Bach-suites voor cello solo. Men zou denken: dat is nu toch enkel voor de kenners. Vergeet het! Drie decennia geleden waren de twee concerten, die Pieter Wispelwey eraan besteedde, helemaal uitverkocht en de CD-opname door Rostropovitsj een paar jaar eerder was een echt media-event. En 25 jaar geleden mocht ik in Het Laatste Nieuws alweer een nieuwe versie van deze suites voorstellen, deze keer door Hidemi Suzuki.

De naam van deze Japanner mag bekender klinken in de oren van motor- dan van muziekliefhebbers, maar toch zullen velen vertrouwd zijn met zijn gezicht, want sinds jaar en dag is hij de aanvoerder van de celli in La Petite Bande van Sigiswald Kuijken. Met zijn solo in de Paukenmesse wist hij het jaar daarvoor nog menig vrouwenoog en/of -slipje vochtig te laten worden.
Maar dat alleen is niet voldoende voor alweer een versie van die verdomde cello-suites natuurlijk. Nee, dé blikvanger op deze CD is het instrument, een Amati uit 1570. Of zowat 150 jaar vóór Bach. Als ik Hidemi Suzuki ontmoet in het Brusselse conservatorium waar hij lesgeeft, is mijn eerste vraag dan ook: is deze cello niet te oud? Hij lacht mijn opmerking weg: “Hij bestónd toch al toen Bach zijn suites schreef, niet?” Maar zo dom ben ik nu ook weer niet natuurlijk, het gaat erom dat de cello in 1570 nog niet als solo-instrument werd gedacht, enkel als basso continuo.
Suzuki: “Hij verschilt inderdaad van de cello ten tijde van Bach, maar Bach hield niet zo van de Stradivarius-instrumenten die toen opkwamen. Het is dan ook niet onmogelijk dat hij zijn suites eigenlijk heeft geschreven met dit instrument in gedachten. Want het is groter, zodat het geluid er wat langer in blijft en luider klinkt. Het is ook ronder en klinkt daardoor ook eh…”
– Ronder! Het is altijd moeilijk om een klank in woorden te vatten, maar dat is precies wat ik het zou noemen. Ronder. Je mag het me niet kwalijk nemen, want het is als een compliment bedoeld en bovendien heb ik (*) slechts de eerste twee suites op de CD gehoord (dat wil dus zeggen de eerste en de vierde), maar uw interpretatie kwam op mij over alsof je naast de haard rustig een verhaal zou vertellen.
Suzuki:
“Als je dat voor heel de CD zou vinden, dan zou ik dat geen compliment vinden (en hij heeft gelijk: blijkbaar had ik zelfs de vierde suite niet helemaal beluisterd, want ook daar gaat hij er na verloop van tijd swingend tegenaan), maar de allemandes heb ik zo proberen te interpreteren, ja.” (Jo Paumen vindt overigens het grootste deel van de suites vreselijk oubollig, in termen die in De Standaard erg ongebruikelijk zijn – het leek wel een Humo-recensie van een hardrock-plaat – maakte hij letterlijk brandhout, neen, gelukkig niet van de cello, maar dan toch van de CD. Nu is Suzuki Wispelwey niet, maar net als Stephan Moens vind ik dat Paumen hier schromelijk overdrijft.)
– Waarom overigens die merkwaardige indeling?
Suzuki:
“Gewoonlijk speelt men inderdaad de 1ste, de 3de en de 5de op één concert en de 2de, 4de en 6de op een volgend (zoals Wispelwey b.v.), maar dat vind ikzelf niet goed, want de tweede suite is in d en dat is niet ideaal om mee te beginnen. De mensen hebben meestal een vijftal minuten nodig om zich aan te passen en dan moet je niet beginnen met een suite die zo zacht aanvangt. Ik heb dus de toonaarden op elkaar doen volgen, zoals het mij het beste lijkt, maar bovendien is het ook een getallenspelletje. Bach hield daar erg veel van, ik denk dus dat hij dat wel zou hebben geapprecieerd. Eén plus vier is namelijk vijf, dus volgt die dan als derde om de eerste CD af te sluiten, en twee maal drie is zes.”
– Die zesde suite speel je op een piccolo-cello.
Suzuki:
“Ja. De zesde suite is geschreven voor een cello met vijf snaren, als je die op een normale cello speelt, moet je sommige noten weglaten of veranderen. Cellisten die zich tot de historische uitvoeringspraktijk rekenen, doen dit niet.” (Pieter Wispelwey speelde ze nochtans alle zes op één en dezelfde cello.)
– Wiens cello is dat eigenlijk?
Suzuki:
“De mijne! Ik heb hem gekocht op een veiling in San Francisco, nadat ik een tip had gekregen dat de bezitter, een verzamelaar uit Los Angeles hem te koop aanbood. Het is een prachtstuk met schilderijen op de zijkanten, kun je je voorstellen!”
– Geef je er ook concerten mee?
Suzuki:
“Als het past, ja.”
– Wat bedoel je? Spreek je over de temperatuur of over de muziek?
Suzuki:
“Over de muziek, al is het natuurlijk uitkijken, wat de temperatuur betreft. Ik heb vier celli, al naargelang van de muziek die ik speel. Deze dus, dan één voor Mozart, Haydn en de vroege Beethoven, dan één voor de vroege romantiek en tenslotte een moderne cello, al speel ik eigenlijk nooit moderne muziek. Anderzijds heb ik maar twee bogen. Voor Mozart kun je immers nog een barokboog gebruiken. Vanaf de late Haydn gebruik ik dan een boog zoals in de tijd van Mendelssohn.”
– Net als Wispelwey heb je bij Anner Bijlsma gestudeerd. Bij Pietertje leidde dit tot een conflict. En bij jou?
Suzuki:
“Ik heb nog altijd een goede relatie met Anner, als je dat bedoelt. Ik heb er veel van geleerd. Hoe men de muziek moet ‘uitspreken’ b.v. En de manier om te communiceren met het publiek.”
– Oh ja? Ik heb hem ooit eens Beethoven weten spelen op zo’n manier dat er mensen buitenliepen. En Stephan Moens wreef zich in de handen: jaja, zo moet het. Dus dat was een effect dat Bijlsma wilde!
Suzuki:
“Kan gebeuren. Maar niet altijd, hoor. En daarbij dat is ook een manier van communiceren met het publiek, nietwaar? Wat ik bedoel is dat Bijlsma niet speelt als een onaantastbare koning.”
– Daarover gesproken, Bijlsma staat bekend als diegene die het esoterische van de Bach-suites afhaalde. Het zijn tenslotte “slechts” dansjes, nietwaar?
Suzuki:
“Natuurlijk zijn het dansjes, wie heeft er ooit anders beweerd?”
– Rostropovitsj en de zijnen spelen het alsof ze in trance zijn…
Suzuki:
“Oh ja, ik begrijp wat je bedoelt. Ze zoeken in de muziek dingen die er niet staan. Het is altijd te snel of te traag, maar altijd té, versta je. Nee, zo zie ik het dus niet.”
– Pieter Wispelwey heeft ze ooit eens in een kerk in Brugge gespeeld, dus dat leek heel even op dat esoterische, maar een kwartier voor de aanvang stond hij nog pinten te hijsen in het café ernaast…
Suzuki:
“Zo ver zou ik nu ook weer niet gaan. Maar Pieter is een beetje speciaal, hé.”
– Iets wat me opvalt bij cellisten is het hevige ademen. Ze vertellen me dat het komt omdat de klankkast van de cello tegen hun borst drukt. Op de CD is je ademen er zoveel mogelijk afgehaald, maar soms hoor ik je toch nog. Zo rustig dat het weer lijkt alsof het erbij hoort.
Suzuki:
“Hoor je dat? Nou, dat is dan jammer, want dat was niet de bedoeling. Maar ik let er wel op mijn ademhaling aan te passen aan de muzikale zinnen, ja, want anders is dat net zoals een gesproken zin en moet je ademhalen op een ongepast moment. En door dat zo onder controle te houden, klink ik misschien inderdaad als een oude grootvader.”
– Dat heb ik niet gezegd! Eerder als een snorrend haardvuur. Maar vertel me eens: als wij westerlingen oosterse muziek horen, dan snappen wij daar niets van, laat staan dat we zouden proberen ze te gaan uitvoeren. Maar jullie komen naar hier en kapen, zo niet onze vrouwen, dan toch de eerste prijzen weg op Elisabethwedstrijden en zo. Hoe komt dat eigenlijk? Nu kan ik me nog voorstellen dat die wedstrijden vooral op techniek drijven, en dat hebben jullie oosterlingen wel, een schitterende techniek, maar hoe zit dat dan met de oude muziekbeweging, waarvan jij deel uitmaakt? Daar gaat het toch echt om inleven?
Suzuki:
“Ja, maar dat is voor mij geen enkel probleem. Van in de wieg ben ik opgegroeid met Bach. Mijn vader was pianist en mijn moeder zangeres, alhoewel niet professioneel. Mijn broer Masaaki speelt overigens ook piano en leidt nu vanachter het clavecimbel een orkest van oude muziek in Japan. We zijn van huize uit christelijk en dat zal ook wel een verschil gemaakt hebben. Voor mij is die oosterse muziek even vreemd als voor jou.”
– Maar is er dan nooit een periode geweest in Japan dat westerse muziek taboe was? Zoals tijdens de Culturele Revolutie in China b.v.?
Suzuki:
“Oh jawel. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was westerse muziek niet verboden, maar als je westerse muziek speelde, werd je al vlug voor een spion aanzien. Daarom legde mijn vader doeken op de piano om het geluid af te dekken. Je moet anderzijds niet denken dat het een lafaard was, hoor, want hij was ook kapitein van het rugbyteam!”
Suzuki was overigens de eerste Japanner om hier in het westen de authentieke barokpraktijk te komen bestuderen. En in het westen, dat wil dan meer bepaald zeggen in Nederland, waar overigens de Vlaming Sigiswald Kuijken letterlijk en figuurlijk eerste viool speelde. Halfweg de jaren tachtig maakte ook violist Ryo Terakado de overstap en van dan af was het hek van de dam. Barokmuziek past door haar karakter beter bij de oosterse aard dan laten we zeggen de laatromantische westerse muziek, vindt Terakado, vandaar dat er nu ook in Japan zelf “authentieke” orkestjes worden gevormd (zoals dat van de broer van Suzuki) en hier en daar wordt de historische uitvoeringspraktijk ook onderwezen, maar nog niet in grote instellingen zoals het Toho-Gakuen College of Music in Tokio.

Ronny DE SCHEPPER

Bach: 6 suites voor cello solo – Hidemi Suzuki – Deutsche Harmonia Mundi 05472 77387 2

(*) Op het moment van het interview uiteraard. Toch kan een kritische lezer zich afvragen of het wel verantwoord was zo’n interview af te nemen, vooraleer ik de hele CD (en liefst zelfs meerdere malen) beluisterd had. Maar dan komen we terecht bij de fameuze “wetten en praktische bezwaren” waarover Willem Elsschot het zo pregnant heeft. Eerst en vooral had ik op dat moment ook nog een andere full-time job. Gelukkig trouwens in de nabijheid van het Brusselse conservatorium, waar het interview werd afgenomen (Suzuki is – of was daar alleszins – leraar cello), want anders stond ik al helemààl voor een onoverkomelijke opdracht. Die CD vind je dan immers in je postbus, de avond vóór het interview en die avond moest ik dan op de koop toe nog ergens naartoe (een recensie van een concert of een toneelopvoering), zodat ik zo ongeveer tegen middernacht aan kon beginnen luisteren. En om zeven uur ’s ochtends loopt de wekker af natuurlijk! Het interview verplaatsen, zegt u? Onmogelijk uiteraard. De krant moest dat subito presto hebben. Ah ja, de lezers van Het Laatste Nieuws die zitten daar toch op te wachten, zeker? (Hoor ik hier enig cynisme doorklinken? Jawel, dat hoort u goed, maar desondanks werkte ik liever voor HLN dan voor die daytime job. Al mag ik me anderzijds in mijn pollen wrijven dat ik me ’s middags toch kon vrijmaken voor dat interview. Mijn vrouw zou het bij de Post niet moeten proberen, om maar dàt voorbeeld te geven!)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.