Ter gelegenheid van Open Monumentendag (morgen) neemt Opa Adhemar ons mee naar de mooiste musea van ons land.

Niet dat ik zo’n gepassioneerd bezoeker van musea ben of was maar af en toe bracht ik toch heel graag een bezoek aan één van deze kunsttempels. Uiteraard herinner ik me daarvan talrijke mooie collecties en prachtige tentoonstellingen. Maar wat vooral in mijn geheugen bleef hangen zijn de locaties zelf, of enkele daarvan. En dat zijn dan overwegend de kleinere musea. Die vaak een heel eigen, aparte, meer intieme sfeer uitstraalden. Laat mij u daarom even de gids zijn in mijn geheugen en u geleiden via enkele van deze mooie ruimten.

We starten aan onze kust. In Oostende. Het bekende Ensorhuis (foto beeldbank kusterfgoed). Reeds wanneer ik voor de gevel sta, de ‘vitrine’ bekijk, waan ik mij in een andere wereld. De maskers van James Ensor. De drempel over en de betovering zet zich verder. Een steile trap op. Schilderijen, foto’s. Het intacte interieur van een eeuw geleden. Zie je hier de schilder achter zijn ezel; weinig verbeelding nodig. Aan deze tafel zat hij, onder deze luchter. Hier staat de piano. Kijk hier deze reusachtige vazen, die chinoiserieën. En de maskers natuurlijk. Het licht van de zeezomerdag valt binnen, gefilterd, accentueert de sfeer. Het wordt zwaar me los te rukken uit dit tijdperk, uit dit leven, en terug te keren naar het gewoel van de vakantiegangers die achteloos de kleine gevel voorbij flaneren. Zal ik nog gepast afscheid nemen van de meester bij zijn graf op het kerkhof van O.L.Vrouw-ter-Duinen… nee, het is hier dat zijn ziel werkelijk rust, in dit kleine museum.
Is het ook zo gesteld met die andere tovenaar, Paul Delvaux. Aan hem kon ik niet voorbijgaan. Een favoriet om twee redenen: de Magisch-Realistische sfeer van veel van zijn werken, én zijn fascinatie voor treinen op veel schilderijen. Op naar Koksijde, Sint Idesbald dus. Nee ik figureer niet zo graag als toerist op foto’s genomen ter gelegenheid van reizen; maar in dit geval wou ik toch een souvenir. Er bestaat derhalve zo’n prent waarop ik te zien ben voor de fraaie gevel van het Delvauxmuseum. Mooi bewaard die gevel; deze van het huis, de mijne inmiddels heel wat minder. Maar verder? In tegenstelling tot vorig museum werd danig ingegrepen en word ik geconfronteerd met een moderne locatie. Kille, koele zalen. Afstandelijk. Nu ja de schilderijen zijn uiteraard prachtig, ze ontroeren mij nu ik hen ‘in levende lijve’ zie. En ze komen goed tot hun recht. Maar van sfeer is niet bepaald sprake. Focussen op de werken dus, enkele afbeeldingen kopen voor de verzameling, en wegwezen. Richting Brussel.
In de hoofdstad heb ik veel rondgewandeld en geoogst. Uiteraard had je daar het overbekende Hortahuis. Volledig bewaard zoals het rond 1900 gebouwd werd. Een woning die zichzelf tot museum van de Art Nouveau maakte. Bestraald door het licht dat binnenvalt via een immense glazen koepel, een monumentale trap… mozaïeken, muurschilderingen, glasramen, het complete meubilair. Ik dwaal via eetkamer naar salon. En bevind mij niet alleen in een ander tijdperk maar ook in een totaal andere cultuur. Hier heb je voeling met een kunstuiting, een verfijning zoals moeilijk elders te vinden. Het is een bad, een onderdompeling in een stijl. Uniek. Dan met de tram een eindje weg uit het centrum. De Tervurenlaan. Besneeuwd het landschap. De villa’s. Een sprookjeswereld. Magisch. Uitstappen. Een zijstraat. Stilte. Geen levend wezen. Een andere planeet. Het wit verblindt. Langsheen de vijver die aarzelt of hij inmiddels reeds bevroren is. En dan de drempel overschrijden van de tempel. Kan dit in een ander seizoen? Kan dit wanneer de zon mij zou verwarmen en het rond het water zou gonzen en krioelen? Hier past toch het gewijde. Het roerloze. De Wittockiana. Een verzameling van Europese boeken, manuscripten en brieven sedert de renaissance tot nu. Een collectie die teruggaat tot de 16de eeuw, opgezet door de industrieel Michel Wittock. Zwijgend dwaal ik rond, mijmerend. Die handschriften. Al die woorden tot zinnen gesmeed. Die zinnen, die gedachten, die ideeën, die verhalen. Hoe ze allen hun plaats vonden in deze honderden en honderden boeken. Ik duizel. Eerbied. Maar veeleer: liefde. En dan, vreemd, ontdek ik nog in de marge een collectie van vijfhonderd rammelaars, afkomstig uit alle landen van de wereld, de oudste daterend van veertig eeuwen geleden. Welke vreemde vogel bracht hen samen, wie had voor zo’n voorwerp interesse…
Een vreemde vogel! Laat ik van Sint-Pieters-Woluwe terugkeren naar het centrum, de Vautierstraat. Daar woonde en werkte Antoine Wiertz (1806-1865). Hij verkreeg huis en atelier van de stad Brussel in ruil voor vijf monumentale schilderijen. Dat was zo’n beetje zijn handelsmerk, zoals het beroemde ‘Grieken en Trojanen vechten om het lijk van Patroclus’. Een product van de romantiek deze Wiertz. Zijn thema’s haalde hij vooral uit de mythologie en de geschiedenis. Maar hij was ook gefascineerd door de broosheid van het leven, door de dood. Getuige o.m. het prachtige ‘De mooie Rosine’, een meisje in confrontatie met de dood. Nederig was hij niet, deze schilder. Hij oordeelde zichzelf in zijn brieven de meerdere van Rubens en Michelangelo! Een niet zo groot museum, en niet iedereen zal bezwijken voor de soms logge figuren en de onderwerpen. Zoals Hendrik Conscience die de laatste vijftien jaren van zijn leven in het huis woonde en, onvermijdelijk steeds met de werken geconfronteerd, er een grondige hekel aan had. Hoe dan ook: sfeervol, én in de tuin vinden we een reconstructie van de ruïne van een tempel te Paestum die Wiertz daar liet bouwen. Vreemde vogel, zei ik het niet! Voor het volgende museum moeten we opnieuw de hort op, naar de Erreralaan 41, het Van Buurenmuseum en -tuin. Gebouwd in 1928 door het echtpaar David en Alice Van Buuren. Om het te betreden dien je wel pantoffeltjes over je schoenen te trekken: de unieke tapijten en andere vloerbekleding verlangen bescherming. Een echte Art Déco woning. En zo is alles wat zich binnen bevindt: meubels, glasramen, gebruiksvoorwerpen. Een unieke luchter van 700 kg, kleurrijk, in brons en gekleurd glas betovert mij. Een overdaad van schilderijen en beeldhouwwerken van de 15de tot de 20ste eeuw tref je aan. Permeke. Ensor. Brueghel. Rik Wouters. Broederlijk… Daar staat de piano van Erik Satie. Want het echtpaar telde veel vrienden, Prévert, Magritte, Christian Dior, Gustaaf van de Woestijne, de koninklijke familie was er vaak te gast, en ooit trad Elvis Presley op in hun Rozentuin. Die tuin zelf is een bezoek reeds waard. Hij is prachtig aangelegd, nodigt uit tot een wandeling. Maar later werd er een rozentuin aan toegevoegd. En daarna, op instigatie van Alice Van Buuren, een labyrint met daarin verweven zeven teksten uit een Hebreeuws liefdesgedicht uit de eerste eeuw voor Christus. Tenslotte creëerde zij nog ‘Le jardin du coeur’, ter herinnering aan haar overleden echtgenoot – een tuin met hartvormen, geschikt om te zitten mijmeren en mediteren. Waar zij ook een ceder uit Libanon voor naar België haalde.
Met de drie volgende musea wijk ik af van mijn voorliefde voor kleine musea. Dat heeft zo zijn reden. Wat de eerste twee betreft: ik bezocht hen – vrij uitzonderlijk – in het gezelschap van mijn zoon. We richtten op een zonnige dag onze schreden, treinsgewijs, richting la capitale. Op zijn verzoek dacht ik, eerst naar het Instrumentenmuseum, gelegen hartje Brussel aan de Hofberg. In het voormalig Old England, een grootwarenhuis. Deels een gebouw in Art Nouveau. Een enorme hoeveelheid instrumenten van de ganse wereld en van alle tijden, zo’n 9.000 exemplaren. Partituren. Een shop. En helemaal on top een panoramisch zicht over de stad en een goed restaurant. Voor de liefhebbers… Daarvandaan slechts enkele stappen en levensgevaarlijke oversteken: naar het immense Museum voor Schone Kunsten. Dat mag je, als kunstminnend passant, niet voorbij lopen wanneer je in de stad bent. Zodoende lieten we de overvloed aan schoons en minder fraais (in onze ogen) voorbij trekken tot we meer dan verzadigd waren. Heel leuk, als herinnering, was het feit dat we enkele keren in die verder verlaten gangen en zalen David Bowie ontmoetten die eveneens zijn brok cultuur kwam opsnuiven. Tot zover een dagje musea met twee. Het derde van de grote museums die ik wil vermelden is één dat me dierbaar is. Het werd opgericht in 1892 en bevindt zich op nauwelijks tien stapminuten van het RITCS waar ik enkele jaren een toneelopleiding volgde. Het Museum van Elsene. Een voortuin. Een klassieke gevel met modern herbouwde ingang. Dan grote ruimten die soms tot kleinere, intiemere herschikt werden. Een galerij boven rondom. Sfeervol, modern ingericht en toch bleef iets bewaard van jaren her, het gebouw zelf ademt de voorbije eeuw. En hoe vaak ik er ook kwam… de werken die men wisselend toonde uit de vaste collectie: Magritte, Permeke, Dürer, Vasarely, Alechinsky, Christo, Rops, Rik Wouters, Appel, Chagall, Delvaux, Warhol, Miro, Picasso, Raveel. En de talrijke unieke tentoonstellingen die ik er bezocht. Telkens vernieuwend, gedurfd, origineel, met passie en vakkundig samengesteld en ook opgesteld. Zo bvb. deze met louter tekeningen van Victor Hugo. Of deze over het expressionisme in Oostenrijk. Of over Frantisek Kupka. Over Anselm Kiefer. Om niet te vergeten de collectie van 600 affiches uit de Belle Epoque en 31 van de 32 die ontworpen werden door Toulouse-Lautrec; een unieke verzameling die in het bezit is van dit museum. Om wat er te zien is en omwille van de sfeer die van dit grote museum toch iets intiem maakt zodat er een stille rust uitstraalt, bleef ik er van houden. En, vermoeid?, niet ver er vandaan kan je gezellig in een koffiehuis talloze soorten koffie degusteren, met een plakje cake erbij. 
Voor de laatste musea moeten we een eindje verder op reis gaan. Nu ja, ver is een relatief begrip. Eerst naar Namen. Het museum van Félicien Rops (1833-1898). Simpelweg omdat ik zoveel van hem hou. Samen met Magritte en Delvaux is dit enfant terrible van onze schilderkunst één van mijn idolen. Het museum is gelegen aan de rue Fumal in het centrum van de stad, nabij het geboortehuis van de schilder. Nostalgisch. Met een overdaad van schilderijen, tekeningen, litografieën, brieven. Het ademt de sfeer van jaren her maar vooral: het gunt ons een blik in die bizarre wereld van Rops. Hier kan ik gniffelen om de (politieke en sociale) spotprenten – Rops nam mens en maatschappij graag op de korrel, vooral de bourgeoisie zou het ontgelden, en de kerk. Maar er zijn ook de ingetogen portretten, van een ‘oude Antwerpse vrouw’ bijvoorbeeld. Of landschappen van Sevilla en Monaco. Illustraties voor boeken, omslagen van tijdschriften. En bovenal uiteraard zijn magistrale werken: erotische doeken en tekeningen waar hij meteen vaak de dood laat optreden. Gruwel en seks. Vrouwen en skeletten. Demonen en griezelfiguren. Het werd dikwijls niet in dank aanvaard. Wel plaatste het hem in het middelpunt van de belangstelling; niet uitsluitend hierdoor, zijn technieken stonden garant voor meer. Een wandeling door de zalen van dit middelgrote museum is een ontdekking van de boeiende persoonlijkheid van Félicien Rops, maar ook van de tijdsgeest en het cultureel tijdperk. Rops, het boegbeeld van de Belgische avant-garde. Is het een zonnige dag? Dan besluit ik het bezoek met een wandeling in de mooi aangelegde tuin en daarna met een drank op een taverneboot aangemeerd op de Maas; misschien een Mort Subite?

Tenslotte neem ik u mee naar Lissabon. Hoewel niet echt want het beroemde Gulbenkian, opgericht in 1969, bezocht ik nooit. En het zal allicht ook niet gebeuren. Waarom ik het dan toch vermeld? Vele jaren geleden ondernamen twee collega’s een fietstocht naar Portugal. Bij hun terugkeer brachten ze in hun zwaarbeladen fietstassen en rugzakken een onverwacht souvenir voor mij mee: een kanjer van een boek gekocht in – en handelend over – het Gulbenkian. Boordevol foto’s en informatie. Garant voor uren kijk- en leesgenot, om vele jaren later soms nog ter hand te nemen en te doorbladeren. En zo door de diverse afdelingen te dwalen: Oosterse en klassieke kunst; Islamitische; het Verre Oosten. En tenslotte de Europese afdeling met schilderijen en beeldhouwwerken van de middeleeuwen tot nu, met manuscripten, meubels, gebruiksvoorwerpen. Ik kijk zo naar Dürer, Rembrandt, Rubens, van Ruisdael, Anton van Dyck, Degas, Rodin, Turner… en ik hoef niet naar Lisboa. Misschien beleefde ik met het boek wel veel meer genoeglijke uren dan een reëel bezoek me had opgeleverd?
Tot zover deze rondgang. Natuurlijk is hij strikt persoonlijk, er zijn nog talloze andere boeiende musea te ontdekken en vermeldenswaard. Dit was louter een individueel nostalgisch grasduinen in favoriete gangen en zalen, kijken naar beelden die mijn netvlies troffen, en vooral sferen waarin ik mezelf nog steeds – herinnerend – kan laten wegdromen. 

Johan de Belie

4 gedachtes over “Het hoekje van Opa Adhemar (24)

  1. Elvis in Brussel? Dat is toch als grapje bedoeld? Elvis heeft nooit in Europa opgetreden. Toen hij voor zijn legerdienst in Duitsland gestationeerd was, heeft hij alleen Parijs bezocht en daar bestaan videobeelden en foto’s van. Ooit heeft hij eens zelf de intentie gehad om naar de UK te komen, maar dat werd direct in de kiem gesmoord door Parker. En we weten allemaal waarom: Parker was illegaal de USA binnengekomen en als hij het grondgebied verliet dreigde hij nooit meer te mogen terugkeren.

    Liked by 1 persoon

  2. Het staat zo vermeld in het boek uitgegeven door het museum zelf. Indien het zo was zal het allicht geen groots optreden geweest zijn. Er is vermeld ‘in de tuin’.
    Nu hoeft het misschien niet niet te verwonderen indien het echt gebeurde. Het ging daar vreemd aan toe, met bezoekers van alle pluimage: kunstenaars van alle strekkingen, adel, koninklijk bloed, de rijksten der aarde (jodenconnectie)… een bizarre wereld. Hoe Elvis daar terecht kwam ooit???

    Liked by 1 persoon

    1. Uit ‘Musée et jardins Van Buuren’ (Isabelle Anspach, conservator, kunsthistorica; Mercatorfonds 2007).
      Pagina 15: “… La reine Elisabeth se rend à la maison Van Buuren pour y écouter les lauréats du concours créé à son instigation. Relevons encore qu’Elvis Presley est venu chanter dans la roseraie.”
      Waar die informatie vandaan kwam?

      Liked by 1 persoon

  3. Ik betwijfel niet de tekst maar wel het waarheidsgehalte ervan. Elvis was toen zo “hot” news dat hij geen voet kon verzetten zonder dat er foto’s van geschoten werden. Als dit van Brussel ooit zou gebeurd zijn, zou er wel wat meer heisa over ontstaan zijn, zeker in de pers. Bovendien kon hij zich geen meter verplaatsen zonder “bodyguards”, want die waren ook aanwezig tijdens zijn legerdienst. Hij was daar gehuisvest in een burgershuis om hem zoveel mogelijk af te schermen van de buitenwereld, en dan zou hij zomaar naar Brussel gaan. Bovendien kan ik mij zeer moeilijk Elvis voorstellen in gezelschap van intellectuelen en/of kunstliefhebbers, cultuurbarbaar dat hij was. Er wordt ook geen datum aangegeven wanneer dat zou geweest zijn. Als het tijdens zijn legerdienst was, dan is het zeker te betwijfelen omdat toen de betere burgerij hem wel kon uitspuwen. Voor mij is het alleszins wishful thinking van de auteur, of om het boek wat meer glans te geven?

    Liked by 1 persoon

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.