Johan de Belie las “Schachnovelle” van Stefan Zweig.

Stefan Zweig schreef zijn novelle ‘Schachnovelle’ (1942) (‘Schaaknovelle’, Athenaeum-Polak 2004), wellicht zijn meest bekende werk, van 1938 tot 1941 toen hij met zijn tweede echtgenote Charlotte Altmann in Brazilië was gaan wonen, in Petropolis nabij Rio de Janeiro, op zijn verdere vlucht voor het nazisme. Op 22 februari 1942 zou hij zelf zijn leven beëindigen. In de periode van vrijwillige ballingschap met ‘Lotte’ speelden ze vaak schaak; daar moet de idee voor dit laatste geschrift zijn ontstaan aan te danken hebben. De intrige speelt op een pakketboot, een reis van New York naar Argentinië, Buenos Aires waar de verteller in kennis gesteld wordt van het feit dat zich aan boord de beroemde Mirko Czentovic bevindt, wereldkampioen schaken. Wie was deze Oostenrijkse Mirko? Jong wees geworden had de pastoor van het onooglijk dorpje de knaap onder zijn hoede genomen. De jongen bleek dom, lui, staarde een ganse dag apathisch voor zich uit. Hij kwam slechts in beweging wanneer hem iets gevraagd werd. De priester vulde zijn avonden met schaken met een vriend waarbij Mirko toekeek met lege blik. Tot op een avond de pastoor weggeroepen wordt, de partij afgebroken wordt – de jongen neemt zijn plaats in en blijkt verbluffend te spelen. Het wordt een roller coaster: via de beste schakers van het dorp, daarna deze van de regio, op naar Wenen, zal hij, inmiddels twintig jaar, onklopbaar wereldkampioen worden. Hij, Mirko Czentovic, die verder niks weet, geen andere interesses heeft, reist de wereld rond. Hij wordt rijk met schaaktornooien. Verliezen staat niet in het woordenboek waaruit hij verder weinig woorden kent. Een idiot-savant?

De verteller is geïntrigeerd: “Hoe meer iemand zichzelf inperkt, hoe meer hij aan de andere kant dicht bij het oneindige is; juist zulke schijnbaar van de wereld afgekeerde mensen bouwen voor zichzelf in hun eigen materie als termieten een merkwaardige en volkomen unieke verkleinde weergave van de wereld”. Hij wil in contact komen met de kampioen, maar hoe? Hem intrigeren… kan louter via het schaken. Hij zet een val op, begint met zijn echtgenote in het salon te schaken. Dit wordt opgemerkt door de rijke Schotse zakenman McConnor die graag een partij wil spelen. Deze blijkt eerzuchtig en wanneer hij verneemt dat er zo’n schaakkampioen op het schip is wil hij het absoluut tegen hem opnemen. Het zal evenwel niet gemakkelijk blijken Mirko tot een spel te bewegen: zijn desinteresse in de schakers is totaal. Aangesproken blijkt dat hij contractueel gebonden is: hij mag uitsluitend betaalde sets spelen. McConnor is graag bereid 250$ te betalen. Natuurlijk verliest hij de partij die heel wat belangstelling genoot. Hij vraagt en betaalt een revanche. Er wordt gespeeld: Mirko trekt zich na elke zet terug in een hoek van de zaal en wacht daar – McConnor heeft telkens tien minuten om zijn volgende zet te doen. Dan keert de meester terug, werpt rechtstaand nauwelijks een blik op het bord, zet zijn stuk, en verdwijnt weer. Plots denkt de zakenman een uitmuntende tactiek te hebben, zijn hand gaat reeds naar zijn pion als een stem hem weerhoudt. Dit zou een kapitale fout zijn, fluistert een man, je moet het volgende doen… Aarzelend zal de Schot verder alle instructies van de onbekende volgen. Mirko blijkt in de war te geraken. En inderdaad, hij die nooit een wedstrijd verliest… deze eindigt onbeslist. Hij heeft ontdekt dat achter dit alles het brein moet zitten van de man die achter McConnor had plaats gevat en wil met deze de uitdaging aangaan op verzoek van de zakenman hoewel de onbekende slechts met tegenzin aanvaardt, immers: hij heeft in geen twintig jaar schaak gespeeld beweert hij!

Het is de verteller die deze Dr. B, een landgenoot van hem, overhaalt het tegen Mirko op te nemen nadat hij in een lang gesprek het ganse verhaal van deze vreemde man heeft aangehoord. Deze bezat een vrij ongewoon advocatenkantoor in Wenen: hij werkte uitsluitend voor het keizerlijk hof en voor abdijen, kloosters, kerken – beheerde alle financiën en deed hun transacties. Naar de buitenwereld bestond het kantoor zelfs niet. Toen de Duitsers in Oostenrijk ‘arriveerden’ slaagde hij er nog net in alle documenten te laten verdwijnen. Maar de Nazi’s, via een spion op de hoogte van zijn activiteiten, wilden de rijkdom van de keizer en van de religieuze instellingen tot de hunne maken en de Gestapo arresteerde hem. Hij werd niet naar een concentratiekamp gestuurd maar, net als andere prominente gevangenen, ondergebracht in het luxueuze Weense hotel Metropole. Daar wachtte hem geen lichamelijke foltering maar psychische terreur. In een geblindeerde kamer, met louter een blik op een bed, een stoel, een kast, zonder besef van dag of nacht, onderbroken door ondervragingen waarbij hij niets onthuldde, leek hij steeds verder op weg te zijn een zenuwinzinking te krijgen. Een niets ontziende foltering waarbij de vraag gesteld wordt wat erger is, de kampen met het lichamelijk lijden of dergelijke geestelijke terreur. Hoe dan ook, de onmenselijke daden van het fascisme worden hier scherp gesteld. De beschrijving is vreselijk.  

Wachtend op een ondervraging zag hij in een jas aan een kapstok een boek. Hij slaagde er in dit uit de jaszak te halen en mee te smokkelen naar zijn kamer. Wat een verwachting! Een boek. Letters. Woorden. Zinnen. Wie weet, Goethe, Homerus… Helaas, het boek bevatte slechts bladzijden vol bevreemdende cijfers en letters. Dan besefte hij – hij heeft toen hij jong was schaak gespeeld – dat dit schaakcodes zijn; het boek bevat honderdvijftig schaakpartijen uitgeschreven door de schaakmeesters van de wereld. Hij bestudeerde en leerde hen gedurende drie maanden tot hij hen feilloos wist na te spelen. Daartoe gebruikte hij zijn geruite deken; van kruimels boetseerde hij abstracte stukken. Wat restte hem nu? Zelf spelen… Dan moest hij zichzelf tot tegenspeler maken. Dat was wat hij dan ook deed. En wat fout liep… Langzaam begon zich in zijn brein een soort ontdubbelingsproces af te spelen. Een wit ik tegen een zwart ik. Een schizofrene situatie die tot waanzin en tot een geestelijke instorting, waarbij hij zich kwetst, leidde. In het ziekenhuis beland werd hij dankzij het advies van de dokter als verder waardeloos voor de nazi’s in vrijheid gesteld en uit het land verbannen.

Het relaas van Dr. B beslaat een groot deel van de novelle. Het is niet alleen een hallucinant, met spanning geschreven verhaal. Het is vooral een schitterend portret van wat in de geest van de mens kan omgaan. De aftakeling door de eenzaamheid, hoe het totale isolement waar Dr. B toe gedwongen werd hem langzaam ontmenselijkte, murw kreeg… Hoe hij zich de partijen weet aan te leren, vooral hoe hij langzaam afglijdt naar de waanzin… Dit alles is zo helder, messcherp en overtuigend geschreven. Maar deze vele bladzijden zijn, in al hun gruwelijkheid (want uiteindelijk is wat gebeurt een ‘subtiele’ foltering) ook zo poëtisch van taal. Hoe Zweig er in slaagt al die scènes een aura mee te geven, er hangt een waas over dankzij de gehanteerde taal, de virtuositeit van de beeldenrijkdom, van de symboliek.

Hoe het tenslotte eindigt? De partij wordt gespeeld. Dr. B heeft gezegd dat dit de enige is die hij ooit zal spelen om zijn broze geestelijke gezondheid te beschermen. In tegenstelling tot wat hij steeds doet, nauwelijks seconden denken eer te zetten, heeft Mirko nu telkens veel tijd nodig. Wanneer Dr. B een zet doet die hem naar de overwinning blijkt te leiden geeft de grootmeester de partij op vooraleer hij mat wordt gezet. En vraagt revanche. Die komt er, ondanks de belofte van Dr. B slechts één keer te spelen. Het zal hem ook te veel worden. In de loop van dit spel slaat de waan toe; hij beweert dat de koning van Mirko schaak staat wat niet geval is, schuift met een pion en moet tot zichzelf komen… Hij geeft op, dit was blijkbaar een zet herinnerd uit een foute partij – hij had zich vergist. Terwijl met de herinnering even de schizofrenie weer leek op te dagen.

Het verhaal, de boetsering en analyse van de psyche van Mirko en Dr. B, deze elementen maken ‘Schachnovelle’ tot een literair kleinood om te koesteren. Natuurlijk zet Zweig ons hiermee aan het denken: het leven is een schaakspel dat ons als een waan zou kunnen meeslepen, en tenslotte schaakmat zetten. Zoals hem gebeurde op 22.2.1942?

Het werk werd in 1960 verfilmd door Gerd Oswald, en recent in 2021 door Philipp Stölzl. Het werd ook meermaals bewerkt voor het theater en er bestaan zelfs twee strips naar deze novelle.

Johan de Belie            

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.