35 jaar geleden hadden wij een boekenclub. En “wij” dat waren dan o.a. Anton Stevens, Walter Schelfhout en Hilde Proot. We vergaderden in het Volkshuis in de Sleepstraat, dat toen nog het lokaal van de KP was en zo kwam het IMAVO (de studiedienst van de KP) vragen of zij soms de vergaderingen mochten “organiseren” (omdat ze dan hun subsidieverplichtingen konden nakomen). Dat mochten ze, als ze zich maar niet met ons bemoeiden. Dat hebben ze ook niet gedaan, maar toch zijn we na verloop van tijd vertrokken uit het Volkshuis en vergaderden we voortaan in De Groote Avond, meer bepaald in het zaaltje waar Multatuli nog ooit de Gentenaars had toegesproken. Ondertussen had wel bijna ieder lid van de club eens een boek of een schrijver belicht, behalve ondergetekende. Ik zat toen blijkbaar al in een periode dat ik wel graag naar zulke bijeenkomsten ging, maar dat ik geen zin had om het woord te voeren. Bovendien had ik geen idee welke schrijver of boek ik zou willen belichten. “Wat interesseert je het meest?” vroeg er iemand. “Vrouwelijke auteurs van erotische literatuur” was (toen nog) mijn antwoord. Dus, zo gezegd, zo gedaan…

CUT OUT THE POETRY
Zogezegd in opdracht van een maecenas vroeg de uitgever van Henry Miller hem om tegen één dollar per bladzijde wat pornografie te schrijven. Miller zag dit oorspronkelijk niet zitten – het interfereerde teveel met het werk dat hij écht wilde schrijven – maar door geldnood gedwongen deed hij het toch maar. Reeds vrij vroeg riep hij de hulp in van Anaïs Nin om samen verhalen te bedenken. Miller wendde het geld vooral aan om op reis te gaan en als hij voor een van die reizen nogal langdurig afwezig moet zijn, vraagt hij aan Anaïs Nin om er gewoon mee door te gaan.
Nogal snel komt het “bedrog” uit, maar de opdrachtgever houdt wel van het werk van Nin, alleen vraagt hij haar“to cut out the poetry”. Deze typisch mannelijke visie op erotiek irriteert Nin zodanig dat ze zelfs een aanval van kuisheid krijgt, zoals ze zelf zegt. Ze hoopt echter dat de opdrachtgever uiteindelijk ook op haar ander werk zal vallen en daarom doet ze maar verder met behulp van allerlei vrienden-literatoren die zich overigens nog nooit aan erotische literatuur hadden gewaagd (“in tegenstelling met Frankrijk hebben wij Amerikanen daarin geen traditie,” schrijft Nin), maar die dit uiteindelijk een grappiger manier vinden om aan geld te geraken dan bij elkaar maaltijden te gaan bedelen.
En, heel typisch, wat schrijft Nin in haar dagboek? “De homoseksuelen schreven alsof ze vrouwen waren. De schuchteren schreven over orgieën. De frigieden over waanzinnige orgasmes. De meeste poëtische schrijvers wentelden zich in pure bestialiteiten en de zuiversten onder hen in perversies.”
In 1976, amper een jaar voor haar dood, voegt ze daar nog een postscriptum aan toe dat al even veelzeggend is. Want uit wat voorafgaat, zou men verkeerdelijk kunnen afleiden dat het bij vrouwelijke erotiek alléén om de romantiek te doen is. Alléén sensualiteit en geen seksualiteit. Deze visie is echter al even beperkend als aan mannen uitsluitend het omgekeerde toeschrijven. En vooral: het duwt de vrouwen terug in een rol die ze sedert het einde van de jaren zestig heel moeizaam zijn ontlopen, namelijk die van een sexloos wezen dat alleen geschapen is om de man ter wille te zijn – ook op seksueel gebied.
“Nee,” schrijft Anaïs Nin, “seksualiteit is op zich ook belangrijk. Nu zie ik enerzijds in dat ik in die Erotica toch nog veel van mezelf heb gestopt en anderzijds zal men dat maar pas ten volle beseffen als men ook mijn dagboeken ongekuist zal uitgeven.”
Eerlijkheidshalve moet ik hieraan toevoegen dat de gekuiste uitgave niet enkel omwille van censuurmaatregelen was, maar dat ook Nin zelf erop stond dat bepaalde delen pas na de dood van haar echtgenoot zouden worden gepubliceerd, omdat ze hem geen pijn wilde berokkenen. Aangezien Guiler stierf op 7 januari 1985, valt de uitgave in 1986 van “Henry and June” binnen dit kader.
Dan is er ook nog Violette Leduc (1913-1972), ook wel eens de vrouwelijke Jean Genet genoemd om haar barokke taalgebruik en haar marginale positie. Alhoewel haar werken pas na de Tweede Wereldoorlog zijn verschenen, moesten toch de meest erotische “La Bâtarde” en “Thérèse et Isabelle” nog klandestien worden verspreid.
Onduidelijk is de inhoud van “Pour Delphine”, ondanks zijn Franse titel deze keer een “echte” Vlaamse roman van Chris Yperman. Ik vraag me af of Johan de Belie daarover meer kan vertellen?
Dezelfde onduidelijkheid vinden we terug in “De bloemsteelsteek” van de Portugese Clara Pinto Correia. Meer expliciet is dan de Amerikaanse dichteres Elsa Gidlow, die door Celeste West (auteur van “A Lesbian Love Advisor”) Lady Clitoressa wordt genoemd. Andere lesbische sex-handleidingen zijn o.a. “Lesbian passion” en “The Lesbian Erotic Dance” van JoAnn Loulan en “Susie Sexpert’s Lesbian Sex World” van Susie Bright, de hoofdredactrice van het lesbische pornoblad “On our backs”.
En dan zijn er verder nog Françoise d’Eaubonne (°1920), naast romancière ook de auteur van “Moi, Kristine, reine de Suède”, Monique Wittig (°1935) wier titels voor zichzelf spreken (“Les Guérillères”, “Zwerftocht door de hel” en “Het lesbische lichaam”) en Hélène de Monferrand met “Amies d’Héloïse”, de Prix Goncourt du premier roman uit 1990, gevolgd door “Journal de Suzanne, une nouvelle traversée de Gomorrhe”.

LES DEMOISELLES

Heb ik reeds gesteld dat vrouwelijke erotiek ruimer is dan mannelijke in de sensuele zin van het woord, dan is dat ook het geval in puur fysisch opzicht. In heterofiele mannelijke erotica is er immers geen plaats voor homofiele relaties. Vrouwen daarentegen hebben geen enkele moeite om met geslachtsgenoten te stoeien, zonder daarom lesbiennes “pures et dures” te zijn. Voorbeelden zijn er genoeg: Nathalie Perreau met “L’amour en soi” (beter dan dat andere werk van haar “Hommes, mode d’emploi”), Anne Vegter (niet toevallig de dochter van een dominee) met “Ongekuiste versies” en Nadine Monfils met “Contes pour petites filles perverses”.

Anderzijds zijn voorbeelden van “lesbische” fantasieën van heterofiele vrouwelijke auteurs natuurlijk legio. Er zijn de “klassiekers” als Pauline Réage of Emmanuelle Arsan (foto), maar meer expliciet is er Nathalie More, alweer een mysterieus personage dat in de reeks “Aphrodite classique” vertegenwoordigd is met “Les demoiselles”. Nathalie More is, zoals de naam (als het geen pseudoniem of “fake” is) reeds aangeeft, in Engeland geboren, meer bepaald in 1906. Zij zou volgens de flaptekst een produkt zijn van een Franse vader en een Engelse moeder, maar hier laat de naam dan weer het omgekeerde veronderstellen. Anderzijds geeft het wel aan waarom een “Engelse” in het Frans zou schrijven. Maar goed, de flap gaat verder met te verklaren dat ze rond haar twintigste een zeer gefortuneerde wees werd, die van dan af een zeer vrij bestaan ging leiden. “Mooi, geraffineerd en anti-comformistisch” als ze is, komt ze in de artistieke wereld terecht, waarin ze zelf af en toe een bijdrage levert met “romans, gedichten of mémoires, die de emanatie waren van haar liefdesavonturen, die vooral in het teken van Sappho stonden”. In 1929 schrijft ze zo “Mon amour, ma soeur”, een roman die pas veel later wordt uitgegeven, nadat de al te expliciete autobiografische elementen eruit werden verwijderd. In 1935 volgt “Lettres incestueuses”, die eerst klandestien worden uitgegeven en pas in de jaren zeventig “officieel”. Datzelfde geldt voor “Les demoiselles”, wat in 1976 wordt uitgegeven, maar eigenlijk van 1938 dateert, zoals blijkt uit de inleiding waarin wordt gesteld dat het hier om een “handschrift” van het einde van de zeventiende eeuw zou gaan dat “toevallig” in handen is gekomen van de schrijfster. Een gekende techniek, uiteraard. Bij de uitgave van “Les demoiselles” stelt men ook de publicatie van de dagboeken in het vooruitzicht, maar ikzelf heb daarvan alvast nog niks vernomen.
Ook Joanna Trollope tekent in “A village affair” met Alice Jordan een merkwaardige vrouw: een mooie kunstenares (schilder), die haar drie kinderen en haar saaie echtgenoot-advocaat in de steek laat voor de uitgesproken lesbienne Clodagh en op die manier het dorpje uit de titel in rep en roer zet. Of Joanna Briscoe die in 1994 met “Mothers and other lovers” de Betty Trask Award heeft gewonnen. Het was het eerste boek over lesbiennes dat deze prijs die wordt toegekend aan romans met een romantische inslag veroverde. Het gaat immers over het erotische spanningsveld tussen een jong meisje en een vriendin van haar moeder. Het is autobiografisch van oorsprong (met Briscoe zijnde het jonge meisje).
In 2003 was er “Fluwelen Begeerte” van Sarah Waters (Nijgh & Van Ditmar), een roman van 450 bladzijden over lesbiennes in het Victoriaanse Londen van het einde van de 19de eeuw. De verliefde Nancy is het revuemeisje Kitty daarheen gevolgd en samen maken ze al snel furore als duo op de planken. Doodsbang dat ze zou herkend worden als lesbienne, trouwt Kitty met haar manager. Nancy loopt weg, maar valt in haar toneelkostuum van gardeofficier dan weer zeer in de smaak van sommige heren. Het lijkt wel een lang uitgesponnen stationsroman maar LHE in “Het Nieuwsblad” van 28/6/2003 probeert ons te overtuigen dat het toch “een schitterend verhaal” is.
Wat lesbische vrouwen met homo’s gemeen hebben, is dat ze meestal beter bemiddeld zijn (ook al komen bom-gezinnen steeds meer voor, toch blijven velen willens of nillens kinderloos) en dus meer geld kunnen besteden aan cultuur, al dan niet met grote “C”. Zo blijken lesbische vrouwen veel te lezen, met als gevolg dat Virgin Publishing, die tot dan toe reeds “Black Lace” uitgaf, een softporno-pulpreeks voor vrouwen, zich in 1999 ging specialiseren in lesbische porno (Big Deal, All that glitters, Sweet Violet) die ook in gewone winkels (zoals W.H.Smith) te koop werd aangeboden.

STRANGE SISTERS

Maar liefst vier lesbische pocketboeken uit de jaren vijftig en zestig (met in totaal vijf verschillende omslagen) dragen de titel “Strange Sisters”: één van Fletcher Flora (uitgegeven met twee verschillende omslagen), één van David Key, één van Robert Turner en één van Sheri Blue (vermoedelijk een pseudoniem van Ed Wood, Jr.). Drie decennia later verscheen Jaye Zimet met haar boek, met de toepasselijke titel “Strange Sisters: The Art of Lesbian Pulp Fiction 1949-1969”. Dit boek, uitgegeven door Viking in 1999, was het eerste dat zich specifiek richtte op de twee belangrijkste decennia voor de kunst van dit genre. Zodra het boek in de winkels lag, kreeg ik telefoontjes met de vraag: “Heb je het gezien?!”. Iedereen die mijn kamer vol pocketboeken had gezien (inclusief een wandrek van vloer tot plafond met klittenband waaraan zo’n 350 boeken hingen) wist dat dit boek van Zimet voor mij was. Ik was dolblij dat iemand de moeite had genomen om een ​​aantal fantastische covers te verzamelen én een uitgever had gevonden die de kosten wilde dragen. Bravo! Zimets boek was met zorg en liefde gemaakt. Het was gedaan door een fan, een kenner… dat is duidelijk te zien. Ik heb een paar boeken aan mijn verlanglijstje toegevoegd en was blij om tientallen topcovers te zien die aan de wereld werden getoond. Toch moest ik denken aan de boeken die ik al had en die er NIET in stonden… letterlijk honderden fantastische covers, waarvan vele net zo goed en zeker nog gekker waren dan de covers die Zimet had opgenomen. Na
Strange Sisters volgde een teleurstellend vervolg met de publicatie van Susan Strykers flauw getitelde Queer Pulp in 2001. Stryker had het jaar ervoor de adressenboekenLesbian Pulp en Gay Pulp samengesteld en was aangemoedigd om een ​​volwaardig boek te schrijven. Hoewel Queer Pulp een degelijke historische context biedt, combineert het een erbarmelijke selectie illustraties (met een slechte kleurweergave, moet ik eraan toevoegen) met oppervlakkige generalisaties en academische analyses die me doen verlangen om in cirkels rond een brandend exemplaar van Dick Hebdige’s Subculture: The Meaning of Style te stampen. Maar één van de vele voorbeelden: “Het uitgebreide gebruik van zwart op deze covers suggereerde zo subtiel de psychologische horror die een heteroseksueel brein zou kunnen ervaren wanneer het geconfronteerd wordt met een biseksuele ménage à trois en het vooruitzicht van homoseksualiteit.” Gelukkig heb ik het boek gratis gekregen.
En dus, met al twee boeken op zak, zou mijn al zo lang uitgestelde ultieme koffietafelboek (misschien wel The Strangest Sisters?) zeker overbodig zijn, als het al ooit verder zou komen dan de planningsfase. En bovendien is mijn verzameling nog steeds niet compleet… de verlanglijst lijdt aan het hydra-effect. Als je één boek schrapt, groeien er onvermijdelijk twee nieuwe, voorheen onbekende titels voor in de plaats. Een boek vol klassieke lesbische paperbacks zou altijd incompleet zijn. Een website was daarom de enige logische oplossing. In de wereld van cybersquatting op het gebied van domeinnamen was ik verrast dat wat ik beschouw als de ultieme lesbische paperback nog steeds beschikbaar was. En zo werd strangesisters.com geboren. (Ryan Richardson, PO Box 49984, Austin, TX 78765, VS)
VROUWVRIENDELIJKE PORNO

Hoe paradoxaal het ook mag lijken, eigenlijk is erotische literatuur een soort van jeugdliteratuur: misschien daarom dat ook Karl “Old Shatterhand” May, Felix “Bambi” Salten, Leopold “Rode Ridder” Vermeiren (*) en P.L.Travers (**) zich daaraan hebben bezondigd? Mijn uitgangspunt is immers dat ontspanningsliteratuur op de wip zit tussen realisme en romantiek. En dit is ook het geval zowel bij jeugdliteratuur als bij erotische en pornografische literatuur. We hebben het hier dan uiteraard over “realistisch” en “romantisch” als literaire vaktermen en niet zoals ze wel eens in “courant taalgebruik” worden gehanteerd. De auteur Elle Eggels vermijdt dan ook deze termen als ze in de Standaard der Letteren van 24/12/1998 het verschil tussen vrouwelijke en mannelijke auteurs wil uitleggen, maar eigenlijk komt ze wel tot dezelfde conclusie: “Vrouwen zijn meer bezig met emoties en mannen met illusies. Mannenboeken gaan vaak over dingen die ze niet kunnen waarmaken, zoals wilde avontuurtjes met vrouwen, terwijl vrouwen veel meer bezig zijn met wat het leven werkelijk te bieden heeft.”
Zo wordt bv. harde porno vaak aangepraat als zijnde “realistische literatuur”. Niets is minder waar. Literair gezien is harde porno “romantisch” want “idealistisch”. Dat betekent dat de seksuele prestaties die erin beschreven zijn niet “realistisch” zijn of beter, ze zijn gecomprimeerd op een te korte periode om fysisch haalbaar te zijn.
Dit was ook de “verdediging” van Jef Geeraerts toen hij n.a.v. zijn eerste deel van de Gangreen-boeken, “Black Venus”, daarop werd aangevallen. Geeraerts is dan ook een vertegenwoordiger van het zogenaamde vitalisme, dat duidelijk de “romantische” pool is in de erotische literatuur, al was het maar vanwege de verwerping van het intellect ten voordele van het gevoel. Voor de terugkeer naar de romantische opvatting van “le bon sauvage” (de goede wilde) moet men zelfs niet noodzakelijk (zoals Geeraerts) écht naar de brousse teruggrijpen, ook de extatische naaktdans van Lady Chatterley en haar “boswachter” in de regen kan symbool staan voor die vorm van primitivisme. De auteur D.H.Lawrence wordt terecht immers eveneens tot de vitalisten gerekend.
De realistische tegenpool zouden we dan het naturalisme kunnen noemen, met daarbij nog de tegenstelling dat in het vitalisme de seksualiteit aangewend wordt als positieve kracht tegenover de dood (denk maar aan de scène in Jan Wolkers’ “Turks Fruit” als de ik-persoon per se een kind wel verwekken in de kamer boven die van de stervende schoonvader), terwijl het in het naturalisme vaak een destructieve kracht is (b.v. “Nana” van Zola).
Maar hoe broos al die theorieën eigenlijk zijn, kunnen we meteen aantonen door twee goedkope heruitgaven, enerzijds van “Zonen en minnaars” van D.H. Lawrence (Utrecht, Skarabee, 1982, 447 blz.) en anderzijds van een verhalenbundel van de naturalist Guy de Maupassant (“Verlangens en verleidsters”, Amsterdam, Loeb, 1983, 292 blz.). Men kan immers toch moeilijk beweren dat de seksualiteit in de Maupassant bekendste erotische verhaal “Vlieg” een destructieve kracht is?
Tussen haakjes, over “verleidsters” gesproken, ook al is het heerlijke verhaal over “Vlieg” in deze bundel opgenomen, het minste dat men van de naakte schoonheid op de kaft kan zeggen is “dat ze uit haar context is gerukt”. Inderdaad, de meerderheid van de verhalen situeert zich niet direct op het erotische vlak. Vandaar dat wij dit werk ook hebben ter sprake gebracht in “Griezel en gruwel”, aangezien er ook klassieke verhalen in dit genre instaan (b.v. “De Horla”).
Overigens, als we het dan toch over misleidende termen hebben, ook de zogenaamde “platonische liefde” is een totaal foutieve term. Plato pleit in zijn “Symposion” wel voor heel vleselijke liefde!
Hetzelfde betreft het onderscheid tussen erotiek en pornografie. Dat is zo goed als onbruikbaar. Het ene is een positieve term en het andere een negatieve, zoveel is zeker, maar waarop dit dan precies slaat is niet helemaal duidelijk. Op de literaire kwaliteiten? Of op de beschreven hoogstandjes?
Toen Jef Geeraerts in 1969 de staatsprijs kreeg voor genoemd werk, dan spraken zijn tegenstanders van een “staatsprijs voor pornografie”. Ondertussen zullen de normen echter alweer verlegd zijn. Tal van verhalen die in de bundel “Eros gesluierd” zijn samengebracht (ed. Theo Kars, Amsterdam, Loeb, 1982, 361 blz.), zijn ooit ontegensprekelijk als pornografisch bestempeld, anders zouden ze niet anoniem en/of klandestien verspreid zijn. Nu worden ze dus blijkbaar bij erotiek ondergebracht.
In Engeland had ondertussen (sinds 1993) de uitgeverij Virgin de reeks “Black Lace Books” gelanceerd als porno voor en door vrouwen. In 1998 verscheen reeds de honderdste aflevering: “The Name of an Angel” door Laura Thornton, een professor Engelse literatuur uit Leicester.
Merkwaardig genoeg vind ik dat de beste “vrouwvriendelijke porno” werd geschreven door een man, namelijk de Amerikaan Jonathan Fast met “De zuil van jade”, en in een ver verleden ooit nog de echtgenoot van Erica “Fear of Flying” Jong
PLAYBOY
Trouwens, onderscheid erotiek-pornografie? Laten we het maar vergeten, het blijkt gewoon een kwestie van interpretatie zijn. Meer zelfs, de feministen willen zelfs het verschil tussen “zachte” en “harde” porno zien verdwijnen. Dit komt vooral duidelijk tot uiting in “Heksennacht: feministische visies op pornografie” (ed. Laura Lederer, feministische uitgeverij Sara, 1982, 281 blz.). Met andere woorden, een verkrachtingsscène of een omfloerste naaktfoto van David Hamilton, het zijn twee loten van dezelfde boom en de feministen weten er wel weg mee: afhakken! klinkt het resoluut. “If rape is the practice then pornography is the theory.” (Andrea Dworkin)
Zijn hier soms dezelfde rechtse moraalridders aan het woord als die welke Jef Geeraerts liever aan het kruis genageld zagen? Neen, zegt ene Susan Brownmiller in het geciteerde werk maar uit haar uitleg kunnen we enkel afleiden dat zij wél “eerlijke seksuele voorlichting” wil (en dan nog het liefst “vrouwelijke biologie”, wat dat ook moge betekenen, p.67), maar voor de rest vindt zij het ook allemaal “regelrechte vuiligheid”.
Typisch is dat voor de schrijfsters van “Heksennacht” (want het is een grotendeels uit het Amerikaans vertaald boek) het maandblad “Playboy” de grote vijand is. Gloria Steinem slaagt erin de volgende vergelijking te maken: “Een vrouw die Playboy in huis heeft is als een Jood die Mein Kampf op tafel heeft liggen” (p.171). Maar ja, wat wil je,“alle glans en glitter die deze mannenmaatschappij voor vrouwen produceert – de make-up, de schoenen met hoge hakken, de strakke jurkjes – brandmerken ons als vrouwen, even effectief als de gele sterren op de jassen van de Joden in nazi-Duitsland dat deden” (p.179).
Gelukkig zijn niet alle feministen even vooringenomen als deze van “Heksennacht”. Baanbrekend werk op het gebied van vrouwenerotiek kwam bv. van Erica Jong (°1943). Haar romandebuut “Fear of Flying” (1973) werd in het Nederlands commercieel maar toch min of meer terecht vertaald als “het ritsloze nummer” (naar een onderdeel van het boek dat de titel “The zipless fuck” meekreeg). Eigenlijk zijn Jongs romans “picareske” romans, met een vrouwelijke picaro die allerlei (meestal seksuele) avontuurtjes beleeft. In die traditie hoort ook “Every woman deserves an adventure” (1994) van Yvonne Roberts thuis.
In een gesprek met Johan de Geest van “Humo” zegt Erica Jong over het zo verguisde “Playboy”-magazine onder meer het volgende: “Ze verdienen natuurlijk geld door naakte meisjes te tonen, wat voor mij vrij onschuldig is (…) ik heb niet de indruk dat Playboy een slecht blad is: ze hebben me in alle geval meer vrijheid gegeven om te schrijven wat ik wil dan de meeste feministische bladen, die me in naam van het feminisme wilden censureren. De feministen zeiden bijvoorbeeld dat ik niet kon schrijven over een getrouwde vrouw, dat het een lesbische moest zijn… Ongelooflijk hoe repressief ze soms kunnen zijn, en dat nog wel onder het banier van de bevrijding”.
Joske Van Sande (destijds lid van de vrouwencommissie van de KPB) sluit zich hierbij aan: “Je kan niet ontkennen dat porno, vooral dan in de jaren zestig, ook bevrijdend heeft gewerkt. Een heleboel mensen kwamen toen uit een tijd dat er niks te zien en niks te weten was. De bekende 69-houding b.v. zal voor een hoop mensen toen een revelatie geweest zijn. De eerste porno-uitgevers in Nederland kwamen trouwens uit de linkse hoek.”
Maar toch moeten we toegeven dat sadisme steeds prominent aanwezig is geweest in de zgn. erotische literatuur. Dat blijkt heel duidelijk in “Eros gesluierd” en dan nog niet eens uit het verhaal van markies de Sade dat werd opgenomen, maar wel uit dat van de anonieme Victoriaan “Walter” b.v. In zijn verhaal over “Sally” (vertaald door Gerrit Komrij) komt o.a. de typische uitlating voor: “Maar ik moet eerlijk bekennen, nooit heb ik meer van de ontucht genoten dan toen ik haar pijn kon doen” (p. 249).
Een dergelijke brutaliteit kenmerkt ook het slot van het verhaal over “Vally Fischer”. In verschillende varianten keert het trouwens ook elders weer, zodat we het zelfs niet zouden vermelden, ware het niet dat dit verhaal geschreven is door Felix Salten, een naam die u wellicht niks zegt, maar de tekenfilm “Bambi” van Walt Disney des te meer. En inderdaad, de auteur van dit verhaal waarbij we als kind allemaal tranen met tuiten hebben geweend is één en dezelfde persoon. Salten is overigens wellicht ook de auteur van het beroemde boek, waarin prostituée Josefine Mutzenbacher haar avonturen in het Wenen van het begin van deze eeuw vertelt. Men vermoedt wel dat deze verhalen authentiek zijn en dat de dame wel degelijk heeft bestaan, maar het te boek stellen zou door Salten zijn gebeurd.
Hoe dan ook, reeds in 1997, een jaar dus na de affaire Dutroux (al was dit niet de aanleiding voor de studie), kwam Steven Eggermont uit Dendermonde in zijn licentiaatsverhandeling“De polemiek omtrent seksuele media-inhouden” (in het kader van communicatiewetenschappen) tot de conclusie dat jongeren porno (in geschrifte of op beeldband) niet verantwoordelijk achten voor dergelijke criminele daden. Een onderzoek toegepast op 212 jongeren wees uit dat 95 % niet denkt dat porno de gevoeligheid voor seksualiteit doet afstompen; 91 % vindt evenmin dat erotiek de normen zou doen vervagen, noch zet porno aan tot vrouwenhaat (88 %). Integendeel, volgens 68 % wordt erotiek er bespreekbaarder door. Niet dat jongeren zo’n pornoliefhebbers zijn. 85 % heeft het wel al eens bekeken, maar 79 % daarvan knapte erop af. Dat is echter geen aanleiding om om censuur te gaan schreeuwen: je kan nog altijd de knop omdraaien, dat is zowat de stelling. Wellicht vat dat inderdaad nog het beste samen hoe de meerderheid er tegenaan kijkt: men is er eigenlijk geen liefhebber van, maar om te masturberen (nu eenmaal een courante seksuele praktijk voor wie geen verhouding heeft of niet bij zijn geliefde kan zijn) is het blijkbaar handig en daarom wordt altijd wel een pornovideo of -boekje achter de hand gehouden.
In de erotisch bedoelde verhalenbundel “Rose verhalen”, door Martin Ros in 1981 samengesteld voor de vijftigste verjaardag van zijn baas bij de Arbeiderspers, Theo A.Sontrop, staan zeer diverse verhalen, die in het beste geval leuk en onderhoudend zijn, maar vaak saai en vervelend en bijna nooit opwindend. Behalve dan het verhaal van de enige vrouw in deze mannelijke bijt: “Het fenomeen van de bassist” van Eefje Wijnberg.
De reden hiervoor is op de eerste plaats bijna “taalkundig”: mannen hanteren een ander taalgebruik dan vrouwen en dat zint me niet. Zoals vaak kan men dit nog het beste bewijzen door net het omgekeerde aan te halen. Een erotisch boek geschreven door een vrouw waaraan ik nochtans een absolute hekel heb, is “Lust” van Nobelprijswinnares Elfriede Jelinek. En wat schrijft Jelinek op de kaft? “Ik heb met Lust een tegenhanger willen schrijven van Batailles Histoire de l’oeil. Ik wilde vanuit een vrouwelijk gezichtspunt naar het obscene kijken en heb gemerkt dat een vrouw niet over lust kan spreken zonder in de taal van de mannen te vervallen.” Nou, en of!
Het andere bekende werk van Georges Bataille (1897-1962), “De dode”, heb ik gezien in een morsige verfilming door een Amerikaanse underground-“kunstenares”. Toch zou ik alweer zeggen: geef me toch maar liever zijn vrouw, Colette Peignot, waarover Elisabeth Barillé een biografie heeft geschreven. Ze vertelt hierover in Weekendknack van 9/4/1997: “Colette Peignot leefde in de eerste helft van de twintigste eeuw. Ze kwam uit een burgerlijke katholieke familie. Tijdens haar jeugd werd ze benaderd door een priester met perverse neigingen. Ze hield daaraan een walging over voor het katholieke geloof en de lichamelijkheid. Ze had zowel behoefte aan revolte als aan transcendentie. Ze heeft heel extreme seksuele ervaringen gehad. Later ontmoette ze Georges Bataille, met wie ze poogde erotiek en transcendentie te verenigen.”
Hou ik dan nooit van “mannelijke” erotiek? Toch wel, want er zijn natuurlijk ook nog schitterende werken als Mulisch’ “Twee vrouwen” of Maarten ’t Harts “Droomkoningin”, alleen is hier het probleem dat ze door de meesten niet als erotisch worden erkend. Een moeilijkheid die zich uiteraard ook bij vrouwelijke auteurs voordoet, denken we maar aan “Wuthering Heights” van Emily Bronte.
En dan verder eigenaardig genoeg hou ik ook van erotische poëzie, een genre waarmee ik me normaal niet erg inlaat. Bovendien kan dat dan zo uiteenlopend zijn als de speelsheid van de sonnetten van Pietro Aretino (die gestorven is door zich dood te lachen toen zijn zus een schunnig verhaal vertelde) of de bitterheid van Baudelaires “Fleurs du mal”, die erg dicht in de nabijheid komt van het adagium van Pierre Louÿs: “La volupté qui rit n’existe point. Le plaisir touche de plus près à la douleur qu’à la gaieté.” (Les aventures du roi Pausole, p.52)

Ronny De Schepper

(*) “De naakte fee” in 1993 en “Kama Sutra voor de tweede en derde leeftijd” in 1996. En onder het pseudoniem Paul Ticher “De dans van de dromer” in 1983 en “Droomverhalen”, enkele jaren eerder.

(**) Pamela Lyndon Travers was zelf biseksueel.

Selectieve bibliografie
Marie-Jo Bonnet, Les relations amoureuses entre les femmes du XVIe au XXe siècle, Odile Jacob
Natalie Clifford Barney, Nouvelles Pensées de l’Amazone, Ivrea 1996 (oorspr.1939)
Mercedes de Acosta, Here lies the heart (1960)
Honoré de Balzac, Fille aux yeux d’or
Ronny De Schepper, Even dieper ingaan op de lesbiennes, De Rode Vaan nr.40 van 1981
Ronny De Schepper, Meisjes! Ze maken ons kapot, mijnheer! De Rode Vaan nr.25 van 21 juni 1991
Diverse, Spelen met erotiek, speelse SM-verhalen door lesbische vrouwen
Diverse, Venus in vlam, de mooiste verhalen over de damesliefde (Contact)
Emma Donoghue, Passions between women – British lesbian culture 1668-1801, Scarlet Press, 314 blz., 1994
Myriam Everard, Ziel en Zinnen. Over liefde en lust tussen vrouwen in de tweede helft van de achttiende eeuw (Groningen 1994)
“The good, the bad and the gorgeous: popular culture’s romance with lesbianism” van Diane Hamer en Belinda Budge (Pandora, 1994)
Shere Hite, Hoe vrouwen vrouwen zien. Nieuwe wegen tussen genegenheid en rivaliteit (Anthos, 1998)
Margaret Reynolds (edit.), The Penguin Book of Lesbian Short Stories, London, Penguin, 1993
Jane Rule, Lesbian Images, 1975
R.Schenkeveld-van der Dussen, “Met en zonder lauwerkrans” (schrijvende vrouwen tussen 1550 en 1850)
Algernon Swinburne, Lesbia Brandon
Donald Webster Cory, The Lesbian in America, New York, Citadel Press, 1964
52 erotische werken

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.