Twintig jaar geleden was het 75 jaar geleden dat Arthur Conan Doyle is overleden. Een uitstekende gelegenheid voor Julian Barnes om zijn roman “Arthur & George” uit te brengen…
Met Arthur & George heeft Barnes een in het Victoriaanse Engeland gesitueerde historische roman geschreven, die gebaseerd is op de levens van twee historische figuren. De ene figuur is de schrijver Arthur Conan Doyle, de schepper van de beroemde Sherlock Holmes. De ander is George Edalji, een advocaat van Indische afkomst, die door zijn onterechte veroordeling de aandacht trekt van Doyle.
Barnes heeft grondig research gedaan voor deze roman, die een ietwat vreemde mengeling is van een detective met Arthur Conan Doyle in de rol van zijn eigen Sherlock Holmes, een biografie van een van de bekendste schrijvers van begin vorige eeuw en een gefictionaliseerd verslag van een onterechte veroordeling.
George Edalji wordt als vreemde eend in de bijt van kindsbeen af gepest, gediscrimineerd en buitengesloten (*). Zijn vader is een Indiër, zijn moeder een Engelse. Dat feit maakt van hem een makkelijk slachtoffer in de bekrompen atmosfeer van het Engelse platteland en het duurt dan ook niet lang voor de pesterijen beginnen. Eerst zijn het obscene brieven, dreigbrieven en pesterijtjes. Dit gaat jarenlang zo door. Dan worden er in de omgeving een aantal dieren gruwelijk verminkt (**) en George, inmiddels afgestudeerd in de rechten, wordt hiervan beschuldigd en alle redelijke argumenten ten spijt wordt hij er ook voor veroordeeld.
Drie jaar van zijn leven brengt hij door in een gevangenis, zijn reputatie is naar de maan, een loopbaan als advocaat kan hij wel vergeten. Ondertussen lezen we, in een ander deel van Engeland, over de successen van de jonge schrijver Arthur, die met zijn creatie Sherlock Holmes meer losmaakt dan hij aanvankelijk had gedacht én gehoopt. Daarom laat hij Holmes omkomen, maar door het overweldigend succes is hij gedwongen de speurder weer tot leven te wekken, als een schaduw waar hij maar niet vanaf kan komen.
Op z’n beste momenten heb ik bij deze roman moeten denken aan Ragtime van Doctorow (***) en wie mij kent, weet dat dit een erg groot compliment is. Vormelijk heb ik echter wel mijn bedenkingen. Zo maakt Barnes in het begin, bij de jeugd en adolescentie van beide mannen, gebruik van korte hoofdstukjes, telkens gewijd aan “Arthur” of aan “George”, die verondersteld worden min of meer parallel te lopen. Maar Barnes heeft duidelijk moeite gehad met de schikking van deze twee verhalen, ook al omdat ze toch wel een tiental jaar in leeftijd verschillen en er dus geen sprake kan zijn van een “exacte” parallel.
Zo loopt het al meteen fout bij het huwelijk van Arthur. Bij George kan er op dat moment nog geen sprake zijn van een huwelijk, maar in plaats van dan, zoals het opzet was, een hoofdstuk te schrijven waarin George hierover op z’n minst wat mediteert, gaat integendeel zijn verhaal gewoon verder. Tot het zich meer en meer verwijdert van dat van Arthur, zodat op het moment van de cruciale gebeurtenissen, dat tweespoor noodzakelijkerwijs dient te worden verlaten.
Het hoofdstuk waarin de feiten gebeuren krijgt zelfs de naam “Arthur & George” mee, alhoewel beide personages hierin niet aan bod komen. Vanaf dan loopt het helemaal in het honderd: er wordt nog een ander personage geïntroduceerd als titel van hoofdstukken (inspecteur Campbell, later zal ook nog kapitein Anson volgen), er wordt niet meer afgewisseld tussen Arthur en George en vooral: het eigenlijke verhaal komt er in één geut uit, een extreem lang hoofdstuk dat op zich wel vrij vlot leest, maar dat zoals gezegd vormelijk helemaal in tegenstrijd is met het opzet (****).
Daarna doet Barnes weliswaar hetzelfde met Arthur Conan Doyle (hij schetst diens huwelijksleven, hoe hij zich seksueel moet onthouden omdat zijn vrouw tuberculose heeft, hoe hij op die manier verliefd wordt op een jonger meisje, maar dat de verhouding toch “platonisch” blijft uit respect voor de invaliede partner), maar men voelt dat dit slechts een “aanloop” is om te verklaren waarom Doyle zich met deze zaak wél wil inlaten, terwijl hij dat tot dan toe altijd principieel heeft geweigerd (als geestelijke vader van Sherlock Holmes werd zijn hulp immers voortdurend ingeroepen bij al dan niet vermeende gerechtelijke dwalingen). Het mag duidelijk zijn: op het moment van het overlijden van zijn echtgenote, blijkt Doyle niet geneigd om in het nochtans lang in het vooruitzicht gestelde huwelijk te treden. In de onvrede die zich van hem meester maakt (en waarvan hij op een bepaald moment letterlijk ziek wordt), werpt hij zich dus op deze zaak, om aan zijn nieuwe leven een soort van lijn te geven.
Hij wil zelfs dat de Edalji-zaak uiteindelijk zo beroemd zal worden als de affaire Dreyfus in Frankrijk (p.339). Daarin is hij dus alvast niet geslaagd, want tot vóór dit boek had wellicht niemand uit de 21ste eeuw ooit van dit geval gehoord. Tot grote vreugde van Edalji zelf allicht die ervoor terugschrok om als een martelaar te worden erkend. Hij deed er zelfs alles aan om te benadrukken dat de hele zaak niéts met racisme had te maken (p.467). Uiteindelijk zou de zaak min of meer op een sisser aflopen. Edalji werd “innocent but guilty” bevonden, d.w.z. men aanvaardde wel dat hij onschuldig was aan de dierenmishandeling, maar men bleef in de overtuiging dat hij zelf de brieven had geschreven, waarin hij zichzelf beschuldigde. Daarmee had hij de rechtsgang belemmerd en, alhoewel hij in zijn eer werd hersteld (noodzakelijk om zijn beroep als advocaat opnieuw op te nemen), kreeg hij dan ook geen schadevergoeding uitgekeerd.
Conan Doyle start hierop een benefietactie die uiteindelijk 300 £ zal opleveren (p.472), precies evenveel als hij in 1908 zou inzamelen voor de ongelukkige Italiaanse marathonloper Dorando Pietri, die op de Olympische Spelen van Londen in het zicht van de aankomst begon te zwijmelen en slechts ondersteund door de officials de aankomst kon bereiken (p.464). De Amerikaanse delegatie legde echter klacht neer en de Italiaan werd gedisqualificeerd ten voordele van de Amerikaan Johnny Hayes, die tweede was geëindigd (*****).
Van dan af zette Doyle zich immers wél vaak in voor het oplossen van gerechtelijke dwalingen of raadsels, mede door zijn steeds grotere betrokkenheid bij spiritualistische séances. De beroemdste mengeling van de twee is ongetwijfeld Doyles bijdrage tot de zoektocht naar de verdwenen Agatha Christie in 1926: hij vroeg aan haar echtgenoot een handschoen van zijn jonge navolgster en hield deze nadien voor aan… een medium, en niet aan speurhonden zoals Sherlock Holmes ongetwijfeld zou hebben gedaan (p.465).
Toch kan men zeggen dat uit de zaak Edalji nog iets goeds is voorgekomen, namelijk de oprichting van het Hof van Beroep, the Court of Criminal Appeal, zij het dat Edalji zelf daar dus niet is moeten voor verschijnen (p.466).
Alles bij elkaar kan men zeggen dat vooral de karakterschetsen van de personages fenomenaal zijn. Met een groot psychologisch inzicht en droge humor worden we voorgesteld aan twee totaal verschillende mannen die elkaar door omstandigheden leren kennen. De zelfverzekerdheid die aan arrogantie grenst van Arthur Conan Doyle, zijn optimisme en spirituele inslag staan in schril contrast met de nette, puur rationele, onzekere, flegmatieke George Edalji. Dit contrast is een van de krachten van dit verhaal, alsmede de sterke psychologische schetsen die ook de moraal van die tijd goed doen uitkomen.
Barnes heeft zoals gezegd veel proberen te verwerken in deze roman, zo is er bijvoorbeeld de moord op een jonge vrouw die steeds weer opduikt. Het lezen van dit boek is als het ontwarren van een kluwen wol, terwijl je niet weet of al die draden ergens aan vastzitten of juist niet. Hier moet je van houden, als alles een hoger doel moet dienen of je bent op zoek naar een conventioneel goed einde, dan ben je bij deze roman wellicht niet aan het goede adres.
Bewondering voor Barnes is in ieder geval op zijn plaats. Dit project verdient alleen al vanwege zijn omvang alle lof. Barnes’ stijl is vlot en erg humoristisch, mede hierdoor lijkt de roman minder lijvig en lukt het hem een op zichzelf niet bijster interessant verhaal boeiend te maken. “Maak de waarheid doorzichtig en de moraliteit komt vanzelf,” zo schrijft Barnes. En ergens anders in het boek zegt een boer (Harry Charlesworth), een van de personages in het boek: “Ik kijk de hele dag tegen de kont van een koe, daar word je in ieder geval niet erg intelligent van” (p.322). Alleen al vanwege zulke zinnen moet je van de man houden (******).
Ronny De Schepper
(*) Edalji zou ook in India tot een minderheid behoord hebben. Hij was immers een zogenaamde “parsi”, waarin men duidelijk nog het woord “Perzië” kan horen, vanwaar deze mensen afkomstig waren. Zij hadden ook een heel eigen geloof dat Zoroastro (cfr. Mozarts “Toverfluit”) aanbad. Om u een idee te geven van de verhoudingen in India, een citaat uit John Irving (“Een zoon van het circus”, p.166): “Er waren meer dan zeshonderd miljoen hindoes in India; er waren honderd miljoen moslims en ook nog miljoenen sikhs en christenen. Er waren waarschijnlijk nog geen tachtigduizend parsi’s.”
(**) Al van bij de aanvang moest ik aan de zogenaamde Waaslandwolf denken. Een plattelandslegende (als er stadslegendes bestaan, bestaan er immers ook plattelandslegendes) die af en toe opduikt, de eerste keer op het einde van de jaren zeventig. Ik heb toen voor De Rode Vaan nog telefonisch Jef Geeraerts hierover geïnterviewd. Die was toen erg verbaasd dat ik hem daarop aansprak. Ik verwees naar “De goede moordenaar” (Gangreen 2) en legde een verband tussen barbaarse handelingen en seksuele geremdheid. Het kwam voor mij dan ook navrant over als ook de racistische kapitein Anson hier de verklaring zoekt voor Edalji’s schuld (p.389). Gelukkig besluit Barnes zelf: “It’s pure speculation, said Doyle, though there was something about his voice – something quieter and less confident – that struck Anson.” (p.390)
(***) Ik geef toe dat de aanwezigheid van Harry Houdini hier en daar in het boek daar natuurlijk ook toe heeft bijgedragen. Onnodig te zeggen dat zijn aanwezigheid hier – in deze spiritualistische omgeving – soms ontnuchterend werkt. Maar Conan Doyle heeft daar zo zijn eigen verklaring voor: “Mr Houdini was in fact the possessor of spiritual powers, whose existence he perversely chose to deny.” (p.487)
(****) Deze asymmetrie zat ook al in zijn debuut “Metroland”, waarin het verblijf in Parijs ook zo’n beetje een “roman binnen de roman” is.
(*****) De betrokkenheid van Arthur Conan Doyle (aanwezig als verslaggever voor The Daily Mail) bij deze zaak droeg later bij tot de legende dat Doyle himself de Italiaan over de streep had geholpen (Stan Greenberg, The Guinness Olympics Fact Book, 1991, p.20).
(******) Dit voorbeeld heb ik van het internet gehaald. Ik ben het ermee eens, maar meer nog hou ik van de volgende zin. Aan het woord is Arthur Conan Doyle en hij richt zich tot Jean Leckie, die zijn tweede vrouw zal worden: “We have all our lives ahead of us. And then all of eternity together.” Jean smiles. She wonders what Touie (koosnaampje voor Arthur’s eerste vrouw, RDS) will be doing for all of eternity she and Arthur have together” (p.365). En nóg beter vond ik deze: als tijdens de séance in The Royal Albert Hall na zijn overlijden het medium “overspoeld” wordt met geesten die allemaal een boodschap willen overmaken aan iemand in de zaal, maakt George Edalji zich de volgende bedenking: “If these are indeed the spirits of Englishmen and Englishwomen who have passed over into the next world, surely they would know how to form a proper queue?” (p.488)