45 jaar Woodstock

16Morgen zal het al 45 jaar geleden zijn dat, precies op de dag dat bij ons Stijn Streuvels overleed, in de Verenigde Staten het fameuze Woodstock-festival van start ging (*). Als dàt geen duidelijk omen was dat er nieuwe tijden aangebroken waren! Destijds heb ik er ook in mijn wekelijks rubriekje in De Voorpost aandacht aan besteed, toen het festival nog maar tien jaar achter de rug lag – en dat leek toen al een eeuwigheid!

“Deze week zou ik eigenlijk de single “Welcome back” moeten bespreken van John Sebastian. Maar veel valt daar niet over te zeggen, tenzij dat ze reeds enkele jaren oud is en nu wordt heruitgebracht omdat dit lied als intro gebruikt wordt van de serie “Welcome back Kotter”, waarin John Travolta ook een rolletje vertolkt,” zo schreef ik destijds in mijn muziekrubriek in De Voorpost. “Het lijkt me echter leuker dat ik n.a.v..deze eigenaardige combinatie Sebastian-Travolta even teruggrijp naar een bespreking die ik op 14 november 1970 heb gemaakt na mijn eerste visie van de film Woodstock van Michael Wadleigh.”
Ik zal hier niet praten over de documentaire gedeelten omdat die filmisch minder knap zijn en totaal inhoudloos, zo ga ik van start en ik stel dan ook: ik zal mij beperken tot de muziek.
De rij wordt geopend door Richie Havens, een zwarte folk- en bluessinger. Hij zingt: « Sometimes I feel like a motherless child » … De voornaamste aanpassing van deze spiritual is een herhaalde kreet om freedom. Het hoogtepunt van zijn optreden is wanneer hij het podium verlaat: totaal in trance (zijn lang kleed is helemaal nat) speelt Richie verder tussen de technici. Dit is geen ,,image,, meer: dit is echt.
We hebben de organisatoren reeds tegen Joan Baez horen zeggen dat zij de eerste dag zal afsluiten en zien haar dus “by night”. Zij vertelt eerst een beetje over haar man, David, die als dienstweigeraar in de gevangenis zit. Hier heeft hij met een veertigtal andere gevangenen een hongerstaking op touw gezet. Dan zingt zij het arbeiderslied “Joe Hill”. Tekstueel het beste van gans de film (“It takes more than guns to kill a man/They can never kill what we have organised”). Daarna zingt zij zonder de minste begeleiding “Swing low sweet chariot”. Haar fantastische stem zindert door de prachtige nacht.
“See me, feel me, touch me, heal me” horen we, terwijl we foto’s zien van de lead-singer van The Who in actie (de indiaanse vestjes met grote franjes waren blijkbaar erg in trek). Daarna: “Summertime blues”. Voor wie de “act” van de Who kent, is hier geen commentaar nodig. Na het nummer volgt een drumsolo van de vijfarmige Keith Moon, waarna Peter Townsend gewoontegetrouw zijn gitaar aan diggelen slaat. Daar het echter functioneel is, is het fascinerend, niet weerzinwekkend.
Plaats voor Joe Cocker. Ongetwijfeld de meest energieke persoonlijkheid. Met hart en ziel wijdde hij zich aan zijn successong “With a little help from my friends”. De kletsnatte haardos, het afgematte gezicht, de in het luchtledige gitaar spelende handen (fijn trukje van de techniek: tegelijkertijd de echte sologitarist tonen), de buik een beetje vooruit, balancerend op de tipper van de tenen … image? Wij durven het betwijfelen: grandioos!
Even verpozen met Sha-nana. “At the hop” is een stukje Amerikaanse show uit de jaren vijftig. Close-up van brillantine-haren (kort, natuurlijk). De dikke lead-singer lijkt wel zwanger, zo in zijn ontbloot bovenlijf. Al bij al een goed rocknummer.
Duisternis. “Tell them who we are.” Het licht flitst aan (machtige effecten: blauw-rood-purper): Crosby, Stills and Nash. Met Stills als solist brengen ze “Suite Judy Blue Eyes”. Perfect afgewerkt zoals steeds. “Thank you, we needed that: this was our second performance in public.”
Een jonge kerel, lijkt nog geen 18, kruipt het podium op. Arlo Guthrie. “Folksong has gone a long way,” zegt hij. Inderdaad. Hij zingt een liedje over drugs, geïllustreerd door beelden van stuffrokers.
Daarna komt een van de hoogtepunten van het festival: Ten Years After. Het is echter de sologitarist-leadsinger Alvin Lee die al het werk doet. Met zijn kenschetsende mimiek brengt hij het rockende “I’m going home”. Een miljoen handen klappen mee op het onweerstaanbaar ritme. Hij brengt er nog wat fragmenten van bekende nummers bij (“Whole lotta shaking”, “Baby please don’t go” e.a.) en eindigt met een daverende gitaarsolo. Verdiend overdonderend succes.
Er wordt afgeroepen dat iemand naar de medische stand moet komen: zijn vrouw is bevallen. John Sebastian klautert op het podium en draagt aan deze man en zijn kind zijn lied “Generation” op. Eenvoudige melodie, knappe tekst. Ontroerde meisjesogen bij het zien van al die naakte babies. Halfweg “valt” John “erdoor”: geen nood, “Help me!” en hij is weer weg. Gedecontracteerd, persoonlijk.
“Give me an F, give me a U, give me a C, give me a K. What’s that spelled?” Tot vijfmaal toe kelen 500 000 mensen: FUCK! Zo opent Country Joe zijn protestsong tegen de Vietnamese oorlog (hij heeft een soldatenpak aan). “How do you want to stop the war if you can’t sing any louder than this?”: de menigte gilt alsof hun leven ervan afhing. “More! More!”
Misschien dacht u net als ik dat Santana een ééndagsgroep was (Jingo-lo-ba) dan hebben we ons allen evenzeer vergist. Ook hun optreden is onbeschrijfelijk. “Soul sacrifice”: een betere titel is ervoor ondenkbaar. De piepjonge drummer schijnt over vier longen te beschikken; de orgelist weent werkelijk wanneer hij krampachtig de meeslepende muziek uit de toetsen haalt.
,,We want you to sing with us. There may be people who’ll say that this is old-fashioned but we’re not talking about fashion here. So make the peace-sign and say ‘higher’. WANNA TAKE YOU HIGHER! HIGHER!!!,, De overredingskracht van Sly Stone heeft een ongelooflijk effect. Dit is meer dan muziek: dit is een bezwering.
Nu komt het grootste moment, het hoogtepunt. We horen “bijtende” gitaarklanken, maar zien een versufte begeleider op de bongo’s liggen. Hij is afgemat omdat hij een brok dynamiet zoals wijlen Jimi Hendrix moet trachten bij te houden. Jimi speelt gitaar rnet zijn tanden. Dit geeft hij toe aan het publiek, dat hij een V-groet toezendt. Dan draait men de versterker op het maximum en een geradbraakte “Stars spargled banner” weerklinkt over de vlakte van Woodstock. Men houdt de adem in.”
De film geeft echter soms wel een vertekend beeld. Er traden in Woodstock (**) immers méér groepen op dan in de film te zien zijn.
De redenen zijn divers: ofwel eiste men te hoge royalties om in de film te mogen verschijnen, ofwel was men te stoned. Je kan zelf uitzoeken welke van de twee redenen van toepassing was op Johnny Winter, Quill, Dan Sommers, Janis Joplin, The Keef Hartley Band, Creedence Clearwater Revival, The Incredible String Band (nu Scientology-aanhangers), Tim Hardin (stierf in 1980 op 39-jarige leeftijd aan een overdosis), Blood Sweat & Tears, The Grateful Dead en The Band. The Paul Butterfield Blues Band (Butterfield overleed in 1987 op 44-jarige leeftijd), Jefferson Airplane (“Somebody to love” was als “Someone to love” oorspronkelijk de B-kant van “Free advice”, de enige single die de groep onder de naam The Great Society had opgenomen, de producer was Sylvester Stewart, beter bekend als Sly Stone), Canned Heat (gitarist Al Wilson stierf een jaar na Woodstock aan een overdosis; de zwaarlijvige zanger Bob “The Bear” Hite overleed in 1981 op 36-jarige leeftijd aan een hartaanval), Melanie en Mountain (leider Pappalardi werd in 1983 op 44-jarige leeftijd neergeschoten door zijn vrouw) zijn wel op de albums te horen die werden uitgebracht. Canned Heat is zelfs in de film te hóren (als opener nog wel, met de fameuze zin “I sure got to pee”), maar niet te zien.
Een deel van hen komt wél voor op de tweede film die over Woodstock werd uitgebracht, t.g.v. de 25ste verjaardag, maar het merkwaardigste is iets wat ikzelf nog heb beleefd. In mijn geboortedorp Temse was er in het begin van de jaren zeventig immers een wijkbioscoop (British Palace) die net als zovele andere op de vertoning van seksfilms was overgeschakeld om te overleven. Daar is men er eens in geslaagd om “Woodstock” als zogenaamde “voorfilm” te geven. Kenners zullen zich afvragen hoe dit mogelijk is, aangezien de “officiële” versie niet minder dan drie uur lang is. Voor deze “voorfilm” had men dan ook duchtig de schaar gehanteerd. En gezien de context is het onnodig erop te wijzen dat de fragmenten over het naaktzwemmen en -dansen of de “vlugge wip in het bos” er zeker niet waren uit verwijderd. Maar het allermerkwaardigste was nog dat men erin geslaagd was in deze ultrakorte (een goed uur) “seksversie” zal ik maar zeggen niet minder dan twee fragmenten te steken die in de “lange” versie niet voorkwamen, met name een extra nummer van Sly & the Family Stone en één van Country Joe and the Fish (heette oorspronkelijk “Mao and the Fish”, wellicht naar aanleiding van Mao’s zwempartijtje).
De Woodstock-film diende overigens vooral om het verlies van 85 miljoen goed te maken (de kaartenverkoop werd immers gestaakt, maar de groepen dienden wél te worden betaald, zij het dat sommige meer begrip hadden voor de organisatoren dan andere).
Oorspronkelijk was ook een optreden van Rod Stewart voorzien, die toen met de Jeff Beck Group een tournee door de Verenigde Staten maakte, maar de groep splitte nog voor het zover was (na het bekende incident met de Amerikaanse promotor, die Rod Stewart op de schouder klopte en zei: “That’s quite a good guitar player you have there, Jeff”). Pianist Nicky Hopkins ging dan maar op zijn eentje naar Woodstock en voegde zich daar voor de gelegenheid bij Jefferson Airplane. Met zijn klassieke opleiding was Hopkins, die op 6 september 1994 op 50-jarige leeftijd in Nashville overleed, ook een veel gevraagd sessiemuzikant, zo o.a. voor “Revolver” van The Beatles, voor “Jumpin’ Jack Flash”, “Sympathy for the devil” en “Tumblin’ dice” van The Rolling Stones en voor The Who. Ook de supergroep Blind Faith (met Eric Clapton) was voorzien in Woodstock, maar zou er nooit geraken.
Herdenkingen van tien en twintig jaar Woodstock gingen niet door (tenzij merkwaardig genoeg in het fameuze Gorki-park in Moscou, ik heb er nog met de organisatoren gesproken) en die van 25 jaar kampte met enorme problemen. Het was ondertussen immers duidelijk dat rockmuziek op de eerste plaats business is geworden. Volgens “oudstrijder” John Sebastian is het keerpunt in die evolutie precies aan Woodstock zelf te wijten: “Plots begrepen mensen die niets met rock’n’roll te maken hadden welk een macht die muziek had. Ze realiseerden zich dat de muziek van de counterculture bij een hele generatie aansloeg, op hetzelfde ogenblik waarop wij het begrepen. En ze begrepen dat er met die muziek veel geld te verdienen was. Dat veranderde alles. Tot dan werd je van rock niet rijk. Een song in de top-tien betekende pakweg dertigduizend dollar, geen miljoen. Niemand die in Woodstock optrad maakte muziek om rijk te worden. We waren verschrikkelijk naief in geldzaken. Velen onder ons werden dan ook gepluimd door gewetenloze managers. Ik inbegrepen.” (Tegen Tom Ronsse in De Morgen van 13/8/1994)
Kaarten voor 25 jaar Woodstock kostten niet minder dan 5000fr! (ze geraakten dan ook niet uitverkocht). Alhoewel het de bedoeling was met de programmatie de jongeren van 1994 aan te spreken (met groepen gaande van Porno for Pyros en Red Hot Chili Peppers tot Aerosmith en Metallica), waren toch een aantal veteranen van Woodstock ’69 present: Joe Cocker, Crosby Stills & Nash en The Band, maar dan zonder Robbie Robertson (en met een nieuwe vervanger, want degene die hem eerst verving, heeft ondertussen zelfmoord gepleegd). Het gekke is ook dat er nu een aantal oudjes van de partij waren die er in ’69 niet bij waren: Traffic, The Allman Brothers en Bob Dylan, die nochtans in Woodstock woonde.
Een teken des tijds is wel dat tal van mensen liever thuis bleven en het concert via de kabeltelevisie bekeken. Voor de speciale doorstraling moesten ze dan wel 1500fr betalen. De organisator was opnieuw Michael Lang en alleen al voor de verzekering (100 miljoen dollar) betaalde hij méér dan destijds voor het hele festival. Anderzijds zorgden grote sponsors als Pepsi en Polygram ervoor dat hij deze keer zeker zijn broek niet scheurde. Bovendien leeft hij zelf al jaren goed door het feit dat hij al die tijd manager is geweest van Joe Cocker (toegegeven, hij heeft Cocker van zijn alcoholverslaving afgeholpen).
Eigenlijk had dit festival plaats in Saugerties, zo’n 90km van Woodstock, wat niet écht een probleem mocht zijn, want Woodstock zélf ging ook niet in Woodstock door, maar in Bethel. Daar waren tijdens datzelfde weekend Melanie, Richie Havens en Arlo Guthrie present tijdens een kleinschaliger festival. Wie echter niet van de partij was, op geen van beide festivals, was The Middle Aged Men With Electric Guitars, de groep gevormd door Barry Melton, de gitarist van The Fish (degene die de “No Rain” kreet lanceerde; hij is nu advocaat – spreken in het openbaar kan-ie blijkbaar wel), en de overblijvende leden van Big Brother and the Holding Company, de groep die Janis dropte een jaar voor Woodstock.

Ronny De Schepper

(*) Het was wel degelijk een driedaags festival, een beetje een uitvergrote versie van Triangel kom, dus ook op 16 en 17 augustus viel er nog het een en ander te beleven.
(**) In Woodstock trad eigenlijk niemand op. Het festival vond immers plaats in Bethel, zo’n zeventig kilometer ervan verwijderd. Maar in de VS steekt het allemaal niet zo nauw, zeker niet als het op afstanden aankomt.

Referenties
Jan Segers, Tien jaar Woodstock, De Voorpost, 18 mei 1979
Jan Temmerman, De ‘good vibrations’ van een klassieke rockumentaire, De Morgen, 2 maart 1984

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.