Kenneth Branagh wordt 55…

Vandaag wordt de Britse acteur, regisseur en schrijver Kenneth Branagh 55 jaar…

In 1989 debuteerde Kenneth Branagh als filmregisseur met een Shakespeare-stuk, “Henry V”, en met in de vrouwelijke hoofdrol Emma Thompson, die toen z’n vrouw nog niet was. Dit regie-debuut was meteen goed voor een oscar voor de kostuums en twee oscar-nominaties voor Branagh zelf (scenario & beste acteur), tevens kreeg de film een “Felix” als beste Europese prent en kreeg de Noord-Ierse Shakespeare-vertolker Kenneth Branagh een zelfde onderscheiding voor zijn acteertalent.
In eerste instantie was het immers Branagh, die met de meeste aandacht ging lopen, meer dan Thompson, wat niet te verwonderen was, want op 23-jarige leeftijd had hij in deze rol succesvol gedebuteerd bij The Royal Shakespeare Company, waar hij o.a. ook nog “Hamlet” en “Romeo and Juliet” zou vertolken, en dat terwijl hij toch maar uit een gewoon arbeidersgezin uit Belfast kwam.
Het werd een cliché, maar ik zal het hier toch ook nog eens moeten vermelden: men sprak van de nieuwe Laurence Olivier. Dat is misschien wel waar wat het feit betreft dat zowel Branagh als Olivier gespecialiseerd zijn in Shakespeare en zelf acteren in hun eigen geregisseerde films, maar anderzijds is Branagh wel degelijk een kind van zijn tijd en hebben zijn intimistische Shakespeare-vertolkingen niet het opgeklopte effect, zoals dat nog wel bij Olivier kon (diens versie van “Henry V” dateert van 1944 en in die laatste oorlogsjaren vierde het patriottisme uiteraard hoogtij, de film was trouwens aan de Royal Air Force opgedragen).
Toegegeven, het patriottisme van Olivier stond eigenlijk dichter bij dat van Shakespeare (zijn versie is dus “authentieker”), maar Branagh wilde aantonen dat de mooie plaatjes die CNN schoot van de Golfoorlog eigenlijk bedrog waren. “Cleane” bombardementen bestaan immers niet, dat weet ieder nadenkend mens wel. Branaghs “Henry V” doet dan ook meer denken aan een Vietnamfilm dan aan de propere harnasfilms van destijds.
Toch is romantiek Branagh niet helemaal vreemd, want om uit de gevaarzone weg te zijn, waren zijn ouders wel naar Engeland verhuisd toen hij pas acht was, maar daar werd hij niet aanvaard, zodat hij later bewust de kant van de Ieren zou kiezen. Het op zichzelf teruggeworpen kind vluchtte dan ook helemaal weg in de Hollywood-droomwereld en kwam eigenlijk pas langs die weg tot het klassieke acteren.
Zijn volgende film “Dead Again” is dan ook een onverbloemde hulde aan de romantische Hollywoodfilms uit de jaren veertig, die vooral op Europeanen steunden (Alfred Hitchcock, Fritz Lang, Charles Boyer, operamuziek…). De film was deze keer dan ook niet gebaseerd op een eigen script, maar op dat van Scott Frank, de man die Jodie Foster terzijde stond bij het schrijven van “Little man Tate”. Frank wil ook meer op het gevoel dan op de geest werken. Slechts door volledige identificatie met de personages kan een boodschap overkomen, vindt hij (misschien niet ten onrechte).
Toch wil ik nog even terugkomen op “Henry V” om erop te wijzen dat Branagh hiervoor slechts over 300 figuranten beschikte, wat ongeveer evenveel moet zijn als Hugo Claus voor “De Leeuw van Vlaanderen”. Het resultaat is wel enigszins verschillend… Eén van die figuranten was trouwens componist Patrick Doyle, die dat altijd doet (ook in “Dead again” b.v.). Zijn score, uitgevoerd door The Birmingham Symphony Orchestra, o.l.v. Simon Rattle, wordt overigens door iedereen geprezen.
Branagh heeft ook nog de kortfilm “Swan’s Song” gedraaid (naar Tsjechov), met John Gielgud in de rol van de gefrustreerde Shakespeare-acteur, wat hem in 1993 een oscarnominatie opleverde. Hij heeft ook toneelstukken geschreven, zoals “Tell Me Honestly” en “Public enemy”, over een Ierse jongen die geobsedeerd is door de taaie Amerikaanse acteur James Cagney. Als bij toeval lijkt Branagh ook op Cagney… En hij heeft zowaar ook reeds een autobiografie geschreven (zij het om geld in het laadje te brengen voor zijn theatergroep), die hij echter terecht “Beginning” heeft gedoopt.
Aangezien het scenario voor “My beautiful laundrette” van Stephen Frears geschreven werd door zijn vriend Hanif Kureishi, bewoog Daniel Day-Lewis hemel en aarde om de rol te kunnen spelen van Johnny, een neofascistische, homofiele punk. Frears vond hem te zachtgekookt voor de rol. “Als je mij hem niet geeft, stamp ik de benen van onder je kont,” moet Day-Lewis geantwoord hebben en dat vond Frears overtuigend genoeg om Gary Oldham, Tim Roth en Kenneth Branagh opzij te zetten. Deze laatste nam echter artistieke weerwraak met “Peter’s Friends”, waarin men de mooiste behandeling van het aidsprobleem kan terugvinden. Daarover wordt maar weinig gezegd en geschreven omdat dit gedeeltelijk het plot “verraadt”, maar enkele jaren na de release van deze film mag dat nu toch stilaan worden vermeld, vind ik. Vooral de vertolking van Stephen Fry als de seropositieve Peter, die na tien jaar “The Footlights” weer samenbrengt om oudejaar te vieren, is indrukwekkend. Fry is overigens actief in een buddy project, dat voor begeleiding zorgt van seropositieven.
Het is alweer Emma Thompson die als de “oude vrijster” Maggy zijn vrouwelijke tegenhanger vertolkt, zij het dat het nu niet bepaald een “romance” kan worden genoemd… Voor het eerst vormt ze dus geen paar met Branagh zelf, die de drinkebroer Andrew speelt, een soapschrijver die zich met de Amerikaanse soapvedette Carol (Rita Rudner) heeft gelieerd, die op haar beurt met hetzelfde probleem had te kampen. In spiegelbeeld krijgen we dan seksbom Sarah (Alphonsia Emmanuel), een oud liefje van Andrew overigens (“van wie niet?” zoals Peter ergens zegt), die haar gelegenheidsvrijer Brian (Tony Slattery) heeft meegebracht.
Tegenover deze twee flamboyante koppels staan dan Mary (Imelda Staunton) en Roger (Hugh Laurie), die tien jaar geleden ook al een koppel vormden en bovendien het al even boeiende beroep van componist van reclametunes uitoefenen. Hier gaat Branagh een beetje over de schreef met hen dan ook nog een tranerige wiegedood cadeau te doen en het tenslotte allemaal wel erg rooskleurig op te lossen.
De ontroering is dan ook échter in het geval van een figuur als die van de gouvernante (Emma Thompson). Maar als zelfs dat niet voldoende is dan wordt het toch allemaal goedgemaakt door uitstekende dialogen, af en toe doorspekt met one-liners als “that is what I call an extremely long dick” (“dat is nu wat ik een verschrikkelijk lange lul noem”), wanneer men denkt dat het Sarah is die weer aan het neuken is en deze plotseling bij de luistervinken in de keuken verschijnt. Of: “Maggy makes Mother Teresa look like a hooker” (“in vergelijking met Maggy ziet Moeder Teresa er als een hoertje uit”).
Het geheel wordt afgetopt met een schitterende soundtrack, die de “eighties” samenvat, zoals “The Big Chill” dat met de “sixties” deed.
Daarna volgde “Swing kids”, een Disney-productie waarin hij met Barbara Hershey, Robert Sean Leonard en Christian Bale in het Duitsland van 1939 een groepje opstandige tieners vormt die door een gezamenlijke hartstocht voor de jazz moeten kiezen tussen de vrijheid van hun muziek of de dictatuur. Dit is echter geen film van hemzelf maar van Thomas Carter (iets wat hij vroeger nog heeft gedaan in “A month in the country” en “High season”). Hijzelf was ondertussen immers begonnen met de opnames van “Much ado about nothing”, dat werd voorgesteld op Cannes ’93.
Opnieuw een Shakespeare-verfilming dus, zij het zonder het ‘machismo’ van “De getemde feeks”. De vorst van Aragon, met Claudio en Benedick in zijn gevolg, bezoekt Leonato, hertog van Messina, vader van Hero en oom van Beatrice. Claudio wordt verliefd op Hero. De schalkse Beatrice en de geestige Benedick zijn in een voortdurende woordenstrijd gewikkeld. Er wordt een complot opgezet om hen verliefd op elkaar te doen worden. Intussen smeedt Don John, de kwaadaardige broer van de vorst, een ander complot om Claudio’s huwelijk met Hero te verhinderen. Hij overtuigt Claudio ervan dat Hero eerloos is. Bij de aanvang van de huwelijksplechtigheid wordt Hero door Claudio en door de vorst beschuldigd. Het meisje valt in zwijm. Op aanraden van de priester, die overtuigd is van haar onschuld, laat Leonato bekend maken dat Hero dood is…
Kenneth Branagh begaat echter de fout de film te zeer te concentreren rond hemzelf en zijn vrouw Emma Thompson als Benedick en Beatrice. Al is het eerste half uur wel spetterend erotisch, dan verwatert het nadien wat, net zoals in de realiteit. Op de première weigerden ze zelfs tesamen te poseren voor de foto, want op de set zou Emma Thompson “gerotzooid” hebben met de gehuwde Denzel Washington…
Wat “Dances with wolves” deed voor de western, deed Francis Ford Coppola’s “Dracula” voor de griezelfilm. Vandaar dat griezelfilms geen B-films meer zijn, maar dat de grootste vedetten van stal worden gehaald en er een speciaal budget wordt voorzien voor de speciale effecten. Dat heeft vooral vruchten afgeworpen voor “Frankenstein” van Kenneth Branagh. Als regisseur dacht producer Francis Ford Coppola nochtans eerst aan Roman Polanski, maar het is dus Kenneth Branagh geworden, die natuurlijk zelf ook de titelfiguur vertolkt.
Het “monster” (eigenlijk een beter mens dan de meeste anderen, maar aangezien hij op basis van zijn uiterlijk wordt afgewezen, pleegt hij inderdaad schrikwekkende daden, al wordt hij nooit een “nachtmerrie”) wordt vertolkt door Robert De Niro, Branaghs lievelingsacteur. Branagh kijkt immers vooral op naar acteurs die technisch zeer onderlegd zijn, maar daarbij toch het charisma van de “street credibility” behouden hebben, zodat de techniek je niet eens opvalt. Zo noemt hij Robert De Niro dé Method Actor bij uitstek.
De andere rollen zijn voor Helena Bonham-Carter als (adoptief)zuster én geliefde van Frankenstein en in een verrassend slot ook als “bruid” van het “monster”, Tom Hulce (na “Amadeus” eindelijk nog eens in een goede rol, deze keer als vriend van Frankenstein), Aidan Quinn (als kapitein Walton), Richard Briers als de blinde (de enige vriend van het “monster”) en… John Cleese als Frankensteins inspirator professor Waldman!
Een mooie productie, ontworpen door Tim Harvey (kostuums James Acheson, make-up Daniel Parker) en uitstekend in beeld gebracht door Roger Pratt, die alleen wordt ontsierd door een nadrukkelijke schmalz-score van Patrick Doyle.
Debutantscenarist Steph Lady (bijgestaan door horrorspecialist Frank Darabont) is heel dicht bij het boek van Mary Shelley gebleven, wat enerzijds na al de verbasteringen meer dan welkom was, maar anderzijds is het een typisch romantische waarschuwing tegen de “ratio”, die hier heel makkelijk was, uiteraard met het “monster” zelf, maar ook met de zedenles van de kapitein die rechtsomkeer maakt i.p.v. de Noordpool te proberen ontdekken ten koste van vele mensenlevens. We moeten ons er echter wel van bewust zijn dat indien de mens niet naar kennis zou hebben gestreefd, hij nog altijd in de bomen zou zitten en op de kop schijten van wie onder hem zit. Alhoewel, wat dàt betreft is er dus nog niet zo héél veel veranderd…
Op de set van “Frankenstein” is Branagh verliefd geworden op Helena Bonham-Carter, maar ze werden pas echt een paar nadat hij was gescheiden van Emma Thompson. Zoals te verwachten was, is het misgegaan omwille van de oscar die Emma kreeg en die Kenneth werd onthouden: “Zelfs in haar slaap praat ze over haar oscar,” aldus een gefrustreerde Branagh. En zelfs bij zo’n succespaar zal ook het klassenonderscheid (Thompson heeft in Cambridge gestudeerd) wel gespeeld hebben.
Het belette Kenneth Branagh niet om in 1997 de langste “Hamlet” uit de filmgeschiedenis uit te brengen (zonder één enkele coupure) met Gérard Depardieu, Jack Lemmon, Robin Williams en Kate Winslet als Ophelia. Op de vraag waarom niet Emma Thompson, reageerde Branagh: “Ze zou te veel kosten.” Maar Emma zou Emma niet zijn als ze zich zo maar liet doen. Op de vraag of ze het niet betreurde geen kind van Branagh te hebben, antwoordde ze dat dit toch wel een erg moeilijke affaire zou worden: “Ken is zo moe dat zelfs zijn spermatozoïden op krukken lopen.”
Dat komt dan wellicht omdat hij in 1995 ook nog in zwart-wit “In the bleak midwinter” heeft gedraaid, een ode aan het vak van acteur, geïllustreerd aan de hand van een opvoering van… jawel: “Hamlet”. Zelf speelt hij nochtans niet mee, wel Michael Maloney, Joan Collins, Richard Briers, Jennifer Saunders en Mark Hadfield.
Daarna was hij te zien in “The Gingerbread Man” van Robert Altman uit 1998 en dan wel in de rol van de succesvolle advocaat Rick Magruder, die echter in de problemen geraakt. Altman verwerkte dit flinterdunne verhaaltje tot een spannende thriller en sfeervolle karakterstudie. Aldus Humo. Mijn eigen brein is weer zo leeg als dat van Homer Simpson als het erop aankomt te weten of ik (a) de film al heb gezien en (b) wat ik er eventueel van vond.
Gezien zijn ervaring is Kenneth Branagh ook de geknipte man om een priester te vertolken in de film “Shakespeare’s sister” van cineaste Lesli Gatter. Toch is de titel misleidend en heeft Shakespeare zelf weinig vandoen met dit liefdesverhaal.
Dit in tegenstelling dus tot “Shakespeare in love”, een film die door regisseur John Madden werd aangekondigd als “het tegenovergestelde van de oubollige Kenneth Branagh-aanpak”. Want zoals het altijd gaat met het rad van fortuin: na de “ups” komen onvermijdelijk de “downs”. Kenneth Branagh is plotseling “uit” en komt nu nog het meeste in het nieuws als de stem van “Walking with dinosaurs” en andere dergelijke BBC-producties, zoals “Our business is north”, de laatste aflevering van een aantal korte (slechts tien minuten!) TV-dramatiseringen van de oorlog in Irak. Branagh interpreteert hierin de speech van kolonel Tim Collins van het Royal Irish regiment. Speech die destijds heel wat stof deed opwaaien in Groot-Brittannië. Collins werd later beschuldigd van oorlogsmisdaden, maar hij werd uiteindelijk vrijgesproken.
Samen met Tara Fitzgerald was Branagh ook te zien in “Five children and it”, een jeugdfilm van John Stephenson uit 2004. Ik denk dat Branagh hierin “it” speelt, zijnde een oud, knorrig zandmannetje.
Daarna was hij te zien als Kurt Wallander, het hoofdpersonage van de boeken van Henning Mankell. Onnodig te zeggen dat deze rol op het lijf geschreven is van de huidige Kenneth Branagh, die ondertussen een aantal professionele tegenslagen heeft moeten verwerken en veel van zijn vroegere “branie” heeft verloren. Hij besefte dit ongetwijfeld zelf, want hij is ook executive producer van de reeks…
Het betekende echter wel een ommekeer voor Kenneth Branagh die hiermee zijn carrière weer op de sporen zette. Zo schittert hij in de film “My week with Marilyn” van Simon Curtis uit 2011, die gebaseerd is op het boek “The Prince, the Showgirl and Me” van Colin Clark (1932-2002). De “my week” uit de titel slaat dus op Clark (in de film gespeeld door Eddie Redmayne) en gaat terug op het feit dat Marilyn Monroe bij het draaien van de film “The Prince and the Showgirl”, nadat haar echtgenoot Arthur Miller letterlijk op de vlucht was geslagen voor haar tantrums, gedurende een week haar toevlucht zocht bij deze jongeman die zijn eerste baantje in de film had (derde assistent-regisseur). Marilyn wordt geloofwaardig gespeeld door Michelle Williams, maar het is toch vooral Kenneth Branagh die de show steelt als Laurence Olivier.
Niet te verwonderen eigenlijk want Branagh heeft een mateloze bewondering van Olivier en je voelt dat zijn rol hem gegoten zit als een handschoen. Ik denk hierbij aan de uitspraak van Willy Courteaux: “Kenneth Branagh is er in 1989 in geslaagd met zijn Henry V Oliviers filmische vertaling van hetzelfde gegeven uit 1944 van de kaart te vegen. Dat was niet niks als je weet dat Olivier tot dan de maatstaf was voor elke verfilming van Shakespeare.” Niet alleen Willy Courteaux, maar iedereen sprak destijds dan ook van “de nieuwe Laurence Olivier”.
Maar goed, laten we terugkeren naar “My week with Marilyn”. Vooral de dagelijkse strijd die Olivier moest voeren tegen Paula Strasberg, die de method acting van haar man Lee tot in Groot-Brittannië wou uitdragen, wordt met wellustig genoegen door Branagh gevoerd. Men kan “the method” samenvatten als: de emotie moet waarachtig zijn, niet voorgewend. Dat lijkt een goed uitgangspunt voor authentiek theater, maar niet iedereen denkt er zo over en dan wordt vaak het voorbeeld van Dustin Hoffman in “Marathon Man” aangehaald. Zoals de titel reeds aangeeft, moet Hoffman daarin nogal wat aflopen en een bepaalde scène met Laurence Olivier moest hij dan ook “buiten adem” vertolken. Goed, zei Hoffman, ik zal eens het blokje om lopen. Waarop Olivier, die uit de gedegen Engelse theatertraditie stamde, geërgerd zei: “Maar actéér dan toch dat je buiten adem bent, man!” Vele jaren later heeft Hoffman in een BBC-interview zijn versie van de feiten gegeven: hij zat op dat moment in een echtscheiding en wou nog eens de “stag” uithangen. Daarom had hij drie nachten in de fameuze Studio 54 rondgehangen onder het mom dat het hem van pas kwam voor zijn rol. Olivier zou daarop die uitspraak al lachend hebben gedaan.
“The Prince and the Showgirl” was de eerste film van Laurence Olivier als regisseur, die niet gebaseerd was op een stuk van Shakespeare. De film is inderdaad gebaseerd op “The Sleeping Prince” van Terence Rattigan. Laurence Olivier stond op dat moment op het toppunt van zijn roem en Branagh incarneert hem op een schitterende wijze – zij het fysiek enigszins opgeblazen, maar een kniesoor die daarover valt.

Referentie
Ronny De Schepper, Emma Thompson & Kenneth Branagh: Elisabeth Taylor & Richard Burton van de nineties? Steps magazine, mei 1993

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.