Het is vandaag precies 220 jaar geleden dat één van de allergrootste componisten ever, Wolfgang Amadeus Mozart, is gestorven. Alhoewel er veel te doen is over zijn dood (lees er alles over in onderstaand artikel), de conclusie staat nu wel vast, namelijk dat hij werd vergiftigd. Maar niet noodzakelijk opzettelijk, hé! Genezing of dood door vergiftiging was een dunne lijn in de geneeskunde van die tijd.

Wij gaan er te vaak van uit dat de muziekgeschiedenis een doorlopende lijn is. We vergeten bijvoorbeeld dat op het einde van de negentiende eeuw pianovirtuoos Arthur Schnabel, ondanks het feit dat hij in Wenen zelf heeft gestudeerd, nooit van de klavierconcerti van Wolfgang Amadeus Mozart heeft gehoord, laat staan dat hij er zelf zou hebben gespeeld! (*)
Hoe rap het kan gaan, wordt anderzijds bewezen door het feit dat reeds in 1938 de brieven van Mozart door Emily Anderson ongecensureerd werden uitgegeven. Dat betekent dus dat nauwelijks een halve eeuw later het genie alweer van zijn sokkel werd gehaald, althans toch in de ogen van mensen die vinden dat genieën nu eenmaal niet met skatologische complexen rondlopen. (Terloops, op zoek naar een verklaring van deze “iets te lang” doorgetrokken anale fase, komen we wellicht bij Mozarts moeder terecht, die “grappen” als “ik kom je bed volschijten” ook in brieven naar zijn vader bleef hanteren.)
Eind 1997 vergeleek Yoko Ono Paul McCartney met Antonio Salieri. Dat was niet als compliment bedoeld, integendeel. Het was een verwijzing naar het toneelstuk “Amadeus” van Peter Shaffer, dat wij allemaal beter kennen in de verfilming door Milos Forman. Alhoewel de uitspraak van la Ono erg oneerbiedig is t.o.v. Paul en een schromelijke overschatting van wijlen haar echtgenoot John Lennon (want die zou dan Mozart moeten zijn), is het toch een aanleiding om nogmaals aandacht te besteden aan de stelling die in deze film wordt ontwikkeld.
“Amadeus” van Milos Forman zorgde in 1985 in brede kring voor een heropleving van de belangstelling voor Mozart en heeft vooral bewerkt dat de jeugd belangstelling is gaan koesteren voor deze oneerbiedige rebel, een provocateur die “épater les bourgeois” zo al niet bewust, dan toch onbewust hoog in zijn vaandel had geschreven. Sedert “Amadeus” is de muziek van Mozart niet langer oubollig en symbool voor een conservatieve maatschappijopvatting, maar speels en revolutionair. Een niet geringe verdienste. Neem nu b.v. de 26-jarige banketbakker, die eind ’97 zijn platencollectie voorstelde op Radio 3. Die bleek voor 60% uit Mozart te bestaan en de overige 40% werd dan nog vooral ingenomen door Haydn en de jonge Beethoven, kortom de Weense klassiek. Nochtans was deze jongeman vóór de film (toen hij dus 14 was) nooit in contact gekomen met klassieke muziek, laat staan dat hij er enige belangstelling voor zou vertonen (**).
Auteur Peter Shaffer heeft, als reactie op de bestaande clichés, zeker wat overdreven in de andere richting (en dan heb ik het niet over de skatologische kant van “Woolfie”, want afgaande op zijn brieven klopt dit zeker met de werkelijkheid, sommige musicologen beweren zelfs dat de nadruk die Mozart soms op blaasinstrumenten legt te maken heeft met zijn anale obsessie), maar Mozart was ondanks zijn muzikale genie nu ook tot menselijke proporties teruggebracht (zelfs Eddy Merckx zei altijd: “Ik ben ook maar een mens”) en dat is van onschatbare waarde geweest. Dat geldt ook voor de “moord” (door uitputting) die de destijds aanzienlijke, maar sindsdien quasi vergeten componist Antonio Salieri op Mozart zou hebben gepleegd. Het staat nu wel vast dat dit niet zo was, ondanks beweringen van de seniel geworden componist zelf, die gretig ingang vonden bij de op sensatie beluste tijdgenoten. Alexander Poesjkin schreef “Mozart en Salieri” in 1830 en dat was het eerste stuk waarin de geruchten als zou Salieri Mozart hebben vermoord werden gedramatiseerd. Het diende dan ook ruwweg als vertrekpunt voor Peter Shaffers “Amadeus”.
Het uitgangspunt van Shaffer is dat Salieri “de koning der middelmatigheid” was, d.w.z. hij had veel succes (Mozart had bij leven en welzijn inderdaad veel minder succes dan Salieri en nog een vijftal andere componisten in Wenen) met minderwaardige muziek. Dit laatste is een kwestie van smaak. Akkoord dat Salieri geen Mozart is, maar om dan maar meteen te besluiten dat zijn muziek “minderwaardig” is… Shaffer dicht Salieri echter wel een grote luciditeit toe. Hij is zowat de enige die het geniale van Mozart inziet , maar juist daarom is hij ontzettend jaloers.
Een ander “motief” voor de moord zou ook “wraakzucht” zijn: Salieri trachtte kuis en godvruchtig te leven, terwijl Mozart zich overgaf aan sex, drugs en rock’n’roll, zo wil Shaffer ons doen geloven (al geven de brieven van Mozart zoals gezegd daar wel aanleiding toe). De wraak van Salieri betreft dan ook De Schepper, die er desondanks heeft voor gezorgd dat hijzelf slechts middelmatig is, terwijl dat stuk onverlaat een klein genie is, tot spijt van wie’t benijdt.
Vandaar dat Mozart zeker voor de jeugd een soort van idool is geworden, vergelijkbaar met Jimi Hendrix of James Dean, omdat hij het gezegde van The Who “Hope I die before I get old” (uit “My generation”) ook in praktijk heeft gebracht. Niet door zich te zelfmoorden, maar “gewoon” door zo intens, maar bijgevolg ook zo ongezond te leven. En natuurlijk bewondert men hem ook omdat hij een underdog was, een rebel. Maar om te weten hoe het allemaal zo is kunnen lopen, moeten we beginnen met de papa.
In 1743 treedt Leopold Mozart (°14/11/1719) in dienst van de aartsbisschop van Salzburg als hofcomponist (net als Caspar Cristelli en Ferdinand Siedl). Kapelmeester was toen Johann Ernst Eberlin (1702-1762) en vice-kapelmeester Giuseppe Francesco Lolli (1701-1778). Ze dirigeren met hun vijven om beurten gedurende een week het orkest, waarbij ze de volledige vrijheid hebben in de keuze van de stukken.
In juli 1756 publiceert Leopold Mozart zijn beroemde “Violinschule”. Dat jaar wordt ook z’n nog beroemdere zoon geboren en als blijkt dat het jongetje een geweldig talent bezit, begint Leopold z’n eigen carrière te veronachtzamen en gaat het ook met het orkest van Salzburg bergaf. Ze drinken, laten hun haar groeien en lopen in gescheurde jeans rond. Of iets van die aard toch. Bij het begin van Wolfgangs carrière telde het orkest toch nog altijd zo’n 46 man (de drie “windmakers” – voor het orgel – niet meegerekend), met daarbij nog eens een koor van 56 zangers.
Wolfgang Amadeus Mozart werd dus geboren in 1756. Hij groeit op met een pokdalig gezicht, dubbele kin, misvormde oren (vandaar al die pruiken), uitpuilende ogen en vooral een grote neus. Ik geef toe, ik moest ook eens slikken toen ik deze plastische beschrijving las in de biografie van Wolfgang Hildesheimer (1977). Het merkwaardige is dat Hildesheimer zijn beschrijving vooral heeft gehaald uit de kranten uit Mozarts tijd, waarin hij zelfs bekend stond als “Mozart met de grote neus”, terwijl Graaf Ludwig von Bentheim-Steinfurt die hem een jaar voor zijn dood (terwijl hij door anderen, toegegeven, als “een bleek manneke” wordt omschreven) aan het werk ziet, hem “een kleine, maar nogal leuk uitziende man” noemt. Misschien “one of those” en daarom een beetje “blind”? (In dezelfde context beschrijft hij een contratenor nochtans gewoon als “lelijk”.)
Hildesheimer zegt dat hij er in deze prefreudiaanse tijden geen bewijzen heeft van kunnen vinden dat Mozart door dit wanstaltige uiterlijk ook getraumatiseerd was, maar dat hij op het einde van zijn leven zowat onuitstaanbaar was geworden (om welke reden dan ook) dat schijnt vast te staan. Hildesheimer schaart zich (als één van de weinige biografen) dan ook aan de kant van Constanze: met zo iemand viel niet langer meer samen te leven. Zijn conclusie is onverbiddelijk: vele van Mozarts fans zouden als tijdgenoten wellicht geweigerd hebben hem de hand te drukken (naar het schijnt waste hij zich niet al te veel). In plaats van romantische verhaaltjes te verzinnen over hoe de tragedies in zijn leven tot dergelijke prachtige muziek hebben geleid, zou men er dus beter van uitgaan dat die inderdaad geniale muziek eerder een vorm van sublimatie was, zo besluit Hildesheimer zowat diametraal tegenovergesteld aan Shaffer.
In 1762 trad ook Michael Haydn (1737-1806) in dienst van de aartsbisschop van Salzburg. Dat kwam goed van pas, want in januari reeds begint Leopold Mozart Europa rond te trekken met zijn zesjarig wonderkind en diens oudere zusje Maria-Anna, beter gekend als Nannerl. Toch zijn ze een jaar later, dus in januari 1763, blijkbaar toch even weer thuis want Johann Andreas Schachtner, de “hoftrompetter” van Salzburg, vertelt hierover een anekdote waaruit blijkt hoe geniaal Woolfie wel was. Schachtner maakt namelijk melding van een avondje musiceren bij de Mozarts, waar er strijktrio’s zouden worden gespeeld. Vader Leopold zou hierbij de altviool bespelen, ene Wenzel de eerste viool en Schachtner zelf tweede viool. Op het moment dat ze willen beginnen, vraagt de kleine Mozart of hij niet de tweede viool mag spelen. Hij heeft op dat moment nog geen viool aangeraakt en Leopold zegt dan ook dat hij de grote mensen met rust moet laten en met de blokken gaan spelen (ik parafraseer uiteraard), waarop Wolfgang het zoals kleine kinderen dat kunnen het op een blèren zet en zegt dat je om tweede viool te spelen toch geen viool moet kunnen spelen, zeker! Vader Leopold wil hem een savooi rond zijn oren geven, maar Schachtner komt tussenbeide en stelt voor dat ze samen tweede viool zullen spelen. Leopold stemt ermee in op voorwaarde dat Wolfgang zó stil speelt, dat men hem niet kan horen. Zo gezegd, zo gedaan, maar al vlug merkt Schachtner dat Wolfgang heel goed kan spelen en hij is degene die stopt met spelen, terwijl Wolfgang alleen doorgaat. Als Leopold dat merkt, lopen tranen van fierheid over zijn wangen…
De familie Mozart maakte tijdens de drie jaar dat het reisje duurde kennis met de nieuwste muzikale stromingen. Ze kwamen in contact met een hele schare talentrijke componisten en musici. Als jeugdige virtuoze instrumentisten konden beide kinderen optreden aan allerlei prestigieuze hoven van vorsten, prinsen en edelen (***). Wolfgang bezat het assimilatievermogen om het beste over te nemen van wat onder zijn ogen kwam. In Parijs steekt Wolfgang zo wat op van Johann Gottfried Eckard, Leontzi Honauer, Hermann Friedrich Raupach, Christian Hochbrucker en Johann Schobert. Hoe hij dat in een zeer persoonlijke stijl wist om te smeden, hoort u in de symfonieën K76, K45, K50 en K48, alle vier gecomponeerd op 11‑, 12‑jarige leeftijd.
Mozart komt met zijn vader en zijn zus op 2 oktober naar Luik, waar echter rouw is afgekondigd wegens het overlijden van de prinsbisschop Jean-Théodore van Beieren. Daarom reizen de Mozarts via Tienen en Leuven naar Brussel, waar ze op 4 oktober aankomen. Ook hier vangt Leopold weer bot. Het is de bedoeling om aan het Hof van Karel Alexander van Lorraine te spelen, maar na drie weken heeft Leopold alleen nog maar een vage belofte kunnen afpeuteren van een prins die volgens Leopold meer in jacht e.d. is geïnteresseerd. De zevenjarige Wolfgang heeft ondertussen op 14 oktober de Brusselse sonate gecomponeerd. Half november verlaat het trio teleurgesteld onze contreien via Bergen.
In april 1764 komen de Mozarts aan in Londen, waar de achtjarige Mozart in augustus reeds vier dozijn klavierstukjes heeft geschreven en tien sonates voor viool en klavier. Dan werd vader Leopold zwaar ziek (keel) en moesten ze naar een buitenhuis in Chelsea uitwijken, waar muziek maken verboden was. Om zich af te reageren componeerde de kleine Woolfie zijn eerste symfonie, al is dat (op basis van een brief van Nannerl) wellicht niet die in Es (KV.16), die als eerste te boek staat. Ongetwijfeld staan deze symfonieën onder invloed van die van Johann Christian Bach en gambist Carl Friedrich Abel die hij daar had horen uitvoeren. Johann Christian Bach gaf hem trouwens muziekonderricht.
Als vader Mozart genezen is, keren ze terug naar Londen, waar Wolfgang zangles krijgt van de castraat Giovanni Manzuoli. Hij schreef trouwens zelf nog drie opera’s waarin een castraatrol voorkwam (La finta giardiniera, Idomeneo en La clemenza di Tito).
Het jaar nadien componeerde hij daar nog drie symfonieën, waarvan de tweede (KV.19) in D merkwaardig genoeg als de vierde de geschiedenis is ingegaan (ze staat ook een beetje bekend als de “jodelsymfonie” omwille van het pastorale karakter van het tweede deel en het uitbundige derde deel) en de derde (KV.19a) in F die gewoonweg geen rugnummer kreeg, omdat ze pas in 1981 werd ontdekt (ze vormde allicht de aanleiding voor de integrale van Christopher Hogwood, want hij was ook degene die ze “hercreëerde”). Er is dus misschien ook nog hoop om KV.19b terug te vinden, waarvan we nu enkel de eerste drie maten bezitten. Deze symfonieën en wat vocale muziek werden uitgevoerd op 21 februari 1765, nadat het concert diende te worden uitgesteld omdat een aantal zangers, waarop Leopold een beroep wilde doen, nog vast zaten door de uitvoering van het oratorium “Judith” van Thomas Arne. De brieven die Leopold over de Londense concerten naar landsheer Lorenz Hagenauer in Salzburg schrijft, gaan echter enkel over (het gebrek aan) geld, zodat we niet veel wijzer worden. Toch weten we dat de kleine Mozart een typische “woede-aria” schreef, “Va dal furo portata” (KV.21 of 19c), om te worden ingelast in een bestaande opera, met name “Ezio” (van diverse componisten) die op dat moment in het Royal Theatre (Haymarket) werd opgevoerd.
Van september 1765 tot april 1766 verbleven de Mozarts in Nederland, en dan vooral in Den Haag op speciale aanvraag van de zus van de Prins van Oranje. Op weg daarheen verbleef hij op 5 september in Gent, waar hij van de gelegenheid gebruik maakt om de beiaard te bespelen, en op 7 en 8 september in Antwerpen. Wolfgang componeerde in Den Haag ook twee symfonieën: in Bes en in D (KV.22 en 32). De eerste kreeg een officiële nummering (de vijfde) en viel blijkbaar zo in de smaak van Georg Anton Kreusser, de jongere broer van Johann Adam Kreusser, die het Amsterdamse Schouwburgorkest leidde dat deze symfonie creëerde, dat hij de opening ervan “leende” voor zijn eigen symfonie in E flat, op.5, nr.4 (1770).
De tweede symfonie is eigenlijk de vier eerste delen van de feestmuziek die de tienjarige Mozart schreef t.g.v. de installatie van Willem V als regent van de Nederlanden, het zgn. “Galimathias musicum” (11 maart 1766), gebaseerd op bekende melodieën. Zo is in het menuet b.v. “Lieber Joseph” te horen.
Daarna gingen de Mozarts terug naar Parijs, waar ze tot 8 juli verbleven, om nadien over Dijon, Lyon, Lausanne, Zürich en Donaueschingen op 8 december terug in Salzburg te arriveren, waar resp. op 12 maart 1767 “Die Schuldigkeit des ersten Gebots” en op 13 mei “Apollo et Hyacinthus” worden gecreëerd, waarvan de ouverturen (in C en in D, KV.35 en 38) door Hogwood als symfonieën worden gerekend, al krijgen die geen officieel nummer van Breitkopf en Härtel, de uitgevers uit Leipzig die in de 19de eeuw een eerste nummering van de Mozart-symfonieën hebben doorgevoerd. Een voorvader van die Breitkopf was overigens een tijdgenoot van Mozart en gaf toen ook reeds werk van hem uit. Ook symfonieën, maar die werden in die tijd niet gedrukt, maar met de hand overgeschreven voor elk instrument. Mozart schreef overigens enkel maar het eerste deel van “Die Schuldigkeit” (met in de “sinfonia” een contrasterend zuchtmotief), want het tweede en het derde deel van deze tekst van de Salzburgse burgemeester Ignaz Anton Weiser (1701-1785) werden resp. door Michael Haydn en Anton Adlgasser (1729-1777) getoonzet.
Ook de eerste klavierconcerten van Mozart worden gesitueerd in 1767, dus op 11-jarige leeftijd! Dat waren er dan vier in één keer, maar anderzijds staat sedert 1908 wel vast dat het hier bewerkingen betreft van op dit moment vergeten componisten als Johann Schobert (niet te verwarren met Franz Schubert uiteraard), Leontzi Honauer, Hermann Raupach en Johann Eckard, die Mozart als rondreizend wonderkind destijds was tegengekomen en waarvan hij de partituren had meegenomen op zijn tournees om daar dan eigen bewerkingen van te maken. Op reis nam vader Mozart een clavichord mee (een tangent, die tegelijk als tweede kam dient, slaat de snaar aan en blijft ondersteunen, zolang de toets ingedrukt blijft) en mogelijk speelde de jonge Mozart deze concerti dus op dit instrument. Omwille van het geringe volume is het uitgesloten dat zijn eigen concerti echter voor dit instrument zijn bedoeld.

Ronny De Schepper

(*) Toch is van hem de uitspraak: “De sonates van Mozart zijn uniek. Ze zijn te gemakkelijk voor kinderen en te moeilijk voor kunstenaars.” Dié kende hij dus blijkbaar wél!
(**) Als ze samen speelde, speelde Wolfgang steevast viool, waarbij Nannerl hem begeleidde aan het clavecimbel. Het was in die tijd “ongepast” (of althans Leopold Mozart vond het ongepast) dat een meisje viool speelde!
(***) Voor de veertienjarige Micha Hamel vormde de film de aanleiding om compositie te gaan studeren.

(Zeer) selectieve bibliografie
Ronny De Schepper, Who killed Woolfie, Nitro, november 1990
J.V.Hocquard, Mozart, l’amour, la mort, Editions Jean-Claude Lattès, Musiques et musiciens, 1992
Ronny De Schepper, Dirk Vermeulen laat kinderen naar W.A.Mozart luisteren, Het Laatste Nieuws 16 oktober 1993
Ronny De Schepper, Bij Mozart op de koffie, Het Laatste Nieuws 4 november 1994

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s