Het is ook alweer vijf jaar geleden dat de Amerikaanse filmregisseur Blake Edwards is overleden. Met hem ging volgens mij de minst “Hollywoodiaanse” van alle Hollywood-regisseurs heen. Ik zeg dit niet omdat Edwards vaak overhoop heeft gelegen met de grote studio’s (want misschien was-ie wel een moeilijk man, dat weet ik eigenlijk niet), maar omdat hij zich specialiseerde in komedies, die vaak een “Brits” karakter hebben. Soms gesofistikeerd (zoals in “Breakfast at Tiffany’s”), soms misschien omwille van zijn keuze van het hoofdpersonage (vaak Peter Sellers) en soms gewoon omdat het geestige (witty) prenten zijn, die je nu eenmaal eerder in Groot-Brittannië dan in God’s Own Country pleegt aan te treffen. Blake Edwards zelf beweert dat hij eens het aanbod kreeg om het leven van Billie Holiday te verfilmen met in de hoofdrol een blanke zangeres. “Aan wie had je gedacht?” vroeg Edwards spottend, “aan Doris Day?” “Toen bleek dat de bonzen mijn voorstel ernstig namen, ben ik wat afstand beginnen te bewaren van Hollywood,” zegt Edwards.

William Blake McEdwards werd in Tulsa (Oklahoma) geboren op 26 juli 1922, dag op dag 16 jaar na Billy Wilder, die op dat moment “de minst Hollywoodiaanse van alle Hollywood-regisseurs” was. Later zou Edwards dus in de voetsporen van Wilder treden, ook al was hij “met alle zes hun benen onverzoenlijk op de grond en twee erin,” zoals Cees Buddingh’ zou zeggen, verbonden met Hollywood. Edwards’ stiefvader was immers Jack McEdwards, een theaterregisseur en -producent en diens vader was J. Gordon Edwards, regisseur van enkele stomme films.
Blake Edwards begon zijn carrière als acteur. In 1942 had hij zijn eerste filmrol in Ten Gentlemen from West Point. Na wat kleinere rolletjes schreef hij in 1948 zijn eerste script voor de western Panhandle. Voor Dick Powell schreef hij het script voor de succesvolle radio-detectiveserie Richard Diamond. In de jaren vijftig schreef hij de scripts voor enkele films van de regisseur Richard Quine, waaronder Sound Off (1952) en Rainbow ‘Round My Shoulder (1953). In 1955 kreeg hij voor het eerst de kans om zelf te regisseren met Bring Your Smile Along, een musical comedy die volgens Wikipedia veel doet denken aan het werk van Quine.
De doorbraak kwam in 1958 met de televisie-detectiveserie Peter Gunn, die Edwards regisseerde en produceerde. De serie betekende een eerste samenwerking met componist Henry Mancini, die de herkenbare score voor de televisieserie componeerde. Een jaar later regisseerde Edwards ook de film Operation Petticoat, met Cary Grant en Tony Curtis in de hoofdrollen. De komedie over een roze onderzeeboot was zijn eerste commercieel succesvolle film. Op dat moment deden er al geruchten over de geaardheid van Cary Grant de ronde en daarom zag deze er – zeker in deze context – op toe dat er geen enkele toespeling zouden worden gemaakt.
Blake Edwards draait in 1961 Breakfast at Tiffany’s naar de roman van Truman Capote, een “sophisticated comedy” met een geut slapstick over een Newyorkse callgirl met Audrey Hepburn in de hoofdrol. Om te bewijzen dat hij ook ernstige films aankon, draaide hij het jaar daarna Days of Wine and Roses met Jack Lemmon (ook vooral bekend door komische rollen) in de dramatische hoofdrol als alcoholist.
Blake Edwards is echter vooral bekend geworden door zijn “Pink Panther”-films. Ondanks het feit dit een Amerikaanse reeks is, is ze – mede door de hoofdvertolker Peter Sellers allicht – toch erg schatplichtig aan de Engelse humor, die meer verbaal is dan de Amerikaanse. In 1963 was er The Pink Panther zelf met Capucine als de onbetrouwbare echtgenote van Clouseau, David Niven als Sir Charles, Robert Wagner als George en Claudia Cardinale als Princess Dala. Friz Freleng werd aangezocht om de generiek wat op te vrolijken met een roze panter (voor alle zekerheid nog eens vermelden dat het hier eigenlijk om de naam voor een diamant gaat) en dit had zoveel succes dat het later het ontstaan gaf aan een aparte tekenfilmreeks.
Reeds een jaar later volgde A shot in the dark (met Elke Sommer) en daarna kwamen er nog drie met Peter Sellers die nu ook met een Frans accent sprak, wat in de allereerste film niet het geval was: The return of the Pink Panther uit 1975, The Pink Panther strikes again in 1976 en The revenge of the Pink Panther uit 1978. (Ten persoonlijken titel wil ik daar wel aan toevoegen dat zeker ook Herbert Lom als inspecteur Dreyfus moet vermeld worden als aandeelhouder in het succes.)
Tussendoor was er in 1968 ook nog Inspector Clouseau met Alan Arkin in de titelrol en Bud Yorkin als regisseur (Edwards had wel meegewerkt aan het scenario) maar dit werd een voorspelbare flop.
Tijdens de zomer van 1980 (op 24 juli om precies te zijn) stierf Peter Sellers aan een hartkwaal (volgens bepaalde bronnen had zijn dertig jaar jongere vrouw Lynne Frederick hem aan een cocaïneverslaving geholpen). Toch kondigde Blake Edwards in 1982 twee Pink Panther-sequels aan. Trail of the Pink Panther was een compilatie van outtakes (mislukte opnames die op de montagetafel sneuvelden), aan elkaar geplakt via zijn dubbelganger John Taylor. Lynne Frederick won overigens een rechtszaak tegen de makers van “The trail of the Pink Panther” (en dan vooral Blake Edwards) omdat ze vond dat de film een belediging was voor de nagedachtenis van haar man.
De tweede sequel betrof een “echte” film. In The curse of the Pink Panther omzeilt Edwards het probleem van de vertolking van hoofdinspecteur Clouseau door zijn afwezigheid juist tot het onderwerp van de film te maken (helemaal op het einde mag Roger Moore in een cameorolletje even de honneurs waarnemen). Met andere woorden, Clouseau is “spoorloos verdwenen” en inspecteur Dreyfus (nog altijd Herbert Lom), die zijn aartsvijand liever niet meer ziet opduiken, slaagt erin de Interpolcomputer in tegengestelde zin te programmeren, zodat als best gekwalificeerde kracht nu ’s werelds grootste kluns met deze opdracht wordt belast, namelijk sergeant Clifton Sleigh van de N.Y.P.D. Deze rol werd gespeeld door de totaal onbekende Ted Wass, die tot dan toe enkel in televisiefilms had geacteerd (en niet eens in grote mate). De man was uiteraard niet opgewassen tegen de schaduw van zijn grote voorganger. Een jaar later mocht hij nog eens zijn opwachting maken in de Tarzanachtige film “Sheena” van John Guillerman uit 1984, waarbij Tanya Roberts de tegen de dieren pratende Sheena vertolkt. Daarna vertrok de man weer braaf naar de televisiestudio’s, waar hij bij mijn weten ook tot op de dag van vandaag (hij is een jaar jonger dan ik) nog af en toe actief is.
In 1993 was er dan The son of the Pink Panther. Het zou Edwards’ laatste film worden met Roberto Benigni in de titelrol en Andy Scourfield als de geest van de overleden Clouseau. Maar ook Benigni kon het spook van Peter Sellers niet verdrijven. Dat belette Steve Martin niet om het in 2006 opnieuw te proberen, deze keer in een remake van de originele Pink Panther-film. En alvast toch met meer succes dan alle anderen aangezien er in 2009 een sequel werd gedraaid, die ongeïnspireerd de titel The Pink Panther 2 meekreeg. Regisseur van de eerste remake was Shawn Levy en die van de tweede Harald Zwart.
Nochtans is die “Pink Panther”-remake toch veeleer aan de zwakke kant. Al zitten er wel een paar geslaagde grappen in, vooral dan diegene die naar de oudere films verwijzen. Zo is er een bekende scène, waarin Peter Sellers met zijn vingers komt vast te zitten in een draaiende wereldbol. Dit wordt nu door Steve Martin overgedaan, in die zin dat de bol uit zijn houder draait en allerlei onheil veroorzaakt, tot zelfs in een wielerwedstrijd toe. Ook leuk is de slotscène met een parodie enerzijds op de fameuze ziekbedscène van Laurel en Hardy en anderzijds op de scène uit “The Naked Gun” waarin O.J.Simpson uit zijn rolstoel wordt gekatapulteerd. Toch zijn niet alle grappen even geslaagd: de opener (Steve Martin die zijn Smartje op een ruime plaats zodanig slecht parkeert dat de bumpers van de voor- en achterliggende wagens eraf gaan) is zelfs zo zwak, dat het geruime tijd duurt voor de film zich hiervan herstelt. Op het internet schreef iemand: “The best part of the film and the most telling is Steve Martin’s (Clouseau) ignorance of the sound proof booth, giving him the chance to fart in private. Too bad Steve, not even a sound proof booth can keep the audience from smelling and hearing this stinker.”
Ondertussen draaide Blake Edwards in 1965 The great race met een memorabel taartengevecht waarin iedereen (en dat is dan o.m. een “doorslechte” Terry Thomas en Natalie Wood in ondergoed) erin slaagt de Witte Ridder Tony Curtis nipt te missen. De film werd dan ook opgedragen aan “Mr. Laurel en Mr. Hardy“.
Datzelfde jaar verscheen ook “The party”, een van de grappigste films aller tijden, waarmee nogmaals bewezen werd dat Edwards een specialist in het genre is, al werd hij ook hier goed geholpen door Peter Sellers uiteraard. Ik vermoed dat in die tijd Edwards, die met Sellers de Pink Panther-films draaide, weet kreeg van de lamentabele film “The Millionairess” van Anthony Asquith uit 1960. Hierin speelt Sellers een Indische dokter die belaagd wordt door Sophia Loren (denk aan de hitsingle “Oh goodness gracious me” die werd uitgebracht om de film te lanceren, maar de heerlijke spiritualiteit van het singeltje is nergens terug te vinden in de film, ook de single zelf niet trouwens) en Edwards moet wellicht gedacht hebben dat er met die “Indische” Sellers toch wel iets meer te doen was dan in de film te zien was.
Op 12 november 1969 trouwde Edwards met actrice Julie Andrews, nadat hij met Patricia Walker was getrouwd van 1953 tot 1967. Met Walker had hij twee kinderen, actrice Jennifer Edwards en scriptschrijver Geoffrey Edwards. Met Andrews adopteerde hij twee kinderen uit Vietnam, Amy en Joanna Edwards.
Hij liet zijn kersverse opdraven in zijn volgende film, Darling Lili (1970), maar hiermee kwam er een tijdelijk einde aan zijn successen. De film was een musical over de Eerste Wereldoorlog met Andrews als een Duitse spionne, en bleek een behoorlijke flop te zijn.
Toch vocht hij in 1976 terug met “The Pink Panther strikes again”, de grappigste uit de hele Pink Panther-reeks. In het inleidend tekenfilmpje steekt Edwards o.m. de draak met de openingsscène van “The sound of music” met zijn vrouw in de hoofdrol. Julie Andrews neemt trouwens ook de zangpartij voor haar rekening van de travestie gespeeld door Michael Robbins.
In 1979 was er Ten, waarin vooral een andere Engelse komiek, Dudley Moore, schittert (denk vooral aan de hilarische scène na het tandartsbezoek). Bo Derek is erbij om de filmtitel (de filmtieten?) te verklaren, maar het is Julie Andrews die weerwraak neemt voor haar geflopte “Lili”. Dat doet ze zelfs nog meer in Victor, Victoria uit 1982, eigenlijk een remake van Viktor und Viktoria, een Duitse film uit 1933 van Reinhold Schünzel met Hermann Thimig en Renate Müller.
De rest van de jaren tachtig en negentig maakte Edwards echter mindere films, als Blind Date (1987), wat des te pijnlijker was omdat dit min of meer als een komische versie van Days of wine and roses kon gelden. Ook Switch (1991) gaat helemaal de verkeerde kant op wanneer de in een vrouwenlichaam gestoken macho (rol van Ellen Barkin) in contact komt met een lesbienne. In plaats van dan immers eindelijk nog eens met een vrouw te kunnen vrijen i.p.v. op zijn beurt te worden bepoteld door male chauvinist pigs, “kan” hij/zij dat niet, omdat het “tegennatuurlijk” is. Jawadde, Gerard!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.