De Britse auteur Jonathan Coe (foto Walnut Whippet via Wikipedia) werd geboren te Lickey, in de buurt van Birmingham, op 19 augustus 1961. Hij studeerde Engelse literatuur aan de universiteit van Warwick waar hij ook zou doceren. Maar naast de letterkunde kende hij een andere passie: de muziek waarmee hij opgroeide. Dat was de ‘Canterbury progressive rock’, een genre dat zijn ontstaan vond bij de psychedelische bands als Pink Floyd en The Grateful Dead.

Zijn eerste pennevrucht leverde hij af als achtjarige met een thriller ‘The Castle of Mystery’. Vermeldenswaard? Enkel omdat hij een aantal bladzijden van dit jeugdig meesterwerk zou opnemen in zijn roman ‘What a Carve Up’ (1994) (‘Het moordend testament’), dat vooral het leven onder het bewind van Thatcher belicht. Dit boek werd geadapteerd voor de radio. Hij debuteerde in 1987 met ‘The accidental woman’ over drie generaties vrouwen in het post-oorlog London.

The dwarves of death

‘The dwarves of death’ (1990) was de derde roman van Jonathan Coe. Vaak aangekondigd als een thriller, wellicht om commerciële redenen, wat hij allerminst is. Zoals de auteur later zelf oordeelde balanceert dit werk tussen een verhaal over muziek, over de liefde en over een misdaad. Het is geïnspireerd op de tijd toen hij zelf, nog student, speelde in een groepje (The Peer Group), in de 80-er jaren, met andere universiteitsstudenten. Ze brachten hoofdzakelijk zijn composities. Muziek, dat is het grote thema van deze roman. Coe neemt ons mee in de wereld van de beginnende bands in London, groepjes die hopen hits te scoren, wereldberoemd te worden. We volgen het bandje The Alaska Factory waar de hoofdpersoon William, pianist, mee optrekt, onder de dubieuze leiding van hun manager Chester. In negen hoofdstukken, telkens ingeleid met een citaat uit een steeds andere song van Morrissey die iets over de inhoud suggereert, volgen we het wanhopige (en hopeloze) gevecht van de jongens om goede muziek op een demo te zetten in de bevreemdende sfeer van de studio’s, eigendom van een bizarre figuur. Terwijl William zelf, geruggesteund door zijn vroegere pianoleraar in Leeds, zijn talent verder ontwikkelt. Inmiddels beleeft hij een wel heel langzaam evoluerend amoureus avontuur – dat tenslotte met een sisser moet eindigen. Het zal, net als een tweede vage liefdesrelatie, een deprimerend beeld schetsen van de verhoudingen. Muziek doorkruist, compleet met notenbalken gespijsd, het ganse verhaal. En soms een vleug mysterie, een suggestie – wat bevindt zich achter de hermetisch gesloten deur van studio B? 
En wanneer duiken de ‘dwergen des doods’ op? Oh gruwel. Verkeerde plaats, verkeerde tijd, William is er getuige van hoe twee dwergen een muzikant vermoorden; erger, hij staat er bij, zou beschuldigd kunnen worden. Moet hij onderduiken? En wat zou de link kunnen zijn met dat punkgroepje van jaren her, The Dwarves of Death, dat enkele dagen voordien ter sprake kwam, waarvan hij het enige plaatje in handen kreeg? Een mysterie dat uiteindelijk op het einde van het boek – de lezer moet nog heel wat geduld oefenen want het leven van de band en de liefdesperikelen krijgen voorrang – ontraadseld wordt. Met geweld en gruwel, maar tamelijk knullig en ongeloofwaardig. Coe acht het dan ook slechts enkele bladzijden waard, gelukkig!
Dit is vast niet de beste roman van Coe maar houdt desondanks alle beloften in die we later mochten verwachten. Een vlot verhaal, sterke sfeerschepping. Zeer goede en scherpe tekening van de personages, de hoofdfiguren maar ook de mindere goden worden met enkele trekken fijn neergezet. Het beeld dat hij schetst van de beginnende bands, hun ploeteren, hun veelal vechten tegen de bierkaai, is een tijdsdocument. Dit alles is overgoten met de zo typische humor van Coe. Die is soms terug te vinden in een tussenwerpsel van drie woorden, quasi nonchalant neergeworpen, ironisch. Het kan ook een uitgesponnen fragment zijn. Zo is het verhaal hoe William vergeefs op een autobus wacht meer dan twee pagina’s lang een hilarische monologue intérieur. Of een wat cynisch (t.o.v. muziek en kunst) zinnetje als “…raar eigenlijk als je bedenkt dat iemand als Debussy vreselijk zijn best heeft zitten doen op een maat uit Pelléas et Mélisande zonder zich te realiseren dat de meeste mannen het te druk zouden hebben met de vraag of ze ongestraft hun hand op de knie van hun vriendin zouden kunnen leggen om naar de muziek te luisteren”.

Het kan nog erger, heel bitter en scherp, zoals in deze dialoog: “Het belangrijkste is dat je waardig sterft. De dood kan zacht en rustig en zelfs mooi zijn. En als iemand waardig overlijdt, kunnen we daar toch vrede mee hebben?” – “Daar heb je helemaal gelijk in” zei Tony. – “Waar is je vader eigenlijk aan gestorven?” – “Gangreen van het scrotum.”  Tot zover de waardigheid van de dood en het effect van de troostende woorden. Een proeve van typische Coe-humor.
Coe liet zijn hoofdpersonage nog even verder leven: in ‘V.O.’, een kortverhaal dat gepubliceerd werd in een bundel van zeven getiteld ‘Loggerheads’, allen geschreven voor 2013, treedt William opnieuw aan. Hij is hier een bekend componist van filmmuziek. Alvast niet deze van de verfilming van zijn roman die als ‘Five seconds to spare’ in de regie van Tom Connolly in 1999 op het publiek werd losgelaten. Daar tekende Ben Pope voor de muziek, duvel-doet-al in de muziekwereld, dirigent bij talrijke orkesten over de ganse wereld, die tevens samenwerkte met talloze popvedetten, maar ook tekende voor heel wat bekende commercials. Een groot succes werd de film niet. Ondanks de verschijning van de roemruchte dj John Peel; helaas slechts in een cameo waar hij als eigenaar van een platenzaak William, zijn bediende, bij de telefoon roept; hij verdiende een grotere rol! 

What a carve up!   

‘What a carve up!’ (1994; Ndl. vert. ‘Het moordend testament; De Bezige Bij, 2013), is de vierde roman van Jonathan Coe. Het is een ingewikkeld verhaal, ingenieus geconstrueerd. Met uiteindelijk toch een duidelijk te volgen lijn rond een complex gegeven. De jonge Michael Owen publiceerde twee romans, met matig succes, wanneer het ‘toeval’ (?) hem een bizarre opdracht toespeelt. Hij zou een kroniek schrijven over de beroemde/beruchte familie Winshaw. Tijdsduur is onbeperkt, verloning is riant en stelt hem in staat probleemloos in zijn onderhoud te voorzien. Hij aanvaardt, aanvankelijk niet beseffend in welke slangenkuil hij zich gedurende de volgende acht jaren zal begeven. Want zo lang zullen wij hem en de Winshaws kunnen volgen terwijl ze evolueren en furore maken in het tijdperk Thatcher. Dit is immers de essentie van de roman.
Terwijl we hoofdpersoon Michael doorheen het werk leren kennen, zijn verleden, zijn persoonlijkheid, zijn strijd als auteur, zijn amoureuze verwikkelingen, wordt hij voortdurend geconfronteerd met de maatschappij waarvan hij deel uitmaakt. Een maatschappij die zich, gezien het onderwerp waarover hij schrijft, steeds duidelijker manifesteert als corrupt. Voor hem is er, bezeten door de film, een rode draad: de actrice Shirley Eaton die in de loop van de roman viermaal prominent opdaagt. Uiteraard via de film waaraan het werk zijn titel ontleende, ‘What a carve up’, een prent uit 1961 van Pat Jackson, heel kort ook via de James Bond ‘Goldfinger’, maar tenslotte cruciaal in ‘Ten little Indians’ van George Pollock uit 1965, het klassieke Agatha Christie-verhaal waarmee ook de roman van Coe zijn beslag krijgt. Dat in zijn werkelijke leven een op zijn geliefde actrice, die hij reeds als twaalfjarige ontdekte en sindsdien obstinaat begluurt dankzij de ‘wonderbaarlijke’ uitvinding van de video met stilstaand beeld, gelijkende jongedame opduikt en telkens weer zijn pad kruist… het is slechts één van de ronduit geniale lijnen die zich ontspinnen doorheen het werk en die de puzzel voor de lezer zo intrigerend maken. 
Terwijl het grote belang, de klemtoon uiteindelijk toch elders ligt. Gaandeweg ontmoeten we alle leden van de grote familie Winshaw. Een familie “wier rijkdom en aanzien gebaseerd waren op alle soorten zwendel, oplichting, ontvreemding, beroving, dieverij, beduvelarij, kuiperij, handjeklap, verduisteren, brandschatten, ladelichten, wederrechtelijk toe-eigenen, valsheid in geschrifte, en achteroverdrukken”. Ze zijn nooit openlijk misdadig, blijven officieel buiten de klauwen van het gerecht en lijken gerespecteerde en heel rijke en geziene burgers, aristocraten. Wie gaf Michael Owen de opdracht, en het geld, om het epos over deze ‘bende’ te schrijven: één der leden van het gezin, ene Tabitha die als krankzinnig verklaard, uitgerangeerd, opgesloten zit in een instelling. Ooit poneerde zij dat tijdens de oorlog een broer als RAF-piloot omkwam wegens verraad aan de Duitsers door een andere broer – ook dit raadsel dient ontsluierd; het is één der vele kwalijke gebeurtenissen binnen de familie. En slechts een detail binnen het geheel. Immers, Coe analyseert met deze roman die een detective, een thriller, een puzzel is, toch vooral de maatschappij zoals die zich op haar meest kwalijke wijze aandiende onder de iron lady die hij beurtelings laat bejubelen (medestanders) en dan genadeloos neersabelt. Dankzij de veelheid aan personen die hij binnen zijn familie Winshaw laat opdraven stelde hij zich in staat zowat alle geledingen van de gemeenschap aan een onderzoek te onderwerpen. Dat doet hij heel grondig en gedocumenteerd, vaak voorzien van cijfermateriaal. Zodat het werk in bepaalde facetten de allure aanneemt van onderzoeksjournalistiek, Coe ging duidelijk grondig te werk. 
Meteen garandeert dat ook een grote stilistische afwisseling. Naast het leven over Michael en uiteraard fragmenten van het epos over de Winshaws, zijn er dagboekbladzijden, brieven, krantenknipsels, documenten allerhande. Dit alles is dienstig om, van het ene naar het andere lid van de familie springend, aan de kaak te stellen hoe corrupt het beleid is. De ene is vooraanstaand politicus, de andere heeft de touwtjes in handen in internationaal transport, ook wapenindustrie en chemie komen aan bod. Veeteelt, hormonen, landbouw, hoe zorgeloos en onverantwoord met de gezondheid wordt omgegaan.De afbouw van de gezondheidszorg, het sociale beleid, de werkloosheid en armoede, de uitbuiting, huisjesmelkers… werkelijk alles komt aan bod. Niet te vergeten de pers, de tabloids; radio, televisie, het manipuleren van de media en de oppervlakkigheid – hoe men individuen kraakt, of indien nuttig ook maakt. Dat dit alles – het zou een pamflet kunnen lijken – niet leidt tot een zwaarwichtig boek: dat is het talent van Jonathan Coe. Immers, niet alleen is het werk doorspekt met humor, maar als gezegd, het leest als een detective. Langzaam ontspint zich telkens weer een ander raadsel, gaan we bij ieder personage op zoek naar achtergronden, motieven. En blijft Michael Owen zich in dit kluwen langzaam dieper ingraven, met de bijhorende gevaren. ‘What a carve up!’ leest als een Agatha Christie met de zeer verrassende ontknoping als klapstuk, en is meteen een zeer kritische documentaire over de jaren tachtig in Groot-Brittannië. Hiermee heeft Coe zijn meesterschap duidelijk bewezen.       

The Rotter’s Club

Dan was er o.m. ‘The House of Sleep’ (1997) dat hem in Frankrijk de Prix Médicis opleverde., maar wellicht het meest spraakmakend werk is ‘The Rotter’s Club’ (2001) waarvoor hem The Bollinger Everyman Wodehouse Prize toegekend werd. Zo komisch is deze roman evenwel niet, al mag bij Coe een  tragi-komische achtergrond niet ontkend worden…
Deze roman speelt grotendeels in de industriestad Birmingham, gedomineerd door de gigant British Leyland. De jaren 1970, een roerige tijd – stakingen, de IRA… Daar laat Jonathan Coe talrijke personen evolueren. Hij voert enkele gezinnen ten tonele die op een of andere wijze met elkaar te maken hebben: meestal via de kinderen (die de hoofdfiguren blijken), ook via de ouders die ongetwijfeld hun rol spelen in het dagelijks drama. Centraal – al moet dat met enig voorbehoud gesteld worden vermits alle personen essentieel zijn in het verhaal – is het gezin Trotter. Vader Colin, arbeider in de autofabriek; moeder Sheila, dochter Lois, zonen Paul en Benjamin. Deze laatste kan beschouwd worden als het alter ego van de auteur: hij schrijft, hij heeft een passie voor muziek (speelt in een bandje, keyboard net als Coe; en suggereert hij niet n.a.v. het beluisteren van de ‘Londense Symfonie’ van Vaughan Wlliams dat hij best een ‘Birmingham Symphony’ zou kunnen schrijven – een aankondiging van Coe’s later werkelijk ontstane muziektheater als vermeld?). Dit gezin verwijst naar de naam, extra reden om hen in het middelpunt te plaatsen. Op school was het de gewoonte Benjamin niet tot Ben te verkorten maar de naam Ben Trotter te herleiden tot BenT Rotter – een ietwat stekelig grapje… Idem voor de andere gezinsleden, de Rotter’s Club. 

Een cruciale plaats wordt eveneens ingenomen door Bill Anderton, vakbondsafgevaarde. Niet louter omwille van zijn functie, ook wegens zijn turbulente liefdesleven (o.m. met een meisje dat spoorloos zal verdwijnen), de relatie met zijn echtgenote en zoon. En vooral ook met de leden van de vakbond wat ons een vaak scherpe, soms cynische, maar ook hilarische blik gunt op het spel van macht en manipulatie – hijzelf, deze Bill, blijft als een idealist overeind. Meteen is één der cruciale thema’s van het boek reeds vermeld: de situatie van de arbeider, bewustwording; de jaren zeventig: er worden stakingen georganiseerd, betogingen… het zijn roerige tijden. De auteur belicht alle facetten, werk- en leefomstandigheden, het kapitalisme, economische aspecten. En daarbinnen dringt zich meteen het probleem van het racisme op, met de steeds manifestere aanwezigheid van het National Front – bovendien scherp gesteld door de aanwezigheid van die ene gekleurde leerling op de ‘betere’ school waar de Trotter’s studeren, de bestaande King Edward’s School in Birmingham. Ook dit komt aan bod: het verschil tussen elitaire en public schools.

In de marge, maar helaas soms al te ingrijpend, zijn er ook in Birmingham aanslagen door de IRA – dit alles creëert een gevoel van onzekerheid.In dit klimaat volgen we de ontwikkeling, de groei van zo’n tiental jongeren in de loop van het decennium. Op weg naar volwassenheid. Elk met specifieke problemen, verlangens. Ieder met eigen noden en belangstelling. De individuele tekeningen zijn sterk, de psychologische ontleding boeiend – terwijl ze toch tenslotte als portret van de jeugd iets universeel bewaren. Mogelijk omdat er die bindende elementen zijn: interesse voor muziek, sport, literatuur, het andere geslacht… Niet bij ieder in gelijke mate uiteraard, maar telkens raken ze elkaar, of botsen desnoods.

Hoewel dit boek van meer dan 400 pagina’s leest als een roman bedient de auteur zich deels van een collagetechniek. Hij verweeft in het verhaal pamfletten, dialogen, schoolopstellen, krantenartikels, interviews, recensies, citaten, dagboekfragmenten. Het lijkt een spel dat culmineert in het laatste hoofdstuk: één lange zin van bijna veertig bladzijden, a.h.w. uitgespuwd door Benjamin. Zelfs een speech, uitgesproken jaren later – in 1999 – door één van de jongeren, inmiddels gearriveerd burger, dient als een soort reflectie. Terwijl tussendoor ook een blik gegund wordt op de geschiedenis van Ierland en Wales, het nationalisme, én er zelfs een zijsprong gemaakt wordt naar de pogrom in Denemarken. Desondanks haakt alles logisch in elkaar en is het werk, met zijn talloze thema’s, niet overbeladen dankzij de duidelijke verhaallijn en het belang van de diverse hoofdpersonages die als bindmiddel en rode draad het geheel blijven beheersen.

Complex? Coe laat Benjamin Trotter het zelf verwoorden en duidt daarmee aan waarom zijn roman ook zo geconcipieerd is: “Het was de wereld, de wereld zelf, die buiten zijn bereik lag, dat hele absurd grote, ingewikkelde, toevallige, onmetelijke bouwsel, die nooit eindigende getijdenbeweging van menselijke betrekkingen, politieke betrekkingen, culturen, geschiedenis… Hoe kan iemand  zelfs maar dromen dat hij ooit greep zou weten te krijgen op dat alles? Het was iets heel anders dan muziek. Muziek klopte altijd. De wereld zou hij nooit leren begrijpen, maar van deze muziek zou hij altijd blijven houden.”

Deze muziek was dan ongetwijfeld deze van ‘Hatfield and the North’, een band uit de ‘Canterbury progressive rock’-scene die in 1975 op Virgin de LP ‘The Rotter’s Club’ uitbracht! Een LP in de roman gekoesterd door Benjamin, in het leven allicht door Jonathan Coe zelf…

De roman werd voor de radio bewerkt en in 2005 voor BBC2 verfilmd. In ‘The closed circle’ (2004) zou Coe dezelfde personen uit ‘The Rotter’s Club’ ten tonele voeren – nu volwassen, zich opmakend om het jaar 2000 te be- en overleven. Terwijl hij reeds in 1994 met ‘What a carve up’ het politieke en sociale klimaat in de UK beschreef (Thatcher, John Major) in de jaren tachtig.    

The rain before it falls

De titel van zijn roman uit 2007 ‘The Rain Before It Falls’ vond Jonathan Coe bij een muziekstuk van de jazzmusicus Michael Gibbs. Zijn boek tast de randen van de vaak grillige psyche van zijn personages en van de relaties af. Gill ontvangt na het overlijden van de bejaarde Rosamund van deze het postume verzoek om een familielid op te sporen en haar vier audiocassettes te overhandigen. Mocht zij evenwel deze Imogen, een blinde jonge vrouw van ongeveer dertig jaar, niet vinden, mag zij zelf de opnames beluisteren. Dat is wat dan ook gebeurt; en wat we – samen met Gill en haar twee volwassen dochters (ook met dit gezin maken we nader kennis) geopenbaard krijgen. Dit zal een aangrijpende familiegeschiedenis worden, hoofdzakelijk spelend in Birmingham en Shropshire. Dat laatste plaatsje is het waar ooit de achtjarige Rosamund als evacuee belandde bij familie zoals veel kinderen uit de steden naar het platteland werden versluisd uit angst voor de bombardementen en het voedseltekort tijdens WO II. Shropshire, waar de opnamen zouden plaatsvinden van de film ‘Gone to Earth’ (Michael Powell) met de betoverende Jennifer Jones op wie Rosamund zich zou ‘verlieven’, een film waarin zij met haar nichtje Beatrix zou figureren. Het is het begin van de rode draad. Beatrix, die door haar moeder onverschillig behandeld wordt, en de overgevoelige Rosamund. Twee levens die parallel zouden kunnen verlopen… Met Gill beluisteren/lezen we het relaas, de kroniek van een woelig leven dat Rosamund net voor haar zelfgekozen dood op de cassettes verhaalt aan de hand van een reeks foto’s die zij zeer gedetailleerd beschrijft (in functie van de blinde Imogen mocht deze gevonden worden!). We zien, stap voor stap, de meisjes, de vrouwen, volwassen worden. Ze bouwen relaties op. Langzaam wordt duidelijk dat Beatrix karaktergestoord is – bleek dat niet reeds toen we haar als kind leerden kennen, en in welke mate was de afwijzende houding van haar moeder daarvan de oorzaak? Terwijl Rosamund beseft dat haar houding tegenover een actrice en een jeugdvriendinnetje een diepere betekenis bezit, zij is lesbisch. De grootste liefde van haar leven, zo vertrouwt zij de cassette toe, zou ene Rebecca zijn, al zou zij later de meeste jaren nog gelukkig doorbrengen met de kunstenares Ruth. Beatrix evenwel… een turbulent leven: uit een relatie heeft zij een dochter, Thea. Maar gezien zij met een nieuwe geliefde naar Canada vertrekt en deze baby niet dadelijk kan meenemen laat zij haar voor enkele weken achter bij Rosamund en Rebecca. Die weken worden evenwel drie jaren, de vrouwen zijn gehecht aan het kind. Het drama ontwikkelt zich wanneer Beatrix terugkeert, met Thea verdwijnt. Terwijl ook het leven van Rosamund hobbelt, zonder Rebecca, jaren alleen, soms ontmoet zij de opgroeiende Thea, een nieuwe relatie uiteindelijk – heeft zij nog uiterst zelden contact met Beatrix die in Canada woont. Waar ook Thea tenslotte terechtkomt, huwt, een dochter krijgt, de Imogen tot wie al deze woorden gericht zijn. En, herinner jij je, Imogen, dat ik jou bezocht in Canada, na het drama. Want ja, het bleek een drama, hoe Imogen blind geworden was. Beatrix gestoord, net als haar moeder die onbegrijpelijk onverschillig was tegenover haar dochter; en derde in de rij, Thea, ook zij agressief en manipulatief, oncontroleerbaar… Waar zou de driejarige, blinde Imogen terechtkomen? Een pleeggezin. Nog enkele keren zou Rosamund haar zien, haar vriendin Ruth zou haar schilderen, maar dan… stilte.Wie dacht een soort detective te kunnen lezen, de zoektocht naar de verloren Imogen, komt bedrogen uit. Anderzijds is het wel de klassieke Coe, en kunnen we puzzelen: verborgen symbolen, hints, allerlei verwijzingen die er voor zorgen dat je, naast het verhaal, de aandacht geen ogenblik mag laten verslappen. Is het relaas, het epos van de familie boeiend, dan is het vooral de psychologische tekening van de personages die de essentie van het werk uitmaakt. En hun daardoor bepaalde relatie, hun conflicten, de aantrekking en afstoting. En wat genoemd wordt, de onontkoombaarheid van de drama’s die er uit voortvloeien. De foute relaties, de foute keuzes. Er schuilt een patroon in wat zich in de aparte levens, de moeder van Beatrix, zij zelf, haar dochter Thea en kleindochter Imogen ontwikkelt. Gebeurtenissen lijken zich te herhalen, bijna letterlijk – of als in een droom. Het hangt als een doem boven deze vrouwen. Wat nooit de daden rechtvaardigt maar wel verklaart, voor zover deze zich laten verklaren in een sfeer van mysterie. Waar het niet te duiden verdriet, de innerlijke pijn steeds op de loer ligt. Mooie, schrijnende portretten – getekend tegen sfeervolle adequate achtergronden: beschrijvingen van de natuur, impressies van het stadsleven. De titel van deze roman, ‘De regen voor hij valt’: wordt er niet gezegd “ik hou van de regen voor hij valt” en repliceert men “dat bestaat niet, dan is hij geen regen maar vocht”… “is dat niet juist zo mooi, houden van iets dat niet bestaat…”! Het onbereikbare, daar zijn al deze personen in de roman naar op zoek, daar hunkeren ze naar, daar houden ze van, zoals ze houden van de ideaalbeelden die ze zich van elkaar vormden, vergeefs en wanhopig.    

In 2008 schreef Coe het één uur durend muziektheater voor drie personen ‘Say Hi to the Rivers and the Mountains’ dat in Dublin in première ging en daarna nog voorstellingen beleefde in de UK en Spanje. Daarnaast waren er nog meer dan tien romans, waaronder enkele kinderboeken, en ook non-fictie over o.m. James Stewart en Humphrey Bogart.

Expo 58

‘Expo 58’ (2013) speelt deels in Londen maar vooral, zoals de titel ‘min of meer’ laat vermoeden, in de schaduw van het Atomium waar het hoofdpersonage Thomas Foley gedurende de zes maanden dat de Expo duurt wordt heengezonden om een oogje in het zeil te houden in het pronkstuk van de Britse deelname, de veredelde pub Britannia. Hij is een ambtenaar van een schimmige overheidsinstelling die bedoeld is om voorlichting te geven op diverse terreinen. Gehuwd en prille vader. Al dadelijk wordt hij geconfronteerd met twee mysterieuze figuren, slappe hoeden, regenjassen – opvallende veiligheidsagenten of spionnen: de satire kan starten. En houdt niet op, we beleven groteske vergaderingen over de plannen m.b.t. het Britse paviljoen, geruzie, kleingeestig gekibbel op hoog niveau. Tot we ons in Brussel bevinden en het verhaal een wending neemt en het verhaal niet onderdoet voor een Bond van Fleming. Relativerend en met veel korrels zout zoals van Coe mag verwacht worden, letterlijk zelfs vermits geheime documenten op microfilm gesmokkeld worden via zakjes zout! Een liefdesgeschiedenis, meerdere zelfs, bijhorende chantage. Een dienster die een spionne is, een Russische journalist blijkt een KGB-agent, een Amerikaanse actrice behoort tot de veiligheidsdienst, ergens op het rustige platteland vinden we een woning met hoog-technisch materiaal van de CIA. Het kan nauwelijks gekker. En binnen dat alles is Thomas Foley niet veel meer dan een speelbal, een voor alle partijen nuttig instrument. Terwijl hij zich op het thuisfront wegens een misverstand rond een pleister voor likdoorns (!) bijna laat scheiden…

Eind goed al goed. Spionnen ontmaskerd. De eer van Engeland gered, hoewel hun paradepaardje, een ZETA-machine die in het middelpunt van de kerntechnologische belangstelling stond het net toen liet afweten en moest afgevoerd worden – hoogmoed kwam voor de val. En voor Foley evenmin zo’n denderend einde vermits hij tenslotte onder bedreiging, chantage wegens een amoureus ‘Expo 58’-slippertje, de rest van zijn leven als derderangs spion zal fungeren.

Achter dit alles commentarieert Coe met veel humor, maar ook spanning, met vaak cynisme, of sarcasme, over politiek, koude oorlog, de relaties tussen de landen inclusief de schijnheilige of in ieder geval bij voorbaat tot mislukken gedoemde bedoelingen van zo’n wereldtentoonstelling om landen dichter tot elkaar te brengen. Deze ‘malle heisa’ zoals een personage het noemt kost miljoenen. En is een zeepbel. Coe spot met de politiek, de diplomatie, de geheime dienst, maar ook met het kleinburgerlijke, met de gewoonten van het Britse volk. Niets is veilig voor zijn satire. Maar dat betekent niet dat hij niet zeer ernstig op bepaalde problemen kritiek kan leveren. Zo is hij genadeloos voor de politiek, de kernbewapening en de kerncentrales. En stelt hij het probleem van de tentoongestelde ‘negers’ in het authentieke Congolese dorp in het Belgisch paviljoen scherp; met even later een verwijzing naar de mensen die figureren als middeleeuwse boerenbevolking in het Vlaamse dorp in datzelfde paviljoen. Aapjes kijken… Een roman met humor, spanning, en heel wat doordenkertjes. 

Number 11

‘Number 11 or Tales that witness madness’ (2015) is een roman die je zou kunnen lezen als vijf aparte verhalen. Er is evenwel een bindend element: de vriendschap (met ups en downs) tussen twee meisjes die we volgen vanaf hun heel prille jeugd tot ze de middelbare leeftijd bereiken. Beide evolueren in een ander milieu, bewandelen andere paden, kennen (uiteraard) een zeer verschillende en grillige levensloop die hen soms mijlen- en jarenlang van elkaar verwijdert. Dan is er nog een detail dat in ieder hoofdstuk weerkeert, het getal 11. Het kan het huisnummer zijn van een excentrieke dame, of het lijnnummer van een autobus in Birmingham, de aanduiding van een loods. In het vierde hoofdstuk is het het nummer van de tafel bij een galadiner terwijl het in het slothoofdstuk verwijst naar de elf verdiepingen ondergronds die gebouwd moeten worden en aanleiding worden tot een hallucinerend slot. Natuurlijk ligt het voor de hand dat het refereert aan het politieke hart van het UK, Downing Street 11 – dat Jonathan Coe daarop uiteindelijk zelf zinspeelt is in feite ietwat overbodig.  

Terwijl elk ‘verhaal’ op zich zeer boeiend, zeg maar spannend is, en de evolutie van de hoofdpersonen bijzonder knap getekend wordt en daarnaast meteen ook steevast intrigerende nevenpersonages opduiken, ligt de essentie van ‘Number 11′ elders. Coe snijdt in ieder hoofdstuk een aantal maatschappelijke thema’s aan. Telkens confronteert hij zijn figuren – en dus de lezer – met wat fout loopt in de wereld. Dat hij dit vertellend, quasi terloops doet, zonder zwaarwichtige commentaar, maar ons wel vooral met concrete voorbeelden en zelfs feitenmateriaal met de neus op de feiten drukt maakt het meestal des te aangrijpender. In het eerste hoofdstuk heeft hij het over mensensmokkel, uitbuiting (tewerkstelling, huisvesting), vreemdelingenhaat, marginalen, en over de invasie in Irak met de politiek van de US en Tony Blair. Het tweede verhaal legt de focus op de kapitalistische maatschappij. Hoe werknemers behandeld worden, de geringe lonen, ontslagen, inzetten van goedkope werkkrachten, misbruik van interim. Hij gaat in op het faillissement van de banksector en duidt de impact van dit alles voor het individu: op relaties, alcoholisme, depressies. Daarnaast stipt hij de oppervlakkigheid van de media aan en klaagt aan hoe ze gegevens en beeldmateriaal manipuleren.  Hoofdstuk 3 verhaalt over het fenomeen van de klokkenluiders, over het verlies van onschuld in de politiek en in de ganse maatschappij. Daarbij legt hij een link naar de eerste bladzijden waar zo’n waarschuwende vinger m.b.t. de oorlogsinmenging van Groot-Brittannië tot een zelfmoord leidde. Daarnaast is het ook een ode aan de verwondering en de passie in de ruime betekenis. De voedselbanken worden besproken en zullen ook verder in de roman nog aan bod komen. Ook het thema van de gastarbeiders, de onveilige werkomstandigheden – met soms dodelijke ongevallen – zal nog hernomen worden, in het vijfde hoofdstuk. Eerst heeft hij het in hoofdstuk vier vooral nog over de politiek, de media, de oorlogsindustrie en drijft hij zeer komisch de spot met het fenomeen ‘prijzen’ en ‘op schavotjes zetten’. Want Coe mag dan al in deze roman zoveel onvrede over de maatschappij op een hoop gooien, uiteindelijk rest er voldoende humor ook al is die vaak grimmig en bitter. Tenslotte – hier gaat hij de sarcastische toer op – laat hij uitgebreid de theorie ontvouwen hoe alles, ook het mensenleven, in een geldwaarde kan vertaald worden. Zelfs op gevoelens kan men een bedrag vastpinnen… 

Van ‘The terrible privacy of Maxwell Sim’ bestaat een verfilming door Michel Leclerc (2015) en in 2018 verscheen – over de aanloop naar de brexit – ‘Middle England’.

Johan de Belie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.