Het is vandaag al 25 jaar geleden dat de Amerikaanse acteur Jack Lemmon is overleden.
John Uhler Lemmon III, zoals hij voluit heette, werd geboren in Massachusetts en studeerde in Harvard, waar hij voorzitter werd van de Hasty Pudding Club, de beroemde acteerclub van de universiteit. Na te hebben gewerkt bij de marine, ging hij acteren bij radio, de vroege televisie en op Broadway. Hij speelde op tv in drama’s en sitcoms, waaronder twee series met zijn toenmalige vrouw, Cynthia Stone.
In 1953 was hij zeer succesvol op Broadway met “Room Service”, waarna hij in Hollywood een contract mocht tekenen bij Columbia Pictures. Zijn eerste grote rol was in “It Should Happen to You”, tegenover Judy Holliday, in 1954. De daaropvolgende films waren allemaal komedies, behalve dan “Fire down below” van John Parrish uit 1957, al lijkt het in de eerste helft een toch enigszins oppervlakkige film te worden over “the fire down below in the pants of Rita Hayworth, Robert Mitchum and Jack Lemmon”, maar daarna neemt de film plotseling een tragische wending, vooral ten koste van Lemmon die in een hachelijke situatie komt te zitten. Als hij dan om te ontstressen een beetje mondharmonica speelt, krijgt hij daarvoor credits op de aftiteling!
Met Billy Wilder maakte hij in 1959 “Some Like It Hot”. Deze legendarische komedie begint tijdens de hoogdagen van de maffia in het Chicago van 1929. Twee muzikanten (Tony Curtis en Jack Lemmon) zijn toevallige getuigen van een schietpartij op Valentijnsdag, nadat ze al hun geld hebben verspeeld op de hondenraces door te wedden op Greased Lightning (later zal de wagen van John Travolta in “Grease” overigens een knipoog hiernaar zijn). Uit schrik te worden vermoord, nemen ze vermomd als vrouwen, een job aan in een meisjesband. Joe/Josephine en Jerry/Daphne reizen met de band naar het zonnige Florida. Terwijl Joe (Curtis) smoorverliefd wordt op de zangeres van het orkest Sugar Kane (Marilyn Monroe) en zich uitgeeft voor oliemagnaat in pure Cary Grant-stijl, is Jerry (Lemmon) zelf het doelwit van een verliefde miljonair. De zaken worden nog gecompliceerder als ook de maffia in hetzelfde hotel verschijnt. Wilder combineert dolle achtervolgingscènes uit de slapstick met spitse dialogen uit screwball‑ en gangsterfilms. De onderhuidse erotische tint en het spel met genderidentiteiten maken het tot een hilarisch komische prent. De film bevat onvergetelijke scènes zoals de tango met de bloem en de slotscène met de bekende oneliner: “Well, nobody’s perfect.”Voor zijn rol kreeg Lemmon een Oscarnominatie als beste acteur. Het jaar daarop kreeg hij weer een nominatie voor de hoofdrol in een andere klassieker van Wilder, “The Apartment”. Jack Lemmon zei over zijn personage: “Zoals ik het zag, was [Baxter] ambitieus; een aardige kerel, maar naïef, makkelijk geïntimideerd en snel geneigd zijn gedrag te verontschuldigen. Uiteindelijk verandert hij, omdat hij onder ogen ziet dat hij zijn moraal heeft gerationaliseerd. Hij beseft dat hij een domme jongen is geweest, dat hij is misleid.”
In 1962 wilde Lemmon zich ook bewijzen als serieus acteur, en speelde hij een alcoholist in “Days of Wine and Roses” van Blake Edwards. Ook voor deze rol kreeg hij een Oscarnominatie. Het jaar daarop speelde hij opnieuw in een film van Wilder, “Irma la Douce”. In deze film zat opnieuw Shirley MacLaine, die ook in “The Apartment” speelde. Het was één van de grootste commerciële successen voor het trio. In 1964 draait Lemmon de komedie “Good neighbour Sam” van David Swift met Romy Schneider. Toen Wilder hem in 1966 tegenover Walter Matthau zette in “The Fortune Cookie” bleek dat alweer een gouden zet. De twee zouden nog vaker samen in films verschijnen. Hun grootste succes was “The Odd Couple” uit 1968, naar een stuk van Neil Simon.
In 1972 revancheert Billy Wilder zich met “Avanti!” Merkwaardig genoeg schrijft Leo Mees nu in datzelfde Film & Televisie: “Maar het is in het happy end dat Wilder naar mijn gevoel het meest complex is. Hij gebruikt het namelijk als een orgelpunt in zijn aanval op de hypocrisie van de seksuele moraal (dat is Avanti! zeker en vast) en als een soort persoonlijke wraakneming op het publiek dat acht jaar geleden Kiss me, stupid als een schandaleuze film links liet liggen. Hij bouwt Avanti! op een elegante manier naar een einde waarmee je als toeschouwer wat graag genoegen neemt, hetzelfde einde van Kiss me, stupid”…
Dat einde is nochtans omstreden. Laten we even uitgaan van de samenvatting van de Braziliaan Claudio Carvalho op de Internet Movie Database: “De arrogante en onbeschofte vicepresident van Armbruster Industries, Wendell Armbruster jr. (Jack Lemmon), reist naar Ischia in Italië om het lichaam van zijn vader, Wendell Armbruster sr., die plotseling en tragisch om het leven kwam bij een auto-ongeluk, terug te brengen naar Baltimore. Tijdens zijn reis probeert de Britse Pamela Piggott (Juliet Mills) een gesprek met hem aan te knopen, maar de onbeleefde directeur geeft haar geen kans. In Ischia verwelkomt de manager van Hotel Excelsior, Carlo Carlucci (Clive Revill), Wendell en vertelt hem dat het een plek is die alles geneest; hij helpt hem met de Italiaanse bureaucratie en zorgt ervoor dat er in Amalfi een verzegelde zinken kist komt om het lichaam uit het mortuarium te halen. Wanneer Wendell Pamela in het hotel ontmoet, ontdekt hij dat zijn vader en haar moeder tien jaar lang een relatie hadden en elkaar elk jaar van 15 juli tot 15 augustus ontmoetten. Wendell biedt Pamela zijn hulp aan, die behoeftig is en overgewicht heeft, en ze besluiten het patroon van zijn vader en moeder te volgen om erachter te komen waarom het stel zo lang een liefdesrelatie had gehad.”
Overspel als “happy end” dus. Quite un-American! Eveneens very un-American is de blote kont van Jack Lemmon en de blote borsten van Juliet Mills. Maar dat de vader van Lemmon een verhouding zou hebben gehad met een bell-boy i.p.v. met Juliet Mills’ moeder, dat ging dan weer te ver voor de producers. Ik zie trouwens ook niet in hoe er dan een dochter in het spel zou kunnen zijn, tenzij Lemmon op zijn beurt eveneens met een lokale janet aan de slag zou gaan, maar dat zou nog ondenkbaarder zijn natuurlijk!
Wat ik echter totaal van de pot gerukt vond, was het “overgewicht” van Juliet Mills. Ten eerste was dit meisje helemaal niet “dik”, zelfs al was ze moeten aankomen speciaal voor de rol. Op een bepaald moment noemt Jack Lemmon haar fat-ass, maar enkel in vergelijking met zijn eigen bony ass is ze een beetje dikker. Voor de rest is ze perfect geschapen: de kont van de stand-in voor Irene Demick in “Le clan des Siciliens” is nog voluptueuzer geschapen en zelfs die wordt er alleen maar aantrekkelijker door! Voor het scenario lijkt het me trouwens een totaal onnodige issue.
In 1973 kreeg Lemmon eindelijk de Academy Award voor Beste Acteur voor een serieuze rol, alhoewel “Save the Tiger” geen groot succes was. In 1974 vormde hij nog eens een koppel met Walter Matthau in “The Front Page” (zie bovenstaande foto), alweer van Billy Wilder. Deze kritische film over het werk van een journalist was een remake van de film van Lewis Milestone uit 1931. Om zich voor te bereiden op zijn rol als piloot in “Airport 77” (Jerry Jameson), volgde Jack Lemmon een duikopleiding en een vliegopleiding. Zoals hij zelf zei over zijn vliegopleiding: “Ik wilde weten waar al die knoppen en wijzers voor dienden.” Wanneer Jack Lemmon het radiobaken activeert, is de radio-operator die het baken hoort zijn echte zoon, Christopher. Jack Lemmon zei later dat het accepteren van de film een grote fout was geweest.
In 1979 kreeg Lemmon alweer een Oscarnominatie voor zijn rol in “The China Syndrome”.
Voor “Tribute” kreeg Lemmon een Tony Award. Deze rol zou hij in 1980 nog eens overdoen voor de filmbewerking van het stuk, en hij kreeg weer een Oscarnominatie, evenals voor “Missing” uit 1982 (*). In 1986 keerde hij terug naar Broadway, voor Eugene O’Neills “Long Day’s Journey Into Night”. In 1989 regisseerde scenarist Gary David Goldberg zelf “Dad” maar dat liep fout. Ook al portretteert ook hier Jack Lemmon goed de oude vader die wegens kanker nog slechts enkele maanden te leven heeft. Zijn zoon is echter Ted Danson en dan weet je het wel, zeker?
In de jaren negentig had Lemmon nog steeds succes met rollen in films als “J.F.K.” (1991) van Oliver Stone, “Glengarry Glen Ross” (1992) met Al Pacino en Alec Baldwin en “Short Cuts” (1993) van Robert Altman, die in 1992 ook “The Player” draaide, waarin Jack Lemmon – net als tal van anderen – zichzelf speelde. “Het was voor hen een politiek statement,” zei Altman, “en ze deden dit dan ook niet tegen hun normale gage. Het zou anders trouwens een onbetaalbare film geworden zijn.” In “Grumpy Old Men” uit 1993 werd Lemmon voor de zesde keer herenigd met Walter Matthau. De film was een groot succes, en er kwam zelfs een vervolg uit in 1995 (“Grumpier Old Men”). Ook kwam er in 1998 ook een vervolg op “The Odd Couple” uit. In 1997 kreeg hij een Golden Globenominatie voor de televisiebewerking van “Twelve Angry Men” en was hij ook te zien in de “Hamlet”-bewerking van Kenneth Branagh.
Jack Lemmon stierf op 76-jarige leeftijd aan blaaskanker, één jaar nadat Walter Matthau was overleden. Beiden zijn op dezelfde begraafplaats begraven. Lemmon, in 1956 gescheiden van Cynthia Stone en sinds 1962 hertrouwd met Felicia Farr, liet twee kinderen achter.
Ronny De Schepper
(*) Ik vind wel dat men bij Wikipedia enorm gefocust is op het behalen van prijzen, wat ik van groot belang vind bij wielerwedstrijden, maar op het artistieke niveau vind ik dat eerder naast de kwestie. Zoals Bela Bartok al zei: “Wedstrijden zijn voor paarden!”