Twintig jaar geleden: Laïs in de Groenzaal

Twintig jaar geleden: Laïs in de Groenzaal

Vandaag zal het twintig jaar geleden zijn dat Laïs optrad in de Gentse Groenzaal. Als plaatselijk reporter van Het Laatste Nieuws werd ik erop uitgestuurd voor een interview. Maar je weet hoe dat gaat met plaatselijke correspondenten: het moet en zal enkel over plaatselijke toestanden handelen! En wat bleek: Jorunn Bauweraerts en Annelies Brosens hadden elkaar wel degelijk leren kennen aan het Gentse conservatorium, maar Nathalie Delcroix, op wie ik op dat moment tot over mijn oren verliefd was, bleek helemaal niks met Gent te maken te hebben. Zij werd dus voor het interview uitgesloten. En het is nooit meer goed gekomen.

IN GENT GEVORMD
Hoewel de meisjes van Laïs alle drie uit Kalmthout afkomstig zijn, is de groep zelf dus toch ontstaan in Gent. Jorunn Bauweraerts volgde aan het conservatorium jazz-zanglessen bij Ronald Douglas, toen ze de gebrilde Annelies Brosens, lyrische sopraan onder de hoede van de klassieke tenor Zeger Vandersteene, tegen het lijf liep. Samen met Soetkin Collier, die ze rond 1995 hadden ontmoet op een folkstage in Gooik, besloten ze, ter gelegenheid van een productie van Theater Taptoe, oude Vlaamse volksliedjes a capella te gaan zingen.
Soetkin Collier, toen amper 18, verliet al vlug de groep. Volgens manager Bieke Purnelle in Het Nieuwsblad van 20/2/2003 was dat “onder meer vanwege haar interesse voor extreem-rechts”. Het was meer bepaald Patrick Riguelle die de bal aan het rollen bracht. Riguelle speelde toen nog bij Kadril, die als ontdekkers van Laïs kunnen gelden en die in die beginperiode ook soms als begeleiders fungeerden en alleszins als “double bill” op tournee gingen. Riguelle weigerde nog langer met Laïs samen te werken, totdat de twee andere meisjes zich van Collier distantieerden, ook al kwam Jorunn eveneens uit een rechts nest (net zoals bij Soetkin was de naam al een weggever).
Echter niet zo rechts als Collier blijkbaar. Tot het academiejaar 1995-1996 was deze als dochter van de uitbater van het VMO-café “De Leeuw van Vlaanderen” immers lid van het Vlaams Nationaal Jeugdverbond (VNJ) en van de Nationalistische Studentenvereniging (NSV). Daarbij werd ze twee keer administratief aangehouden bij een actie van Voorpost in 1993 aan het Vredescentrum in Deurne en een van het Taalactiecomité in Wevelgem (1996). In datzelfde jaar werd ze ook gesignaleerd op een Rudolf Hess-herdenking in Tielrode, maar dat ontkent ze. Ondertussen is Soetkin wel gehuwd met Roeland Buisseret, de zoon van Vlaams Blok-senator Xavier Buisseret.
Toch werd ze in februari 2003 geweerd uit de groep waarbij ze op dat moment zong (Urban Trad), toen die naar het Eurovisie Songfestival werd gestuurd. Alhoewel Collier op dat moment haar verleden had afgezworen (ze gaf zelfs les aan allochtonen), vond de RTBf op aandringen van de Staatsveiligheid het niet aangeraden haar naar Estland te sturen.
Bij Laïs was ze ondertussen al lang vervangen door Nathalie Delcroix, de bloedmooie dochter van ex-profwielrenner Ludo Delcroix (jarenlang ploegmaat van Eddy Merckx). Het zou nog jaren duren vooraleer Nathalie een beetje in de intimiteit van de twee anderen kon doordringen, ondanks het feit dat Jorunn op een bepaald moment met haar broer heeft gevrijd (de broer van Nathalie bedoel ik natuurlijk!).
BIJ SINT-JACOBS
Die oude Vlaamse volksliedjes zijn in de mond van Laïs nauwelijks nog als dusdanig te herkennen. Zelfs “Het Smidje” dat ik midden de jaren zestig ooit nog heb leren kennen als B-kant van een huldelied aan Rik Van Looy (!) en dat later onder meer ook door Miek & Roel + Roland van een swingende versie werd voorzien, heeft weinig met deze herwerkingen te maken.
De meeste van hun muziek schrijven ze – net als de Engelse Mediaeval Babes – dan ook zelf, zij het dan wel op bestaande middeleeuwse teksten. Alhoewel ze zich genoemd hebben naar de erotische troubadoursliederen, houdt de vergelijking met het erotische gedoe van de Babes hier op, al zijn de meisjes op hun eigen, wat onhandige manier (of misschien juist daardoor), vaak zeer opwindend.
Waarom kozen de meisjes voor Gent? Hun motivatie is zeer verschillend. Jorunn was al lang verliefd op Gent en koos dus doelbewust voor deze locatie. Annelies daarentegen ging enkel af op de naam van haar leraar, de liefde voor Gent kwam later vanzelf.
“Zeger Vandersteene werd mij door mijn lerares Greetje Anthoni aangeraden,” vertelt Annelies, die ondertussen haar klassieke ambities voor een tijdje heeft opgeborgen. “Bij klassieke muziek moet je gewoon de beste zijn om iets te bereiken. En daar heb ik nu onvoldoende tijd voor. Laïs gebeurt nù en ik wil er met volle teugen van genieten. Later neem ik de draad wel weer op, want dan wil ik er volledig voor gaan. Ik wil zeker niet eindigen als koorzangeres, want daar hou ik eigenlijk helemaal niet van.”
Jorunn was nog geen twintig, maar toch leerde ze Gent kennen via “een oud lief”. Ze zat op kot nabij Sint-Jacobs en is na het vertrek van Collier dan ook de enige die een zekere band heeft met de eerste Vlaamse folkrevival uit het begin van de jaren zeventig. “Zij het niet zozeer met Walter De Buck dan wel met het Kliekske en het Brabants Volksorkest. Mijn vader speelde trouwens zelf doedelzak.”
Die vader, Gunter Bauweraerts, is op 10 juli 2008 op 55-jarige leeftijd in Frankrijk overleden. Hij vertoefde daar in de Alpen samen met twee van zijn vijf kinderen om in de bergen te wandelen. Zij zouden daarna doorreizen naar het folkfestival in Saint-Chartier, maar onderweg brachten ze een nacht door bij vrienden. Daar werd hij onverwacht geveld door een hartaanval (*).
NONCHALANT
De nabijheid van Sint-Jacobs zorgde ervoor dat Jorunn, in tegenstelling tot Annelies, nooit examen heeft afgelegd. “Er was altijd wel iets te doen in de cafés in de buurt. Het succes van Laïs ging bovendien ook pijlsnel. En ik ben ook nogal nonchalant. De weinige keren dat ik op het conservatorium verscheen, moest ik steeds vaststellen dat de uren weer eens gewijzigd waren. Ik moet dus heel eerlijk bekennen dat ik Ronald Douglas niet vaak gezien heb…”
Het gerucht doet de ronde dat de meisjes op het conservatorium werden tegengewerkt. “We werden er zeker niet aangemoedigd, maar tegengewerkt is een te sterk woord,” verzekeren ze me allebei. Toch zal geen van beiden terugkeren naar het Gentse conservatorium: “Organisatorisch loopt daar een heleboel fout.”
Al vlug verliet Laïs het pad van de “zuivere” folk. Zo wonnen ze met “Twee meisjes” van Raymond van het Groenewoud in april 2008 de “vakantie”-aflevering van “Zo is er maar één”. Ikzelf vond het arrangement iets te verregaand, zeker in verhouding tot de repetitietijd die er blijkbaar in is gekropen. Het nummer was in mijn ogen m.a.w. niet àf, het rammelde nog te veel aan alle kanten. Maar in vergelijking met de andere deelnemers was het zeker een verdiende winnaar. Trouwens, wat beoordelen de kijkers eigenlijk? Het nummer zelf of de uitvoering ervan? Indien het enkel om het nummer gaat, is “Twee meisjes” uiteraard sowieso een zeer goede keuze. Er bestààn zelfs niet eens veel betere nummers.
Nog in 2008 kwamen de meisjes dus voor het eerst naar de Gentse Feesten, maar dan wel op het Sint-Baafsplein (het plein van Eddy Wally!) en niet bij Sint-Jacobs zoals men zou verwachten. Het werd nog erger toen zij weigerden hun oude successen te zingen (op één uitzondering na) maar bijna uitsluitend werk brachten uit hun nieuwe CD. Hierop staat het soort muziek dat wij in het begin van de jaren zeventig al draaiden in een achterzaaltje van de lokale jeugdclub, terwijl een reusachtige toeter de ronde deed. Onderwijl keken wij vol minachting neer op het gros van de jongeren dat op datzelfde moment uit de bol ging op “Keep on smiling” of “Knock three times”. Nu, zoveel jaren later, realiseer ik mij hoe arrogant we wel waren en hoe overtuigd van ons eigen gelijk. Hopelijk heeft Laïs niet evenveel tijd nodig om tot datzelfde besef te komen…

Lees verder “Twintig jaar geleden: Laïs in de Groenzaal”

Mary Travers (1936-2009)

Mary Travers (1936-2009)

Vandaag is het ook al tien jaar geleden dat Mary Travers, het vrouwelijke gedeelte van de folkgroep Peter, Paul and Mary, aan leukemie is overleden. De andere leden waren Peter Yarrow en Noel “Paul” Stookey. De groep Peter, Paul and Mary werd in 1961 opgericht en was in de jaren zestig een der meest succesrijke folkgroepen met nummers als If I had a hammer, Blowin’ in the Wind, Le déserteur, Puff the Magic Dragon, Lemon Tree, Leaving on a jet plane en Where have all the flowers gone. De groep ging in 1970 uit elkaar en alle leden startten vervolgens een solocarrière. Mary zelf bracht vijf albums uit.

Veertig jaar geleden: de Veulpoepers in jeugdclub De Spikkel

Veertig jaar geleden: de Veulpoepers in jeugdclub De Spikkel

Wat een naam ! Wat een titel (“Diarree”) ! Wat een hoes (drie met stront besmeurde dikke varkenskonten) ! Maar wat een muziek ! De Veulpoepers zijn wat mij betreft voorlopig dé verrassing van 1979. Omdat het Nederlanders zijn en omdat ze geëngageerd zijn, neemt iedereen de naam Bots in de mond am parallellen te trekken. Dit stemde mij enigszins pessimistisch, maar bij beluistering van de plaat bleek deze vergelijking gelukkig nergens op to slaan. Als Bots dan al op sterven na dood is, de Veulpoepers leven ! En hoe ! Met alle zes hun benen onverzoenlijk op de grond en twee erin, zou Cees Buddingh’ zeggen, maar het zijn er meer dan acht, want de groep bestaat uit een elftal leden.
Ze spelen een soort van boerenmuziek en zorgen dan ook voor boerenleute. Hun teksten zijn soms iets ernstiger (Terrorist), maar de dialectische manier waarop ze gebracht worden, maken ze dikwijls even volks als de muziek (Makrobionies, Den Egelantier). Toch opletten dat ze ergens nog niveau houden, anders glijden ze wel eens uit in Anus-excrementen (Boerenbond).
En vanwaar nu die naam en die titel ? Volgens hun eigen zeggen krijgen zij diarree van o.a. Van Agt, Carter, Duys, Grease, Luns, NAVO, Neutronenbom, Stella Artois, Strauss, Telegraaf, Tindemans, Tros, Vader Abraham en Wiegel. Misschien iets te Hollands om hier door te breken maar anders toch een ferme aanrader om onze zomerfestivals te komen verblijden.

Lees verder “Veertig jaar geleden: de Veulpoepers in jeugdclub De Spikkel”

Pete Seeger (1919-2014)

Pete Seeger (1919-2014)

Het is vandaag precies honderd jaar geleden dat de Amerikaanse folkzanger Pete Seeger werd geboren. Seeger maakte van de traditional “We shall overcome” een populaire protestsong. In de jaren zestig werd het overal gezongen: op straten, op pleinen, op scholen, op fabrieken, aan universiteiten, in kazernes… Seeger was een bezieler van de Amerikaanse folkmuziek en burgerrechtenactivist. Hij schreef ook hits als “If I had a hammer” en “Turn, turn, turn”.

Pete Seeger was de zoon van een “muzikaal archeoloog” wat de volksmuziek aangaat en van de ten onrechte vergeten componiste Ruth Crawford. Zijn halfzus Peggy zou later emigreren naar Engeland en daar huwen met folk- en protestzanger Ewan MacColl.
Seeger begon als lid van de groep van Woody Guthrie (The Almanac Singers). Seeger had eerst nog sociologie gestudeerd in Harvard (hij zat in dezelfde klas als John Kennedy), maar als het vak niet aan zijn verwachtingen beantwoordt, dropt hij out en begint een zwervend bestaan als protestzanger. Zijn eerste echte optreden is op het Grapes of Wrath-festival, een benefiet ten voordele van de migranten waarover John Steinbeck het had in zijn boek. Daar heeft hij ook Woody Guthrie leren kennen. Toen hij later samen met Lee Hays en Millard Lampell The Almanac Singers stichtte, zou Woody pas later aansluiten. Dus het is niet helemaal correct van dit “Woody’s groep” te noemen…
Peter Seeger brak vooral in de jaren vijftig door als lid van The Weavers. Ondertussen was Seeger echter op de zwarte lijst beland door zijn linkse sympathieën, waardoor hij meer dan tien jaar van de commerciële televisie gebannen werd. Pete Seeger zelf moet dan ook zowat de enige veroordeelde zijn (één jaar gevangenisstraf) die dit een zegen vond voor hemzelf. Met The Weavers waren ze immers ontzettend populair geworden (met “Goodnight Irene”, “On top of Old Smokey” en “If I had a hammer”), zodat ze de zogenaamde hootenannies hadden geruild voor chique nightclubs en dat zag Seeger helemaal niet zitten. Hij ging liever verder met het organiseren van hootenannies, ook nadat ze verboden waren door Joe McCarthy, gesteund door een campagne van de “New York Times”. In de periode van het McCarthisme werden er andere “hootenannies” georganiseerd, waarbij men eerst trouw moest zweren aan de Amerikaanse grondwet vooraleer te mogen optreden! Een comedy-duo Allen & Grier bracht hier zelfs een parodie over uit: “It’s better to be rich than ethnic”. Het mocht niet baten: Seeger vond dit “de meest smakeloze folkgroep ooit” (Leo Blokhuis, Het Plaatjesboek, p.118). De mannelijke helft van het duo was Jake Holmes, die later o.a. de componist zou worden van “Dazed and confused” van Led Zeppelin.
In de jaren zestig lag Pete Seeger aan de basis van de folkrevival. Hij speelde vaak op een twaalfsnarige gitaar of een vijfsnarige banjo en promootte folkmuziek als levend Amerikaans erfgoed en als een manier om dingen te veranderen. Op 8 juni 1963 zong hij in Carnegie Hall (New York) “Who killed Norma Jean?”, naar het gedicht van Norman Rosten, een vriend van Marilyn Monroe. Een regelrechte hit werd zijn versie van Guantanamera. Op een live-elpee zingt Pete Seeger daarvóór « Estadio Chile » van de vermoorde Chileense zanger en dichter Victor Jara.
Als songschrijver is hij bekend van klassiekers als “Where have all the flowers gone?” dat hij schreef met Joe Hickerson, “If I had a hammer” dat hij schreef met Lee Hays van The Weavers, “Turn, turn, turn” dat een nummer 1 hit werd voor de Byrds in 1965 en “Which side are you on” over de mijnstaking van 1932 in Kentucky en “The bells of Rhymney”.
Aan dit laatste nummer is een heel verhaal verbonden. A budding poet Idris Davies had vowed to educate himself and leave behind his life of toil as a miner in Rhymney. During the general strike of 1926 he wrote “The bells of Rhymney”. The poem, published by Davies in his first book “Gwalia Deserta” in 1938, had been inspired by the hardship of the mining communities and was written in a style similar to the nursery rhyme “Oranges and Lemons”. The poem was set to music by folk singer Pete Seeger in 1957.
Pete Seeger: “I ran across a book by Dylan Thomas with a chapter called Welsh Poetry in the English language, and there were the words to The Bells of Rhymney.
The song became a folk rock standard and was covered by The Byrds in 1965 and later by many others, including Jimmy Page, Judy Collins, Dick Gaughan, Cher, Robyn Hitchcock, John Denver, the Oysterband, Robin Williamson and The Alarm. It has also been performed by Bob Dylan in live concerts. At a solo concert in London in the early 2000s, Byrds lead guitarist and singer Roger McGuinn confessed that he had been pronouncing the word “Rhymney” incorrectly for over 40 years until his error had been pointed out to him by a lady from South Wales. It should be pronounced ‘Rhumney’, whereas The Byrds had sung about the bells of ‘Rhimney’ following the lead of Pete Seeger.
Zelfs charmezangeres ef=”https://ronnydeschepper.com/2013/03/23/tielrode-en-temse-vieren-marva-oud-inwoonster-van-tielrode/”>Marva vertrouwde mij in een interview toe dat ze “al zijn platen” had (Seeger: “Ha, dat zijde gij die al mijn platen heeft!”).
Hij was een mentor voor jonge folk- en protestzangers in de jaren zestig, met op kop Bob Dylan. Pete Seeger zou later nochtans het protest tegen de elektrische Dylan aanvoeren, maar tegen de tijd dat ook Bruce Springsteen uit zijn repertoire putte op het album “We shall overcome: the Seeger Sessions” had hij zich blijkbaar al met de uitvinding van het stopcontact verzoend, want in 2009 brachten Seeger en Springsteen samen “This land is your land” op de inauguratie van president Obama. Springsteen omschreef Seeger als “het levende archief van de Amerikaanse muziek en het Amerikaanse geweten, een testament van de kracht van liedjes en cultuur om de geschiedenis een duwtje te geven”.
Seeger bleef actief in de protestbeweging, zo stapte hij nog mee in de Occupy Wall Street-betoging in New York in 2011 (foto).

Lees verder “Pete Seeger (1919-2014)”