Roger Van Ransbeek aan het lijntje

01Van 11 tot 26 april 1987 loopt in de kleine zaal van de Antwerpse schouwburg « De schuldvraag » van Roger van Ransbeek door het KNS-gezelschap in een regie van Martin van Zundert. Roger van Ransbeek (°1936, Brussel) zullen onze lezers ongetwijfeld kennen van « De dwaling », « Er was eens in december », « Place Sainte-Cathérine », « Wacht tot hij opbelt » en nog tal van andere BRT-producties uit de reeks « Made in Vlaanderen ». Nochtans is van Ransbeek geen beroepsauteur in de letterlijke zin van het woord. In het dagelijkse leven, zoals dat dan heet, is hij immers marine-officier bij onze nationale zeemacht.

— In uw werk valt weinig te merken van uw beroepsactiviteit. In tegenstelling tot — ik zeg zo maar iets — Libera Carlier b.v.
R.v.R. :
Absoluut. Dat is ook de bedoeling. Ik wil die twee zaken volledig gescheiden houden.
– Hoe komt een marineofficier er eigenlijk toe om schrijver te worden? Of moeten we het omkeren : hoe komt een schrijver ertoe om marineofficier te worden?
R.V.R.
: Dat is allemaal toeval. Het toeval van het leven. Je zoekt een beroep, en je denkt wel aan schrijven, maar tussen droom en daad… Ik heb altijd graag geschreven. Maar uiteindelijk was ik marineofficier, vóór ik schrijver was.
– Je bent je schrijversloopbaan begonnen met het schrijven van televisiescenario’s. Waarom precies televisie?
R.V.R. :
Ik ben van jongsaf aan naar de film gegaan. De film is eigenlijk het eerste medium dat ik heb leren kennen. Ik ging er bijna elke zondagnamiddag naartoe. Ik herinner me nog dat er films waren in 3 à 4 afleveringen, waardoor je dus 3 à 4 zondagen na elkaar naar dezelfde zaal moest trekken. Ik herinner me zelfs dat ik al tijdens de oorlog naar de film ging. In de zaal zaten er Russen, als Duitse krijgsgevangenen. Vermits ik van ’36 ben, was ik dus al vóór mijn 8 jaar een verstokte cinefiel. Het is een medium, dat is blijven boeien. En toen ik wilde beginnen schrijven, wilde ik eigenlijk voor de film schrijven. Maar er was toen geen noemenswaardige filmindustrie in België, en uiteindelijk is het de televisie geworden, die toch heel dicht bij de film ligt. De film voor het kleinste scherm. Maar uiteraard met zijn eigen, specifieke wetten.
– Voor een auteur, of hij nu televisie-, film-, toneel- of romanauteur is, is de eerste realisatie of publicatie van enorm belang. Hij moet uit de anonimiteit kunnen treden. Hoe is dat bij jou verlopen?
R.V.R. :
Toneel is iets heel anders dan televisie. Maar het is wel een beetje op dezelfde manier gegaan. Ik kende het toneel van de middelbare school. En ik had er eerlijk gezegd niet veel belangstelling voor. Want in de poësis deden we een heel jaar over Josef in Dothan van Vondel ; en in de Franse les idem over een stuk van Molière, welk stuk weet ik al niet meer. Toneel schrijven werd op school voorgesteld als een gave van de goden, want iedere schrijver wist precies waarom hij juist daar een punt of een komma had gezet, waarom hij dat woord had gebruikt en geen ander… En wij schreven daarover onze schriften vol, en op de koop toe moesten we dan ook naar speciale voorstellingen voor de jeugd gaan kijken… Ik herinner me nog dat we naar een voorstelling van Lucifer moesten gaan kijken. Dat was een verschrikkelijke beproeving… En naar het Théátre des Galeries in Brussel moesten we naar een hele cyclus van Molière gaan zien… in pijpenkrullen… En zo ben ik de daaropvolgende 25 jaar iedere schouwburg zorgvuldig uit de weg gegaan. Dat heeft ongeveer geduurd, tot ik voorzitter werd van de Vereniging van Vlaamse Toneelauteurs. Ook door een toeval ! De toenmalige scheidende voorzitter Alfons van Impe, wilde bij de Vereniging van Toneelauteurs een opening maken naar de film- en scenario-schrijvers. En bij mijn toetreding tot de VVT werd ik dan maar meteen tot voorzitter gebombardeerd.
– In 1983 schreef je het stuk “Beatles for ever” dat zelfs in Duitsland werd opgevoerd. Het gaat over een arbeider die op 48-jarige leeftijd werkloos wordt en op de muziek van The Beatles wegdroomt naar de tijd van the golden sixties toen alles nog mogelijk was… Vergissen we ons als we veronderstellen dat van Ransbeek zelf een Beatle-fan was?
R.V.R.:
Ik herinner me nog heel goed de eerste Beatle-platen en hoe revolutionair die wel waren. Het was zelfs zo dat ik eerder over hen had horen spréken dan dat ik ze zelf had gehoord. En toen ik dan voor het eerst een plaat van hen hoorde, wist ik: dat zijn ze! Na wat ik over hen gehoord en gelezen heb, kàn dat niet anders. Het was natuurlijk ook een fantastische periode, al had ik het gevoel dat ik zo’n tien jaar te oud was om die euforie echt mee te maken. In 1963 was ik 26, dat is toch heel iets anders dan 16, nietwaar? En vandaar ook dat die oudste Beatle-platen op mij eigenlijk meer indruk hebben gemaakt dan Sgt.Pepper. Tenslotte was ik toen reeds 31. Wat anderzijds dan ook weer niet wil zeggen dat ik het geen mooie plaat zou vinden. Integendeel!
– Het wordt stilaan tijd om het over « De schuldvraag » te hebben. Afgaande op veel van uw televisiewerk zullen de lezers misschien denken dat het hier om een thriller gaat, maar dat is niet zo ?
R.v.R. :
Inderdaad niet, het is een psychologisch stuk. Eigenlijk speelt het zich vandaag af, maar door andere acteurs worden fragmenten uit het verleden van de hoofdfiguur opgevoerd, meer bepaald de periode 1934 tot ’47, die zijn leven fundamenteel heeft beïnvloed. Hij is dan een leraar Nederlands die zijn leerlingen probeert te behoeden voor het oorlogsgebeuren, maar onrechtstreeks is hij toch verantwoordelijk voor het aangeven van een van zijn leerlingen die een collaborateur heeft doodgeschoten. Dat wordt hem na de oorlog zeer kwalijk genomen. Maar het stuk gaat dus eigenlijk over de integriteit van die man. Hoe integer kan men zijn zonder zich buiten de maatschappij te plaatsen, dat is de grondvraag. Ik geef daar geen antwoord op, want goed theater brengt geen oplossing, maar stelt alleen vragen, zoals Arthur Miller dat reeds vóór mij heeft gezegd. Dat is trouwens op iedere kunstenaar van toepassing. Een oplossing komt niet van een individu, maar van de gemeenschap. Pas na jaren vragen te hebben gesteld kan er een soort bevredigende consensus optreden.
— Tijdens de oorlog zat u zelf op school, maar aangezien u daarnet zei dat u privé-leven en literaire arbeid strikt gescheiden wil houden, neem ik aan dat het niet gebaseerd is op zelf meegemaakte gebeurtenissen ?
R.v.R. :
Nee, maar dat belet niet dat de kern van het verhaal op authentieke feiten berust. Ik heb dat namelijk horen vertellen in die reeks van Maurice De Wilde. Ik ben dan naar die man toegestapt en heb hem de toelating gevraagd dat te mogen gebruiken als basis voor mijn stuk. Dat is dan ook zo gebeurd voor laten we zeggen zo’n 60 %, met dus 40 % fictie van mijnentwege. Zeker voldoende opdat die man zijn eigen verhaal nog zou herkennen, maar jammer genoeg kan hij daarover geen uitsluitsel geven want drie jaar geleden is hij gestorven. Ik heb wel de hele contekst veranderd. Het gààt dus eigenlijk niet over die man. Vandaar ook dat ik geweigerd heb zijn dossier te gebruiken, anders zou ik misschien zozeer beïnvloed zijn dat ik het niet meer zou hebben kunnen schrijven, begrijpt u ? Maar sommige zaken zou je nu eenmaal niet kunnen bedenken. Zo ontmoet die man toevallig een Duitse socialist die op de loop is voor de nazi’s en die hij dan bij zich laat onderduiken tot in ’42. Juist dàt heeft men hem nadien dan kwalijk genomen, ondanks het feit dat hij die man steunde omdat hij tegen het nazi-regime was. Als men iemand wil treffen, gaat men immers de dingen kleuren zoals men dat wil.
— Er werd niet meer benadrukt dat het om een socialist ging, maar wel dat het een Duitser was ?
R.v.R. :
Voilà ! Die vluchteling heeft dat immers niet kunnen volhouden en is in ’42 toch terug naar Duitsland gegaan en zo naar het Oostfront. Waar ik hem laat sneuvelen, terwijl hij in werkelijkheid nog leeft, tussen haakjes.
— Heeft u dit stuk geschreven op vraag van de KNS ?
R.v.R. :
Nee, maar ik moet wel zeggen dat er in de KNS heel professioneel aan is gewerkt. Men heeft er de tijd voor genomen. Daarom dat ik ontzettend tevreden ben over de manier waarop we het speelklaar hebben kunnen krijgen. Dat wil ik wel eens onderlijnen, want dat is niet steeds zo het geval in ons land. En nu kan ik alleen maar hopen dat het aanslaat bij het publiek. Dat hoop ik trouwens meer om de inzet van de anderen dan om mezelf.
Uitkijken dus wat onze Antwerpse theatercorrespondent ervan zal vinden !

Referentie
Jan Draad, Roger Van Ransbeek aan het lijntje, De Rode Vaan nr.15 van 1987

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.