Het is al vijftien jaar geleden dat de Gentse theaterlegende Dré Poppe is gestorven.

“Het verhaal van het NTG begint in 1965 met de oprichting van een beroepsgezelschap voor theater onder leiding van Dré Poppe. Bazuingeschal weerklonk op het balcon van de KNS en toen het doek opging veerde het publiek spontaan recht en gaf een overweldigend applaus voor de allereerste voorstelling: Maria Stuart van Schiller.”
Zo begint het overzicht van 36 jaar NTG in wat tevens de laatste jaarbrochure van het NTG was. Want op het einde van dat seizoen verdween het Nederlands Toneel Gent en verwelkomden wij dus het Publiekstheater, oorspronkelijk opgezet als een groot conglomeraat van alle Gentse beroepsgezelschappen, uiteindelijk beperkt gebleven tot een samengaan met Arca, een ander legendarisch Gents theater dat dus eveneens tot verdwijnen was gedoemd.
Het cynische is wel dat de cirkel daarmee rond was. Dré Poppe was weliswaar sedert 1961 werkzaam op de BRT, maar als oprichter van Toneelstudio ’50 had hij ook aan de wieg gestaan van dat fameuze Arcatheater. En het was precies de intentie om Arca als een tweede plateau in het NTG in te schakelen die Poppe in conflict bracht met de Raad van Beheer van het NTG, meer bepaald met voorzitter Bert Willems. “Een schrikbewind, maar kom,” wuift hij nog weg in “De Gentenaar” van 7/6/1990 en hij belooft “later” daarover wat meer te vertellen, “want de ware toedracht is nooit aan het licht gekomen”.
De cirkel was rond, omdat Poppe het peterschap van het nieuwe Publiekstheater aanvaardde. Toch bleven we op onze honger zitten, want bij zijn aanvaardingsspeech had hij het vooral over de rechtzaak die hij had ingespannen (en gewonnen) omdat het NTG zijn verloning had gekoppeld aan het aantal toeschouwers en zijn staart introk toen die inderdaad massaal naar het Sint-Baafsplein bleken af te zakken…
Ondertussen is Dré Poppe op 13 juli 2002 overleden. Hij was tachtig jaar. Bij mijn weten heeft hijzelf uiteindelijk nooit “de ware toedracht” uit de doeken gedaan. Maar uit de spreekwoordelijke “goed ingelichte bron” vernam ik het volgende: “Bij de onderhandeling over zijn maandwedde met de Raad van Beheer, stelde Dré Poppe een te hoge eis, zo vond men. Er werd Poppe een bescheidener loon voorgesteld, te verhogen met, desgevallen, een percent op het surplus van de geraamde inkomsten. Poppe ging tenslotte akkoord. Dat Gent hongerde naar een eigen gezelschap, wist men, maar niemand had vermoed dat het er zo’n storm ging lopen – ook dankzij de programmatie en het beleid van Dré Poppe. Aan de meet, wanneer de prijzen worden uitgedeeld, bleek al gauw dat de Raad van Beheer zich deerlijk misrekend had: deze “ex-onderwijzer” (olim dixit rivaal Hugo Claus) bleek meer te verdienen dan de hoogste ambtenaar, gedelegeerd in de Raad van Beheer, zo werd verteld. Toevallig en tegelijk (ingeblazen of niet…) ontstond bij sommige leden van het acteursgezelschap onvrede met de zogenaamd ‘te hoge werkdruk’, ‘aangewakkerd door de belanghebbende Dré Poppe’. Het kwam tot gemor, intern conflict, een hetze in de sibbe van de acteursbent.
De bezorgde Raad van Beheer zou het conflict sussen, en gaf aan Poppe de vaderlijke raad zich twee weekjes niet te laten zien in Sint-Baafsplein nummer 7. Poppe bleef bijgevolg enkele dagen thuis, waarop de Raad van Beheer hem op staande voet ontsloeg wegens onwettige afwezigheid en het zich onttrekken aan zijn verplichtingen.
Klap op de vuurpijl was de première (20 mei ’67) van Teirlincks ‘De Vertraagde Film’. Bij het groeten stapt regisseur Frans Roggen waardig en theatraal naar voren, om een breed saluut te brengen naar de zijloge-jardin die… ledig is, en waar normaal directeur Poppe had gezeten. Éen seconde verbazing, waarna het publiek de geste meteen door heeft. Onder het applaus breekt een tumult uit van Poppe-fans die op de houten vloer stampen en minutenlang scanderen: “Poppe-Poppe-Poppe!”
Wanneer regisseur Roggen zich achteraf tussen het publiek via de grote trap naar de foyer wil begeven, krijgt hij van onheilsbode, de goede NTG-secretaris Roger Thienpont (die als Paul Berkenman de filmfragmenten had gedraaid), stilletjes te horen dat de Raad van Beheer zijn aanwezigheid op de receptie niet op prijs stelt. De flamboyante Frans Roggen maakt prompt een publieke scène: “Wat! De regisseur van het stuk wordt dus niet geduld op de receptie!”, etc. Roggen verlaat met slaande deuren het gebouw. Voorgoed.
En dat is dan ook het begin geweest van wat gezien werd als een anti-NTG-operatie: de stichting van Theater Arena met een schare van Poppe-getrouwen. (De latere, tijdelijke overstap van Roger Bolders, Jo de Meyere, Suzanne Juchtmans en Werner Kopers zou, nog jaren later, dan ook dubbel hard aankomen: “Verraad!”…)
Met ingang van het volgende seizoen werd administratief directeur Albert Hanssens opgezadeld met zowel de artistieke als zakelijke directie.
07 Dewilde en Demedts in de MontherlantHet zou duren tot de co-productie met Arca ‘De Stad waar de Prins een Kind is’ van Montherlant met Dewilde en Demedts (zie foto) en de NTG-productie ‘De Dans van de Reiger’ (de eerste Claus na diens aanvaring met dezelfde Raad van Beheer) dat Dré Poppe er regie zou doen. Tot zijn dood heeft hij geen enkel contact willen hebben (zelfs niet visueel) met de voorzitter van de Raad van Beheer. De standvastige Gentenaar. In de marge wil ik trouwens opmerken dat ‘rebel’ Jef Demedts in dezen altijd loyaal is gebleven tegenover Dré.”
Daarnaast werkte Dré Poppe ook vaak voor de televisie. Zo startte op zondag 16 oktober 1988 de 7-delige reeks van de dienst Drama « Klein Londen, klein Berlijn », een feuilleton naar een scenario van Rudy Geldhof.
51 paul cammermansAan de hand van de afleveringen die wij ervan recent op een persvoorstelling zagen, menen wij te mogen zeggen dat het een vervolgverhaal wordt waarvoor men thuis mag blijven, een feit dat wij de jongste tijd niet meer zo dikwijls konden zeggen. Voor zijn afscheidswerk (?) heeft de met pensioen gaande regisseur Dré Poppe een prestatie geleverd die er mag zijn. « Een groot feuilleton » zijn de enige woorden die er voor passen wanneer de verdere afleveringen hetzelfde peil halen als de eerste. En volgens producent Franske Puttemans worden zij nog beter. Het kan dus klaarblijkelijk niet meer stuk met deze serie in het genre van het Duitse « Heimat », met dit verschil dat het hier om een meer afgerond verhaal handelt, dat het niet bestaat uit een reeks van momentopnames maar om een meer doorlopende familiegeschiedenis.
Alles begint kort voor de Duitse inval in 1940 in een klein Vlaams dorp dat opgesplitst is in twee partijen: de burgerij uit de dorpskern en de meer volkse bewoners van het « Veld » aan de rand van de gemeente. Daarin zullen zich pro-Duitse en pro-Engelse tendenzen ontwikkelen tijdens de bezetting. Vandaar de titel « Klein Londen, klein Berlijn ».
Rudy Geldhof, de scenarist, haalde de stof ervoor uit belevenissen die zich afspeelden in het dorp waar hij als kind woonde. « Het verhaal is autobiografisch. Het speelt eigenlijk in Knesselare, Ursel en Maldegem. De dorpen worden in de reeks niet met naam genoemd, maar de gebeurtenissen die er plaats hadden vormen de basis van het verhaal. Knesselare was anglofiel en werd in die dagen klein Londen genoemd. Ursel en Maldegem waren Duitsgezind en werden omgedoopt tot klein Berlijn. In het feuilleton situeer ik alles in één dorp », aldus de auteur. En hij voegt er aan toe : « Als je iets over de oorlog wil tonen moet je een uitgebreid scala van gevoelens kunnen aanbieden, wat dus betekent dat je een groot aantal personages invoert. Er zijn de niet geëngageerden (de meesten), de verzetslui, de weerstanders van het laatste uur, de collaborateurs uit overtuiging, uit opportunisme of uit noodzaak. Het leven van die mensen raakt elkaar, zoals dat in een dorp gebeurt. Ik meen er te zijn in geslaagd de personages en het verhaal dat ze met zich meedragen harmonisch in elkaar te doen passen. »
Dit laatste kunnen wij, aan de hand van de reeds geziene afleveringen, niet anders dan beamen. Dankzij het voortreffelijke regiewerk van Dré Poppe is dit feuilleton geen « gekapt stro » geworden maar wel een verhaal dat men geboeid volgt en waarbij elke aflevering naar een kleine climax leidt, naar een onzekerheid ook, zodat men geneigd is verder te zien. Zeven avonden lang zal TV-kijkend Vlaanderen zich aldus met interesse voor de buis kunnen scharen.
Met relatief bescheiden middelen heeft Dré Poppe een feuilleton weten op te bouwen dat echt aandoet. Hij heeft er geen massale oorlogstaferelen in verwerkt maar door het handig aanwenden van kleine symboolsequenties laat hij veel aanvoelen. De Duitse inval op 10 mei b.v. wordt niet weergegeven door beelden van aanvliegende Stuka-formaties maar door opnamen van witte wolkjes die het afweergeschut deed « openbloeien » in de toenmalige blauwe hemel. De Duitse soldaten die nadien ten tonele verschijnen komen niet in naamloze horden aanrukken maar zijn doorheen enkele figuren scherp en sterk getekend.
Dré Poppe daarover: « We hebben geopteerd voor het realisme. Ik besef dat dit hier en daar kwetsend kan overkomen. De collaboratie wordt getoond, de motieven die ertoe aanleiding gaven worden duidelijk gemaakt. Echte verzetslui en weerstanders van ‘het laatste uur’, die twee facetten van het verzet komen aan de orde. Dat kan allemaal aanleiding geven tot reacties. We lokken die niet bewust uit, maar ze kunnen het gevolg zijn van de realistische aanpak waarvoor we hebben gekozen. Dat realisme dringt door tot in de rolbezetting : Duitsers worden door Duitsers, Italianen door Italianen vertolkt. »
Wij willen deze inleiding tot het feuilleton « Klein Londen, klein Berlijn » niet besluiten zonder een speciaal woord van lof aan het adres van hoofdvertolker Paul Cammermans. Kon men zich in het verleden nogal eens ergeren aan de vele cliché-dandy’s die hij voor het voetlicht bracht in talrijke boulevardkomedies, dan is hij hier iemand van vlees en bloed, aanvankelijk een soort Uilenspiegel die een evolutie ondergaat doorheen het oorlogsgebeuren en die diep menselijk wordt. Een prachtprestatie van één acteur in een zeer homogeen gezelschap.
Over enkele weken zullen wij een eindbalans kunnen opmaken van « Klein Londen, klein Berlijn ». Wij denken dat zij positief zal zijn ook al maakt scenarist Rudy Geldhof zich vooraf geen illusies: « Voor de witten zal mijn verhaal te zwart zijn, voor de zwarten te wit. Toch heb ik me nooit als een inquisiteur opgesteld. Mijn aandacht ging naar menselijke relaties. »
Wij gaan kijken…

Referentie
Lode De Pooter, “Klein Londen, klein Berlijn”, het afscheidswerk (?) van Dré Poppe, De Rode Vaan nr.42 van 1988

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s