Op het eind van de jaren zeventig had ik nogal wat contact met Marijn Devalck, die vandaag vijfenzestig jaar wordt. Ik had hem namelijk de mannelijke hoofdrol aangeboden in de rock-opera De Kat, die ik samen met een paar vrienden had geschreven en Marijn zag dat wel zitten, maar Theater Arena, waartoe hij op dat moment behoorde, helaas niet. Toch was nog niet alles verloren, want Marijn stemde erin toe om samen met o.a. Raymond van het Groenewoud, Zjef Vanuytsel en Guy Mortier deel uit te maken van een vedettenelftal om op het Feest van de Rode Vaan, maar toen was er een persvisie op de BRT van een musical waarin Marijn met Linda Lepomme de hoofdrol (ik meen me te herinneren dat het zelfs de énige rollen waren) vertolkte en Lode De Pooter vond er niks aan en maakte dit in zijn gebruikelijk beeldrijk taalgebruik duidelijk aan Marijn, met als gevolg: geen Marijn op het veld. En nadien kwam er een solo-elpee die ik dan weer niet zo goed vond, zodat het contact werd verbroken tot het Facebook-tijdperk aanbrak.

Merkwaardig genoeg kwam ik nadien wel in contact met Marijns eerste vrouw, want die was een hostess op de toenmalige BRT. Zo herinner ik me dat we samen naar één van de allereerste optredens van Soulsister geweest zijn hier in de Vooruit. Waar ik haar meteen kwijt speelde aan Polle Pap, maar dat mag niet echt een verrassing wezen natuurlijk.
Het eerste interview dat ik met Marijn Devalck ooit heb gehad (en “waarmee alles begon” zoals men dan pleegt te zeggen), dat was n.a.v. de zogenaamde “Brel-reconstructie” in Theater Arena. Het opmerkelijkste dat ik eruit onthou is dat Marijn het omstreden Brel-nummer “Les F…” (waarbij men zowel “Les Flamingants” als “Les Flamands” tout court kan invullen) weigerde in het Nederlands te zingen.
Marijn: Omdat ik mij zo gekwetst voelde door die tekst. Ik heb willen afstand nemen van dat nummer en heb het dan ook zonder veel omhaal gezongen. Ik wil dat nummer hoegenaamd niet naar het publiek toe zingen, omdat ik er niet achter sta. Ook van “Marieke” bestaat een vertaling, maar die is zo ellendig dat ik de voorkeur heb gegeven aan het Nederlands-Franse origineel. Overigens hoop ik dat Brel op dat moment gemeend heeft wat hij zong, al beschouw ik hem als een bekakte Brusselaar, die misschien wel ergens van Vlaanderen gehouden heeft.
– Er is één nummer dat men aan Brel zelf heeft overgelaten: “Les bourgeois”….
Marijn:
Ja, en nochtans als er één nummer was dat ik graag zou hebben gezongen, dan zou het “Les bourgeois” geweest zijn. Ik treed immers Brel bij als het gaat om kritiek op de burgerij.
– Kan je me, nu we toch bezig zijn, eens iets meer vertellen over je debuut als Marino Falco?
Marijn:
Ik ben opgegroeid met een vader die verslaafd is aan alcohol. Als hij te veel gedronken had, was hij niet altijd een aangename man in huis. In tegenstelling tot mijn vader ben ik altijd de vrolijke Frans als ik in een benevelde bui ben. Mijn vader reageerde anders, dat was spijtig. Hij sloeg mijn moeder en zijn eigen moeder. Hij had losse handjes als hij gedronken had. Dat ging gepaard met geroep, geschreeuw, serviezen die aan diggelen gingen, bloed aan de muur… Ik stond weerloos en machteloos toe te kijken. Dat zijn indrukken die je niet meer vergeet, ook al was ik maar drie, vier jaar oud (*). Toen mijn vader stierf, werd ik kostwinner in ons huisgezin, ook al was ik nog erg jong. Het orkestje waarbij ik toen zong, repeteerde destijds achter de platen- en instrumentenwinkel van de vader van Jean Blaute in Zottegem. Op een dag kwam Rocco Granata daar eens langs en die zag wel wat in mij (**). Daarom kon ik op zijn platenlabel (Cardinal) debuteren met “Je n’ai plus mon papa” en “Ma première sigarette”, dat was immers in de tijd dat de hitparade hier bij ons zeker voor de helft nog vol gestouwd was met Franstalige nummers. Adamo bijvoorbeeld die was hier zeker even populair als The Beatles toen. En mijn populariteit, vooral bij de meisjes, was ook zeer groot. Zo heb ik in het Casino van Knokke nog naast Engelbert Humperdinck opgetreden. Het was hard werken en, zeker op zo’n jonge leeftijd, was de weerbots dan ook soms groot. Ik ben in die tijd dan ook een paar keren met mijn gezicht tegen de muur gelopen, maar ik ben daar gesterkt uitgekomen, mag ik wel zeggen.
Een zenuwinzinking op 14 jaar, geef toe : ‘t is niet niks. Het is geen leven, ‘t leven van een kindvedette. Maar « ’t kan verkeren » zei Bredero, en dat ondervindt ook Marijn Devalck. Hij heeft het geluk (’t klinkt wel een beetje cynisch, maar zo is het) dat een van de zangers het drie dagen vóór de première van “Mistero Buffo” — dat in de Muntschouwburg in het Nederlands én in het Frans zou worden opgevoerd — verstek laat gaan. Grote paniek, want de vervanger moet natuurlijk niet alleen de beide landstalen machtig zijn, hij moet ook vlot muziek van het blad kunnen lèzen wil hij zijn rol tijdig ingestudeerd krijgen. Voor impresario René Ingelberts is er geen probleem. « De Marino zal dat wel doen, » meent hij. Maar het is niet de « de Marino », maar gewoon « Marijn » die op de affiche komt.
« Ik zweeg als de dood over wat ik vroeger gedaan had, » vertelt hij. « Anders was het misschien opeens niet meer goed geweest voor de mensen die het nu wél goed vonden. »
En bij de categorie van degenen die het wél goed vonden, hoorden ook de twee hoofdrolvertolkers : Hilde Uitterlinden en Charles Cornette. En zij vinden dat die jonge Marijn maar toneel moet studeren, want hij boeit hen, ze vermoeden acteertalent in hem. En Marijn gaat zich aan het conservatorium, waar hij al muziek en fonetica studeert, « om uitstel te kunnen krijgen voor het leger », laten inschrijven bij de afdeling dramatische kunst. Zonder de minste overtuiging overigens.
« Als ik er niet zo zeker van was geweest dat ze me toch niet zouden aanvaarden, dan had ik het waarschijnlijk niet gedaan, » bekent hij eerlijk. « Want ik had er niet de minste zin in. Ik deed het alleen maar om mijn omgeving ervan te overtuigen : zie je nu wel, niks lukt me nog, ik ben alleen nog maar goed om pinten te gaan drinken. Maar ik werd wél aanvaard. En daar stond ik, nu moést ik wel. En het gekste is nog, dat ik het na een goeie maand echt graag begon te doen. »
Met het resultaat dat hij binnen de kortste tijd « opeens een acteur was geworden », zoals hij zelf zegt. Een acteur waarvan zelfs Wim van Gansbeke, toch bekend om zijn vitriool-kritieken bij Omroep Brabant, moest toegeven dat hij erg in de smaak was gevallen.
En zo is de bal stilaan aan het rollen gegaan, tot het als het ware een sneeuwbal werd die almaar aangroeide. Vijf jaar Mechels Miniatuur Theater en daarna naar Gent naar Arena, waar ik hem dus de eerste keer heb ontmoet.
Dankzij het theater is Marino Falco dus gelukkig Marijn Devalck geworden. Maar daarna wilde Walter Ertvelt er blijkbaar opnieuw Marino Falco van maken… Inderdaad de elpee die Marijn voornamelijk onder diens hoede heeft “mogen” opnemen, was een stap terug. In navolging van Ertvelts kwalijke invloed op Rob De Nijs (die van onder de vleugels van Boudewijn De Groot ook nochtans aan een heropstanding begonnen was) heeft hij nu zijn filosofie van handig zakenmannetje aan Marijn proberen te verpatsen. “Entertainment van niveau” noemt Ertvelt dat. Hij zegt er niet bij van welk niveau… Kris De Bruyne deed ook zijn duit in het zakje, met een paar composities die hij voor zichzelf te min vond. Idem voor Jaak Dreesen die met een door Miel Cools afgewezen tekst kwam aandraven. En Marijn is de pineut. Jean Blaute tracht nog te redden wat er te redden valt, maar zonder veel enthousiasme. De nummers variëren van plat commercieel tot goed commercieel, maar vallen nooit echt op. En dat deed Marijn wel in 1972 onder de hoede van Sylvain Vanholme met “Hopla met de beentjes” en zo. Een goed verstaander…
Het oordeel van René De Witte over de elpee van Marijn Devalck was zo vernietigend, dat mensen mij hebben gevraagd dit stukje nooit aan Marijn zelf te tonen. Omdat ikzelf de eerste langspeelplaat van Marijn ook niet zo schitterend vond, maar toch in Marijns talent geloofde, ging ik op zoek naar een verantwoordelijke. lk meende die gevonden te hebben in een van zijn tekstschrijvers, die hem zowat de hand boven het hoofd houdt en die volgens mij ook Rob Denijs op het “verkeerde pad” had gezet. Het “slachtoffer” heeft dan een uur lang (zonder overdrijving) met mij getelefoneerd om mij van het tegendeel te overtuigen.
Misschien dat ik daarom zo verbolgen was omdat in de Nekka-reportage (Raymond van het Groenewoud uitgezonderd) de Vlamingen zo’n minuscuul plaatsje kregen toegewezen tegenover de buitenlanders. Marijn Devalck heeft juist geteld twee maten mogen zingen. Voor mijn vriend René De Witte, die — wist u dat al? — nu ook reeds aan encyclopedieën meewerkt en die Marijn wel rauw lust, zullen het er wel twee te veel geweest zijn, maar geef toe, René, dat de BRT deze nieuwe naam (want over zijn Marino Falco-verleden zullen we maar zwijgen, zeker?) toch een beetje meer naar voren had moeten brengen. Dat was gewoon hun informatieve plicht. Nadien kun je hem dan nog afbreken als je wil.
In 1979 speelde Marijn De Valck ook de hoofdrol in de bekroonde televisiefilm “Er was eens in december” en een jaar later maakte hij deel uit van de ploeg voor de Knokke Cup, maar het was pas vier jaar later dat ik opnieuw een gesprek met hem had, toen hij het nogal hysterische spelprogramma « Stad op stelten » presenteerde samen met Micha Marah, nadat hij eerder al “Geef me de vijf” had gepresenteerd. « Om den brode » was Marijn De Valck in die tijd echter vooral actief in het Gentse musicaltheater Arena. En daar zou hij de veeleisende rol van Judas vertolken in de fameuze rock-opera « Jesus Christ Superstar », terwijl Daan Van den Durpel zich opmaakte om Christus langs zijn mooiste zijde te laten zien. Een waagstuk dus dat zeker enkele vragen opriep. Vandaar dat ik Marijn aan de lijn haalde om die vraagtekens recht te trekken tot uitroeptekens. Het slachtoffer begroet ons met een vrolijke niesbui.
— Gezondheid ! God verhoede dat u deze griepbacillen via een kus aan Zijn zoon zou doorgeven. Maar ja, de geschiedenis kan niet worden herschreven. Alhoewel. Genoeg gegekscheerd nu, leeft men bij Arena reeds volop in de Messiaanse sfeer of savoureert men nog van het succes dat « Song » blijkbaar oogst ?
M.D.V.
: Beide. De cast is immers verschillend op drie acteurs na, die op een bepaald moment van de ene repetitie naar de andere moesten hollen. Die jongens hebben het dus wel bijzonder druk, zij werken van tien uur ’s morgens tot twaalf uur ‘ nachts. Maar de hoofdpionnen uit « Jesus Christ » die worden met rust gelaten, die kunnen zich ten volle concentreren op die « Superstar ».
— En daar hoort Judas zeker bij. Er wordt zelfs over gediscussieerd wie nu eigenlijk de hoofdrol heeft in die opera…
M.D.V.
: Dat is inderdaad moeilijk te zeggen, ja (lachend). Je zou eigenlijk de nootjes en de lettergrepen moeten tellen. ’t Is in ieder geval een zeer zware rol. De melodie is bijzonder hoog geschreven. Judas begint te zingen waar een ander stopt. Dat is uiteraard bijzonder vermoeiend en vergt een speciale techniek om het allemaal naar boven te krijgen en toch nog verstaanbaar te houden. Jezus heeft ook zo’n paar passages. Eigenlijk kan het allemaal een octaaf lager, maar ja, het is nu eenmaal zo geschreven…
— De oorspronkelijke « J.C. » wordt dus trouw gevolgd? Ook wat het scènebeeld betreft?
M.D.V.
: Ik heb geen opvoering in Londen gezien, dus heel nauwkeurig kan ik daar niet op antwoorden, maar ik veronderstel wel dat het een beetje anders zal zijn qua mise-en-scène, omdat we nu eenmaal gebonden zijn aan de normen van Arena. Maar natuurlijk komen wel àlle songs erin voor, zij het dan in het Nederlands.
— Wie heeft er voor de vertaling gezorgd ?
M.D.V.
: Paul Berkenman. Een schitterende vertaling overigens. Ik moet zeggen : ik werk met Roger (Thienpont, echte naam van Berkenman, RDS) al een paar jaar samen, sinds hij van het NTG naar ons is overgekomen. Daar had hij de helft van zijn leven gesleten met het maken van vertalingen van stukken, o.a. van Shakespeare, wat dus geen gemakkelijke klus is, maar een lied vertalen is nóg moeilijker. Ik heb al met veel vertalers gewerkt en bij de meesten is het opmerkelijk dat zij niet eens de overeenkomst zien tussen beklemtoonde lettergrepen en de sterke tijden in een muzikale zin met als gevolg een boel valse accenten. Maar met Roger heb ik ooit eens prettig samengewerkt toen wij enkele jaren terug samen wat liedjes schreven voor « La cage aux folles ». En sindsdien heeft hij de techniek zeker onder de knie. Want daar hangt tenslotte veel van af, van de vertaling. Volgens mij bepaalt ze zelfs voor vijftig procent het al of niet slagen van de productie.
— Correct. We zullen daar trouwens naar uitkijken, evenals naar de vertaling van Grease, dat wat later op het programma staat. Het is me wat, hé, met zo’n twee « monumenten » ?
M.D.V.
: Ja. Het is de bedoeling van Arena het minder geslaagde seizoen van vorig jaar — dat kan je op z’n minst zo zeggen — te redden en daarom wordt er wat tegenaan gegooid, ja. « J.C. » is de hoofdpion en wanneer die verkeerd geplaatst wordt, staan we natuurlijk helemaal schaakmat, maar zoals het er nu uitziet… Luister, al denk ik steeds positief, toch ben ik altijd voorzichtig met pronostieken. Maar er zijn producties waarbij ik zes weken op voorhand reeds voel : jongens, dat wordt niks. Nu ging er echter van bij het eerste contact met regisseur Rufus Collins zo’n overtuigingskracht uit, die man weet de groep zo stevig te bundelen, dat ik ervan overtuigd ben dat we op 10 november met een totaal afgewerkt product, met een zeer vloeiende voorstelling zullen voor de dag komen.
“Dat hopen wij uiteraard ook, want ons uitgangspunt is nog steeds dat alle kritiek, zelfs de meest negatieve, opbouwend is bedoeld,” zo eindigde ik het telefonisch interviewtje in De Rode Vaan nr.44 van 1984.
foto

In 1996 had Marijn, die op dat moment al ontzettend populair was als Balthazar Boma uit “F.C.De Kampioenen”, dan een motorongeval, waarbij hij bijna werd onthoofd door een prikkeldraad die op manshoogte was gespannen en waarna hij bijna continu nog last zou hebben met zijn stembanden. Toch stortte hij zich in de politiek en werd (voor de Open VLD als ik me niet vergis) voorzitter van het OCMW in Brakel. In december 2013 outte hij in het televisieprogramma “Koppen” zichzelf als lid van de loge.
Op 20 december 2017 kwam ‘F.C. De Kampioenen: Forever’ uit in de bioscoop. Voor acteur Marijn Devalck mocht het de laatste film in de reeks zijn. Hij zou er graag mee stoppen, een punt zetten achter de vertolking van zijn legendarische personage. Dat vertelde hij op 12 december 2017 in Dag Allemaal.
Tijdens de opnamen van de derde film van F.C. De Kampioenen was Marijn Devalck (66) niet helemaal zichzelf. Hij voelde zich er niet langer thuis.
“Voor de derde film zijn we samengekomen in januari 2016”, vertelt de acteur in Dag Allemaal. “Na de eerste lezing kwam ik thuis met een tergend gevoel. Het gevoel dat ik er niet meer bijhoor… Dat ik het niet graag meer doe.”
Een gevoel dat volgens hem voornamelijk bij zichzelf te zoeken is. “Ik voel de behoefte niet meer om Boma te spelen”, klinkt het. “Om te acteren tout court. Ik heb De Kampioenen altijd gerespecteerd, heb de ploeg nooit in de steek gelaten. (…) Maar ik voel de goesting niet meer.”
Bovendien had Devalck ook zijn twijfels bij het scenario, terwijl zijn collega’s wel dolenthousiast waren. Zelf had hij liever gezien dat ‘De Kampioenen’ in de richting van ‘Van Vlees En Bloed’ waren geëvolueerd met “ernstige acteurs maar situaties die het geheel grappig maken”, zegt hij. “Niet dat De Kampioenen even serieus moest zijn, maar soms begon de reeks naar kindertheater te neigen. Dat kon toch niet de bedoeling zijn. Vind ík, hé! Maar bon, na 27 jaar en 7 regisseurs is het niet abnormaal dat ik vond dat we het stilaan wel hadden gehad. Zonder afbreuk te willen doen aan het feit dat wij televisiegeschiedenis hebben geschreven.”
En precies dààrom heb ik dit artikel uit Het Laatste Nieuws overgenomen, omdat ik exact dezelfde indruk had. Ik was één van de weinigen die de ontelbare herhalingen van “F.C.De Kampioenen” wél op prijs stelde. En dat om de eenvoudige reden dat ik de originele afleveringen nooit heb gezien. Ik ben pas beginnen kijken nadat Peter Cnop en Willy Van Poucke me verteld hadden dat het idee eigenlijk van hén kwam en dat zij er de Fawlty Towers-tour wilden mee opgaan. Dat is er uiteraard nooit uitgekomen, maar de eerste afleveringen die werden aangeleverd door o.m. Frank Van Laecke en geregisseerd door Anton Stevens, hadden toch iets. Tot die overtuiging kwam ik alvast nadat “De Kotmadam” op VTM het record van “De Kampioenen” had geklopt en ik de twee wou vergelijken. En inderdaad, die vroege Kampioenen wonnen met vlag en wimpel. Maar na verloop van tijd heb ik dan toch afgehaakt, want De Kampioenen begonnen inderdaad naar (slecht) kindertheater te neigen, ik kan het niet beter zeggen dan Marijn. Dat mijn kleinzoon eraan verhangen is, kan eigenlijk juist als quod erat demonstrandum gelden…
Maar goed, met deze nieuwe film wil Marijn Devalck dus eindigen in schoonheid: “Het is een mooie film geworden, echt waar. Jan Verheyen heeft dat schitterend gedaan.”

Ronny De Schepper

(*) In Het Nieuwsblad van 17/9/2016 voegt Marijn hieraan toe: “Door een bizar toeval werd het ouderlijke huis gebruikt als decor voor de nachtclub Pussycat van mijn personage Boma in de tweede Kampioenen-film. De mensen die op zoek waren naar een geschikte locatie voor de Pussycat, hadden de villa waar ik als kleine uk woonde, louter toevallig ontdekt. Met daar te komen filmen, heb ik het genezingsproces versneld.”

(**) In Het Nieuwsblad van 26/2/2000 vertelt Marijn dit verhaal nogmaals aan Mariella Farina en hij voegt daaraan toe dat het Rocco is die hem spaghetti heeft leren eten. Wat een belangrijke bijdrage is tot de discussie hoe en wanneer die gewoonte hier in Vlaanderen ingang heeft gevonden.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s