Dat Louis Van Dievel net als bijna alle journalisten af en toe een boek liet verschijnen, was me niet onbekend. Maar meestal waren dit dan boeken die verband hielden met de journalistieke actualiteit, zoals onlangs dat boek over bisschop Van Gheluwe. Ik wist echter niet dat hij ook zuiver “literaire” werken op zijn actief had. Ikzelf heb vijf jaar geleden “Ik ben de vuilnisman” uitgelezen uit 2003, maar op de achterflap verneem ik dat dit geen debuutroman is, maar dat “Happy Days” er nog aan voorafgaat.

Op Van Dievels eigen website verneem ik dan van zijn officiële biograaf Prof.Dr.A.F.Hoeck (Hoeck Af, heeft u ‘m?) dat dit, “Happy Days” dus, eigenlijk een autobiografisch verhaal is over de alcoholverslaving van Van Dievel. Ik vind het wel moedig dat Van Dievel daar zo openlijk voor uitkomt.
In “Ik ben de vuilnisman” speelt alcohol ook een grote rol, maar daar houdt de vergelijking met Van Dievels privé-leven dan ook op. Want hier zitten we immers in een extreem marginaal milieu. Als men de boeken van Louis Paul Boon of Cyriel Buysse reeds het etiket miserabilisme opkleeft, dan gaat men voor dit boek van Van Dievel een neologisme moeten creëren. Miserabilissimo of zo.
Het vertrekpunt van de roman moeten we dan weer bij Van Dievels journalistieke werk zoeken. Wie herinnert zich nog de seriemoordenaar die in de jaren negentig in Mons aan het werk was en die “de versnijder van Mons” werd genoemd omdat hij zijn slachtoffers (allemaal vrouwen uit de marginaliteit) professioneel in stukken sneed en de lichaamsdelen achterliet in afgekeurde vuilniszakken van Knokke-Heist. De man werd nooit betrapt, maar de moorden hielden op een bepaald moment wel op. Was hij gestorven? Is hij naar het buitenland uitgeweken? Is hij om een andere reden in de gevangenis terechtgekomen? Het staat iedereen vrij om hierover te speculeren en dat is precies wat Louis Van Dievel heeft gedaan.
Let op: de moordenaar is niet de vuilnisman uit de titel, zoals men misschien zal denken. Nee, die vuilnisman is eerder een “commentator”, een soort van Grieks koor uit de tragedies, maar dan op zijn eentje. (Ik weet niet of Van Dievel daar zijn inspiratie heeft gehaald, maar ik moest altijd aan dat ettertje denken dat de vuilnis van Bob Dylan ging onderzoeken om de zanger op zijn huid te zitten.)
Structureel maakt Van Dievel gebruik van het gekende procédé van een vijftal verhalen die oorspronkelijk niks met elkaar te maken hebben en parallel lijken te evolueren. Op het einde blijken ze echter toch te convergeren en dààr loopt het fout. Als op het einde zowat iedereen iedereen in stukken begint te hakken, dan kan men rustig stellen dat dit “erover” is.
Maar in de aanloop weet Van Dievel de lezer wel mee te sleuren in die diverse verhalen, die niet altijd even miserabilistisch zijn. Dat is dan vooral het geval met het uiterst amusante verhaal over “een” prins, waarin iedereen onze vriend Laurent herkent, maar Van Dievel is natuurlijk wel zo verstandig om die naam niet te laten vallen. Helaas loopt ook dit verhaal slecht af, en daarmee bedoel ik dan niet dat Van Dievel een happy end moest inbouwen, natuurlijk niet, maar ook de afwikkeling van dit verhaal geeft niet helemaal satisfactie, om het zo te zeggen. I can get no satisfaction, inderdaad!
Fons Mariën las van Van Dievel “De Pruimelaarstraat” en vond dat een schitterend boek. “Het handelt over Staf Van Eycken, de ‘vampier van Muizen’ die in het begin van de jaren zeventig enkele vrouwen verkrachtte en vermoordde in Muizen en Bonheiden. Het boek gaat vooral over de reacties van de mensen uit de buurt waar de dader woonde (en waar leeftijdsgenoot Van Dievel ook woonde – niet zo ver van waar ik woonde bij m’n ouders). Het is vooral een goed, bijna sociologisch portret van een milieu en een tijdsgewricht. Probeert de impact van zo’n arrestatie op de mensen en hun relaties onderling weer te geven, zonder sensatiezucht. Van Dievels debuut Happy days heb ik proberen lezen maar ben er na 60 blz. in gestopt: te veel alcohol en neuken, moord, verkrachting, brandstichting… volgen elkaar in een hoog tempo op. Te veel sensatie en miserabilisme hebben me dat boek opzij doen leggen.”

Uit het leven van Guust Van Mol, zo luidt de ondertitel van het nieuwste (althans in 2020) boek van Louis van Dievel, De dokter is uw kameraad niet. In werkelijkheid heet ‘Guust Van Mol’ Jan Van Duppen. Hij militeerde voor de PVDA, werd parlementslid voor de SP.A en verloor vervolgens zijn linkse geloof.

Wie in Vlaanderen de naam Van Duppen laat vallen, schrijft Walter Pauli in Knack van 27/5/2020, heeft het meestal over de onlangs overleden PVDA-dokter Dirk Van Duppen (1956-2020). Nadat vorige zomer een agressieve pancreaskanker werd vastgesteld, liet hij door Thomas Blommaert van uitgeverij Epo zijn levensverhaal optekenen, Zo verliep de tijd die mij toegemeten was. In dat boek was Dirks oudere broer Jan een van de belangrijkste nevenfiguren. Dat was niet onlogisch: Jan ging Dirk voor in het linkse engagement, in de studie van Karl Marx, in het lidmaatschap ook van Alle Macht aan de Arbeiders (Amada), vanaf 1979 Partij van de Arbeid geheten. En pas nadat de twee broers in hun jonge jaren elk in allerlei Kempense fabrieken hadden gewerkt, gemiliteerd en geageerd, besloten ze beiden om aan de universiteit van Antwerpen geneeskunde te studeren. Daar begonnen hun wegen uiteen te lopen. Dirk bleef tot zijn dood bij de PVDA en bij Geneeskunde voor het Volk. Jan haakte in 1986 af. Politiek, maar niet als dokter: hij heeft tot 2014 gewerkt als huisarts, eerst in Turnhout en daarna in de grootstedelijke en zeer multiculturele context van Rotterdam.

Over dat aparte politieke parcours van de ándere Van Duppen gaat De dokter is uw kameraad niet. Overigens is Dirk ook in het boek over Jan zeer aanwezig, zij het als Johan Van Mol, de broer van Guust Van Mol – dat is dan weer Jan Van Duppen. Uitgeverij Vrijdag presenteert het boek als een biografictie. De auteur is niet Jan Van Duppen, maar Louis van Dievel. De jonge Van Duppen (°1953) sloot zich aan bij de Marxistisch-Leninistische Beweging (MLB), de studentenorganisatie van Amada-PVDA. De even oude Louis van Dievel frequenteerde dan weer trotskistische clubs. Trotskisten en leninisten/stalinisten/maoïsten waren elkaars bitterste aartsvijanden.

Jan Van Duppen erkent in een gesprek met Knack ‘dat het niet evident is om een trotskist dit boek te laten schrijven. Trotskisten hebben namelijk een groot nadeel ten opzichte van ex-maoïsten en ex-stalinisten: ze hoefden nooit te leren leven met de wetenschap dat ze ooit geloofd hebben in een gruwelijke leugen. Voor trotskisten is wat er ooit fout is gelopen met het communisme altijd de schuld van anderen, met Jozef Stalin en Mao Zedong voorop. Maar nooit van Leon Trotski. ‘Daarom kijken veel ex-trotskisten nog altijd neer op voormalige stalinisten. Ook Louis kon zich moeilijk voorstellen dat (ex)-stalinisten in staat zijn om zelfstandig te denken. Het heeft hem tijd gekost om te accepteren dat ik ooit zélf een argumentatie heb ontwikkeld waarom ik brak met de PVDA. Zijn feitenselectie is mee gekleurd door zijn visie op de PVDA. Het is dus zíjn overzicht, zíjn boek. Vandaar dat het goed is dat ik “Guust Van Mol” heet. Dat ben ik niet, dat is zíjn personage.’

Toch vindt Walter Pauli niet dat het boek een roman zou zijn, buiten de naamsverandering is het eigenlijk toch bijna uitsluitend een relaas van de reële feiten. Daarom vindt hij het wél “een brok recente Vlaamse geschiedenis dat voor het eerst met zo veel details wordt opgetekend.”

Uiteraard zijn er vele overeenkomsten met mijn eigen ervaringen uit die tijd. Dat begint al met het lezen van Sartre en Camus bij “Van Mol” is dat op de Rijksnormaalschool, bij mezelf was dat op het college, toch nog een tikje “straffer”, vind ik. En ze past ook beter bij de daaropvolgende (uitstekende) typering: “Achteraf is vaak gezegd dat de jonge Amada-leden eigenlijk typische zonen en dochters van het katholieke Vlaanderen waren, linkse opvolgers van de missionarissen van voorheen. Het wezen van hun communisme was niet gericht op de verbetering van de materiële welstand van de arbeiders. Het waren wereldverbeteraars, bereid om het gevecht aan te gaan om de communistische heilstaat in te voeren. Niet toevallig noemden oude KP’ers de jonge maoïstische concurrenten ‘de pastoors van Amada’.”

Daarna gaan onze wegen wel uit elkaar. De broers Van Duppen gaan in de fabriek werken, zoals de Amada-regels inderdaad voorschreven. Ik ben nog altijd blij dat Jantje Dekkers mij daarvoor destijds heeft behoed. Ik zou dat leven nooit aangekund hebben, net als de legerdienst die volgens Amada eveneens verplicht was. Ik zie nog altijd die jongen voor me, wiens naam ik nu vergeten ben, maar hij is in 2020 gemeenteraadslid (misschien zelfs schepen) in Zelzate. Nog altijd voor Amada, maar het leger was voor hem wel een hel geweest en zijn ervaring heeft ook hier gezorgd dat ik voor burgerdienst heb gekozen.

De wegen van Van Duppen en mezelf komen weer min of meer samen als hij voor de SP gaat werken: “Ook dat werd een desillusie. Zijn afschuw achteraf voor de SP.A- leiding van die tijd was zo mogelijk nog intenser dan die voor de gewezen PVDA-kameraden.” En terecht! Het partijpolitieke gekonkelfoes vormt het dieptepunt in het leven van Van Duppen, maar ook in het boek. Hier had Louis Van Dievel toch wat meer mogen ingrijpen! Omgekeerd is het stuitend hoe omzichtig beiden rond het lidmaatschap van de loge heen walsen. ’t Is altijd hetzelfde, hé: “De loge? Die heeft niets te verbergen, mijnheer. Alleen mogen we er niks over zeggen. Maar er vàlt niks te zeggen, hoor, wees daar maar gerust in.” Een kieken zonder kop wie dààrin trapt! (*)

En dan gaat Van Duppen nog een stapje verder: in Rotterdam begon hij de boeken van Theodore Dalrymple te lezen, de Britse publicist die in Vlaanderen bekend werd gemaakt door Bart De Wever (N-VA). ‘Ik heb in de beginperiode in Rotterdam veel gehad aan Dalrymple. Geen van mijn linkse ideeën over de sociaal zwakkeren, verslaafden, illegalen, immigranten, moslims, asielzoekers bleek te kloppen met de werkelijkheid van Rotterdam Zuid. Dalrymple heeft een andere, betere verklaring voor wat er misliep dan “sociale achterstand”: het ging om sociale verslaving die aangekweekt werd en wordt door hulpverleners die goed willen doen, maar zich vooral goed willen voelen bij al dat goeddoen. De oorzaak bij de anderen, bij de samenleving leggen, dat is nu net marxisme.’

Naast Dalrymple verwijst Van Duppen ook naar niemand minder dan mijn oude leraar Miel Swillens! (p.363)

Toch weigert Van Duppen zijn eigen au-delà du marxisme te bestempelen als een ruk naar rechts. ‘Het is niet omdat ik vaststel dat het linkse gedachtegoed failliet is dat ik daarom rechts ben.’ Hij wil aan Knack een voorbeeld geven van een man die hem aangenaam heeft verrast. ‘Ik had onlangs een zeer ontroerende ervaring met een politicus die ik nog niet kende. Als burgemeester van Antwerpen heeft Bart De Wever aangeboden om de urne van mijn broer Dirk een plaats te geven op het burgerlijk ereperk van het Schoonselhof, dus tussen de mannen en vrouwen die tijdens hun leven iets voor Antwerpen hebben betekend. Ik bedankte hem per e-mail. Daarop schreef Bart De Wever volgend antwoord: “Ik verschilde erg met uw broer van mening, maar ik twijfelde nooit aan de oprechtheid van zijn engagement. Tevens heb ik hem op de gemeenteraad nooit een onvertogen woord horen spreken. Dirk had grote klasse als mens. Zijn plaats op het ereperk is dan ook meer dan verdiend.'”

Ronny De Schepper

(*) Zo’n honderd pagina’s na deze opwelling komt er effectief dan toch een hoofdstuk dat volledig is gewijd aan de loge. En ik geef toe: het is het meest openhartige dat ik al ooit over het onderwerp heb gelezen. Maar toch blijf ik me storen aan het wollige en dus verhullende taalgebruik. Eigenlijk blijft de kern overeind: het geheimhoudingsprincipe is in strijd met alle al dan niet goede voornemens van de instelling.

Referenties

Siegfried Bracke, Het virus heet Mea culpa, mea culpa, mea maxima culpa, Doorbraak 26/5/2020

Mathias Danneels, Deze dokter zal uw kameraad zijn, Doorbraak 8/6/2020

Fons Mariën, De leestips van Nonkel Fons (48)

Walter Pauli, Jan Van Duppen rekent af: ‘Intern had de PVDA alle kenmerken van een sekte’, Knack 27/5/2020

Een gedachte over “Louis Van Dievel wordt 65…

  1. Geachte heer Van Dievel
    Beste Louis

    Ik word er soms moe van, steeds te moeten uitleggen hoe de vork in de steel zit, dat in de woonzorgcentra zo hard gewerkt wordt om ouderen fijne dagen te bezorgen. Trouwens, ik kan je vermoedelijk evenveel voorbeelden geven van het tegenovergestelde, van mensen die mij zeggen: “Had ik maar vlugger gekomen, want thuis was het geen doen meer en hier herleef ik”. Maar wat mij vooral ter harte gaat is de steeds weerkerende “beschuldigende” toon. Alsof de woonzorgcentra het niet anders zouden willen. Maar dan moet de maatschappij andere keuzes maken en dat mag je ons niet kwalijk nemen. Uw bijdrage helpt dan ook niet de andere keuzes te maken maar legt de bal enkel in het kamp van de woonzorgcentra. En ja, ik erger mij ook aan sommige woonzorgcentra waar de kamer nog steeds te klein is, of waar bewoners behandelt worden als “onwaardige” mensen. Maar je kent de uitdrukking van het kind en het badwater ook wel, niet. Daarom, beste Louis, ben je steeds welkom om ons te bezoeken, om met ons het gesprek aan te gaan maar aarzel niet om jouw gedachten en voorstellen te formuleren op de website van “Zorg aan Zet”. Want de organisatie en de uitgangspunten van “zorg” moeten aangepast en aangepakt worden. En via een brede sensibilisering willen we de publieke opinie en de politieke agenda diets maken dat het anders moet en kan. Om zo aan uw wensen tegemoet te komen. Dat ouderen wel met hun scooter naar hun oude stek kunnen, dat mensen wel kunnen kiezen waar en wanneer ze hun pintje willen drinken. Een woonzorgcentrum kan de thuis niet vervangen, dat willen we ook niet. Wel proberen we de bewoners een thuisgevoel te geven, door in relatie te gaan met hen en zo die laatste dagen of jaren tot aangename en fijne dagen te maken. Een hart onder riem van al de medewerkers die elke dag zich inzetten, met de middelen die beschikbaar zijn, zou fijn zijn. Wil je, bij gelegenheid, daarover ook eens een opiniestuk schrijven. Ik kijk er naar uit.

    Met vriendelijke groet

    Luc De Wulf
    directeur
    woonzorgcentrum Home Sint-Jozef

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.