Het is al een halve eeuw geleden dat de Amerikaanse zanger Paul Robeson is gestorven (foto Gordon Parks via Wikipedia).
Paul Robeson, die in 1922 een juristendiploma had behaald aan de universiteit van New York, was door zijn huwelijk met scheikundige Eslande Cardozo Goode, die hem aanzet toneel te spelen, en zijn vriendschap met Eugene O’Neill in elf films terechtgekomen, nadat hij in 1925 reeds was gedebuteerd met gospelsongs.
In 1936 zou hij helemaal doorbreken met zijn vertolking van “Old man river” in de filmversie van “Showboat” (in een regie van James Whale). In 1937 was hij Umbopa, de inlandse bediende van schattenjager Patrick O’Brien (Arthur Sinclair) in “King Solomon’s mines” van Robert Stevenson. Bezorgd om haar vader overtuigt Kathy (Anna Lee) jager Allan Quartermain (Cedric Hardwicke) om een groep te leiden die hem wil redden. Na de woestijn te hebben overleefd, worden ze gevonden door inheemse bewoners en naar hun stamhoofd, Twala (Robert Adams), gebracht. Umbopa onthult dat hij de rechtmatige erfgenaam van de stamtroon is, die jaren eerder door Twala en de stamheks Gagool (Sydney Fairbrother) was verbannen. Quartermains enige hoop om toegang te krijgen tot de mijnen en O’Brien mogelijk te redden, is om Umbopa te helpen zijn rechtmatige plaats als stamhoofd terug te winnen.
In 1943 tenslotte was hij de eerste “echte” zwarte Othello op het witte doek. Zijn reizen door de Sovjet-Unie en zijn optredens bij de republikeinen in de Spaanse burgeroorlog en vooral in 1952 de Stalinprijs die hem werd toegekend maakten hem tot mikpunt van de McCarthy-hetze.
Ronny De Schepper (op basis van Wikipedia)