Het is al zestig jaar geleden dat de Franse romanschrijverscenarioschrijver en lid van de Académie française, Pierre Benoit, is overleden. Hij is misschien het meest bekend vanwege zijn tweede roman L’Atlantide (1919), die meerdere malen is verfilmd. (Foto: Pierre Benoit in 1932, Agence de presse Meurisse – Bibliothèque nationale de France.)

Hiervoor putte Benoit, voor wat het “decor” aangaat, ongetwijfeld ook uit zijn eigen ervaringen, aangezien hij de zoon was van een legerofficier. Hij werd weliswaar geboren in Albi, de plaats waar zijn vader toen gelegerd was, maar na een jaar werd deze overgeplaatst naar Tunesië en enkele jaren later naar Algerije, waardoor Benoit zijn jeugd in Noord-Afrika doorbracht. Na zijn legerdienst in Algerije te hebben volbracht, trok Benoit in 1907 naar de Universiteit van Montpellier waar hij rechten en letteren studeerde. Omstreeks 1914 publiceerde Benoit zijn eerste dichtbundel Diadumène. En dix ans, il ne s’en écoulera que cinq exemplaires, vendus à un acheteur unique, le mécène André Germain, directeur de la revue poétique Le Double Bouquet.
Bij het begin van de Eerste Wereldoorlog werd Benoit gemobiliseerd, maar hij werd ziek, bracht maanden door in het ziekenhuis en werd na zijn ontslag gedemobiliseerd. Cette expérience du front aura toutefois été suffisamment traumatisante pour transformer en pacifiste convaincu le jeune homme qui, dans une lettre qu’il envoyait à sa mère en 1914, lui confiait son enthousiasme à l’idée de participer à une « guerre sainte ». Il fonde une association « Le Bassin de Radoub », qui se propose notamment de récompenser le plus mauvais livre de l’année. Le prix en est, pour l’auteur de l’ouvrage primé, un billet de train pour rejoindre sa terre natale accompagné d’une lettre où il lui est demandé de ne plus jamais en revenir. En 1919, l’ouvrage choisi, à l’unanimité, est une œuvre collective : le Traité de Versailles. En 1922, son faux enlèvement par des membres du Sinn Féin (denk bij ons aan het voorval met Jules Croiset) scandalise une partie de ses amis conservateurs, qui voyaient déjà d’un mauvais œil ses nombreuses aventures galantes.
“L’Atlantide” was zijn tweede boek. Zijn debuut was Kœnigsmark dat, ondanks de uitgave bij een kleine uitgeverij, een succes werd. De roman gaat over de liefde van een jonge Franse professor voor een Duitse prinses. Het werk werd genomineerd voor de Prix Goncourt, maar Benoit greep net naast de prijs. De roman werd later verscheidene malen verfilmd en in 1953 gekozen als eerste werk in de literaire collectie Le Livre de Poche in pocketformaat.
De schrijverscarrière van Benoit was vanaf het verschijnen van L’Atlantide gelanceerd. Vanaf dat moment publiceerde hij ongeveer één roman per jaar en in totaal een 45-tal avonturenromans bij de Éditions Albin Michel. Hij schreef ook meer diepgaande literaire werken zoals Mademoiselle de La Ferté uit 1923, over de vriendschap tussen twee vrouwen. Ce livre est comme son chef-d’œuvre.
Opvallend is dat de heldinnen uit zijn romans steeds namen dragen die beginnen met de letter A: Allegria (Pour Don Carlos), Aurore (Kœnigsmark), Antinéa (L’Atlantide) enzovoort (*). Aucune d’entre elles en tout cas n’est inspirée de personnes réelles qu’a connues Pierre Benoit, exceptée Alcmène, l’héroïne des Amours mortes (1961), évocation de la propre épouse de Benoit, qui venait de disparaître. Certaines héroïnes sont pourtant librement inspirées de personnages historiques, telle Athelstane, la Châtelaine du Liban, librement inspirée d’Esther Stanhope.
Benoit wilde eigenlijk werk waarbij hij veel kon reizen. In 1923 ging hij daarom (et aussi pour se libérer de sa compagne de l’époque Fernande Leferrer) voor de krant Le Journal werken als journalist en buitenlands verslaggever. Benoit doorkruiste zowat de hele wereld en interviewde Mustafa Kemal Atatürk in Ankara en verder onder andere Haile Selassie, Benito Mussolini en Hermann Göring (l’interview, au cours de laquelle le dignitaire nazi n’évoque que ses œuvres d’art, ne sera pas publiée). Les reportages qu’il en tire sont également le moyen de défendre, à chaque fois que l’occasion s’en présente, l’Empire colonial de la France, défense qui prend moins la forme d’une apologie de l’aventure coloniale que celle « d’une amitié franco-exotique », et est souvent associée à une solide anglophobie.
Aan zijn reis naar Syrië hield hij o.m. het boek La Châtelaine du Liban (1924) over. Mêlant l’aventure et un certain érotisme, il a créé un type nouveau d’héroïne troublante, qu’il qualifiait lui-même de « bacchante » ou d’« amazone », qui hypnotise les personnages masculins et les pousse au crime ou à leur perte comme Antinéa dans L’Atlantide. Het plot van La Châtelaine du Liban dan ook gelijkaardig als dat van L’Atlantide, alleen heeft het mysterieuze karakter van het vrouwelijke hoofdpersonage (la comtesse Orlof) deze keer niks magisch of “bovennatuurlijks”, maar gaat het over spionage. De twee mannen die naar haar hand streven, zijn deze keer dan ook geen vrienden, maar tegenstanders. Het gaat namelijk over de verantwoordelijken voor de spionagediensten van resp.Frankrijk (de verteller kapitein Domèvre) en Engeland (majoor Hobson). Dat ze in de woestijn met de hulp van Koerden, Druzen of welke volksstam hen juist van pas komt elkaars leger uitroeien, belet overigens niet dat de twee gezamenlijke drinkebroers zijn in de deftige kringen van Beyroet. (Ik wist overigens niet dat er tussen de twee wereldoorlogen een bloedig conflict werd uitgevochten tussen deze twee landen? Maar misschien is het allemaal slechts officieus, de moorden worden immers gepleegd door “inboorlingen”.)
Maar eigenlijk wil ik het vooral hebben over de omslag van het boek (in “Livre de Poche”). De roman wordt er immers aangekondigd als “rapide” en “avec une force irrésistible de torrent”. Nu, ik vind juist dat de roman heel erg traag op gang komt. Akkoord, een tekst op de omslag is eigenlijk een pure reclametekst en misschien moeten we het allemaal niet te ernstig nemen, maar ik denk toch dat het vooral aangeeft hoezeer de tijden zijn veranderd. Zelf kan ik bepaalde films nu niet meer volgen omdat het voor mijn oude ogen allemaal veel te snel gaat, maar wat romans betreft ben ik blijkbaar toch al gewoon aan het jachtige ritme van onze tijd in tegenstelling tot het bezadigde tempo van Benoit en de zijnen in het Interbellum…
In 1931 werd Benoit verkozen tot lid van de Académie française et il s’intéresse de façon plus régulière au septième art. Ainsi il collabore à la mise en images de ses œuvres et écrit les dialogues de La Châtelaine du Liban de Jean Epstein (1933). Il signe également une adaptation du Tarass Boulba de Gogol (réalisé par Alexis Granowsky en 1936), puis au cours de l’Occupation, celles de deux œuvres de Balzac : Le Colonel Chabert (René Le Henaff, 1943) et Vautrin (Pierre Billon, 1943). Verscheidene van zijn romans werden verfilmd en bewerkt voor ballet, opera of toneel. Zo schreef in 1954 Henri Tomasi een opera op basis van L’Atlantide.
Pierre Benoit roerde zich op politiek gebied door zijn verzet tegen het Volksfront. Homme de droite, nationaliste et réactionnaire, Pierre Benoit reflète un aspect du monde intellectuel de l’entre-deux-guerres, qu’il a marqué par son œuvre romanesque.
In september 1944 werd Benoit gearresteerd op verdenking van collaboratie met de Duitsers. Na zes maanden gevangenschap werd hij in april 1945 vrijgesproken, maar hij kreeg wel een publicatieverbod opgelegd. Door bemiddeling van Jean Paulhan en Louis Aragon (**) werd Benoits naam geschrapt van de zwarte lijst. Met de roman Agriates die in 1950 verscheen, knoopte Benoit terug aan met het succes. In 1957 werd de verkoop van het vijf miljoenste exemplaar van zijn romans gevierd.
Entretemps, en 1947, Pierre Benoit, « las des aventures tempétueuses, épous[e] une jeune femme de la grande bourgeoisie provinciale. » (Georges Simenon). Malade depuis des années, Marcelle, la femme de Pierre Benoit, décède le 28 mai 1960. Pierre Benoit est accablé, et ne parvient pas à se remettre de cette disparition : il écrit un roman à sa mémoire, Les Amours mortes (1961, le dernier livre qu’il ait achevé), avant de mourir à son tour le 3 mars 1962 à Ciboure dans sa villa baptisée Allegria comme l’héroïne de son roman Pour don Carlos.

Ronny De Schepper

Referenties
Johan DAISNE, Pierre Benoit of de lof van de roman romanesque, 1960
Georges Simenon, « Le grand amour de Pierre Benoit », 1962

(*) Benoit heeft zelf gezegd dat het louter toeval was dat zijn eerste heldinnen (Aurore, Antinéa, Allegria, Annabel) met A beginnen. Later speelden lezers hem vaak namen met A toe waarvan hij er enkele gebruikt heeft. (Johan de Belie)
(**) Aragon aurait lui-même rayé le nom de Pierre Benoit des listes d’épuration pour que L’Atlantide puisse paraître en feuilleton dans Ce Soir, le quotidien communiste. (Wikipedia)

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.