“Oh lamentable day!” Ik haal er heel toepasselijk Shakespeare bij (Romeo and Juliette) om mijn gemoedstoestand op dit moment te beschrijven. Deze morgen haal ik uit mijn brievenbus een doodsbrief die daar dus ipso facto reeds van gisteren moet hebben gezeten. Dat is sowieso altijd schrikken, maar toen ik hem opende was ik helemaal van de kaart. Miel Swillens – op zijn doodsbrief “Emile”, zoals hij zich in zijn latere leven inderdaad graag liet noemen – één van de mentors in mijn jonge leven, is “onverwachts (zeg dat wel!) van ons heengegaan te Zevergem op 14 augustus 2017″. Zo meldt ons zijn echtgenote Rhoda Sivewright. Wat hij in Zevergem zat te doen, weet ik niet, maar het was blijkbaar niet toevallig, want de kerkelijke uitvaart vindt eveneens plaats in Zevergem, meer bepaald in de parochiekerk op donderdag 24 augustus om 10.30 uur. Ik vermoed dus dat hij vrij recent naar daar is verhuisd en dat hij niet meer op het appartement in mijn buurt woonde. Ik ben hem dan ook al een tijdje niet meer tegengekomen, maar de laatste keer dat ik hem heb gezien liet alleszins niets vermoeden dat er iets met zijn gezondheid aan de hand was. Onderstaande tekst staat al sinds jaar en dag op mijn blog. Ik heb hem ongewijzigd gelaten. Hij gaat immers over de levende Miel Swillens en dat zal hij voor mij altijd zijn: alive and (softly) kicking

Emiel SwillensAls ik een soort van top tien zou samenstellen van mensen die mijn leven een bepaalde richting hebben gegeven, dan hoort Miel Swillens (°Sint-Niklaas, 26/11/1943) daar zeker bij. Miel is op dit moment één van mijn buren, maar dat kan natuurlijk nauwelijks een reden zijn waarom hij in die top tien zou thuishoren. Toen ik hier in zijn buurt ben komen wonen, was ik al dertig jaar en – hoe jammer deze vaststelling ook is – dan gebeurt er niet veel meer in je leven dat van enig belang is. De belangrijkste zaken gebeuren immers vóór je twintigste levensjaar – en dat is dan nog ruim gemeten (*).
Enkele dagen vóór mijn vijftiende verjaardag wandelde Miel Swillens mijn leven binnen. Nu, dàt is nog eens een ontvankelijke leeftijd om levensbepalende beslissingen te treffen. Dat heeft er ongetwijfeld mede toe bijgedragen dat hij zo’n belangrijke rol heeft gespeeld, want zelf is hij geneigd zijn bijdrage tot het reilen en zeilen in dit aardse tranendal te minimaliseren. Zoals b.v. mag blijken op de manier waarop hij zichzelf voorstelde op een bijeenkomst van oudgermanisten die in het teken stond van de woelige jaren zestig: “In tegenstelling tot Jean-Pierre Rondas, Johan Thielemans en Lieven Tavernier (de andere panelleden, RDS) ben ik een VOB, een Volslagen Onbekende Vlaming. Het was voor mij dan ook een grote verrassing toen ik door de Gentse Germanisten Bond voor deze gelegenheid werd aangezocht. Het moet zijn dat iemand van rijpere leeftijd de Bond getipt heeft dat ik in die lang vervlogen tijden, de sixties, een kortstondige en zeer efemere bekendheid heb genoten. Om te beginnen als zogenaamde Dylan-exegeet. Dit nadat ik in het Tliedboek een lang artikel had gepubliceerd waarin ik een duistere Dylantekst, Desolation Row, analyseerde en pretendeerde te begrijpen. Meer was daarvoor niet nodig. Vervolgens als tekstschrijver voor het toentertijd zeer populaire duo Miek en Roel (aangevuld met Roland). Geïnspireerd door mijn Amerikaanse idool had ik me immers ook zelf aan het schrijven gezet. Tot mijn verbazing gebeurt het nog wel eens dat een godvergeten zender mijn Verdronken Land van Saeftinghe draait. And the rest is silence …”
Dat laatste is zeer waar wat zijn bijdragen aan de kleinkunst betreft en in het geval van “Het Land van Nod” (**), zijn eigenste “Desolation Row”, is dat zeer ten onrechte. “Weleer heb je geleerd” is dan wellicht weer eerder een van die teksten waaraan hij nu liever niet wordt herinnerd. Maar toch ook wel ten onrechte, als hij o.a. mijn leven daarmee richting heeft gegeven.
Maar zover waren we nog niet in oktober 1966 toen Miel Swillens onze klas, de derde Latijn-Griekse in het Sint-Jozef-Klein-Seminarie in Sint-Niklaas dus binnenstapte. Hij had zijn thesis niet tijdig klaar gekregen en daarom hadden we nog een maand lang les gehad van een jongen die eigenlijk nog student was en mede daardoor (wegens de geringe afstand in leeftijd) door ons was geadopteerd. Hij weende toen hij een fles advocaat ter afscheid kreeg (na amper een maand lesgeven, dat moet wel een record zijn).
Was het daardoor dat de meesten in onze klas een beetje vijandig stonden tegenover de “indringer”? Voor mijzelf en nog een aantal anderen met Guido Hullebroeck op kop zou dit echter niet lang duren omdat wij werden ingepalmd door deze breekbare figuur. “Omdat Engel een wees was en zijn jeugdjaren omgaf met een droevige waas van eenzaamheid, vatte mijn moeder een tedere, bezorgde liefde voor hem op. Menigmaal diende ik het ouderlijk huis te verlaten met hoeveelheden kip, taart en versterkende kruidenthee, richting Eendenpark. ‘De arme jongen,’ jammerde Mammoesjka. Mijn vader zei: ‘Je kunt door hem heen kijken. Zo doorschijnend is hij.’ Waarlijk, Engel was breekbaar en klein. Een kleine goj was hij. Hij leek op Dylan en schiep behagen in die gelijkenis zoals hij met zijn verwarde haarbos en zijn jeans flodderend om een veel te mager lichaam leek weggestapt uit de hoes van Another side of Bob Dylan.” (Lieven Tavernier, Over Water, p.15)
Zelf was ik toen een fan van Donovan, zoals trouwe lezers stilaan wel weten, zodat ik met de Meester een haat-liefde-verhouding had. Dat wil zeggen, ik erkende wel dat Donovan zichzelf op Hem had gemodelleerd (naar Zijn beeld en gelijkenis) en daarom strekte die verering zich ook wel tot mezelf uit (in tegenstelling tot Miel hield ik vooral van de “elektrische” Dylan, die van “Like a rolling stone”, maar meer nog van “Positively 4th street”), maar aangezien Donovan door de Dylan-diehards werd werd weggehoond als een goedkope cloon, staken toch ook mijn stekels uit.
Nu, door zijn uiterlijk (zoals zo mooi beschreven door Lieven Tavernier) had Miel bij ons al de bijnaam “Bob Dylan” gekregen nog vooraleer we zelfs maar wisten dat hij inderdààd een Dylanoloog kon worden genoemd. Een voorbeeld van Miels analyse: “Dylan constateert de afwezigheid van een absolute zingeving voor het menselijke bestaan. Deze vaststelling is niet het gevolg van een rationele analyse, maar gebeurt aan de hand van concrete, alledaagse belevingswerkelijkheid. Het existentieel beleven van de zinloosheid van het bestaan kan zelfs gepaard gaan met het aanvaarden of vermoeden van een verborgen werkelijkheid”.
Echt interessant wordt Swillens evenwel wanneer hij in Dylan het prototype van de Proteusmens gaat zien. “De Proteusmens”, zo verklaart hij, “staat sceptisch tegenover elke vorm van maatschappij-ordening. Hij is er zich van bewust dat de mens om te kunnen leven behoefte heeft aan de wanorde van de verscheidenheid. De maatschappij wordt ervaren als een samenzwering tegen het individu. Het individu kan in de maatschappij met haar sterke druk tot conformeren niet volledig zichzelf zijn. De utopie van een volmaakte maatschappij-ordening wordt afgewezen omdat het volledige menszijn wordt beleefd als een orde waarin ruimte is voor de chaos en die plaats laat voor wanhoop, twijfel en gemis. Wie zijn medemens een Aards Paradijs voorspiegelt is een misleide en een misleider.”
Dat is dus Dylan? Een Proteusmens? Voor mij best! Maar dan sluit ik mij meteen aan bij de repliek die Etienne Verhoeyen in Tliedboek nr.27 van januari 1973 schreef op het artikel van Swillens: “Als Dylan beweert dat hij de maatschappij als een samenzwering tegen het individu ervaart kan ik hem niet tegenspreken. Maar hij heeft blijkbaar geen oog voor de contradictie die aan de basis ligt van deze samenleving: het kapitalisme (of althans de liberale ideologie) beweert het individueel initiatief en de individuele vrijheid te bevorderen, maar verstikt ze anderzijds en laat alleen de enige vrijheid toe waar ze op uit is, namelijk de economische.”
“Deze samenzwering van enkelen tegen velen moet verdwijnen. En ze zal niet verdwijnen door de liefde, en ook niet door een of andere metafysische redding. Het gaat er niet om te weten of DE maatschappij een samenzwering is tegen het individu; het gaat er wel om te weten WELKE maatschappij een samenzwering is tegen WELKE individuen. De kapitalistische maatschappij, waarin enkelen samenzweren tegen velen moet worden vervangen door een socialistische waarin deze velen zullen moeten samenzweren tegen deze enkelen (Aragon: “Contre les violents tourne la violence”). En dit is een gerechtvaardigde samenzwering. Maar daar komt Dylan lang niet aan toe: hij ligt met zijn lady in een big brass bed en laat spoon rijmen met moon. Waarmee ik niet wil zeggen dat liefde niet belangrijk is. Maar er de wereld door veranderen, neen.”

Maar goed, op die maand tijd was Miels voorganger er reeds in geslaagd ons een spreekbeurt op te leggen en ik had natuurlijk als onderwerp Donovan gekozen. Daarom ging het eerste gesprek dat ik me met Miel kan herinneren dààrover. Dat ik dat onderwerp al had gekozen vóór zijn komst en dat hij het geenszins als een provocatie mocht zien. Miel hoorde het in Keulen donderen, had ik de indruk.
Maar niet zo mijn medeleerlingen natuurlijk. Van zodra de naam “Bob Dylan” viel in mijn spreekbeurt, gierden zij het uit en stond de klas op zijn kop. Iets wat nog vaak zou gebeuren in de lessen van Miel. Iets té vaak allicht en op het einde van het jaar werd zijn contract niet verlengd, zoals dat in voetbaltermen heet. Voor hem is dit echter juist een zegen geweest. Hij vond werk vlakbij zijn deur (het Sint-Lievenscollege, nu dus ook vlakbij mijn deur) en hij maakte er zowaar carrière tot zijn pensioen, dat hij ondertussen heeft bereikt.
Het jaar nadien kreeg onze klas opnieuw een “groentje” voorgeschoteld, deze keer Eddy Alcock, iemand die later nog voor VTM en VT4 zal gaan werken en nadien op het kabinet Vandenbossche, waar hij even vlug (okt.’95) weer buiten was. Edwin Thoen, Guido Hullebroeck en de rest van ons groepje was van oordeel dat als een toffe pee als Miel het zo te verduren had gekregen, dat dit dan zeker ook het geval moest zijn met deze nieuweling, die helemaal niet op onze sympathie kon rekenen. Een andere groep, aangevoerd door Patrick Van Buyten (de latere baas van de EPO-uitgeverij toen deze nog onverbloemd maoïstisch was) nam het echter op voor ’t Konijn (zoals Alcocks bijnaam luidde) en zo ontstond er een tweespalt in onze klas dat nooit meer zal worden gedicht (***), met als gevolg dat er dat jaar zelfs geen klasfoto werd genomen omdat onze klastitularis (de Lambik) vond dat dit toch maar een vals beeld zou schetsen.
Op die manier ben ik opnieuw in contact gekomen met Miel Swillens. Ik schreef namelijk een brief, waarin ik hem namens de hele klas onze verontschuldigingen aanbood voor wat er was voorgevallen. Die brief werd als ik me niet vergis inderdaad door heel de klas ondertekend, wellicht de laatste manifestatie van eensgezindheid. Op 7 september 1967 schreef Miel mij het volgende antwoord. Ik hoop dat hij er meer dan veertig jaar na datum geen bezwaar meer tegen heeft dat ik deze brief hier aan de openbaarheid prijsgeef (het is uiteraard als een hommage bedoeld), alhoewel hij zijn brief destijds afsloot met een P.S. waarin hij me vroeg “om allerlei begrijpelijke redenen zou ik het ten zeerste op prijs stellen indien u deze brief buiten de klas en zelfs buiten de school zoudt willen houden”. Toén heb ik dat overigens inderdaad gedaan, waardoor ik me het verwijt van enkele medeleerlingen op de hals haalde dat we weliswaar samen een brief hadden geschreven, maar dat ik het antwoord enkel voor mezelf hield. Nou ja, hier komt dan alsnog deze Wiedergutmachung:
“In de weemoedige stemming die mij rond deze tijd van het jaar steeds overvalt, was jouw brief als een wat late lentezwaluw. Ik meen te mogen zeggen dat hij mij ontroerd heeft. Indien er echter iemand zijn verontschuldigingen moet aanbieden voor wat er vorig jaar gebeurd is, dan ben ik dat. Ik heb weliswaar getracht een vriend te zijn en geen heerser, maar ik meen dat ik gefaald heb, eerst als vriend en later ook als – zij het een wat potsierlijke – heerser. Omwille van mijn falen als vriend bied ik echter mijn verontschuldigingen aan. Uw brief heeft er mij echter bewust van gemaakt dat ik ergens toch niet helemaal gefaald heb. En dat is ook al veel…”
“Ik wijd mij nu te Gent aan mijn geliefkoosde bezigheden: de meditatie, de psychoanalyse, de theorieën van Maharishi Mahesh, de geschriften van de jonge Marx, de muziek van Stockhausen en het poëtisch oeuvre van Bob Dylan. Af en toe lokt een wonderlijk mooi weertje me wel eens naar buiten en maak ik een verkwikkelijke tocht langs de groenomzoomde Leieboorden, daarbij nadenkend over de wisselvalligheden van het leven en het oude gezegde van de profeet: alles is ijdel.”
“Mijn levenspad heeft zich voorgoed van de stad Sint-Niklaas verwijderd. De wereld is mooi en groot. En zoals Don Quichote weleer moet ik nu weer elders avonturen gaan beleven. De wereld der ‘volwassenen’ kent geen mededogen. Misschien zullen onze wegen zich nog wel eens kruisen en zal ik dan in staat zijn u eens persoonlijk te danken voor deze – overigens brilliant geschreven – brief. Ik dank ook al uw klasgenoten voor hun blijken van sympathie. Een mooi gebaar is veel…”

Uiteraard voelde ik me door dit schrijven aangemoedigd om de correspondentie verder te zetten. Van mijn eigen brieven heb ik geen dubbels behouden, maar die van Miel heb ik nog steeds. Op 25 oktober 1967 schreef hij mij het volgende:
“Hier volgen enkele rechtzettingen in verband met mijn artistieke activiteiten. Ik heb inderdaad een tekst geschreven voor de onlangs verschenen L.P. van Miek, Roel en Roland. Samen met mijn vriend Miel Appelmans en Niki Bovendaerde behoor ik zowat tot de vaste tekstschrijvers van het duo. Om zelf op de scène te kruipen heb ik echter de moed nog niet gehad. Mijn vrienden beweren bovendien dat mijn stemgeluid sterk doet denken aan het gehuil van een eenzame coyote in de prairie. Daarvoor is men hier nog niet rijp…”
“Dat ik hoofdredacteur zou zijn van een kabarettijdschrift is fout. Wel ben ik redacteur (gewoon redacteur) van Tliedboek, ‘een kritisch en informatief tijdschrift voor volks- en luisterlied’, waarin hoofdzakelijk over folksong en chanson wordt gehandeld.”
“Ik waardeer ten zeerste, Ronny, uw belangstelling voor het moderne luisterlied in binnen- en buitenland. Poëzie zingen is een vorm van oprecht zijn. En daaraan heeft onze vaak leugenachtige tijd een grote nood… Poëzie zingen is ook schoonheid scheppen. En daaraan heeft deze zo vaak lelijke tijd ook grote nood… Poëzie zingen is met de andere mensen in contact treden. En daaraan heeft deze zo vaak eenzame tijd ook grote nood…”
“In het kleine Vlaanderen zullen onze wegen zich zeker wel eens kruisen, tot zolang wens ik u verder het allerbeste toe.”

De volgende brief ontbreekt. Ik had Miel namelijk geschreven dat ik burgerdienst wou doen en ik had hem een contactadres gevraagd. Hij had mij het adres doorgegeven van Sieg Vandecruys, maar aangezien het briefgeheim niet heilig was ten huize De Schepper werd deze brief vernietigd. Daarop liet ik Miel voortaan naar mijn “manager” schrijven. Dat was dan Etienne Van Damme, lid van de Blommenkinders (zie elders op deze blog), en ikzelf liet me Ron Dovan noemen. De volgende brief van Miel, gedateerd op 17 december 1967, begint dan ook als volgt:
“Mijn beste Ron,
Ten gevolgen van allerlei omstandigheden antwoord ik pas nu op uw brief. Voor mij is het jaar dat ik op uw college heb doorgebracht nog slechts een vage en trieste herinnering. Het moet toegegeven worden: als leraar ben ik een complete mislukking geweest. Slechts enkele mensen en meer in het bijzonder uzelf zijn in staat geweest te zien dat het ook heel anders had gekund en hebben in mij ook meer gezien dan de potsierlijke figuur die ik daar heb moeten uitbeelden. Daarvoor ben ik hen en meer in het speciaal u dankbaar. Het is trouwens de enige goede herinnering die ik aan die tijd heb. Het heeft mij werkelijk geschokt te vernemen dat ik nu met alle zonden van Israel word beladen. Zo groot kan mijn invloed – zelfs mijn slechte – toch niet geweest zijn! Maar ja, een zondebok is vlug gevonden en anderzijds, helemaal ongelijk hebben die mensen nu ook weer niet: veel Engels of Duits zullen jullie bij mij wel niet geleerd hebben. Maar zand over dat alles nu… Daar u over een manager blijkt te beschikken, vermoed ik dat u zich op muzikaal gebied aan het wagen zijt. Schrijf mij daar eens wat meer over.”

Dat kón ik uiteraard niet en vandaar dat de correspondentie zich plotseling naar 8 februari 1969 verplaatst en dat met een sensationele mededeling:
“Hierbij nodig ik jullie dus officieel uit bij mij thuis in Gent. Jullie zijn van harte welkom. Ook de derde man. Van 14 tot 18 februari hebben jullie dus verlof (Miel bedoelt “vakantie”, maar hij is – in tegenstelling tot mij dus – wél militair geweest, vandaar misschien?). De ideale dag voor mij zou a.s. zondag 16 februari zijn. Indien deze datum ook voor jullie past, zou dat fijn zijn. Zo niet, laat mij dan weten wanneer jullie wél kunnen komen. Vooropgesteld dat jullie met de datum akkoord gaan, verwacht ik jullie zondagnamiddag, laten we zeggen tussen twee en drie. Schrijf mij nog een kort woordje ter bevestiging of ontkenning.”
Hierna ben ik Miel inderdaad samen met Guido Hullebroeck (en zonder “derde man”, whoever that may have been, misschien Chris Hectors?) gaan opzoeken voor een beleefdheidsbezoek. Miel woonde toen niet meer aan het “Eendenpark” en nóg niet aan de Oude Beestenmarkt, maar in het fameuze Jodenstraatje. Guido had zich toen ook al op het tekstschrijven gestort en wou vooral het advies inwinnen van een professional. Dat blijkt ook uit de volgende brief, die van 30 maart 1969 dateert:
“Beste Ronny,
Ik dank u oprecht voor uw vriendelijke brief. Morgen vertrek ik voor één week naar Londen, met mijn leerlingen. Zodra ik terug ben zal ik een hoop informatie bij elkaar zoeken in verband met de Germaanse Filologie enz. en u die opzenden. Ik ben trouwens blij te vernemen dat u naar Gent komt studeren. Ik denk dat dit een zeer goede beslissing is. Bovendien hoeft dit verdere ambities (“droomcarrière”) niet in de weg te staan, wel integendeel.
Ik zal u graag verder behulpzaam zijn bij uw overschakeling naar de universiteit. Ik dank u en Guido ook voor het overbrengen van mijn groeten aan de heer Coupé. Wat dat interview voor ‘Ic Hou’ betreft, daartoe ben ik graag bereid, schriftelijk of persoonlijk. Ik heb nog geen tijd gevonden om Guido een brief te sturen in verband met zijn gedichten. Wel heb ik ze met de meeste aandacht gelezen. En weldra zal ik hem een brief sturen. Indien het mogelijk is, zou ik niet aarzelen ze te laten publiceren.
Ik wens u ook veel succes met uw dia-film. Ook indien mijn brieven op zich laten wachten, aarzel niet mij te schrijven. Wat Guido betreft, indien hij naar Gent wenst te komen, is hij altijd welkom. Dit geldt vanzelfsprekend ook voor u.”

Die dia-film waarover Miel het heeft, is de “verfilming” van mijn roman “Zijn eerste opdracht”, waarover ik het elders op deze blog uitgebreid heb. Het interview dat in “Ic Hou” is gepubliceerd werd uiteindelijk per brief afgenomen en volgens Tom Ronsse heeft hij die vragen toen trouwens samen met Miel beantwoord.
– Dit vraaggesprek is tot stand gekomen, grotendeels naar aanleiding van uw activiteit op het gebied van het chanson. U hebt reeds enige liederteksten geschreven. Wilt u er enige noemen en wat u zelf het meest en minst geslaagd vindt?
M.S.:
Wat mijn liederteksten betreft, Miek en Roel zingen enkele, reeds oudere teksten: “Weleer heb je geleerd”, “De Rattenkoning”, “De Pelgrim”, “Klaagliedje” en “Solo Slim”. Persoonlijk vind ik “Klaagliedje” het best geslaagd; “Solo Slim”, dat met commerciële bedoelingen werd geschreven (een T.V.-programma), het minst.
– De geruchten gaan dat u moraal studeert, zijn deze gegrondvest?
M.S.:
Ik ben inderdaad nog steeds ingeschreven aan de Gentse universiteit, waarvoor juist kan ik me niet meer herinneren.
– Neemt de moraal een voorname plaats in in uw liederteksten?
M.S.:
Ik meen dat mijn liederen een grote betrokkenheid verraden bij datgene wat er rondom mij gebeurt. Ik voel mij ergens medeverantwoordelijk. Dit wil niet zeggen dat ik slogans op rijm zet. Hoe mijn liederen juist ontstaan weet ik niet. Mijn gedichten zijn als bedelaars die aan mijn voordeur kloppen. Ik laat ze binnen en geef hen enkele kledingstukken, zodat ze een beetje op mij gaan gelijken. Daarna laat ik ze langs de achterdeur weer buiten. Veel meer kan ik hierover niet zeggen.
– Hoe bent u in contact gekomen met Miek en Roel en hoe is het verder geëvolueerd?
M.S.:
Dit gebeurde dank zij mijn vriend Miel Appelmans, die een “sing-in” had georganiseerd. Daar leerde ik Miek en Roel kennen. Het was de tijd van Zwartberg. Wij schreven samen een tekst voor hen over de uitbuiting van de mijnwerkers. en zo begon het…
– Hebt u iets te maken met de herrie rond Roland?
M.S.:
Herrie rond Roland? Er is altijd herrie rond Roland.
– Kunt u iets vertellen over de sfeer die rond de personen van Miek en Roel hangt?
M.S.:
Zij hebben hun sfeer. Ik de mijne.
– Inspireert Bob Dylan u bij het schrijven van teksten, of misschien iemand anders?
M.S.:
Ik denk dat Bob Dylan een grote invloed uitoefent op al wie met hem kennis maakt. Waarschijnlijk zoiets als Shakespeare of Franz Kafka. Trouwens als men zijn ogen en zijn oren openhoudt, wordt men de ganse dag door beïnvloed.
– Hebt u nog andere literaire activiteiten op uw programma?
M.S.:
De Nobelprijs winnen. Op het ogenblik ben ik een kortverhaal aan het schrijven.
– Hebt u andere ambities, b.v. op muzikaal gebied, gitaar…?
M.S.:
Geen ambities, wel plannen. Ik oefen dagelijks de stem. Gorgelen en nog eens gorgelen. Soms een beetje vuurspuwen.
– Wat denkt u over de kleinkunst van bij ons?
M.S.:
Nog heel klein. Terloops gezegd, ik vind “kleinkunst” een afschuwelijk woord. Het doet me denken aan een zandbak voor artistieke mislukkelingen. Waar het om gaat is poëzie, gezongen poëzie (trouwens de oudste vorm van poëzie) en die dank zij de techniek naar de mensen wordt gebracht. Daar ligt trouwens volgens mij de toekomst van de poëzie. De poëzie die lag te zieltogen in de stoffige bundeltjes van een handvol intellectuelen, begint weer te leven. Ze heeft nog een ganse wereld te veroveren. Liedjes maken over “bloemekens, vlinderkens en meidekens” is natuurlijk een klein kunstje. In die zin bestaat er “kleinkunst”.
– Speelt Tliedboek hierbij een rol?
M.S.:
Tliedboek wil de Vlaamse poëzie helpen volwassen maken. Het wil de enge Vlaamse raampjes eens wijd opengooien en kijken wat er in het buitenland zoal gebeurt. Wij hebben immers nog veel te leren.
– Hebt u geen gevoelen van “heimwee” naar de omgeving waarin u vroeger werkzaam waart, nl. het college. Of zijn de voorwaarden in Gent beter voor u?
M.S.:
Ik hou zielsveel van Gent. Sint-Niklaas en het college liggen samen met zovele andere dingen op de rommelzolder van mijn herinnering.
– Hebt u geen bepaalde “typische” herinneringen aan onze school?
M.S.:
Typische herinneringen? Ik vond de W.C.’s nogal vuil in mijn tijd. Wat de moeilijkheden betreft die ik als jong leraar ondervond, dat had ook iets met het volgende te maken. Het onderwijs maakt momenteel een overgangsperiode door. De overschakeling van de oude autoritaire structuren naar meer democratische schept bepaalde problemen. De leraar kan zich niet meer achter zijn autoriteit verbergen. De jonge leraar heeft geen bescherming en staat tussen twee vuren. Gelukkig is de ervaring een lamp die zijn drager verlicht. Iedereen moet leergeld betalen. De ene al wat meer dan de andere.
– U hebt uw licentiaatsthesis gemaakt over priester Daens, is deze uitgegeven en wat heeft u geïnspireerd of aangegrepen om deze te schrijven?
M.S.:
Ik heb mijn licentiaatsverhandeling niet over priester Daens geschreven, wel over zijn linkerhand (ook in de politieke betekenis van het woord) Hector Plancquaert, tevens auteur van enkele merkwaardige toneelstukken en romans. Ik heb nog geen uitgever gevonden.
– Staat u kritisch tegenover de studentenrevoltes of hebt u, die zelf nog met de studenten meeleeft, er reeds aan deelgenomen?
M.S.:
Ik sta kritisch tegenover de studentenrevolte, maar meer nog tegenover diegenen die haar zonder meer afkeuren en nog meer tegenover de maatschappelijke structuren die haar veroorzaken.
– Hoopt u ooit nog eens in contact te komen met bepaalde personages van het college of met haar gehele omgeving zelf?
M.S.:
Men keert niet op zijn stappen terug. Dat is zinloos. Velen zou ik echter nog wel eens willen weerzien.
Ik kan me niet herinneren dat ik Miel in die tijd nog heb weergezien, zelfs niet in de periode dat ik in Gent studeerde. Dat heeft nochtans aan een zijden draadje gehangen, want eerst wilden mijn ouders mij in Antwerpen laten inschrijven, omdat ik dan dagelijks op en af zou rijden, in tegenstelling tot Gent waar ik op kot zou gaan. Het zou uiteindelijk toch Gent worden, maar zelfs in de zomer was dat nog niet zo, zoals mag blijken uit een brief van Miel, gedateerd op 15 juni 1969:
“Beste Ronny,
Ik begrijp dat je het betreurt volgend jaar niet naar Gent te kunnen komen. Een drama zou ik er echter niet van maken. Wat je ervan maakt, hangt toch grotendeels van jezelf af. In het begin zal je je vrienden (‘de vrienden van vroeger’) wel missen, maar je vindt er vast wel nieuwe. Ik wens je alvast veel succes in Antwerpen.
Wat mezelf betreft, op 1 juli moet ik naar het leger. Ik vrees dan ook dat er van jullie bezoek niet veel meer in huis zal komen. Op het ogenblik zitten jullie immers midden in de eindexamens. Indien jullie toch nog kunnen komen (eind juni bijvoorbeeld), schrijf me dan een briefje. Jullie zijn altijd van harte welkom. Ik vrees dat je me nu toch wel als een ‘verrader’ zult beschouwen, nu ik – ondanks mijn principes – toch naar het leger ga. Wat ik als verdediging zou willen zeggen en wat ik ook in het bewuste interview bedoelde, is het volgende. Indien ik de keuze had, zou ik natuurlijk niet gaan. Maar er is geen echt alternatief. ‘Liedekerke’ is volgens mij een schijnoplossing. Daar zitten de pacifistische ‘zonderlingen’ netjes geïsoleerd. Ze zijn daar volkomen ongevaarlijk. Ik denk dat men in het leger meer kan doen, kwestie van beïnvloeding enz. Een vriend van mij die dienstweigeraar is, denkt er nu ook zo over. Stel je voor dat alle antimilitaristen het leger zouden verlaten, dan bleef er nog slechts een fascistoïde bende over. Zijn de linksen daarom niet tegen een beroepsleger? Studentenleider Paul Goossens gaat om die reden trouwens ook naar het leger. Drie jaar in de brousse of in de sloppen van Algiers, daartoe ben ik psychologisch niet in staat. En bovendien steun je dan ook – ondanks jezelf – de heersende kliek.
Wat je muzikale evolutie betreft, ik denk dat die vrij normaal is. Je lijkt momenteel meer te worden aangesproken door het ritmische dan door het melodische en het poëtische. Ik denk dat men in zijn smaak echter niet exclusief mag zijn. Men moet het goede op alle gebied kunnen waarderen.
Tot zover dit vrij slordige briefje. Ik sluit nu maar en ga weer aan het werk: een stapel examens ligt ongeduldig te wachten. Doe mijn groeten aan je vrienden.”

Naar aanleiding van het verschijnen van de LP “Desire” van Bob Dylan had iemand van Tliedboek (ik heb enkel maar de eerste pagina, zodat ik niet weet wie de interviewer is, uit de reactie van Miel – zie verder – meen ik echter te mogen afleiden dat het om André De Bruyn gaat) een gesprek met “oud-medewerker Miel Swillens die indertijd in ons blad enkele opvallende artikelen over Bob Dylan heeft geschreven.”
– Om met de deur in huis te vallen: wat is jouw oordeel over Dylan’s nieuwe LP, “Desire”?
M.S.
: Ik vind “Desire” een buitengewone plaat! Ik weet het, dit klinkt als een cliché, om de heel eenvoudige reden dat het inderdaad een cliché is. Bepaalde dingen in het leven kan men echter niet anders dan met clichés uitdrukken. “Ik hou van jou”, bijvoorbeeld, is een geweldig maar moeilijk vervangbaar cliché. Om ook dit cliché te gebruiken: ik hou van deze plaat.
– Waarom?
M.S.
: Ha, daar begint het… Ik bedoel het uiteenrafelen. Wie was het ook weer? … William Wordsworth, geloof ik, die zei: “We vermoorden om te kunnen ontleden.” Tot dat soort “moordenaars” wens ik niet langer te behoren. Ik heb er een hekel aan gekregen “het bleke licht van het intellect” te werpen op “a thing of beauty”.
– Jij vindt dus dat kritiek, een kritische plaatbespreking bijvoorbeeld, geen zin heeft?
M.S.
: Inderdaad, wat mijzelf betreft althans. Dat didactische naturen hierin echter een stukje levensvervulling zien, begrijp ik best. Ik heb immers net hetzelfde gedacht in de jaren zestig. Dat waren de grote jaren van de didactiek. Wij hadden toen net in alternatieve radioprogrammaatjes allerlei nonconformistische, zingende poëten ontdekt en trachtten dezen, vaak ook om politieke redenen, bij een groter publiek bekend en geliefd te maken. Wij waren toen als roependen in een woestijn. Deze woestijn is echter ondertussen al erg dicht bevolkt geworden. Vele van de obscure zangertjes van toen zijn uitgegroeid tot vedetten van wereldformaat. Bob Dylan wel in de eerste plaats. En dat is goed zo. Bekeerijver ligt helemaal niet in mijn lijn. Ik luister tegenwoordig liever een beetje dan te pogen mijn ideetjes te verbaliseren.”
Dit gesprek werd blijkbaar gevolgd door een slotbeschouwing en het nummer bevatte o.m. ook nog een zeer geestig stuk van Lieven Tavernier over Miel, zodat deze zich genoopt zag te reageren in een volgend nummer (deze keer ben ik de beginpagina kwijt, dus exacte verwijzingen kan ik niet geven): “Hoe André erin slaagt uit mijn bewering dat ik tegenwoordig geen zin heb mijn ideeën over muziek te verbaliseren (door b.v. platenkritieken te schrijven), af te leiden dat ik een tegenstander van nadenken zou zijn geworden, is me een raadsel. André’s demagogisch gezeul met het nazisme in dat verband (dé cliché-beschuldiging van onze tijd als men een tegenstander wil vloeren), zullen we maar met de mantel der vriendschap toedekken. Het is werkelijk al te gek. Ik zou nu echter toch even de vraag willen stellen waar deze agressieve instelling te mijnen opzichte vandaan komt. Immers, de aanval van André De Bruyn staat niet alleen. Sedert ik geen artikels meer publiceer, niet meer in alternatieve kroegen verschijn enz., word ik door de redacteurs van Tliedboek blijkbaar beschouwd als een schrikwekkend voorbeeld van verburgerlijking en geestelijke stagnatie. Typisch voor deze geesteshouding was het Tlieverdje in vorig nummer, waarin mijn goede vriend Lieven Tavernier er zelfs niet voor terugschrok me af te schilderen als reeds dood en begraven! Waar heb ik het verdiend?”
En hij geeft zelf een mogelijke verklaring: “Is dit misschien de verklaring voor Tliedboeks houding te mijnen opzichte: een geheime vrees dat ik andersdenkend geworden ben? Een vermoeden dat ik het ‘progressieve’ kamp de rug heb toegekeerd? Een stiekeme angst dat ik als afvallige het geloof van anderen aan het wankelen zou brengen?”
Enfin, de “verklaring” is dan wel in vraagvorm gesteld, maar blijkbaar zijn het retorische vragen, want Miel gaat zelf verder: “Het is inderdaad zo dat mijn opvattingen en die van Tliedboek in de laatste jaren sterk uit elkaar zijn gegroeid.”
En om dit te verduidelijken geeft hij een uitgebreide robotfoto van wat hij beschouwt als de opvattingen van de doorsnee-Liedboeker. Alhoewel ik die robotfoto hoogst vermakelijk vind, ga ik hem toch niet helemaal weergeven, ook al is het interessant te weten dat ik op dat moment ook deel uitmaak van de TL-redactie. Toch een paar geestige (en daarom niet minder waarheidsgetrouwe) fragmenten: “De Liedboeker koester een groot wantrouwen t.o.v. het irrationele; hij beschouwt het zelfs als een glijbaan naar het fascisme. (…) Een grondige kennis van ’t marxisme ligt meestal niet aan de basis van zijn opvattingen. (…) De klassieke muziek, vooral de grote Europese muziek van Bach en Mahler en Richard Strauss, valt bijna geheel buiten het gezichtsterrein van de Liedboeker. (…) De Liedboeker beschouwt de klassieke muziek (waarvan hij behalve een handvol namen praktisch niets weet, een Johan Thielemans uitgezonderd) als het jachtterrein van de bourgeoisie. Vandaar ook zijn afkeer van het Festival van Vlaanderen en van BRT-3. Hij verkiest de alternatieve snobs op de Gentse Feesten verre boven de traditionele snobs op het Festival van Vlaanderen (…) Tenslotte koestert hij ook een diepe angst ouder en burgerlijker te worden, om de zeer eenvoudige reden dat hij reeds een hele tijd bezig is dit te worden. (…) Hij vertegenwoordigt de linkse variante op het consumptiemaatschappij-menstype. En dat is ook de reden waarom ik me van hem distancieer. Zijn levenshouding is fundamenteel hedonistisch. Zijn hedonisme is evenzeer het product van onze consumptiemaatschappij als dat (minder subtiel in zijn uitingen) van de van racewagens en kleurenteevees dromende kleinburger. (…) Naar mijn mening echter jaagt men een hersenschim na wanneer men ernaar streeft de wereld om te vormen tot een egalitair hedonistisch paradijs. Niet alleen beschouw ik de verwezenlijking van dit Utopia als onmogelijk, maar ook als niet wenselijk. Dat de mens niet gelukkig wordt door het geluk (wat in de praktijk meestal neerkomt op de arrogante bevrediging van een ongebreidelde genotzucht) na te streven, wordt duidelijk bewezen in de wereld rondom ons. (…) Naar mijn mening dient de oplossing gezocht in de verkenning van de metafysische dimensie van het bestaan. (…) Hoopvol stemt alleszins de hernieuwde belangstelling voor astrologie, mystiek, de Kabbala, de Bijbel, alchemie, parapsychologie enz.”
Miel is alleszins consequent geweest met zichzelf, zodat hij nu, meer dan dertig jaar later, vooral actief is in het tijdschrift Tertio, een blad voor “christelijke denkers”, wat ikzelf tot hiertoe een behoorlijk rechts blad heb genoemd. In een van onze talrijke “straatinterviews” was Miel niet gelukkig met die kwalificatie, ook niet als ik het voornamelijk argumenteer vanuit het bekende marxistische beginsel dat “godsdienst opium is voor het volk”. Ik persoonlijk vind echter het voornaamste nog altijd dat ik Miel nog steeds graag tegenkom en steeds met belangstelling naar zijn opvattingen luister, ook al zijn die ondertussen mijlenver van de mijne verwijderd.
In het nummer 369 van 7 maart 2007 heeft Miel het b.v. over “de moeilijke relatie tussen intelligentsia en democratie” en “het verraad van de intellectuelen”. Hij bekritiseert hierin de linkse mei ‘68-intellectuelen in onze samenleving, waartoe hijzelf nog heeft behoord. Dat is op het moment bon ton (“Het moment nadert waarop je nog beter fout in de oorlog geweest kan zijn dan een mei-achtenzestiger,” zegt Jan Leyers in Humo van 6/12/2005), maar de kritiek van Miel Swillens gaat toch in een andere richting. Volgens hem monopoliseren de 68’ers het maatschappelijk debat en bepalen hoe moet worden gedacht. Bovendien zijn ze allang niet meer de pleitbezorgers van de democratie.
“De westerse democratieën, waarvan de VS de grootste en de machtigste zijn,”schrijft Miel, “zijn niet volmaakt. Ze vertonen heel wat tekortkomingen, maar vormen desalniettemin een unieke combinatie van vrijheid en welvaart zoals de wereld er nog geen heeft gekend. Het zijn bovendien fatsoenlijke samenlevingen met respect voor mensenrechten, gelijkheid van man en vrouw, vrije meningsuiting, enzovoort.”
Ik geloof mijn oren (of zijn het mijn ogen?) niet, maar Miel gaat nog verder: “Precies die democratieën zijn evenwel het mikpunt van allerlei dromers van een radicale tabula rasa, met als laatsten in de rij de islamisten. Het was trouwens de vernietiging van de Twin Towers door religieuze fanatici die de intelligentsia inspireerde tot een nieuwe virulente campagne tegen de VS. Meteen na 9/11 namen radicale intellectuelen de verdediging van het islamitische extremisme op zich en begonnen ze de terreuraanslagen te vergoelijken. Zo ontstond een merkwaardig bondgenootschap tussen politiek-religieuze obscurantisten en de zelfverklaarde progressieve voorhoede van de mensheid. Met hetzelfde gemak en dezelfde vanzelfsprekendheid waarmee ze sympathiseerden met stalinisme en maoïsme, sympathiseren radicale intellectuelen vandaag met het islamisme.”
Om het met een understatement te zeggen: een merkwaardige analyse, maar Miel gaat nóg verder: “Bevrijd van de negatieve bewijslast die werd gevormd door het reële socialisme in de Sovjet-Unie en elders in de wereld, is de intelligentsia aan een stille rehabilitatie van dat verleden begonnen. Het ziet ernaar uit dat binnen afzienbare tijd het communistische experiment de status zal verwerven van een in een romantisch waas gehulde mythe, van een mooie, ten onrechte mislukte droom in plaats van de nachtmerrie die het is geweest.”
Hij schildert het af als een “nachtmerrie”, voor mij zou het eerder een droom zijn, maar helaas zie ik het nog niet zo vlug gebeuren. Maar goed, wat mij vooral verwonderde was het feit dat Miel zo in religie was geïnteresseerd en wat dàt betreft had ik toch beter moeten weten. Uit zijn repliek op de kritiek van Etienne Verhoeyen in datzelfde Liedboek nr.27 had ik dit immers al kunnen afleiden: “Ideologie is de godsdienst van de twintigste eeuw en deze godsdienst wordt met niet minder fanatisme en verblinding beleden als zijn in diskrediet geraakte voorgangers. Wij beleven de eeuw van de ideologische ‘godsdienstoorlogen’. Alle agressors van onze tijd doen een beroep op een ideologische motivering om hun agressie te rechtvaardigen. (…) Met andere woorden gezegd, beste Etienne, het uitgangspunt van Uw denken is de marxistische ideologie, ik daarentegen verwerp ieder ideologisch uitgangspunt.”
In zijn kritiek op de houding van sommige – al lijkt het in het manicheïstische denken (****) van Miel eerder “de” – intelligentsia tegenover christendom en islam (Tertio 380, 23 mei 2007) kan ik me dan weer wél vinden. Onder de titel ‘Geplet tussen laïcisme en multiculturalisme’ argumenteert hij dat “de” intelligentsia “in verwarring verkeert en tegenstrijdige signalen uitzendt. Het hoofddoekendebat is daarvan een goed voorbeeld. Laïcisme en multiculturalisme botsen hier frontaal met elkaar. Er wordt geschipperd tussen een totaal verbod (in overheidsdiensten), een minimaal verbod (geen hoofddoek aan het loket) en het algeheel toestaan. Feministen wringen zich in allerlei bochten en betogen dat de hoofddoek – en diverse verhullende kledij – geen teken is van onderdrukking, maar van emancipatie van de vrouw.”

Ronny De Schepper

(*) Ik schrik er meestal van terug om mezelf te vergelijken met Alan Alexander Milne, de vreselijke man waarover ik mijn licentiaatsverhandeling heb gemaakt. Hier moet ik hem echter bijtreden, wanneer hij uitlegt waarom hij zijn autobiografie de titel “It’s too late now” heeft meegegeven: “It means that heredity and environment make the child and the child makes the man, and the man makes the writer; so that it is too late now – it was probably too late forty years ago – for me to be a different writer. I say this neither regretfully nor complacently, I state it as a fact.” (p.X)
(**) In de bijbel trekt Kaïn naar “het land Nod, ten oosten van Eden” (Gen. 4:16). Nod is echter Hebreeuws voor “zwervende”, wat kennelijk impliceert dat met dit woord niet de naam van een land wordt bedoeld, maar de doelloosheid waarmee Kaïn in eerste instantie de wereld in trok.
(***) Alles is relatief: Patrick Van Buyten is wel diegene die me heeft laten kennismaken met de muziek van John Mayall en zijn Bluesbreakers.
(****) Merkwaardig is dat in de reeds genoemde repliek in Tliedboek Miel dat manicheïstische denken juist bij Karl Marx legt: “Het is deze oude manicheistische ketterij, die Marx in zijn dramatische bewerking van de wereldgeschiedenis met als hoofdvertolkers de snode kapitalist en de koene proletariër heeft binnengebracht, die ik niet aanvaard.” Maar in zijn verdere analyse vinden wij elkaar dan toch weer terug: “De antithese de goede mens (resp. proletariër) tegenover de slechte maatschappij, die vertrekt bij Rousseau en door Marx werd overgenomen, is een naïeve misvatting.” Precies dezelfde analyse die ikzelf maak als ik me afvraag waarom het marxisme heeft gefaald. Maar de religieuze dimensie van Miels denken komt dan weer tot uiting in de conclusie die hij trekt: “Ik kan dus, beste Etienne, het marxisme slechts aanvaarden als een tijdelijke praktische strijdmethode tegen onrecht en verdrukking, maar niet als ideologie, niet als levensvisie. Uiteindelijk zegt het marxisme mij niet veel over de zin en het wezen van de werkelijkheid en van mijn bestaan.”

Referentie
Miel Swillens, Mao of Dylan, Tliedboek nr.26, oktober 1972.
Miel Swillens, Dylans “Desire”: de oude grootmeester over de oude grootmeester, Tliedboek nr.39, februari 1977

6 gedachtes over “Emile Swillens (1943-2017)

  1. Hoi Ronny,
    steeds spijt gehad dat ik niet tot uw intellectueel kliekje heb behoord.
    ik steek het nog steeds op het intern zijn en op mijn zeer conservatieve boerenafkomst;
    ik heb altijd en nu nog met oogkleppen rondgelopen …
    Riebbels Marc

    Liked by 1 persoon

  2. Ronny, of Ron Dovan?
    Ik heb Facebook tot nu toe afgehouden.
    Ik zal eens vragen aan onze Willem hoe dat moet.
    Ik heb die foto’s eens bekeken op opajournalist of zoiets?
    Ik heb daar op twee of drie klasfoto’s mijzelf herkend, ik heb die foto’s niet meer.
    Maar gelijk gij al de groten der aarde (Vlaanderen) hebt geinterviewd, raar dat uw naam niet meer in de pers is gekomen.
    Gans dat gedoe met Miel Swillens, dat heb ik nooit geweten…
    Ik had altijd het gevoel dat ik er niet bij hoorde, in feite nergens niet.
    De enige mensen waar ik meer omging ten tijde van het college was Etienne Eeckhout, Roland Hiel en De Dijcker (voornaam?)Ook met Armand Smet van Beveren had ik wat contact en met Dirk Van Oevelen.
    Nadien in Gent, het eerste jaar denk ik, ben jij erbij gekomen en Frank De Pauw en diene van Verrebroek, kan effe op zijn naam niet komen. Nu blijkt dat ik ook daar een zeer bekrompen leven heb geleid in vergelijking met u…
    Mijn periode in St.-Niklaas als intern heb ik niet als aangenaam ervaren, doch ik vergeet veel omdat ik niet echt bewust durf te leven, denk ik, nu nog
    Enfin, ik zal proberen contact op te nemen via Facebook.
    Marc

    Liked by 1 persoon

    1. Ik hoop dat “uwe Willem” erin slaagt je FB-account aan te maken, dan kan ik meteen vragen of dat uw enige zoon is. Dat soort dingen doe je beter via FB dan via dit medium.
      Verder zou ik nog tal van zaken willen antwoorden op je vorige reactie, maar ik kan die verdomme niet lezen terwijl ik tijp. Ik herinner me alleen nog dat je naar de naam van Edwin Thoen zocht. De voornaam van De Dijcker ben ikzelf vergeten, maar ik dacht dat het François was. Met Roland Hiel heb ik nog af en toe contact gehad. De laatste keer zo’n tien jaar geleden en dat moet ook de laatste keer geweest zijn dat ik nog iemand van ’t college heb gezien. Tenzij Etienne Eeckhaut natuurlijk, want die is nu dokter in Temse en af en toe zie ik die wel eens (meestal op restaurant). En met Marc De decker heb ik natuurlijk altijd contact gehouden, maar dat was ook meestal via mail en FB.
      Luister Marc, je mag je dan altijd wel een outsider hebben gevoeld, er heeft toch ooit eens iets fantastisch plaatsgevonden op het college wat jou betreft? Herinner je je nog die enorme straf die je kreeg van wijlen Den Aps en dat heel de klas, ja iederéén, niemand uitgezonderd, daaraan heeft meegeschreven? En dat Den Aps al die verschillende handschriften ongetwijfeld moet hebben gezien en dat hij daar niks van zei? Dat vind ik toch iets om voor het nageslacht te bewaren, hoor, en daarom ook dat ik dat hier open en bloot schrijf.

      Like

  3. En er is nóg iets waarover ik openlijk wil getuigen. Dat zijn die etentjes in eerste kandidatuur. Ik weet niet meer wie op dat idee gekomen was maar het was toch wel een schitterend initiatief om elke avond bij één van ons vieren te gaan eten. Op die manier hebben wij die grote stap van het geborgen familieleven (enfin, jij dus als intern, maar kom) naar de vrijheid van de Grote Stad toch zonder al te grote problemen genomen (we waren alle vier in eerste zit meteen geslaagd).
    Ik herinner me van die etentjes nog die keer dat jij een stel bokkenkloten op tafel gooide, maar evenzeer herinner ik me diepgaande gesprekken, ja zelfs over de zin van het bestaan en zo. Onze college-achtergrond zal daarbij wel een rol gespeeld hebben, maar ik vond het vooral verrijkend dat wij zeer uiteenlopende studies hadden aangevat (jij veearts, Edwin geneeskunde, Frank rechten en ik dus Germaanse) en dat die diverse invalshoeken de discussie verrijkten.
    Jammer dat het systeem niet vol te houden was, vooral omwille van mijzelf, die – in tegenstelling tot jullie drie – niet in het centrum woonde, maar aan de “Brugse Puurte”. Dat was voor jullie dus altijd een verplaatsing van jewelste. Ik herinner me dat we daar in het begin een avondje uit aan koppelden, maar naar mate het jaar vorderde en het dus “serieuzer” werd, ging dat niet meer natuurlijk. En het jaar daarop is er dan iets gebeurd dat helemààl een einde maakte aan onze bijeenkomsten. Maar dààrover kan ik dan weer niet “openlijk” getuigen zonder problemen te veroorzaken. Ik weet nog wel dat jij het toen was die mij het slechte nieuws hebt verteld en mij tegelijk ook een troostende schouder aanbood. Ik ben daar toen niet op ingegaan, maar ge ziet, ik ben dat niet vergeten, hé!

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s