Op 19 oktober 2011 ontving Arnon Grunberg in de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (KANTL) de vijfjaarlijkse prijs voor proza voor zijn roman Tirza.
In de roman Tirza (2006) vertelt Arnon Grunberg op magistrale wijze (aldus het juryrapport) het aangrijpende verhaal van Jörgen Hofmeester die, ondanks een zekere welgesteldheid, vrijwel alles wat betekenis voor hem had verloren heeft: zijn vrouw, zijn werk, een deel van zijn fortuin. Hij voelt zich overbodig en houdt zich alleen nog staande door zich te vereenzelvigen met ‘vader’ te zijn van zijn oogappel en ‘bestaansrecht’ Tirza. Als dat vaderschap bedreigd wordt door haar allochtone vriendje groeit een obsessieve haat die voor iedereen catastrofaal afloopt. Grunberg heeft met deze aangrijpende en confronterende roman, waarin het demasqué van de angstvallige burger tot uiting komt, zijn meesterschap en zijn unieke plaats binnen de Nederlandstalige literatuur bevestigd. Daarom wordt hem de vijfjaarlijkse Prijs van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde voor proza (periode 2006-2010) toegekend.
Onmiddellijk daarna heb ik me dus op “Tirza” gestort, want de reclame die daaraan voorafging kon niet worden genegeerd. En dan heb ik het niet eens op de lovende bewoordingen die gretig op de achterflap worden herhaald. Nee, de 24ste druk (die ik gelezen heb) op minder dan drie jaar tijd, dat kan toch niet worden geloochend?
En toch begrijp ik er niks van. Ik vind “Tirza” van hetzelfde gezeur als “Blauwe maandagen”. Al heeft het duidelijk meer ambitie. Zo doet de passage over walging als “het toppunt van intimiteit” (p.58) natuurlijk aan Jean-Paul Sartre denken. (Op p.140 komt Sartre zelfs letterlijk ter sprake.)
Maar mij deed het boek ook nog aan iets anders denken. Puur toevallig had ik net daarvóór immers “School nummer één” gelezen van Pierre Platteau. Hierin worden we ook geconfronteerd met een echtgenoot met losse handjes. Er is echter ook een groot verschil. Platteau beschrijft het voorval vanuit het standpunt van een kind (hijzelf dus) en dan voel je niks dan weerzin voor de krankzinnige sadist die ten tonele wordt gevoerd. Grunberg beschrijft het echter vanuit het standpunt van de man (overigens een veel “keuriger” man dan de fascistische vader van Pierre Platteau) en meteen wordt een soort van begrip mee onder de deur geschoven. De vrouw is immers van het soort dat zonder iets te zeggen stopt met de pil te nemen en je dan op een ochtend confronteert met de mededeling dat ze zwanger is. Nu blijkt dit achteraf voor de man (Jörgen Hofmeester) een zegen te zijn (zij het eerder zijn tweede dochter, Tirza, dan de eerste, Ibi of Isabelle), maar je zal toch maar op zo’n manier in de zak worden gezet! Maar goed, zelfs dan nog heb je de neiging van te zeggen: toch handjes thuis houden, man! (Zeker omdat ook Grunberg net op het einde het standpunt eveneens “switcht” naar Tirza.)
Nog griezeliger dan de (relatieve) sympathie die zo’n man opwekt, is het feit dat in beide gevallen er een relatie is met seksualiteit. Bij de vader van Platteau komt het verdacht dicht in de buurt van “onecht” SM (ik heb het daar ter plaatse uitgelegd), hier is het blijkbaar de enige manier om Hofmeester tot enige seksuele activiteit aan te sporen: “Geef me nog een oorvijg. Maar niet zo zachtjes. Zoals vroeger. Dat is toch de enige manier waarop je het kunt. Je kunt het toch niet anders. Pas als je slaat zeg je: ‘Ik houd van je.’ Zeg het!” (p.73-74)
Door het gebruik van de imperatief zitten we hier ook weer in de SM-sfeer, maar aangezien het degene die geslagen wordt is die beveelt, is er duidelijk toch ook weer een verschil. Al maken de twee voorbeelden duidelijk dat het een zeer ingewikkelde materie is…
En in “Tirza” wordt het alvast nog ingewikkelder. Wanneer de vrouw haar man na al die jaren weer tracht te verleiden, trekt ze het mini-jeansrokje van Ibi aan, waarmee deze destijds door de huurder van de bovenverdieping werd geneukt, en gedraagt ze zich hoerig om daarmee een portie billenkoek te “verdienen”. En dan schrijft Grunberg: “Het spel kan doorgaan alsof het nooit is opgehouden. Alsof het al die jaren gewoon is doorgegaan.” (p.154, vetjes van mij)
Voortdurend hangt er dreiging in de lucht. Of het nu racisme of terrorisme (*) is. Of anorexia of incest. Unheimlichkeit. Ik word er ongemakkelijk van bij het lezen. Misschien is dat wel Kunst? Al jaren buigen vele geleerde koppen zich over de vraag: wat is Kunst? Wel, misschien maakt Kunst ongemakkelijk.
Dan toch maar liever zonder. Daarmee bevind ik me trouwens in het goede gezelschap van Lev Tolstoï (p.424)…
Ronny De Schepper
(*) Al zal dat met het extremisme die vrijer van Tirza nog wel meevallen. Bij de kennismaking stopt Hofmeester hem immers een glas kir in de hand en aangezien hij niet protesteert, mogen we aannemen dat hij het braaf heeft leeggedronken… (in de filmversie van Rudolf Van Den Berg uit 2010 is dit foutje wel hersteld). Overigens noemt Hofmeester deze jongen voortdurend Mohammed Atta, maar of dat allemaal zo letterlijk te nemen valt, is niet helemaal duidelijk, als men ziet dat hij op p.176 de elfde september associeert met de val van de Muur…