Vandaag wordt de Zweedse toneelauteur Lars Norén zeventig jaar (foto Michiel Hendrickx, afkomstig van Wikipedia). Hij wordt beschouwd als de meest prominente hedendaagse Zweedse schrijver. Hij staat wereldwijd zelfs bekend als dé opvolger van Ibsen en Strindberg. Nadat hij debuteerde met gedichten, schreef Norén aan een razend tempo een reeks theaterstukken die ontwrichte familiale relaties blootleggen.

Het eerste toneelstuk van Norén dat in onze contreien werd opgevoerd, is volgens mij “De vorstenlikker”. Het werd geschreven in 1973, maar opgevoerd in 1978 door het RO-theater in een regie van Franz Marijnen. Het was ook het eerste toneelstuk dat hij heeft geschreven na reeds tien jaar als dichter en romancier actief te zijn geweest. Hij deed het op vraag van het Stockholmse Dramaten-theater, waar hij als regie-assistent werkte. Het werd in eigen land een enorme flop, vooral omdat men er fascistische ideeën in terugvond (de aanvoerder van de hetze was de schrijver Per Olaf Enquist, die later wel zijn excuses heeft aangeboden). Het gaat immers over een componist die ter ondersteuning van het bewind een opera moet componeren over de uitroeiing der joden. Daarbij moet hij de joden afschilderen als een volk waarmee je absoluut geen medelijden mag hebben. Maar hij gaat ten onder omdat blijkt dat men zoiets niet in muziek kan uitdrukken. Toch passeert ondertussen de hele muziekgeschiedenis van Gesualdo, die de harmonie heeft ontdekt waarmee de westerse muziek begint, via Monteverdi, Mozart en Beethoven, tot “A Survivor of Warsaw” van Schönberg de revue. Bovendien voegt Norén nog twee bedrijven toe aan de klassieke vijf, door te tonen hoe het de gek geworden componist verder vergaat. De hoofdacteur van het stuk was zelf nadien twee jaar buiten strijd. Het stuk is postmodernistisch en wellicht geschreven onder invloed van Heiner Müller, maar het is dus pas toen Karst Woudstra, die Norén had leren kennen toen hij in Zweden Scandinavische talen studeerde, het vertaalde, dat Norén via Nederland ook in eigen land erkenning kreeg.
In “Een vreselijk geluk” (1981) is de protagonist zoals zo vaak in zijn stukken een kelner in een hotel. “Dé plaats van maximale vervreemding tussen mensen die komen en gaan en elkaar niets te zeggen hebben,” zegt Freddy Decreus, maar als bij toeval ook gewoon het beroep van zijn vader, voor die met zijn bijeengespaarde centjes zelf een hotelletje kocht in het zuiden van Zweden. Maar tegelijk zegt Norén: “Ik hou veel van Fassbinder omdat hij identificatie vernietigt tussen de acteurs en het publiek. Sterke identificatie is een manier om te vluchten van de realiteit op het toneel en in de samenleving. Ik hààt identificatietheater!
Daarna volgt “Een onderwereldse glimlach” in 1982. Helena is negen jaar getrouwd met Edvard. Na de bevalling van haar eerste kind verzinkt ze in een depressie en wordt opgenomen in een inrichting. Drie maanden later wordt ze thuis “verwelkomd” door haar man en haar zus Eleen, die ondertussen met Edvard een verhouding is begonnen, en door de bazige Julia, haar moeder, die meer van Edvard houdt dan van Helena en die niet toelaat dat er over haar overleden man wordt gesproken. Net tijdens een SM-sessie met Edvard, die als vrouw verkleed alle haat en agressie van Helena tegenover haar moeder moet ondergaan (maar ervan klaarkomt), belt Jenny, een kamergenote uit de inrichting, aan. Hoe het verder afloopt, kan ik u niet zeggen, niet zozeer om de spanning erin te houden (?), maar wel omdat we bij de pauze tijdens de generale repetitie in de KVS-enscenering van Jean-Pierre De Decker op 04/02/1993 verdwenen om de gelauwerde Chinese regisseur Zhang Yimou en zijn knappe vrouw Qong Li te gaan fotograferen. We misten ze op een haar en zijn dan maar zelf gaan Chinezen. Dat is trouwens mijn samenvatting voor de stukken van Lars Norén: “Met alle Chinezen, maar niet met den dezen!“.
Daarna volgen nog “De nacht, de moeder van de dag” (1982), opgevoerd door het Publiekstheater Amsterdam in een regie van Karst Woudstra met Ton Lutz (Martin) in 1983. In dat jaar schreef Lars Norén “Chaos is god het naast” dat in 1989 bij ons werd opgevoerd in een regie van Karst Woudstra en met Chris Lomme en Senne Rouffaer. Het stuk vertrekt van de Griekse mythe waarin de Chaos voorafging, zowel aan de Ouranos (de hemel, het spirituele) als aan de Gaia (de aarde, het materiële) als aan de Eros, de kracht die deze twee grote principes één kon maken in de mens. Daarna volgde “Demonen” (1984) dat door het NTG werd opgevoerd in februari 1986 in een regie van Herman Gilis en een vertaling van Karst Woudstra. En nog later: “Het avondmaal” (1985), “Stilte” (1986) en “Hebriana” (1988).1053264447In 1986 zagen wij « De moed om te doden », het eerste stuk van de Zweedse auteur Lars Norén (°1944) dat in Vlaanderen op de planken gebracht werd. Malpertuis zette een werk neer dat lang zou nazinderen. Het mag dus niet verbazen dat het daarna hernomen werd, zij het deze keer als Brialmont-productie. Norén was meteen een grote meneer in dit lage land, maar het NTG slaagde er niet in zijn « Demonen » op een even krachtige wijze te brengen. Een strakke regie en ongelooflijk sterke vertolkingen zijn nu eenmaal een conditio sine qua non voor Norén-theater. En aan die voorwaarde werd met veel brio voldaan door Blauwe Maandag Cie, die momenteel door Nederland en Vlaanderen toert met « Nachtwake ». Vanaf 15 januari 1988 regisseert Jean-Pierre De Decker dus hetzelfde stuk voor de Brusselse RVS met Ingrid De Vos als Charlotte, maar wij keken alvast naar de meesterlijke versie die Guy Joosten en zijn acteurskwartet neer zetten.
Geschreven in 1985 is dit een vervolg op “Demonen”. Naar zijn eigen zeggen streeft Norén wel een “klassieke” catharsis na, maar zelf heb ik daar nog niet veel van ondervonden! Ik kan dan ook niet veel geloof hechten aan zijn verklaring in een BRT-interview: “Ik ga nooit naar het theater. Nooit naar de bioscoop. Ik lees niet veel. Mensen interesseren mij. Ik kijk naar hen. Ik schrijf stukken zonder verhalen. Ik hou ervan dat mensen hun leven vertellen zoals bij Tsjechov. De mens is echter meer dan het verhaal van zijn leven. Ik wil weten wie de mens is, waarover de mens gaat.”
In 1990 schreef hij “Herfst en winter“, dat op 28 april 1992 door Theater Antigone werd opgevoerd in een regie van Karst Woudstra en een decor van Marc Cnops. Met Chris Lomme (Margareta), Dries Wieme (Henrik), Mieke De Groote (Ann) en Rosemarie Bergmans (Ewa).
De gekende thematiek van Norén, die in psychiatrische behandeling is omwille van zijn haat-liefde-relatie met zijn moeder (toen ze in 1964 aan kanker overleed, verbleef hij zelfs een aantal maanden in een instelling), maar deze keer in een dermate oppervlakkig praatstuk, dat het wel een aflevering van “Familie” lijkt. Een dolgedraaide dochter (Ann) confronteert haar “stille” vader met haar bazige moeder (zelf getiranniseerd door haar ondertussen overleden schoonmoeder). Je verwacht steeds dat de zogezegd succesrijke dochter (Ewa), die op haar 43ste nog steeds geen kinderen kan krijgen en daardoor haar huwelijk in vraag stelt, voor de ontknoping of althans toch de ontlading zal zorgen, maar nee: het hele gezin dronken voeren was voor hem nog de enige uitkomst om toch een punt te kunnen zetten achter deze soap.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.