Het is vandaag precies honderd jaar geleden dat de schrijver van de erotische dichtbundel “Bilitis”, Pierre Louÿs (eigenlijk Pierre Louis, de gestipte y is zijn “pseudoniem”), is gestorven aan een nicotine-vergiftiging.
Hij werd 55 jaar eerder geboren in de Onderstraat in Gent, omdat zijn ouders tijdens de Commune daarheen waren gevlucht, nadien gingen ze zich weer in Parijs vestigen. Zijn ouders waren dus m.a.w. echte oorlogsvluchtelingen: zij keerden onmiddellijk terug naar Frankrijk, toen het gevaar geweken was.
MAETERLINCK
Alhoewel hij dus eerder toevallig in Gent was geboren, heeft Louÿs toch nog een band met de Arteveldestad onderhouden o.a. door zijn vriendschap met Maurice Maeterlinck. Aangezien hij anderzijds ook bevriend was met de componist Claude Debussy, wordt aangenomen dat hij het was die Debussy op de tekst van “Pelléas et Mélisande” heeft attent gemaakt. Brieven maken echter duidelijk dat dit chronologisch niet helemaal juist is. Het is ene Henri de Régnier die van Maeterlinck de toestemming heeft bekomen voor Debussy om zijn toneelstuk op muziek te zetten en als Pierre Louÿs Debussy in de herfst van 1893 naar Gent vergezelt om persoonlijk met Maeterlinck te gaan praten, dan ként Louÿs Maeterlinck zelfs blijkbaar nog niet eens. Louÿs ging gewoon mee uit curiositeit om zijn geboortestad eens te zien. Hij was er immers sedertdien nog nooit geweest.
Debussy was ook diegene die de “Chansons de Bilitis” op muziek zette. Bilitis, een Griekse lesbische courtisane, tijdgenote van Sappho, een fictief personage uit het brein van de Gentse dichter ontsproten, zou deze teksten geschreven hebben die Louÿs dan zou vertalen… Erotische poëzie, beeldrijk, suggestief, soms prikkelend, meestal ook zeer teder (en vertederend zelfs), ontroerend. Hoe beschrijft een vriendin, geliefde van Bilitis zichzelf in ‘Les seins de Mnasidika’: “Aime-les bien”, me dit-elle, “je les aime tant! Ce sont des chéris, des petits enfants. Je m’occupe d’eux quand je suis seule. Je joue avec eux: je leur fais plaisir.”
En wat antwoordt Bilitis o.m. in het volgende gedicht: “Je baiserai d’un bout à l’autre les longues ailes noires de ta nuque, ô doux oiseau, colomba prise, dont le coeur bondit sous ma main.”
Een aantal van deze gedichten uit de Bilitis-cyclus (ook andere van de auteur) werden dus door Debussy getoonzet. Niet alleen de gezongen versie uit 1897 die redelijk bekend is, maar ook als balletmuziek die slechts één keer is uitgevoerd en daarna totaal werd vergeten. Dat het bij één opvoering is gebleven, had ongetwijfeld te maken met het feit dat bij die opvoering vijf jonge meisjes de gedichten van Louÿs voordroegen in een antiek gewaad dat nog weinig aan de verbeelding overliet en op bepaalde momenten zelfs helemaal naakt. Tussendoor dansten ze op de muziek die Debussy schreef voor twee harpen, twee fluiten en een celesta (deze laatste partituur is verloren gegaan en werd pas onlangs “gereconstrueerd” door Pierre Boulez). Een bewerking voor vierhandige piano heeft als “six épigraphes antiques” wel een zekere populariteit gekend.
In 1977 konden we de film zien die fotograaf/cineast David Hamilton draaide op basis van dit werk onder de logische titel ‘Bilitis’. Met in de titelrol Patty ‘(Lady’) d’Arbanville (deze van Cat Stevens, geliefde én inspiratiebron van de song!). Met schitterende muziek van Francis Lai, ik mag de LP heel nostalgisch nog wel eens uit de fraaie hoes (foto uit de film) halen en op de draaitafel leggen. Hamilton is vooral bekend om zijn techniek van omfloerste, wazige opnamen – die hij ook hanteerde in de film. Hij besmeurde daartoe de lens met een vette substantie, b.v. vaseline. De film leverde ook nog een knap fotoboek op – ik doorblader het, de typische Hamilton-meisjes verschijnen dan, jong en frêle, teder, voorzichtig benaderd, en meestal met schroom gefotografeerd… nee vast geen porno hier, erotisch dàt wel. Net als de gedichten dus.
DOUZE DOUZAINS DE DIALOGUES
Maar dan neem ik een ander boek van Louÿs: ‘Douze douzains de dialogues ou petites scènes amoureuses’, een publicatie van 1927 die toen op slechts honderd exemplaren verscheen. Dat is andere koek. Onderverdeeld in twaalf secties worden we in dialogen geconfronteerd met talloze belevenissen van vrouwen en jonge meisjes, hoofdzakelijk met elkaar. De twaalf titels laten weinig aan de verbeelding over – of teveel: Dialogue des chieuses, des pisseuses, des enculées, des phallophores, des lècheuses, des masturbeuses… In zo’n honderd teksten defileert dé vrouw in diverse relaties om zichzelf en de andere te plezieren: vriendinnen, moeders en dochters, dienstboden, kamermeisjes, prostituées, heel jonge meisjes… En dat op talloze wijzen, vaak vindingrijk maar zelden subtiel. Och standjes zijn er voldoende maar een originele versie van de Kama Sutra tref je niet aan. En de hulpmiddelen blijken ook tamelijk banaal: bananen, wortelen, namaak-penissen. Nuttig? Nee dus, tenzij misschien dit recept voor een zalfje dat de clitoris zou stimuleren: 30 gr. vaseline, 5 gr. mosterd, 2 gr. cayennepeper, 3 gr. boorzuurwater. Op eigen risico. Soms, uitzonderlijk, duikt wel eens een man op: bij voorkeur een broer of een priester; immers sommige dames willen zich tussendoor het genot en de smaak van het sperma niet ontzeggen. Af en toe is het ook wel grappig, o.m. wanneer we aanwezig zijn bij het avondgebed van het jonge meisje dat het maar niks vindt om gelijktijdig ‘bereden’ te worden… genot en tekst van gebed ‘Je vous salue, Marie, pleine de grâce’ wisselen elkaar af tot het gekreunde multi-interpretabele ‘Ainsi soit-il’.
Wat ook het opzet was van Louÿs met deze dialogen – financieel gewin kan het bezwaarlijk geweest zijn – en hoe vlot geschreven ook, al deze kleine verhaaltjes van telkens één pagina blijken tenslotte iedere verfijning te missen. Ze zijn een open kijk, ze vertellen, ze dagen uit. En daarmee overschrijden ze voor mij de grens en houdt het genieten van het lezen op. Er rest geen suggestie meer, mijn verbeelding kan hier niets aan toevoegen, zij stokt zelfs. De discrepantie tussen de Bilitis-verzen en deze dialogen kan niet groter zijn. Nee, een verfilming van de ‘Douze douzains de dialogues…’ zit er niet in. Tenzij voor Eddy Lipstick misschien…
GRIEKSE RAGE
Louÿs zelf stichtte in Parijs het literaire tijdschrift “La Conque”, waarin hij o.m. zijn eigen gedichten publiceerde, die hij later ook bundelde en uitgaf. Daarnaast maakte hij ook nog vertalingen van antieke auteurs. Deze kennis van de klassieke oudheid kwam hem natuurlijk uitstekend van pas bij zijn meesterlijke literaire “vervalsing”, namelijk de genoemde “Les chansons de Bilitis” die hij op 25-jarige leeftijd uitgaf onder het mom dat het hier een tijdgenote (en zelfs een ex-lief!) van Sappho betrof. Het “bedrog” werd vrij vlug achterhaald, maar zijn roem vergrootte er alleen maar door. Vandaar dat zijn volgende roman, “Aphrodite”, over een courtisane in het Alexandrië van net voor de tijd van Cleopatra, een jaar later voor een ware rage zorgde. Louÿs had zich nogmaals goed gedocumenteerd, wat eigenlijk niet zo moeilijk was, want twee jaar daarvoor had hij Lucianus vertaald onder de titel “Scènes de la vie des courtisanes”. “Aphrodite” vertelt het verhaal van de joodse courtisane Chrysis die de officiële minnaar van de koningin zodanig tot haar slaaf maakt dat hij tot diefstal, moord en heiligschennis (tegenover de godin Aphrodite) wordt verleid. Als ze echter verliefd wordt op hem, wordt zij op haar beurt een speelbal in zijn handen en uiteindelijk draait zij op voor zijn (weliswaar door haar aangestoken) misdaden. Toch houdt het boek geen zedenles in. Zoals Myriam Ceriez het stelt: “Haar dood komt misschien wel vroeg, maar niet te vroeg. Ze heeft met volle teugen van het leven – lees de liefde – genoten en haar dood is geen straf maar het gevolg van een fout die ze in haar jeugdige overmoed maakt.”
In een preutse tijd, waarin een vrouw zelfs elk seksueel gevoelen werd ontzegd, moet deze roman die vanuit het standpunt van de vrouw vertrekt (net zoals bij “Bilitis”), zeker een schokeffect hebben gehad.
OSCAR WILDE
Volgens Pierre Louÿs was de liefde tussen twee vrouwen het ideaal. Als er één vrouw bij betrokken is (een gewone hetero-verhouding met andere woorden), kon het er volgens hem nog net mee door, maar helemaal geen vrouw (mannelijke homofilie dus) was volgens hem ondenkbaar. Toen het proces van Oscar Wilde in de lucht hing, brak hij dan ook met zijn Engelse confrater, waarmee hij nochtans goed bevriend was geweest. Al die tijd had hij niet door dat Wilde homo was, net zo min als hij merkte dat zijn beste vriend André Gide dat ook was. Nu dient te worden toegegeven dat Gide het tegenover zichzelf ook niet durfde toe te geven, tot hij met Oscar Wilde in Algiers met vakantie was. Toen een jonge fluitspeler hun gezelschap wat kwam opvrolijken, vroeg Wilde hem op de man af of hij de jongen niet begeerde. Gide kon niet anders dan bevestigend antwoorden, wat uiteraard ook een breuk met Louÿs betekende.
Die was zelf verliefd op Marie de Heredia, de dochter van de bekende dichter van de Parnassus, maar aarzelde zo lang tot haar moeder haar uithuwelijkte aan zijn beter bemiddelde vriend, de reeds genoemde Henri de Régnier. Kort na het huwelijk worden Pierre en Marie wel minnaars, er komt zelfs een kind voort uit hun verhouding (Tigre). Toch “bedriegt” zij hem met een andere vriend, terwijl hijzelf in Egypte bij zijn “muze” Zohra zit, waardoor hij bij zijn terugkeer besluit om (in navolging van Mozart) met haar zus, Louise, te trouwen. Dit huwelijk zal echter niet lang standhouden en uiteindelijk trouwt Louÿs met Aline Steenakkers bij wie hij drie kinderen verwekt.
UITGESCHREVEN
Ondertussen trachtte hij zijn literaire succes nog een aantal malen te herhalen, maar blijkbaar was hij het slachtoffer van zijn eigen vroege populariteit. De Nederlandse criticus H.J.van Dam formuleert het als volgt: “Op zijn zesentwintigste meer dan nationaal beroemd, op zijn dertigste nagenoeg uitgeschreven, op zijn vijfenveertigste vergeten.”
Of die vervlogen roem er ook heeft toe bijgedragen dat Louÿs zo vlug aan nicotinevergiftiging is gestorven (1925) weet ik niet, maar alleszins is hij ondertussen opnieuw erg populair geworden. Denken we alleen nog maar aan de verfilming van “Bilitis” of van “Aphrodite”. Maar meer nog is er “La femme et le pantin” (1898) dat voor het eerst door de Fransman Jacques de Boroncelli werd verfilmd in 1929. Onder de titel “The devil is a woman” zorgde Jozef von Sternberg in 1935 voor een versie met Marlene Dietrich in de hoofdrol en, het kon niet uitblijven, ook Brigitte Bardot gaf in 1958 gestalte aan deze “perverse” vrouw die in een sadomasochistische relatie haar man tot een willoos object degradeert. De jongste verfilming van dit boek is “Cet obscur objet du désir” van Luis Bunuel.
Die sadomasochistische neigingen vinden we ook terug in zijn satirische “Aventures du roi Pausole” (uit 1901, in 1933 verfilmd). Daarin schrijft Louÿs onder meer: “La volupté qui rit n’existe point. Le plaisir touche de plus près à la douleur qu’à la gaieté.” (p.52)
HEIDEN
Louÿs ging er prat op de perfecte heiden te zijn (wat hem in die Victoriaanse tijd uiteraard niet in dank werd afgenomen), waardoor hij seksualiteit dan ook van elk schuldcomplex wil ontdoen (hijzelf noemt het wel “de liefde”, hij is blijkbaar toch een kind van zijn tijd). “Moraal is immoraliteit,” zuchtte Louÿs en hij (en zijn boeken) zijn dan ook totaal amoreel.
Ronny DE SCHEPPER & Johan DE BELIE
