties
Jan Draad, Rudolf Werthen aan het lijntje, De Rode Vaan nr.39 van 1983
Fred Brouwers, De Koninginnewedstrijd, 1987
Jan Draad, Rudolf Werthen aan het lijntje, De Rode Vaan nr.19 van 1988
F.H., Alan Parsons, Flying Pickets en Rudolf Werthen in de hoofdrollen op the Night of the Proms, Gazet van Antwerpen, 25 oktober 1990
Ronny De Schepper, “I Fiamminghi komt op de eerste plaats”, De Rode Vaan nr.48 van 29 november 1991
DSRG, Vladar bij I Fiamminghi, Het Laatste Nieuws, 20 januari 1994

95 rudolf werthen in 1991

2 gedachtes over “Rudolf Werthen wordt zeventig…

  1. U breekt mijn hart, zijn (echte) vader waar u zo minachtend over schrijft .. Olympisch deelnemer in ‘ 38, verzetstrijder tijdens de oorlog, verijdelde menig aanslagen op zijn eentje waardoor hij tijdens de oorlog gezocht werd en niet één nacht op dezelfde plaats kon verblijven…dit is een fractie van al het goede die hij gedaan heeft.Een buitengewoon mens , lief, moedig, uiterst intelligent net zoals de moeder van Rudolf, daarbij onvermoeibare werkers, gedreven en genereus …altijd paraat om te helpen tot hun dood. Ik heb hen lief en mis hen.. uw tekst heeft mij diep gekwetst. U had zich beter moeten inlichten vooreer dit te schrijven, het staat vol onwaarheden en interpretaties van mensen die zéér afgunstig zijn…Rudolf is een uiterst intelligent en fantastisch mens,
    Vriendelijke groet
    France

    Like

    1. “U had zich beter moeten inlichten vooraleer dit te schrijven, het staat vol onwaarheden en interpretaties van mensen die zéér afgunstig zijn…” Dat is de kernzin van uw betoog en u heeft gelijk. Maar had Rudolf dat niet kunnen voorkomen door zelf wat meer over zijn afkomst te vertellen? Het spijt me wel enorm dat ik uw hart heb gebroken.

      Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s