Op donderdagmorgen 10 mei 1979 stopte de redactiesecretaris van De Rode Vaan mij een kaartje in de hand dat begon met de volgende tekst: “Ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van Hugo Raes nodigen wij u uit voor een feestelijke bijeenkomst op vrijdag 18 mei a.s. van 16.00 tot 18.00 uur in het Archief en Museum van het Vlaams Cultuurleven Minderbroederstraat 22 te Antwerpen. Het woord zal worden gevoerd door Louis Paul Boon…” Rond diezelfde tijd dat ik dit kaartje in handen kreeg, moet in Erembodegem Louis Paul Boon (°15/3/1912) overleden zijn aan zijn schrijftafel.

Een hartinfarct velde de man die heel zijn leven een warm hart heeft gehad voor de mensen uit zijn omgeving. Vooral de “kleine lieden”, de volksmensen, de arbeiders, waaruit Louis zelf stamde en die hij nooit heeft verloochend, al trachtte men hem te verleiden met staatsprijzen, eretekens en zelfs een nominatie voor de Nobelprijs, die hij dat jaar misschien eindelijk in de wacht zou hebben kunnen slepen (de dag na zijn dood werd hij alvast verwacht op de Zweedse ambassade).
Niet dat Louis deze prijzen niet zou verdienen integendeel! En niet omdat hij een minzame man was natuurlijk, maar omdat zijn talent bijna niet geëvenaard werd hier in Vlaanderen en omdat er daarbuiten ook maar weinig zo kleurrijke literatoren rondliepen.
Typisch was b.v. dat ik Boon de eerste keer mocht ontmoeten in een café. Het Gentse Keetje dan nog wel, dat Boon wel goed zal gekend hebben omdat het vlak naast de drukkerij van de socialistische krant Vooruit lag, waarvoor hij talrijke jaren heeft gewerkt. Het was op 20 januari 1971. Ik weet dat nog zo precies omdat ik het heb aangetekend in een soort van dagboek. Louis kwam er met ons, germanisten, praten over van alles en nog wat. Over zijn boeken, over de tijd dat hij nog op De Rode Vaan werkte, over zijn schilderijen, over de politiek…
Dat gebeurde wel meer dat wij een schrijver uitnodigden. Slechts bij één echter vond de ontmoeting plaats in een café i.p.v. aan de universiteit. Dat gesprek werd toen op band opgenomen door Guy Renwaert en ik hoop dat hij het ooit heeft uitgeschreven en dat het ergens (op een blog b.v.) kan worden ingekeken.
Twee jaar later, om precies te zijn in mei 1973, stond ik met prof.Van Elslander en nog een paar studenten bij Boontje in Erembodegem, met de vraag of wij de week daarop met een bus vol van dergelijk gespuis even halt mochten houden in de Vogelenzang nummer vijf. Eender wie zou teruggeschrokken zijn voor zo’n waanzinnig voorstel. Niet Boon echter, zodat een week later zijn huis en tuin overrompeld werden door zo’n honderdtal jonge mensen. “Fans”, als het ware.
Ik vond het enigszins navrant, zodat ik verkoos de drukte wat te ontvluchten om in de tuin te gaan voetballen met David, Louis’ geliefde kleinzoon. Nadien heb ik daar wel spijt van gehad, want het bleek dat Louis daarbinnen zijn uitgebreide collectie van vrouwelijk naakt (zijn “fenomenale feminatheek”) aan onze blozende porretjes had getoond. Op de televisie dacht men er goed aan te doen dit aspect van Boon (Mieke Maaike, Zomerdagdroom, De Meisjes van Jesse, Mijnheer Daegeman, de Onkruidboeken enz.) dood te zwijgen. Wat een stomme redenering. Ook dit was Boon ten voeten uit en wie vindt dat dit een negatief facet is van de schrijver, is zelf een beetje ziek in zijn hoofd!
MEESTERWERK IN KIPKAP
Ondanks een wankele gezondheid (zijn maag evenwel, niet zijn hart) verkoos Boon echter gedegen arbeid te verrichten, uitgebreid opzoekingswerk, om dan doorwrochte, maar toch vlot leesbare, turven op de markt te brengen.
Zonder te beweren dat Boon een “documentarist” was, kan men toch stellen dat een dergelijke voorbereiding volledig paste in zijn opvatting van realisme. Niet zelden zijn documentaristische romanschrijvers ook journalisten, denken we maar aan Norman Mailer of Truman Capote, maar eveneens aan de grote voorloper Daniel Defoe. Hoeven we er nog aan te herinneren dat Louis ook als journalist bedrijvig is geweest, eerst voor “De Rode Vaan”, daarna bij “Vooruit”. Boon schreef zelfs voor “Het Laatste Nieuws”, maar “die wilden alleen maar stukjes onder pseudoniem omdat men het niet wilde geweten hebben dat ik dat was”.
Maar ook in Vooruit jammerde hij soms een eind weg: « Als ik een raad mag geven, laat u nooit verleiden om iedere dag zo een stukje in de krant te schrijven, ook al willen ze het met goud beleggen. De hele dag loopt ge maar te piekeren en uw nagels stuk te bijten: over wat ga ik het nu weer hebben? Het velletje, dat ge alvast op trein of tram zijt beginnen volkrabbelen, moet ge bij uw thuiskomst toch in de kachel stoppen, om opnieuw en als het ware met een schone lei te beginnen. In andere gezinnen staat de TV luidkeels storingen en interludies ten beste te geven, maar bij u durven vrouw en kroost geen kik geven, de hele avond lang. De enigen die er waarlijk genoegen aan beleven zijn uw overburen, want die staan achter hun gordijnen grinnikend toe te kijken: ‘Kom eens, Marie, daar zit hij zich weer achter de schrijfmachine de haren uit het hoofd te halen.’ De volgende ochtend levert ge uw stukje in, met geschrapte lijnen en al. Heel even geeft het een gevoel van opluchting: ziezo, daar heb ik niets meer mee te maken! Maar het ogenblik daarop staat het spook alweer te grijnzen… Wat zal het vandaag worden ? Maar spons daarover. Het ergste is wel, dat uw eer en reputatie eraan ten gronde gaan. Ook al zit uw jas vol ridderkruisen, als ge u iedere dag met al uw kleine miseries te kijk hebt te zetten, is het aanzien meteen weg. Vanochtend kon ik mijn tramkaart maar niet vinden, en terwijl de receveur verveeld stond toe te kijken zei hij ook nog: ‘En uw verhaaltje in de krant van vandaag… dat is ook al niet veel zaaks!’ »
Dat was in zijn Boontje van 29 december 1959 in de linkerbovenhoek van de tweede bladzijde van het Gentse socialistische dagblad, waar hij vanaf 18 november dat jaar met zijn dagelijks stukje een definitieve plaats zou innemen tot 21 januari 1978, lang na zijn op pensioenstelling in ’72. Hij tekende er ook de zogenaamde “car-boontjes” bij, d.w.z. cartoons onder het motto “wat een leven”. Het zijn déze car-boontjes die wij in Temse hebben voorgesteld in première voor Vlaanderen in 1981. Een aantal ervan zag ik nog eens terug tijdens de HAM-tentoonstelling in de Gentse Feesten 1999, maar toen werd de aandacht vooral getrokken door de komische erotische “strip” (le mot est bien choisi) “Agaatje en haar kloo(s)terleven”. Dàt heeft de familie Boon me destijds niet aangeboden om in het Gemeentehuis van Temse uit te hangen! Daar waren de tijden toen ongetwijfeld nog niet rijp voor.
De loopbaan van Louis Paul Boon bij Vooruit startte in feite op 25 november 1948, met een eerste bijdrage in een «Boontjes Bittere Bedenkingen»-rubriek. Eerst freelance-medewerker, vanaf 1950 met het statuut van zelfstandig journalist en op 6 november 1954 officieel in dienst, verscheen al dadelijk wekelijks een bijdrage van Boon. Kunstkritieken, en in de eigen rubriek fragmenten uit de romans «De Kapellekensbaan» en “Zomer te Ter-muren». Als vast redactielid verzorgde hij de cultuurpagina «Geestesleven” die hij in mei 1956 overnam van Richard Minne. Jos Murez nam het in januari 1972 van hem over, alhoewel hij zelf over deze Murez eens had geschreven: “Het schijnt dat die ooit met een roman voor de dag zou komen. De Heer beware er ons voor!” Boon zelf trok liever mensen aan als Paul Snoek of Hugo Raes.
Onder Boon was de rubriek uitgegroeid tot een strijdorgaan van de avant-garde kunst. Belangwekkend daarin was o.m. de rubriek «De vijfde kolom», een serie polemieken die gedurende één jaar verscheen.
Afgezien van wat later in boekvorm zou verschijnen, de eerder geciteerde romans, fragmenten uit “De bende van Jan de Lichte” (*), het feuilleton «De liefde van Annie Mols», selecties uit zijn rubriek in enkele thematische bundels, bleef veel van dit werk aan de literatuurliefhebber onthouden. Een uitgave van de verzamelde Boontjes heeft ondertussen deze leemte opgevuld.
REALISME
Het realisme van Boon is geen bijgekleurd socialistisch realisme, maar een realisme tout court, d.w.z. de weergave van een werkelijkheid die zowel chaotisch, gruwelijk als poëtisch is. Vandaar de experimentele vormgeving van “De Kapellekensbaan” en “Menuet” b.v. (Het procédé van de krantenknipsels die parallel lopen met het boek had hij gehaald bij “The 42nd Parallel” van John Dos Passos.)
Nochtans was Boon “geschoold” in het meer traditionele realisme van Willem Elsschot en zelfs van Cyriel Buysse. Voor het lezen (en doorgeven aan onbezoedelde vriendjes!) van deze auteur werd de jonge Boon destijds van de vakschool van de Sint-Jozefparochie weggestuurd. Hij gaat dan maar naar de tekenacademie, waar hij kennismaakt met Maurice Roggeman. Het is algemeen geweten dat hij via het tekenen tot schrijven is gekomen. “Ik dacht niet dat ik een schrijver trouwde,” vertelt Jeanneke Boon-De Wolf (1915-2005) in GVA 8/5/1999. “Hij sprak over schilderen. Hoogstens vijf weken voor wij trouwden zei hij me: ‘We gaan nu trouwen, maar vijf jaar getrouwd zijn, is voldoende. Dan ga ik weg, naar Parijs, met Morris (Maurice Roggeman, RDS), de schilder. Ga ik schilderen en schrijven. Ge zult uwe plan wel trekken.’ ‘Ik zal dan geregeld naar Parijs komen om te zien in welke goot ge ligt,’ zei ik.”
Als hij na zijn krijgsgevangenschap zijn belevenissen op lino’s à la Frans Masereel wil uitdrukken, beginnen de teksten steeds meer door te wegen op de tekeningen. Deze tekst (“Drie mensen tussen muren”) zal overigens uiteindelijk pas in 1969 verschijnen. De eerste tekst die van Boon zou verschijnen is “De voorstad groeit”, die Jeanneke instuurde voor de Leo J.Krijnprijs door er hem “enzovoort, enzovoort” onder te doen zetten.
In diezelfde optiek hangt Boon geen geïdealiseerd portret op van de arbeider of de volksmens. “Men verwijt mij steeds opnieuw dat ik de kleine man, die van honger krepeerde en die diefstal pleegde, niet voorstel als een held. Ik zou steeds maar moeten schrijven over de arbeiders, die schouder aan schouder staan en die stakingen winnen enzovoort… Maar in werkelijkheid is dat niet zo geweest: die kleine man die gapte godverdomme wat hij kon krijgen en hij was meer anarchist dan socialist.”
Boon was ervan overtuigd dat er voor de machtelozen geen uitzicht op wezenlijke lotsverbetering kon bestaan, niet zolang er mensen waren. Tenware ze zich, bij gebrek aan alternatief, in de criminaliteit begaven, zoals de Aalsterse anarchisten in “De Zwarte Hand” (1976) en “Het jaar 1901”, het “vervolg” op “Pieter Daens” (1971), een lamento voor hen die “aandurfden wat wij ons zelfs in onze stoutste dromen niet durfden te veroorloven”.
In “Vergeten straat” b.v. beschrijft hij typen die vechten voor hun bestaan, vechten voor geld, vechten voor een vrouw, enz. Een donker gekleurd bestaan dus, al was het maar door de fabrieksrook, want Boons meesterwerken spelen zich niet af in idyllische tafereeltjes, dergelijke hunkering schrijft hij van zich af in meer farfelu maar toch niet minder briljante werkjes als “Zomerdagdroom”.
Maar zijn voornaamste werken tekenen dus een harde realiteit, dikwijls pessimistisch en vandaar ook vaak als “miserabilisme” betiteld. Hierbij hoort echter de zeer speciale Boontjes-humor, droog, cynisch, maar zelden zwartgallig, en de merkwaardige observatie van pittoreske details die a.h.w. het leven (en de strijd om een menswaardig leven!) weer zin geven.
Toch was Boon ook puur naturalistisch. Niet voor niets heeft hij een monografie geschreven over Gustaaf Vermeersch (1877-1924), die bijna zijn buurman was, maar stierf toen Boon amper twaalf was. Boon (in “Verscheurd jeugdportret”): “Godomme, wat heb ik nu een spijt dat hij dood is… of dat ik nooit over de haag heb geroepen: hé, Gustaaf, sterf gerust, kzal ik uw boeken voortschrijven.”
In zijn beste werken brak Boon echter buiten de nogal strikte begrenzingen van de naturalistische stijl (b.v. alweer in de “Kapellekensbaan” waar evenzeer expressionistische trekken in voorkomen), waarin niet onverdienstelijke medestanders als Piet Van Aken en Jef Last wél bleven steken.

Ronny De Schepper

(*) De moeder van Jan de Lichte was immers niemand minder dan Elizabeth de Schepper. Net als haar echtgenoot Joos de Lichte wordt ze in 1750 veroordeeld tot geseling en levenslange verbanning. Ze was toen zeventig jaar oud en het kranige besje loochende dat ze vroeger al eens een veroordeling had opgelopen. Maar twee jaar eerder was ze in Aalst zowaar reeds gegeseld en levenslang verbannen en nog twee jaar vroeger was ze gebrandmerkt (met de letter V) en verbannen voor vijftien jaar (wat ook wel op levenslang neerkwam op haar leeftijd). Ook haar broer Salomon (de “kapitein” zoals hij door z’n bende werd genoemd) was als stelende oom een lichtend voorbeeld voor Jan De Lichte. De veroordelingen waren inderdaad voornamelijk op basis van “diefstal”, maar de familie De Lichte-De Schepper was zo arm dat die mensen wel moesten stelen om te overleven. Dat “stelen” bestond dan ook in graan van een akker of fruit van de bomen. In het beste geval zocht ook al eens een “kieken” de weg naar hun schamele huisje op… Maar dit laatste was eerder een specialiteit van Salomons zoon Joannes die de familie “een slechte naam” gaf. Hij heeft er dan ook zwaar voor moeten boeten in het Steen te Aalst. Omdat hij niet wilde bekennen, zelfs niet na herhaalde martelingen, kwam hij er met verbanning vanaf, maar daar stoorde hij zich niet aan, zodat hij bij een razzia werd opgepakt en op 3 december 1748 opgeknoopt in Aalst.

2 gedachtes over “Louis Paul Boon (1912-1979)

  1. Amaai, dat was inderdaad een gemiste kans om een blik op de feminateek te werpen met commentaar door Boon zelf.
    Ik moet eigenlijk met schaamrood bekennen dat ik veel en veel te weinig van Boon ken. Ik heb deze post alvast opgeslagen om hem eens op het gemak de nodige aandacht te geven!

    Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s