Wat is het dat de mens noopt de veilige woonstee te ontvluchten en zich massaal naar een of andere plaats in het buitenland te begeven? Iedereen heeft zo wel zijn reden. Zo ook wij vermoedelijk. Al heb ik het me nooit afgevraagd. Desondanks, we vertrokken. Niet zo vaak maar toch. Terugblikkend herken ik wel een patroon. Dat reeds start bij onze nogal bizarre huwelijksreis.

Bizar? Welja, zij diende heel kort te zijn vermits ik enkele dagen later toelatingsexamen zou doen voor het conservatorium, afdeling toneel. Bovendien had mijn nog-verloofde voor ons een kant en klaar trip geboekt, van de NMBS: reis en logies, drie dagen in Heidelberg. Hebben we daar iets bezocht of bekeken? Nee, we dwaalden door de straatjes, en klommen hoog boven de Neckar om op de Philosophenweg te wandelen en daar in de eenzame natuur de dialoog te repeteren die mij de toneelschool zou binnenloodsen want G zou mij daarbij tegenspel geven. Doelloos wandelen, slenteren, sfeer snuiven… Misschien was er voor mezelf een voorbode: toen ik, zeventien jaar, in mijn eentje twee weken in Dover zou vertoeven bij wijze van tamelijk absurde rustkuur, was dit wat ik ook daar deed. Misschien noodgedwongen, veel spectaculairs had het stadje op de white cliffs niet te bieden maar zelfs een bezoek aan het ‘castle’ kon me niet lokken. Ik dwaalde en doolde. Toen al.

Onze tweede buitenlandse reis voerde ons naar Parijs. Nee, de obligate attracties gingen onze neus voorbij. Geen bezoek aan de imposante toren – we blikten wel even omhoog toen we voorbij wandelden. De Mona Lisa keurden we geen blik waard. Wel sloften we, net als schrijver Patrick Modiano die ik toen nog niet kende, over de boulevards en langs de gevels, pauzeerden in bars en in een restaurant, bekeken de mensen. Wel dwaalden we af naar Père-Lachaise, daar konden we net zo goed onze dwaaltocht verderzetten als tussen de gebouwen waar we levende wezens in mochten vermoeden. U hoeft zich niet gefrustreerd te voelen indien u onze volgende reisbestemming niet op de globe van Mercator weet aan te stippen. Al bestond het plaatsje in zijn tijd al wel, toen net als ook nu was het niet zo groot. Nog een 10.000 harde Schotse koppen. Inderdaad Schotland, het verre noorden nog wel. Dat we daar belandden had een nogal vreemde reden, ik had me in het hoofd gehaald een roman daar te situeren. En… alles voor de Muze nietwaar. Er was niks te beleven in dat plaatsje. We hebben er twee weken door de straatjes geslenterd, de autochtonen bekeken, over de kliffen gedwaald en naar de zee gekeken. Dat alles in de mooiste zomer die ze ooit in de Highlands beleefd hadden. Het was hoe dan ook iets naar onze smaak. De straten van onze tussenstops, Edinburgh, Londen, Canterbury ontvingen ons even welwillend. Enkel in Canterbury lieten we ons, theater- en literatuurminded, verleiden tot het bijwonen van een voorstelling van gedramatiseerde Canterbury Tales

Toen was het jarenlang gedaan met dit soort reizen. De kinderen werden op sleeptouw genomen naar zee. Blijkbaar rees de idee niet in ons brein dat we ook met hen nog wel eens buitenlandse horizonten konden opzoeken. En zij moeten er ook niet happig op geweest zijn, of naar gevraagd hebben. Het zou in ieder geval duren tot ze het huis uit waren eer de reislust bij ons weer toesloeg. Zodat men ons jaarlijks plots kon aantreffen op weg naar een zuiderse bestemming. In een autobus. Enkele keren ook in een vliegtuig, meegesleept door een zus van mijn eega of omdat het doel anders onbereikbaar ver was. Maar dit transportmiddel werd tenslotte helemaal in het verdomhoekje gestopt, niet omwille onze voetafdruk maar wegens de extreme vliegangst van mijn partner. Het waren dus steeds georganiseerde reizen met de optie om ter plaatse, tegen betaling, deel te nemen aan excursies. Uitstappen naar grote en kleine steden, weg van het hotel met zon, zee en strand en dolce far niente dat niet aan ons besteed was. Maar ook het al te voorgekauwde lag niet zo dadelijk in onze lijn. Meestal ontsnapten we ter plekke aan de gids en gingen onze eigen gang. Niet alleen bezoeken aan tapijtenmakers die je voor een ‘prik’ een exemplaar thuis lieten bezorgen, of een kijkje in het atelier van een pottenbakker waar iedereen het pand verliet met een tajine of een kameel die fraai op de schouw kon prijken (en die de man waarschijnlijk wekelijks in een kist met enkele dozijnen uit een fabriek liet komen). Nee ook het minder commerciële, meer cultureel geïnspireerde aanbod sloegen we meestal af.

Wanneer we ons toch lieten verleiden, het Alhambra prikkelde onze nieuwsgierigheid toch wel, ontkwamen we toen we binnen waren dadelijk aan de veilige vleugels van onze gids en gingen solitair op onderzoek uit zodat we zelfs daar de meute konden vermijden en rustige plekjes vonden om onze be- en verwondering te botvieren. We schoven ook wel eens aan bij een wijndegustatie, na een busrit kon je geen nee zeggen tegen een glaasje wijn of druivensap, begeleid door hapjes kaas van de buur die hoopte enkele bollen te slijten. Er wordt heel wat handel gedreven tijdens zo’n toeristische rondrit. Aan de doopkapel in Ravenna kon ik ook niet weerstaan, daar liep ik gedwee mee naar binnen omdat ik beslist van de mozaïeken wou genieten. Meestal ontsnapten we zohaast de autobus halthield en de medereizigers nog samengedromd stonden, met heel stille trom; na ons eerst ingeprent te hebben waar en wanneer we ons dienden te melden voor het vertrek of voor de betaalde lunch. Op dat ogenblik begon ons vakantiegeluk…

Dwalen door de kleine straten. De buurten opzoeken waar zich het echte leven ontwikkelde. Daar de geuren opsnuiven. Kookluchten uit openstaande deuren. Een mengelmoes van onbekende kruiden. Parfums. Een bar, verschaalde wijn, bier. Stank uit riolen.  De klanken van een reële wereld tot ons laten doordringen. Een taal die zich opdringt maar waarvan de woorden zelden een betekenis hebben. Soms uit de intonatie een intensie distilleren. Een kijvende stem. Kindergejoel. Verborgen gefluister. Gluren in een buurtwinkel, soms binnenstappen en vreemde producten bekijken, onbekende groenten, fruit – dan misschien een kleinigheid kopen, vreemde snoep met onvertaalbaar etiket. De gevels. Verweerde stenen die zoveel verhalen herbergen. Gesloten luiken. Een openstaande deur, de lange donkere gang. Welke geheimen schuilen diep in deze kamers. 

Een nauwe steeg binnendringen. Duister. Raadselachtig. Beangstigend. Een blinde muur tegenover enkele lage huisjes. Nog bewoond? Dit lijkt geen reële wereld meer. Een scène voor een misdaadfilm. We belanden onverwacht op een pleintje. Het plotse zonlicht bruuskeert ons. Naar adem snakken. Kleurrijke gevels. Een café. Terrasstoeltjes nodigen uit. We verpozen even. Een verfrissing. Opnieuw een straatje. Tussen de huizen een open poort – verwarde geluiden, hameren, kloppen, een werkplaats. Verder tussen een eentonige rij grijze gevels springt een in vele kleuren getint woninkje in het oog. Een bord. Atelier. Een schilder nodigt uit. Behoedzaam wagen we de stap. Laten de grillige vormen en tinten op ons inwerken, wisselen enkele woorden met hun schepper. Keren terug naar de stad. Het is tijd om naar de groep terug te keren, het centrum op te zoeken. Onze weg te vinden uit dit labyrint, te ontsnappen uit deze doolhof. Maar waarom zouden we hier weggaan. Kunnen we niet beter blijven dolen. Ons verdere leven traagzaam slenterend, peinzend, doorbrengen in deze kronkelende straatjes die begin noch einde kennen. Anoniem. Ver van het gewoel. De massa achter ons laten. Het zinloze praten. Verdwalen in de stegen, in de sloppen. In onszelf.

In de loop van zo’n reis was er telkens wel een dag zonder geplande excursie. Een dag die we doorbrachten in het plaatsje waar we logeerden, steevast een kustplaats opdat wie niet mee op stap wou zich kon vermeien met luilekker strandliggen en zonnebaden, niet bepaald ons ding. Straten waren daar doorgaans weinig aanlokkelijk, tenzij voor wie van shoppen hield. Soms konden we een restant van het originele, in verdrukking geraakte vissersdorp ontdekken – dat leverde nog wel eens een wandeling op. Of bood zich onverwacht iets aan als bijvoorbeeld de termen in Montecatini die in de late avond, wanneer de bezoekers van deze in de 16de eeuw gestarte wellness, deze toeristische spa verdwenen waren, een mysterieuze sfeer uitstraalden. We doolden er rond als in een schilderij van de Chirico. En dan was er, ook voor ons, de zee. Zelden vanzelfsprekend om van haar ten volle te genieten in zo’n badplaats waar strand en golven wemelden van badgasten. Trachten zich af te sluiten en louter oog en oor te hebben voor de oneindigheid van oceaan en lucht. Bij valavond, wanneer de zonnekloppers zich richting hotel of appartement hadden teruggetrokken, trad meestal uiteindelijk een moment in dat we onze blik ongestoord in de golven konden laten verwijlen. Dat we tenslotte genoten van het ritme, het aan- en afvloeien, het kabbelen, het oplichten van de schuimkoppen in de verte. Reizen, het was steeds een dwaaltocht, in de kronkelige, mistige sloppen van onze geest.         

Johan de Belie

(Foto van Montecatini van Pietro Colnago via Wikimedia)

Een gedachte over “Het hoekje van Opa Adhemar (103)

  1. Ik genoot van deze tekst, omdat ik vermoed dezelfde eerder asociale (en dit is geen verwijt maar een schouderklop aan een gelijkgestemde) neigingen te beleven telkens als wij reizen. ‘Far from the madding crowd’, een beetje meewarig omkijkend naar de schare toeristen die als een troep schapen ondergaan wat de gids hen voedert.

    Geliked door 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.