Frans Redant wordt zeventig…

Frans RedantFrans Redant viert vandaag zijn zeventigste verjaardag. In 1987, toen hij nog dramaturg was van het N.T.G., ben ik hem gaan interviewen voor De Rode Vaan…

Dramaturg Frans Redant van het Nederlands Toneel Gent zit met barstende hoofdpijn als we hem gaan opzoeken als laatste in onze reeks gesprekken met medewerkers van onze drie grootste schouwburgen. En het eerste kwartier wordt het er zeker niet beter op. Het rommelt immers bij het N.T.G. « en nog niet te stillekes » : een aantal « topfiguren », zoals dat dan heet, zijn verdwenen, meestal richting Arca (Walter Moeremans, Jean-Pierre De Decker, Jos Verbist, zelfs theaterpedagoge Chris de Bruycker), zodat de directeur van deze schouwburg, Jo Decaluwe, zijn positie nu zodanig versterkt acht dat hij op zijn persconferentie royaal kan uithalen naar NT2, het nieuwe repetitielokaal van het N.T.G. aan de Minnemeerskaai dat ook als tweede plateau wordt bespeeld (« Ik heb het gevoel dat wij een driewieler krijgen terwijl een andere instelling een Porsche wordt gegeven »). Komt daarbij nog dat vorig jaar Jappe Claes reeds de richting van Arca was ingeslagen, terwijl Herman Gilis met zijn Arca-spitsbroeder Pol Dehert met (en naar) de noorderzon was vertrokken.
Eigenlijk leek het dus meer aangewezen om directeur Jef Demedts nogmaals (zie r.v. nr.8 van 1986) aan het woord te laten, maar zoals we het zelf formuleerden tegen Redant : « We zijn niet gekomen om in de stront te roeren, dat laten we aan anderen over… » Nee, onze keuze viel op Redant omdat we het wilden hebben over dramaturgie en dan nog vooral, als het effe kon, over onze eigen dramaturgie. Wat natuurlijk niet wegneemt dat een en ander wel ter sprake komt.
« Misschien hebben die mensen wel redenen om nieuwe horizonten te zoeken », zegt Redant, « maar dan moet je dat toch maar liefst aan henzelf vragen ».
« Als theater heb je naast een ontspannende toch zeker ook een vormende functie »
— Maar het verdwijnen van de zogenaamde beleidsgroep zou er ook wat, zo niet veel mee te maken hebben ?
Frans Redant :
Ik kan alleen maar betreuren dat die niet meer bestaat. Dat was iets unieks in Vlaanderen. Ik heb altijd gehoopt dat dit nog maar een begin van democratisering was, om uiteindelijk te arriveren bij een totaal open beleid, waarbij het hele gezelschap zou betrokken zijn. Misschien komt het er ooit nog wel eens van onder een andere vorm. Jef Demedts is daar alleszins voor aan het ijveren. Hij legt zich zeker niet neer bij het feit dat die beleidsgroep geëlimineerd is.
— Maar door wie is dat dan gebeurd ?
F.R. :
Officieel is hij opgeheven door de raad van beheer. Ik breng nog even in herinnering dat Jef Demedts als voorwaarde tot het aanvaarden van de directie van het N.T.G. had gesteld dat hij mocht werken met een beleidsgroep. Men heeft hem daarop geantwoord : hoe jij intern de zaken wil oplossen, dat trekken wij ons niet aan. Jef heeft dan een aantal mensen rond zich verzameld en na een tijdje is die beleidsgroep geïnstitutionaliseerd door de raad van beheer. Dat hield o.m. in dat de leden daarvan, dus ook ikzelf, een minieme vergoeding ontvingen voor de vele avondlijke vergaderingen die vaak nog nachtelijk werden geprolongeerd. Maar dat maakte ook dat die beleidsgroep tot zes leden werd beperkt : Jef Demedts, Jean-Pierre De Decker, Walter Moeremans, Hugo Van Den Berghe, de zakelijke directeur en ikzelf. Jef wilde er eigenlijk nog andere mensen bijhalen, zelfs van buiten het huis, maar door die institutionalisering werd dat onmogelijk gemaakt. We zaten dus in een keurslijf, ook wat eventuele wisselingen betreft.
— Was de eliminatie dan een vorm van bezuiniging ?
F.R.
: Dat is aangevoerd als één van de redenen, maar de vergoeding was werkelijk heel klein, hoor, dat kan echt niet de doorslag hebben gegeven. Maar een officieuze beleidsgroep was en is mogelijk. Dus daar is men nu mee bezig.
87 frans redant— Toch is het opvallend dat één derde van de leden van de vroegere beleidsgroep meteen ook is opgestapt…
F.R.
: Dat is een beetje normaal, denk ik. In die beleidsgroep zaten zo niet de belangrijkste dan toch belangrijke mensen van het gezelschap. En het is normaal dat een regisseur na tien jaar bij een gezelschap te hebben gewerkt, b.v. nog eens free lance wil zijn.
— Als dramaturg speelde je uiteraard een belangrijke rol in die beleidsgroep, maar ik heb de indruk dat een heleboel lezers niet echt weten wat een dramaturg eigenlijk is…
F.R.
: Oeioeioei, moet ik dat alweer gaan uitleggen ? Het is waar dat het een tamelijk onduidelijke functie is, omdat ze nog relatief jong is, laten we zeggen twintig jaar. Duitsland en andere landen hebben uiteraard een langere traditie en daar heb je dan ook zelfs twee types van dramaturgen. De ene dramaturg komt niet van achter zijn bureau, belt hele dagen naar agentschappen om nieuwe stukken te pakken te krijgen, leest ook klassieke stukken om na te gaan of die nog van nut kunnen zijn voor zijn theater en zijn publiek, schrijft de programmaboekjes en verzorgt de andere publicaties van het gezelschap. Dat is dus iemand die het gezicht van het gezelschap, de artistieke lijn, mede bepaalt zoals dat zich weerspiegelt in het repertoire. Wat die programmaboekjes betreft betreur ik trouwens dat wegens de bezuinigingen ze steeds maar kleiner worden (dat van « Menuet » is nog enkel een vouwblad, R.D.S.) omdat ze zelfbedruipend moeten zijn. In het buitenland daarentegen wordt daar een speciale post voor uitgetrokken en ik vind ook dat dit zo hoort, want als theater heb je naast een ontspannende toch zeker ook een vormende functie.
Het andere type van dramaturg noemt men eerder productie-dramaturg. Zoals het woord al aangeeft, is die veel nauwer bij de productie betrokken. Vaak vormt die dan ook een onafscheidelijk paar met een regisseur. De dramaturg zal dan misschien wat meer theoretische ideeën aandragen, terwijl de regisseur die dan in de praktijk vertaalt naar de acteurs toe. Maar in Vlaanderen, waar men in een theaterlandschap moet werken dat met de crisis af te rekenen heeft, zijn alle ploegen onderbemand, dus ook de dramaturgenploeg. Ikzelf heb b.v. maar één assistent. Het is dan ook een zoeken en tasten om die twee interessante richtingen te verenigen. Ik kan onmogelijk alle repetities, zelfs niet alle stukken volgen. Ten hoogste kan ik af en toe eens « toerist » spelen, b.v. in de week van de generale, wanneer het eigenlijk al veel te laat is.
En tenslotte ben je als dramaturg ook nog verantwoordelijk voor de vertalingen. Ofwel maak je ze dus zelf, ofwel zoek je de geschikte mensen ervoor en hoe dan ook kijk je de vertaling nog eens na vooraleer ze aan de spelers te geven.
« Claus is eigenlijk de enige waarmee we in het buitenland kunnen uitpakken »
— Ben je vanuit het HRITCS hier binnengewalst ?
F.R. :
Ja.
— En in welk jaar was dat dan ?
F.R.:
’68-’69.
— Mmmm ! Fameuze periode ! Was daar iets van te voelen in de theaterwereld ?
F.R.
: In het HRITCS vast en zeker ! Maar in het theater minder. Er was wel dat stuk van Walter Eysselinck in een regie van Paul Anrieu, « Cassandra ». Je weet wel : de priesteres uit de « Ilias » die dingen ziet in de toekomst maar een beetje voor gek wordt versleten. Eysselinck had haar overgeplaatst naar een Parijs salon in 1938, ten tijde van het Verdrag van München. De moraal van het verhaal was duidelijk : je moet het oor te luisteren leggen bij die zotte idealisten. De voorstelling werd dan ook bedolven onder honderden dia’s en filmfragmenten van Hitler, van de studentenopstanden in Parijs en Berkeley en noem maar op. Komt daarbij dat de kleppers van de Gentse universiteit figureerden : Guido Totté, Sus Saey, Armand Sermon, Erkki Liukku, Peter Piot, enz. Je merkt, dat is nog van voor de tijd van de splitsing in maoïsten en trotskisten en wat weet ik allemaal. En voor die mannen was dat allemaal bloedige ernst natuurlijk, maar eigenlijk werden zij door de regisseur gewoon gebruikt om in te haken op een modeverschijnsel.
Maar let op, meer op termijn en minder spectaculair heeft « ’68 » wel zijn vruchten afgeworpen in het theater, hé. Zelfs zo’n beleidsgroep is daar in feite nog een late uitloper van.
— Nu liggen de kaarten wel heel anders, nietwaar ? Binnen het marge-theater, dat daarom niet marginaal is, heb je nu eerder de dictatuur van de regisseur… wat dan eigenaardig genoeg nog goed overkomt binnen progressieve kringen !
F.R.
: Ik ben er toch niet zo zeker van dat dit zo algemeen verspreid is, hoor. Men zegt dat wel, maar binnen het echte theater ken ik er maar één, tenminste als de verhalen die men over hem vertelt waar zijn. Maar dan zal hij daar ook wel de gevolgen van dragen, wees maar gerust. Wie zal er als acteur nog met hem willen werken ?
— Over wie hebben we het nu ? Over Jan De Corte ?
F.R.:
Ja. Maar let op : elke regisseur heeft zo zijn manier om met acteurs te werken en ik heb nog nooit een repetitie met De Corte bijgewoond, zodat ik me daar niet wens over uit te spreken. Zelf heb ik trouwens nog geen dictatoriale regisseurs meegemaakt, moet ik zeggen. Iedere regisseur hier in huis, vast eraan verbonden of als gast, staat open voor suggesties van acteurs en een concept groeit meestal binnen het repetitieproces. Wat echter wel verdwenen is dat is die workshop-idee van indertijd, dat is waar. ’t Schijnt dat Jan Fabre zo werkt, maar eigenaardig genoeg heeft die ook de naam van een dictator zijn.
— Nu we het toch over regisseurstheater hebben, als ik zo het programma voor dit seizoen overloop, dan heb ik de indruk dat het eerder is samengesteld in functie van de regie dan van de tekst. Men is teruggevallen op « standards » zoals Molière en Shaw, maar men trekt daarvoor dan wel opmerkelijke regisseurs aan (Tanghe, Perceval)…
F.R.:
Dat vind ik nu precies één van de taken, zo niet de hoofdtaak van wat men dan een repertoiregezelschap noemt, namelijk die oude stukken, ik zou bijna zeggen die verplichte schoollectuur, opnieuw actueel te maken, op te frissen, af te stoffen. Anders worden die klassiekers niet meer gespeeld. Ik vind het dus geen verwijt maar een eretitel. Daarvoor moet de overheid inderdaad een theater subsidiëren en ook voldoende subsidiëren opdat we niet zoals nu bij sponsors zouden moeten gaan schooien.
87 frans redant— Maar beperkt je dat niet als dramaturg ? Ik neem aan dat je toch graag op zoek zou gaan naar het nieuwe meesterwerk ? De nieuwe klassieker ?
F.R.:
Nee, ik ervaar dat hoegenaamd niet als een beperking. En klassieker wordt niet « zo maar » geprogrammeerd. Je speelt theater in de wereld van vandaag. Als je dus oude stukken programmeert moet je weten waarom. Niet omdat het een « goed stuk » is, goed geschreven, mooie taal… Nee, omdat dàt stuk en geen ander zin heeft in die maatschappij van vandaag. En daar komt wel heel wat dramaturgisch werk bij te pas : die klassiekers lezen en blijven lezen om na te gaan wanneer het ogenblik het best geschikt is om die te spelen. Men kan b.v. via een nieuwe vertaling een werk actualiseren.
Natuurlijk is het ook wel eens prettig uit te pakken met een « wereldcreatie » of een « creatie voor Vlaanderen » want ook dàt behoort eigenlijk tot de opdracht van een repertoiregezelschap, inderdaad. Botho Strauss, Thomas Bernhard, daar kun je niet aan voorbij. Maar dat is dansen op een koord : zal het publiek er rijp voor zijn of niet ? Met dan soms nog eigenaardige verschijnselen : « De reisgids » had wel succes in Gent, maar niet in Antwerpen. Leg het maar uit. Maar het grootste probleem is nog dat er de dag van vandaag niets mag mislukken of we gaan de rode cijfers in.
— Een andere opdracht van een repertoiregezelschap is eigen Vlaams werk brengen…
F.R.:
Dat is géén opdracht!
— Maar waarom dan dat « incident » rond « Lijmen en Het Been » toen Walter Moeremans op de vraag of dat enkel gespeeld werd omdat men een Vlaams werk « moest » spelen, kortweg « ja » antwoordde ?
F.R.:
Heeft hij daar zo bot op geantwoord ? Maar eigenlijk heeft hij gelijk natuurlijk (lacht). Vroeger was er wel een verplichting, maar die is nu weggevallen. Maar wij voelen — misschien met recht en rede — de hete adem van de Vereniging van Vlaamse Toneelauteurs in onze nek. Ik wil de stok niet in het kippenhok smijten maar je kan je toch de vraag stellen : is die Vereniging wel representatief ? Hugo Claus b.v. is daar geen lid van en voor zover ik weet Walter Van den Broeck ook niet. Maar goed, ik geef het toe, het is een probleem. Wijzelf hebben gemeend daaraan iets te moeten doen met stukken als « Daens » of « Belgische Cirque », maar door die Vereniging worden die dan weer niet als Vlaamse dramaturgie aanvaard.
Akkoord, ik heb daar b.v. aan meegewerkt en ik zou mezelf zeker nooit « een Vlaams toneelauteur » noemen. Maar het N.T.G. heeft toch iets gedaan. En ik schaam me er ook niet voor dat we Elsschot hebben gebracht. Of het goed was, dat staat natuurlijk ter discussie. Misschien zijn Elsschot of Boon, of andere grote romanciers, gewoonweg moeilijk te bewerken… En dat we « den ouwen Buysse » uit zijn graf moeten halen om nog eens iets Vlaams te spelen kan inderdaad wijzen op armoe, maar ik vind toch dat men daar ten onrechte smalend over doet. En dan is er nog het « verwijt » dat wij een Hugo Claus-theater zijn… Maar je kan er toch niet naast kijken dat Claus eigenlijk de enige is waarmee we in het buitenland kunnen uitpakken?
« Dewael heeft zeker goede bedoelingen maar hij zou zich niet van één zijde mogen laten informeren »
— De hele discussie rond de Vlaamse dramaturgie laait nu wel in verhevigde vorm opnieuw op want als minister Dewael zijn zin krijgt, zou hij subsidiëring afhankelijk maken van het verwezenlijken van opdrachten die aan Vlaamse auteurs worden gegeven…
F.R.:
Dewael heeft zeker goede bedoelingen maar hij zou zich niet van één zijde mogen laten informeren. Hij zou ook zijn oor even mogen lenen voor de echte, reële noden van de theaters. Want het is waar dat op dat gebied de theaters een slecht geweten hebben, maar daar wordt dan ook handig op ingespeeld. De collega’s van KVS-Brussel doen b.v. echt pogingen om Vlaamse dramaturgie te brengen, maar dan stel ik toch vast dat daar vaak grote vergissingen tussen zitten. Is het theater daar dan mee gediend of alleen maar de auteur ? Het is misschien wel mogelijk, maar dan moet het theater in staat gesteld worden van b.v. een interessant basisidee uit te werken. Omgekeerd zou de auteur de mogelijkheid moeten krijgen om b.v. een jaar in een theater te werken. Het ministerie zou daarvoor een regeling kunnen uitwerken. De techniek leren. Niet iedereen is een autodidact die door vele (en de juiste !) stukken te lezen zich een techniek eigen maakt. Zelfs Claus is er niet mee geboren, hij heeft het ergens geleerd. Als je nu een jong auteur ontmoet, dan heeft die vaak nog niet eens toneel gezien, laat staan gelezen ! ’t Zelfde bij acteurs. Ze melden zich aan op het conservatorium zonder ooit een voet in het theater te hebben gezet. Maar ze willen acteren zoals in « Dallas ». Dat is de cultuur die erin gaat. En in navolging daarvan gaan die toneelauteurs dan vluchtige fait-divers schrijven, gewoon een verhaaltje vertellen. Nu, dat kan op televisie, maar niet in het theater.
— Legt het theater zich daar gewoon bij neer, bij die verpletterende alleenheerschappij van de televisie (als ik naar de enquête van Dewael mag verwijzen) ? Tenslotte is op de heilige beeldbuis eigen Vlaams werk als « Het Pleintje » nu juist het populairst…
F.R.:
Toch kan ik niet aannemen dat « Het Pleintje » inderdaad zo wordt gesmaakt door het Vlaamse publiek. Daar weiger ik mij bij neer te leggen, zie, dat het Vlaamse publiek zò idioot is.
— Mij goed, maar ik bedoel, zegt men nu in theatermiddens : « Als ’t zo zit : foert, dan spelen we enkel nog de dingen die wij willen spelen, quitte dat er geen kat komt naar kijken… »
F.R.:
Uiteraard niet. Maar laten we nu aannemen dat « Het Pleintje » inderdaad populair is, dan ben ik ervan overtuigd dat een eigen Vlaams feuilleton dat wél goed gemaakt is, nog populairder zou zijn. Ik kan niet aannemen dat de mensen zo afgestompt zijn dat ze alleen maar slechte dingen zouden willen. Ik ken tal van mensen die alleen maar vettige frieten met curry-worst eten, maar ik heb die nog nooit weten protesteren als ze in een goed restaurant een lekker bereide schotel krijgen voorgezet. Nee, vaak is het een kwestie van het zich te kunnen veroorloven en dat geldt ook voor het theater : de mensen moeten toegang kunnen hebben tot cultuur. En daarnaast speelt het onderwijs, de opvoeding uiteraard ook een belangrijke rol. In ons geval is het dus een beetje schipperen. We zijn geen commercieel theater. We hebben een duidelijke officiële functie. Maar aan de andere kant zijn we ook een bedrijf dat aan bepaalde regels van de commercie moet gehoorzamen. We zoeken dus naar de gulden middenweg tussen wat je als gewetensvol artiest wil en wat het publiek wil. Het komt er gewoon op aan die middenweg zo « verguld » mogelijk te houden…
— Is in die optiek NT 2 drempelverlagend bedoeld of juist integendeel, omdat er minder dure producties voor minder volk kunnen worden opgezet, voor de « incrowd » ?
F.R.:
Ten eerste, een drempel heeft voor mij niks met architectuur te maken. Ik zie dus niet in waarom men schrik zou hebben dit gebouw te betreden, tenzij misschien omdat men een steen op z’n kop zou kunnen krijgen aangezien de gevel bouwvallig is (later bij de fotosessie valt er inderdaad een stuk beplaastering naar beneden, R.D.S.). Ten tweede, NT 2 is eigenlijk onze repetitieruimte. Nu wordt er daarin ook gespeeld, iets wat we vroeger deden op de Tenierszolder of in de Zwarte Zaal of op andere locaties. Akkoord, de functie van zo’n tweede plateau is wat onduidelijk, maar misschien is dat juist niet slecht. Misschien is het goed daarin flexibel te zijn. Het enige wat we immers weten is dat zoiets nodig is. Maar wat er daar precies gebeurt, dat kan wisselen. Dat kan zijn opdat acteurs de gelegenheid zouden hebben een intiemere band met het publiek te smeden. Dat kan zijn, welja, om Vlaamse dramaturgie uit te proberen. Dat kan ook zijn om een jonge regisseur een kans te geven, omdat het risico daar kleiner is. Je kan daar een ander soort theater brengen als hier : « weg met de kijkkast ! », óók nog een slogan uit de jaren zestig. Sommige stukken vragen trouwens om een andere ruimte enz. Kortom, er zijn duizend redenen waarom zo’n ruimte noodzakelijk is.
Duizend redenen dan ook om het N.T.G. ermee succes toe te wensen !

Referentie
Ronny De Schepper, Frans Redant: “Een repertoiretheater moet verplichte schoollectuur weer actueel maken”, De Rode Vaan nr.41 van 1987

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.