De Antwerpse acteur Michael Pas heb ik in januari 1991 geïnterviewd toen hij Mowgli speelde in een bewerking van “Jungleboek” van Rudyard Kipling in een regie van Dirk Tanghe en een decor van Steven Demedts. Met verder Brenda Bertin (prinses Messoea), Chris Boni (Tabaqui, de jakhals), Mark Willems (Shere Khan, de tijger), Karin Tanghe (Raksha, de wolvin), Roger Bolders (Akela, de wolf), Karen De Visscher (Kaa, de slang), Cyriel Van Gent (Kwatta, de apenkoning), Nolle Versyp (Baloo, de beer), Eddy Spruyt (Bagheera, de panter), Bas Heerkens (Buldeo, de jonge jager). De bewerking was van Jan De Vuyst, de muziek van Lieven Coppieters.

43 michael pasIn het decor is Tanghe zichzelf trouw gebleven, zodanig dat we zowaar met een… witte jungle worden geconfronteerd. Dankzij een uitstekende belichting (Jaak Van de Velde) krijgen we soms wel de illusie van de grote kleurenrijkdom, maar doorgaans blijft het iets te koel, daaraan kan het menigvuldige gebruik van een levensecht riviertje weinig aan verhelpen. Persoonlijk miste ik b.v. een equivalent van lianen, waaraan met name de apen zich slingerend zouden kunnen voortbewegen.
Naast Michael Pas schittert ook Nolle Versyp weer, deze keer in de rol van Baloo de beer. Voor de rest hebben de acteurs het soms moeilijk om te vechten tegen de archetypes die zich via de Walt Disney-tekenfilm voor altijd in ons geheugen hebben gegrift. Nochtans lopen beide interpretaties van Kiplings boek tamelijk ver uit elkaar. Zo krijgt het liefdesverhaaltje veel meer aandacht, wat ook voor de hand ligt als men in aanmerking neemt dat het toch een musical-bewerking is. Die muziek van Lieven Coppieters is zeker niet slecht, maar ze heeft geen “catchy tunes” en onvergeeflijk is dat ze een “meezinger” mist.
Vandaar dat we samenvattend kunnen stellen dat dit “Jungleboek” weliswaar beter is dan het nogal neurastenieke “Pinokkio”-geval dat eraan vooraf is gegaan, maar dat het anderzijds de schitterende “Peter Pan”-productie met de heerlijke muziek van Jean Blaute nog altijd niet kan doen vergeten.
De rol van Mowgli is zeer veeleisend op fysiek gebied en dat lijkt wel het handelsmerk van de toen 23-jarige geboren en getogen Antwerpenaar te worden. In de BRT-film “Het Landhuis” van Raf Verpooten doet hij zowaar aan hordelopen en op het einde van “Romeo en Julia” in de Brusselse K.V.S. (eveneens in een regie van Dirk Tanghe) gooide hij enkele “flicflacs”. Ik wil dit aangrijpen om hem te vragen of hij dan zo’n sportief knaapje is, maar Michaël is uiterst verbaasd als ik dat laatste voorbeeld aanbreng…
“Heb je dat gezien in de K.V.S.? Dat heb ik nochtans maar zeer zelden gedaan. Soms gebeurde het echter dat een zaal echt zo enthousiast was, vooral bij jeugdvoorstellingen, dat we moesten blijven terugkomen en dan gooide ik bij het groeten soms wel eens een paar flicflacs ja. Maar om nu op je vraag te antwoorden, het spreekt vanzelf dat je daarvoor wel getraind moet zijn. In mijn collegetijd heb ik veel geturnd. Ik was lid van de keurgroep en we trainden werkelijk soms tot tien uur in de week. Op een bepaald moment ben ik wel gestopt met de competitiesport, maar ik heb mijn conditie altijd onderhouden, omdat je dat als acteur goed van pas komt. Een acteur moet sowieso fysiek al goed in orde zijn, want je moet je bewust zijn hoe je lichaam in de ruimte beweegt. Daarom krijg je ook in Studio Herman Teirlinck veel acrobatie, ballet en schermen e.d. Niet alleen om die specifieke vaardigheden aan te leren, maar ook om dat lichamelijk bewustzijn te ontwikkelen.”
Was dat je motivatie om voor Studio Herman Teirlinck te kiezen in plaats van het Conservatorium b.v.?
“Eigenlijk niet, nee. Ik heb me in beide scholen ingeschreven voor het ingangsexamen en in de Studio werd ik aangenomen, zo eenvoudig was dat. Ik wist eigenlijk van beide scholen erg weinig af.”
Dat je van beide scholen zo weinig afwist, dat zal de onbevangen lezer wellicht op een verkeerd been zetten, want als er één iemand was die al heel vroeg wist dat hij acteur ging worden dan was jij dat wel?
“Ja, dat klopt. Toen ik een jaar of tien was stond er in de krant dat men voor de Wirwarshow van Robert Borremans kinderen zocht vanaf twaalf jaar. Toch ben ik mij aan de hand van mijn moeder gaan aanbieden en zo ben ik erin getuimeld. Dat heeft op mij trouwens een heel grote indruk gemaakt, want zelfs voor de kinderen ging dat daar redelijk professioneel aan toe. Elke woensdag en elke zaterdag waren er trainingen of repetities, al naargelang, want elke maand werd een nieuwe aflevering opgenomen. Dan zaten we telkens een heel weekend in de studio en daar keken we echt naar uit. Thuis leerden we onze teksten en op de repetities gingen we er echt geconcentreerd tegen aan.”
Aan de hand van je moeder, zeg je, maar dat is dan eerder een aanduiding van je jonge leeftijd, want het is niet zo dat je van huis uit in die richting werd geduwd…
“Neenee, absoluut niet. Wat niet belet dat ik thuis wel shows gaf. Maar vele kinderen doen dat toch? Mijn broers en ik deden dan alsof we muzikanten waren, of we gaven goochelshows. Ik zat ook in een zangkoor waarmee werd opgetreden. Uiteraard vond ik het dus als kind spannend om dat soort dingen te doen, maar ik denk dat alle kinderen dat hebben. En dan is er alleen een beetje geluk nodig om erin te tuimelen op een moment dat je daar nog open voor staat. Ik denk eigenlijk dat iedereen geboren wordt als acteur of als actrice, ik denk niet dat het een speciale gave is, het is gewoon de kunst om de onbevangenheid die je als kind hebt te bewaren, te ontdekken dat het eigenlijk iets kostbaars is dat je bezit.”
In het middelbaar ging je dan de Latijn-Griekse volgen en zelfs dat stond zowaar al in functie van je latere loopbaan!
“Inderdaad, toen ik mijn keuze moest maken schoot het door mijn hoofd: wat leunt het dichtste aan bij toneel? Niets natuurlijk. En aangezien ik in het lager onderwijs een goede leerling was geweest, kon ik de Latijn-Griekse wel aan. Toen ik dan hoorde dat je daar veel literatuur moest bestuderen, was het voor mij een uitgemaakte zaak. Ik ben daar wel heel tevreden over, want nu bestaat er zoiets als ‘muzische vorming’ als voorbereiding op een carrière als acteur b.v., maar ik weet toch niet of ik dat wel zou hebben gevolgd. Ik wilde een breder gezichtsveld. Als je al zo jong in een heel specifieke richting zit, dan ben je het misschien beu tegen de tijd dat het eigenlijk nog maar pas goed moet beginnen.”
Waarmee je een parallel trekt naar de jonge sportlui die ik op deze pagina’s (*) meestal interview…
“Ja, dat is wel waar, maar meer nog bedoel ik dat theater eigenlijk een reflectie over het leven is en niet een reflectie over theater.”
In de film ben je ontzettend snel van start gegaan: één zinnetje in “Congo Express” en al meteen een tamelijk belangrijke rol in “Crazy love” van Dominique Deruddere. Ging het allemaal niet een beetje te vlug?
“Nee, eigenlijk is het toch allemaal tamelijk gespreid. Crazy love heb ik gedaan na mijn tweede jaar op de Studio, dan heb ik een heel jaar niet gefilmd, dan mijn legerdienst gedaan, dan pas Blueberry hill en tenslotte mijn vierde jaar op de Studio, waarna dan Het Landhuis en Eline Vere volgden. Zoveel was het dus allemaal niet. Natuurlijk, als er in Vlaanderen wordt gefilmd, ben ik er blijkbaar wel bij (lacht). Maar dat is juist wat men met een korreltje zout moet nemen. Voor Blueberry hill kreeg ik de Jozef Plateauprijs voor de beste mannelijke vertolking en op het Festival van Genève de prijs van les stars de demain, je krijgt met andere woorden van alle kanten schouderklopjes, men zegt je: nu ben je vertrokken, maar het jaar daarop wérd er gewoon niet gefilmd! Gelukkig worden er volgend jaar een stuk of vier films gedraaid. Jammer is dan weer dat ik er maar één van kan doen.”
IMGDe hoofdfiguur van “Blueberry Hill” heet Robin De Hert en ook al zweert Robbe in alle talen dat het geen autobiografie is, toch zitten er voldoende autobiografische elementen in (de tijdsomstandigheden, de vakschool, de liefde voor de cinema…) om zijn personage als de jonge Robbe te zien. Hoe heb jij dat opgevat? Het is toch een merkwaardige situatie om de rol te moeten vertolken van de regisseur in zijn jonge dagen…
“Dat mijn personage autobiografisch is, lijdt volgens mij geen twijfel. Maar ik heb daar nooit bij stilgestaan als ik acteerde. Ik denk ook niet dat filmkijkend Vlaanderen er behoefte aan heeft om te zien hoe Robbe De Hert zich gedroeg toen hij zeventien, achttien jaar was. Het is wel degelijk zo dat een aantal scènes rechtstreeks uit zijn eigen leven komen, dat heb ik gemerkt toen ik zijn autobiografie Het drinkend hert bij zonsondergang heb gelezen. Maar ik heb dat uitsluitend doorgenomen als aanvullend studiemateriaal en dan nog eerder om de sfeer van de jaren vijftig te proeven. Ook Robbe heeft mij trouwens nooit gezegd: ja maar, ik zou dat in mijn tijd zo of zo gedaan hebben. Laten we zeggen dat het het verhaal van Robbe De Hert is zoals hij zijn jeugd graag had gezien. Want hij heeft b.v. absoluut geen prettige herinneringen aan die vakschool, terwijl Blueberry hill toch een nogal romantisch beeld daarvan geeft.”
Robbe zegt altijd dat het grootste werk al voorbij is na de casting. Hij kiest zijn mensen (ook zijn acteurs) zodanig dat hij eigenlijk niet meer moet tussenkomen eens de opnamen starten…
“Dat is zeker waar. Maar daarmee doet hij de acteurs ook een beetje onrecht aan. Hij gaat eraan voorbij dat acteurs ook dingen kunnen spelen die je hen op het eerst gezicht niet zou toeschrijven. Robbe neemt hen op de eerste plaats voor wat ze zijn en wat ze uitstralen.”
Als het je een troost kan zijn, hij heeft je alvast niet enkel omwille van je uiterlijk gekozen, je was hem wel degelijk opgevallen als Tybalt in “Romeo en Julia”…
“Heeft hij dat dan gezien? Dat wist ik niet. Dat is leuk om te horen, maar de casting van Blueberry hill was toen al lang gebeurd. Ik heb een heleboel audities gedaan en toen bleven er nog een stuk of tien kerels van twintig jaar over. En dan moet je je geen illusies maken: dan gaat het er niet meer om, wie er nu het meeste talent heeft of wie er de beste is. Nee, dan telt het uiterlijk. Niet enkel hoe je er zelf uitziet, maar ook hoe je eruit ziet ten opzichte van je medespelers. Het koppel Robin-Kathy natuurlijk, maar ook Robin-Rudy, Robin-secretaris, dat moet allemaal compositorisch bekeken worden.”
Daarna kwam dan “Boys”, waarover meer bij Jan Verheyen. Na “Daens” was Michael Pas nogmaals samen met Jan Decleir te zien in “Anchoress”, de eerste Belgisch-Britse film.
Pas heeft met Kümel, De Hert en Deruddere gewerkt: drie grote namen maar ongetwijfeld ook drie verschillende manieren van werken? Ik heb enkel Robbe reeds aan het werk gezien. Die zag er erg relaxed uit, ook al zei Ida, zijn toenmalige vriendin, dat dat maar schijn was. Over Harry Kümel doen de meest woeste verhalen de ronde en Dominique Deruddere kende ik op dat moment nog niet persoonlijk.
Michaël Pas: “Dominique heeft diezelfde relaxheid van Robbe. Hij bereidt zich heel goed voor en heeft een heel specifieke manier van werken, terwijl het bij Robbe nogal met de losse pols gebeurt. Bij Dominique Deruddere hebben wij echt gerepeteerd alsof het een toneelstuk betrof en dat verwachtte ik ook bij De Hert. Toen ik hem dus vroeg wanneer er ging gerepeteerd worden, antwoordde hij: ‘Allé, schat, zevert nu niet, hé, ik heb u gekozen omdat gij dat kunt’. Aan de ene kant geeft dat natuurlijk een enorm vertrouwen, maar anderzijds weet ik dat je meer kunt bereiken als je repeteert. Wat nu ook weer niet wil zeggen dat Dominique ervoor zou terugschrikken om nog op de set zelf iets te veranderen. Dat is iets wat je bij alle filmregisseurs terugvindt: enerzijds weten ze heel precies wat er die dag moet gefilmd worden, maar anderzijds houden ze toch nog altijd wat speling achter de hand voor het toeval.”
“Kümel is echter de meest klassieke van de drie. Die bereidt zich echt héél, héél goed voor. Die moet je niks wijsmaken. Of het nu de camera betreft of het licht of eender wat, hij is in alles zeer goed beslagen. Er hangt ook geen sfeer van pleziermaken, zoals dat vooral bij Robbe wel het geval is. Hij is een perfectionist en dat geeft soms wel spanningen op de set, ja. Als er iets niet in orde is, dan is Robbe eerder geneigd van te zeggen: ‘Ja, schat, da’s nog niet zo erg.’ Maar Kümel verlangt de perfectie van zichzelf en dus ook van de acteurs en van de hele ploeg.”
Voor “Oeroeg” moest hij verstek geven, zodat Tom Van Bauwel een kans kreeg, maar hij nam de draad weer op met “Toutes peines confondues” van Michel Deville. In een Alpendorpje werden bij een overval twee oudjes vermoord. De daders hebben echter pech, want het waren de ouders van Antoine Gardella (Jacques Dutronc), een beruchte gangster. Met de passieve steun van inspecteur Vade (Patrick Bruel) rekent Gardella af met de overvallers (o.a. Michaël Pas), maar Interpol-agent Turston (Vernon Dobtcheff) wil van de gelegenheid gebruik maken om Gardella in te rekenen en hij vraagt Vade om hem te helpen. Zoals altijd komt er wel wat erotiek bij te pas bij Michel Deville en daarvoor zorgt deze keer Mathilda May.
Daarna speelde Michaël Pas de muzikant Wessel in “T*4*2”, een NOS-productie in een regie van Willy De Greef naar een scenario van Paul Groot. Het was een aflevering in de reeks “Suite 215” van John Van de Rest met verder nog Tine van de Brande (Patsy), Jan Bijvoet (Mark) en Geert Dauwe (Martin).
T*4*2 is een internationaal bekende popgroep, die voor korte tijd in het land is. Patsy, de zangeres, is erg gesteld op muzikant Wessel, maar ook op Martin, de geluidsman. Met Mark, manager en vriend (ook in de seksuele betekenis van het woord) van Wessel, heeft zij niet veel op. Patsy is erg egocentrisch en vertoont alle nukken van een vedette op lemen voeten. Wanneer Martin wordt ontslagen krijgt ze dan ook prompt een aanval van hysterie. Van dan af valt het vederlichte stuk, dat tot dan toe een min of meer aanvaardbare schets van het popmilieu had gegeven, als een baksteen neer, omdat het zich verliest in oeverloos gezwets. (17/11/1992)
In 1994 speelde Michael Pas in de kortfilm “Seul au sommet” van Thierry Dory. Daarbij moet hij als co-piloot Jean-Henri Compère filmen als deze tijdens een rally uit de wagen wordt geslingerd en ligt te sterven. Hetzelfde jaar speelde hij voor een tweede keer tegenover Alain Delon in “L’ours en peluche”, een verhaal van Georges Simenon dat zich in Brussel afspeelt (o.a. in het conservatorium).
In 1996 was er een oscar voor “Antonia” van Marleen Gorris, waarin Michael te zien was naast o.m. Willeke Van Ammelrooy, Jan Decleir en Els Dottermans. Begin 1997 stond hij opnieuw op de planken, namelijk bij Antigone in “De kersentuin” van Tsjechov, in een regie van Ignace Cornelissen. In 1998 vinden we hem echter zowaar in Indonesië terug, waar hij de hoofdrol vertolkt in de dramareeks “Api Cinta Antonio Blanco” ofte “De brandende liefde van Antonio Blanco”, het verhaal van een Spaanse schilder (Pas dus), die verzeild raakt in Bali en daar verliefd wordt op één van zijn modellen. Maar het strafste was zijn krachtige verschijning op het einde van “Nymphomaniac” van Lars von Trier in 2013.

Ronny De Schepper

(*) Het interview is verschenen in het jongerentijdschrift “Graffiti” van januari 1991 onder de titel “Iedereen wordt geboren als acteur, het komt er gewoon op aan je kinderlijke onbevangenheid te bewaren!”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.